Mozaïsch en Romeinsch recht : eene vergelijkende rechtsstudie - pagina 73
Rede, gehouden bij de overdracht van het rectoraat der Vrije Universiteit
65 van • „runderen en klein vee, alles wat onder de roede zal doorgaan" moest worden opgebracht. (Lev. XXYII:30—33; Num. XYIII: 24) Dan moest jaarlijks nog een ander tiende worden besteed. Twee jaar achtereen voor een feestmaal te Jeruzalem (Deut. XIV: 22—29), en het derde jaar ten behoeve van Leviet, vreemdeling, wees en weduwe. (Deut. XXVI: 12) Buiten de offerhanden, geloften en kosten voor reizen moest de Israëliet dus reeds een vijfde deel van zijn inkomen missen. Wel kon hij daarover allerminst klagen, en dit als een drukkenden last beschouwen. Met wat hij voor den dienst der Levieten opbracht betaalde hij slechts het losgeld voor zijnen eerstgeborene, in wiens plaats de stam van Levi tot het Heiligdom geroepen was. Maar ook zou het andere tiende hem juist zegen brengen. Het is zoo moeielijk de praktijk des alledaagschen levens binnen den kring des geloofs te' trekken. Met allen valschen schijn te breken, en alle ellende te durven peilen. Te arbeiden in het geloof Ook bij bezetten tijd, als de phcht het eischt, wat bij uitstek tij droovend geheeten wordt, niet naar den achtergrond te schuiven, maar daaraan toch de hand te leggen, in het kinderlijk vertrouwen, dat, gelijk Hem duizend wegen ten dienste staan om alle onze buiten het geloof zoo voorzichtig overlegde berekeningen te verijdelen, het evenmin Hem te wonderlijk is om ons de uren van den dag als te verdubbelen. Ook de huishouding moet naar 's Hoeren ordening worden gevoerd. Zoekt eerst het koninkrijk Gods en alle deze dingen zullen u worden toegeworpen (Matt. VI : 33). De godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens (1 Tim. IV : 8). Wie op deze woorden let met ernst, moet verwonderd zijn, dat ons leven niet meer gedrukt is; dat de deuren niet veel meer op hun hengsel kraken; dat nog velerlei betrekkelijk goed loopt, en niet reeds lang alles stuk gewrongen en uiteengebarsten is. Wie zal het wagen daarnaar den overvloed te meten, die ons deel kon zijn; het vlak loepen en in elkander passen te berekenen, wat aanschouwd kon worden, zoo deze grondordening van het menschelijk leven niet tot zelfs door hen, die 'sHeeren Naam belijden en zijn Woord erkennen, telkens, dagelijks, kortweg onderstboven wierd gekeerd. De Heere ziet het wel, al zal wel5
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1890
Rectorale redes | 100 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1890
Rectorale redes | 100 Pagina's