Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Mozaïsch en Romeinsch recht : eene vergelijkende rechtsstudie - pagina 38

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Mozaïsch en Romeinsch recht : eene vergelijkende rechtsstudie - pagina 38

Rede, gehouden bij de overdracht van het rectoraat der Vrije Universiteit

2 minuten leestijd

so dit is het wezen der theocratie — deed de Heere zulks wèl. In zoover stelde Hij zich op ééne lijn met alle aardsch gezag. I G-elijk de laatste mannelijke Oranjetelg onze Koning is, alzoo was G-od zelve de Koning Israels. Daarom het Hij zich dan 1 ook, zegt Witsius (§9), een paleis bouwen reeds in de woestijn, met het heilige als verblijfplaats van 's Konings hofbeambten, en het heilige der heiligen als alleen voor de Goddelijke MaI jesteit zelve bestemd (Ps XCIX: 1). Evenals de Oostersche vor' sten gewoonlijk in weinig toegankelijke plaatsen verwijlden, zoo troonde ook de Heere, opdat de bedoeling van zijn werkelijk koningschap te beter verstaan wierd, insgelijks in een streng afgesloten heihgdom (§ 10). Zooveel doenlijk slechts moest alles wezen als in een gewoon paleis. Daarom het brood steeds op tafel, en het vuur brandende (§ 13). De Heere wilde geacht worden o ^ e r zijn volk te wonen, evenals andere Koningen te midden hunner onderzaten hun verblijfplaats hebben. Ook slijt Israels vorst aüerminst in ledige rust zijn tijd. „Quidquid exspectari a vero Rege potest, abunde a Deo Israëlitis est praestitum." (§ 15) Niet alleen gaf Hij de wet aan zijn volk, maar ook werd door hem de rechtsspraak geoefend, met vermaning aan de ,, onder "-rechters, dat in wezen alle rechtspraak aan den Heere_ toekomt (§ 17). Art. 149 der Nederlandsche Grondwet I luidt: ,,Er wordt alom in het Rijk recht gesproken in naam des I Konings." Alzoo wordt ook in Deut. I_: 17 gezegd : ,,Het gericht is^ Gojes;" waarom het te zwaarder overtreding is, „als zij den rechtvaardige voox geld verkoopen, en den nooddruftige om een paar schoenen." (Amos II: 6) De Middelaar weigerde een geschil over erfrecht te beslissen. (LukaS; J S ^ X I | | : 13 en 14) Maar waarlijk niet, omdat die aardsche aangelegenheid te laag was voor zijne aandacht. De drieëenige God, Koning van Israël, had immers ' uitspraak in de zaak van Zelafead's dochters gedaan. Maar Jezus Christus was Middelaar en niet Koning. Yan daar het verschil. Dit koningschap des Heeren viel niet weg, als het beloofde land was in bezit genomen. Het bleef, gelijk Gideon betuigt, ook toen er richters waren: ,,Ik zal over u niet heerschen, ook zal mijn zoon over u niet heerschen; de Heere zal over u heerschen". (Richt. VIII i 23) ,,0 felices sub coelesti hoc Rege Israëlitas, si bona sua novissent!" (§ 22) Zelfs bleef de theocratie, toen het volk eenen Koning begeerde

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1890

Rectorale redes | 100 Pagina's

Mozaïsch en Romeinsch recht : eene vergelijkende rechtsstudie - pagina 38

Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1890

Rectorale redes | 100 Pagina's