GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

HET BOEK VAN DE WEEK

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

HET BOEK VAN DE WEEK

11 minuten leestijd

„In de Schaduwen van Morgen".

Prof. Huizinga schrijft terecht dat er ia het oordeel een aanzienlijke mate van losheid is gekomen. En hij vervolgt: „Ook die losheid kan heilzaam zijn. Maar zij betoekent voor den geest dikwijls ©en zeker zweven tusschen vaste overtuiging en een behaaglijk: spel met denkbeelden. Voor den geest, die zich streng beproeft... wordt de beslissing „dit meen ik waarlijk", moeilijker. ^) Voor den oppervlakkigen geest wordt die beslissing des te gemakkelijker."

De oplossing van de gewichtige vraagstukken, die hier aangeroerd zijn, wordt bepaald door onze wereldbeschouwing, ook in de zaken des geloofs. Het is ©en groot kwaad om het verstand, die heerlijke gave van den Schepper, te minachten. Dat die gave door velen misbruikt is als een middel om zich tegen God te keeren, mag voor ons geen reden zijn om haar weg te werpen. Het spreekt vanzelf, dat wij met het verstand niet alles kunnen doorgronden. God schonk den mensch meer dan het verstandelijk kennen om van den rijkdom der schepping te kunnen genieten. Het past ons echter niet om te twisten over de waarde van die middelen; wie de intuïtie eenzijdig verheft en de „Wesensschau" gelijk stelt met het geloof, dwaalt even sterk als de rationalist, die de rede vereert als de eenige bron van kennis. Dat de moderne levensfilosofie zich verzette tegen het rationalisme en protesteerde tegen de door dat stelsel veroorzaakte armoede op geestelijk terrein, maakt haar nog niet tot een verwante van de Chr. religie. Ons verstand is zeker niet bij machte om uit zich zelf op te klimmen tot God: Pascal heeft die onmacht op ontroerende wijze onder woorden gebracht. ^) Maar het hart, waarvan deze denker zegt dat het de nabijheid van God kan gevoelen, is niet identiek met de intuïtie der moderne wijsbegeerte. Het geloof is geen functie van den menschelijken geest, het richt den geheelen mensch met al zijn vermogens, opdat hij God diene, opdat hij wandele in de waarheid.

„Tot dat wandelen in de waarheid behoort echter ook het verwerven en bezitten van kennis" i"): kennis van God, voorzoover Hij zich heeft geopenbaard, kennis ook van Zijn schepping, voorzoover wij omtrent haar mededeeling ontvangen uit den Bijbel en voorzoover w; ij haar kunnen onderzoeken.

Hoewel onze kringen geleden hebben door de overheersching van het intellectualisme en het rationalisme, hebben zij zich toch ook geweerd tegen het binnendringen van de irraüonalistische stroomingen der wijsbegeerte. De verzaking vjj het kennis-ideaal werd terecht als een groot o. vaal' gevreesd. Die verzaking moest wel tot gevo)» hebben, dat de „normen van ons geestelijk levei werden aangetast en ondergraven". Ook Prof. Htó zinga ziet dat gevaar zeer duidelijk. De _grootf verdienste van zijn boek is wel dat hij met veel ernst daarop wijst, zoo dat ©en ieder wel naar hem moet luisteren.

„Daling van de kritische behoefte", zoo lezen wij „vertroebeling van het kritisch vermogen, bederf van de functie der wetenschap, het duidt wel on ©en ernstige stoornis der cultuur. Wie echtej meent, met het aanwijzen van deze symptomen het kwaad in beginsel af te weren, vergist zicli deerlijk. Wiant nu klinkt de heftige tegenwerpin. van hen, die zich de dragers wanen van eej komende cultuur. Maar wij willen niet dat beproefde kennis ten troon worde verheven om [, beslissen over onze daden. Ons doel is niet dienken en weten, maar leven en doen. Zie hier het cej. trale moment der beschavingscrisis: het conflict tusschen kennen en bestaan".

Het centrale moment ? Maar dit conflict kan slechts daar optreden, waar de menschheid zjcii vari God heeft afgewend, waar de ontreddfïrea4 werking der zonde haar heilloozen arbeid kan voortzetten, omdat iedere wil om haar te weerstaan ontbreekt. Het eenzijdig den nadruk leggen op het natuurlijk leven, is evenals de eenzijdige verheffing van de een of andere functie van dei menschelijken geest, het gevolg va, n de breuk mei den Schepper en daarom een ondermijning vat den ©enigen bestaansgrond van den mensch.

