Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Mozaïsch en Romeinsch recht : eene vergelijkende rechtsstudie - pagina 68

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Mozaïsch en Romeinsch recht : eene vergelijkende rechtsstudie - pagina 68

Rede, gehouden bij de overdracht van het rectoraat der Vrije Universiteit

2 minuten leestijd

60

Mjl bestond, orfder Israël niets gevonden wordt. In geld en goed ligt een der hechtste steunpilaren voor eene hiërarchie, gelijk dan ook haar aard niet zelden hierin uitkomt, dat even onverschiUig als zij is voor het geestelijke goed, zij het stoffelijk goed begeert, en dan ook uit hare gemeenschap eer hen bant, van wie zij gevaar voor haren stoflfelijken rijkdom ducht, dan wie de geestelijke schatten rooft uit haren kring. • Aan Levi was buiten de 48 steden en haren naasten omtrek geen landbezit geschonken; zelfs was hij voor zijn onderhoud goeddeels aan wat in offerhande en vrijwillige gave gebracht werd, gebonden, en heet het dan ook bij de landplaag van Juda, dat de priesters, des Heeren dienaars, treuren, wijl spijsoflfer en drankoffer van het huis des Heeren afgesneden zijn. (Joel 1: 9) Zoo werd een nauwe samenhang tusschen de priesters en het overig deel des volks bevorderd, maar, wel verre van eene in stoffelijken zin zeer voorname plaats in Israels volksleven te bekleeden, wordt de Leviet in éénen adem telkens met de weduwe en den vreemdeling genoemd. Aan den anderen kant echter schittert in dit bestel voor den stam van Levi hooge eere. „Gij zult in hun land niet erven, en gij zult geen deel in het midden van hen heden hebben;" zoo spreekt de Heere tot Aaron, „Ik ben uw deel en uwe erfenis in het midden van de kinderen Israels." (Num. XVIII: 20) Gelijk, naar de schoone opmerking van Kübel, in het priesterdom gansch Israël afgebeeld is, zoo wordt in het onttrekken van een aardsch erfdeel, en het wijzen op den Heere zelf, als hun deel en hunne erfenis, voor gansch Israël afgebeeld, dat, al wat zij bezitten, in de eerste plaats eene gave Gods is; dat Israël niet van den bodem en de vrucht des wijngaards leeft, maar ook, naar gewoon maatschappelijke verhouding, alles in de eerste plaats als gave Gods beschouwen moet i). Uit des Heeren hand zullen zij blijven leven, ook als het manna ophield de dagelijksche spijs te zijn. En waar dit bedoeld werd, is het zeker niet vreemd, dat men ook verschillende maatregelen genomen vindt om het jagen naar vermeerdering van stoffelijk vermogen tegen te gaan, en opeenhooping van rijkdom te stuiten.

1) T. a. p., bl. 29.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1890

Rectorale redes | 100 Pagina's

Mozaïsch en Romeinsch recht : eene vergelijkende rechtsstudie - pagina 68

Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1890

Rectorale redes | 100 Pagina's