Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Mozaïsch en Romeinsch recht : eene vergelijkende rechtsstudie - pagina 21

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Mozaïsch en Romeinsch recht : eene vergelijkende rechtsstudie - pagina 21

Rede, gehouden bij de overdracht van het rectoraat der Vrije Universiteit

2 minuten leestijd

13 evenals Exodus XXI dit doet, en dus bestaat daar voor de vrouwen, — geen wonder dan ook, dat zij in Nederland, nu twee jaar geleden, het kiesrecht verloren! — de slavernij nog altoos voort 1). Max Wandl schrijft: „Die jüdische Magd steht dem jüdischen Knecht in allen Momenten gleich", enz. ^). Saalschütz '') en Kübel *) verklaren zonder aarzelen, dat hetgeen in Exod. XXI : 2 gezegd wordt, ook gold voor de vrouw. Volgens Keil •^) sprak die toepasselijkheid van zelf «). Maar reeds de Romeinen wisten, dat het non intelligere quod omnes intelligunt ook buiten kwade trouw geen zeldzaamheid in het leven is. Toch mogen we hiermee Dr. Wildeboer niet laten gaan. Door hem werd van slaven en slavinnen gesproken. Intusschen handelt bedoelde plaats bepaaldelijk van een' Hebreër, die in dienstbaarheid.is^ De gewone vertahng spreekt ook niet van slaaf, maar van een' Hebreeuwschen knecht. En Max Wandl, die nadrukkelijk de meening bestrijdt, als ware slavernij onder de Israëheten niet voorgekomen, schrijft nochtans: „G-leiches Blut ist in den altesten Zeiten nirgends, bei dem jüdischen Volke überhaupt niemals geknechtet worden." Es musz jeden objektiv Denkenden höchlich verwundern, dasz die meisten Forscher, um nicht zu sagen alle, die Konsequenzen des Bibelsatzes: „Die ich aus dem Lande Aegypten geführt, sind meine Knechte. Sie dürfen nicht verkauft werden, wie man Sklaven verkauft (Leviticus 25, 42)" scharf zu ziehen nicht imstande sind. Es gab bei den Juden Sklaven, aber keine jüdischer Abkunft." ') Wat Prof. Wildeboer te dezen aanzien zegt schijnt dus wel in allen deele geheel onjuist te zijn. 1) Ook de wet van 5 Juli 1864 (Stbl. n*. 83), houdende verhooging der tegemoetkoming aan de slaveneigenaren op het eiland St. Martin. 2) T. a. p., bl. 27. 3) T. a. p., bl. 700. *) T. a. p., bl. 74. ^) SiUischer Conimentar über die Bücher Mose's, Bd. II. 2de ed. op Deut. XV :12 (bl. 480 en volgg.). Michaëlis, t. a. p., dl. II, § 127, beperkt de wet, zooals Dr. Wildeboer wil, tot den knecht, maar zonder daarvoor beter argument aan te voeren, 8) Ook bij Jeremia XXXIV: 9, 10, 11, 16, staan de knecht en de maagd op ééne lijn. 7) T, a. p., bl. 14.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1890

Rectorale redes | 100 Pagina's

Mozaïsch en Romeinsch recht : eene vergelijkende rechtsstudie - pagina 21

Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1890

Rectorale redes | 100 Pagina's