Het is, schrijft Prof. W: . J. Aalders in zijn indrukwekkend boek „De Nood des Tijds", „inderdaad (©en groot verschil, of ik uitga van mijzelf en zoo alles buiten mij schep of vorm; dan wel of ik mij van meetaan besef als levend en in verba, nd met een grooter geheel, een wereld, en deze als een schepping van God, die zoowel mij als de wereld draagt." „De vloek van onzen tijd is", gaal de .Groningsche hoogleeraar verder, „dat hij den mensch geïsoleerd heeft va, n de wereld, zooals en omdat hij deze geïsoleerd heeft van God Dat ons leven niet ons leven is, maar door Hoogere macht wordt beschikt, dat deze wereld tenslotte niet voorwerp is van ons handelen én begrijpen, maar onderworpen aan Hooger bestel en geza» dat over de geheele linie van ons mensch-zijn geldt: „Wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebtf dit besef ontbreekt in het leven en bij het denken. Z ij staan veel ootmoediger tegenover de lotsbedoeling en het wereldbestuur die met dezen „goddelijken achtergrond van de werkelijkheid rekenen"."

Dit besef ontbreekt in het leven en in het denken — vandaar die eenzijdige waardeering van de menschelijke existentie en van de ratio, vandaar de bodem-loosheid van het moderne leven.

Bij h-et licht dat deze gedachten ons schenken, leeren we den diepen zin verstaan van Prof. Huizinga's meening over het huidige conflict van kennen en bestaan. Nieuw is dat conflict volgens hem niet.

„De principieele ontoereikendheid van onze kennis", lezen we, „is al in de vroegste dagen der wijsbegeerte begrepen." De werkelijkheid die we leven is niet te benaderen met de middelen van den geest. Maar de denkers van den modernen tijd „bogen de gedachte af van haar richting op God, en lieten haar verzanden óf in nihilisme èf in een cultus van het aardsche leven". Zij „beleden de onderschikking van den wetensdrang aan den 1 e ve n s w i 1". Deze wending van den geest is het eigenlijke proces, dat het gev4 waarin wij verkeeren, beheerscht."

„Heeft ooit", zoo vraagt Prof. Huizinga verder, „©en vroegere cultuur aldus het kennisideaal verzaakt? — Het schijnt niet mogelijk, een historische parallel ter vergelijking te vinden. Een stelselmatig philosophisch en praktisch anti-intellectualisme, zooals wij het tegenwoordig beleven, schijnt inderdaad iets nieuws in de geschiedenis der menschelijke beschaving. Er zijn zonder twijfel meermalen in de geschiedenis van het denken wendingen geweest, waarbij een te ver doorgevoerd primaat van het begrijpen werd afgelost door een vooropstelUng van den wil. Maar waarheid beseffen bleef altijd het ideaal. Beschavingen, die het kennen in zijn allerwijdsten zin hebben verworpen of de Waarheid verzaakt, zijn mij niet bekend."

„Wanneer vroegere geestesstroomingen aari he' logische instrument, de rede, de leentrouw hebben opgezegd, dan was het steeds ten gunste van het bo ven-r e de lij k e. 11) De cultuur, die bedienden toon wil aangeven, ziet niet alleen af van de rede, maar van het intelligibele zelf", (dat is dus van het voor ons verstand toegankelijke deel der wereld), „en dit ten gunste van het benedenredelijke, van de driften en instincten. Zij opteert voor den wil", niet voor een wil die gericht is oP ©en diepere werkelijkheid, maar „voor den wil W aardsche macht", voor „bestaan", voor „bloed «D bodem", inplaats van voor „kennen en geest".

Met een reeks van voorbeelden maakt de schrijver ons duidelijk, welk een vérstrekkende gevolgen''* bedoelde verheerlijking van het eigen bestaan

heeft.'^) Die gedeelten zijn wel de meest indruk- Menée uit het geheele boek, zij toonen onweerlegbaar aan, dat die verlieerlijking de verwerping ^m elke norm 'tengevolge heeft, die niet uit het natuurlijk® leven zelf is voortgekomen.

Wias het de philosophie - die voordanste en de samenleving die volgde? ", vraagt Prof. Huizinga. Of moeten wij de stelhng omkeeren en getuigen: de philosophie heeft hier gedanst naar de pijpen van het leven"? Wisselwerking is hier ongetwijfeld ngjiwezig. Een samenleving, die zich economisch en cultureel bewust isoleert, is toegankelijk voor een leer, die de eigen daden van het oogenblik verheft tot een richtsnoer voor het leven. De litteratuur van die groepen, welke heden strijden yoor leen samenleving van een bepaalde sociale ef biologische structuur, bevestigt de juistheid der «egeven diagnose. Zoo lezen we in de „Mythus van de 20ste eeuw", dat goed is wat het volk sterkt eii de belangen der natie bevordert, en dat kwaad js wat het volk zwakker maakt en het in zijn ontplooiing belemmert. Go^d beteekent zooveel als r a s^e c h t en boos zooveel als v ij a n d i g t e g e n- 0ver het ras: de politiek heeft tot plicht om slechts zulke wetten uit te vaardigen, die in sodaal, ethisch en- reUgieus opzicht de hoogste waarden van het volk dienen.

Hier voelen we wel zeer sterk dat „de nieuwe \vil tot verheerlijking van bestaan en leven boven kennen en oordeelen op een bodem van ethischei ontreddering van den geest valt." „Het is", zegt Prof. Huizinga, „van het allergrootste gewicht, goed waar te nemen hoe die wil wordt gemotiveerd en waarop hij gericht is. Maar wat blijft er als algemeen richtend moment over^ wanneer dit niet meer kan zijn noch een transcendentaal geloof, op een bovenaardsch en overdoodsch heil gericht, noch de waarheid zoekende gedachte, noch een algemeen menschelijke, als gesloten stelsel erkende moraal die waarden als gerechtigheid en barn hartigheid omvat? Het antwoord is telkens weer: he^. kan alleen het leven zelf zijn, het blinde ondoorzichtige leven, object en richtsnoer tegelijk. De verzaking van de geestelijke grondslagen, die het nieuwe standpunt meebrengt, gaat veel verder dan de dragers zich zelf bewust zijn."

Wie kennis begeert, is volgens den hoogleeraar bereid om zich te onderwerpen aan een wet, die boven hem staat. Hij zoekt de waarheid.

We zouden dat niet gaarne van elk zoeken naar kennis zeggen. „Wandelen in de waarheid", doet slechts hij die God wil leeren kennen uit Zijn Woord. Maar wien zelfs de wil om te leeren kennen ontbreekt, wie het kennis-ideaal verzaakt, veracht de wet van God geheel. Hij geeft zich over aan een cultus van het leven, aan den dienst van den door hem vereerden levensvorm, . Zijn vijand is al wie en wat in zijn oogen dien levensvorm schade doet en verdient daarom den dood: de mensch maakt zich tot rechter over zij n en n i e t-z ij n.

Van de inhoudsbepaüng van de begrippen goed en kwaad, zooals we die in de „Mythus" hebben leeren kennen, geldt wat Professor Huizinga opmierkt aan het adres van een auteur, die het den mensch veroorlooft zich aan zijn natuurlijke boosheid toe te geven: „Ziehier een volstrekt zinledige bepaling van het kwaad."

„Waartoe", roept de hoogleeraar uit, „maken de belijders der levensphilosophie het zich lastig met christelijke termen? Hadden deze voor hen eenigen zin, zij zouden reeds lang hebben ingezien, dat de leer van een zelfstandig politisch leven, dat ach voltrekt in de tegenstelling vriend—vijand, een afval van den geest beduidt, ver voorbij de sfeer van een naïef animalisme, in een satanisme, dat 't kwaad tot richtsnoer en vuurbaken verheft".

Dat is een aangrijpende, huiveringwekkende karakteristiek van het geestelijk leven van dezen tijd. Er wordt voor onze oogen een gordijn weggeschoven; wij zien een rampzalige wereld die de boosheid vurig dient, en die zich snel naar den ondergang beweegt.


8) We moeten met dit oordeel zeer voorzichtig zijn. Het feidt liclit tot scepticisme. Het geloof „dat zich streng be- Proeft", aarzelt niet.

") Bekend is zijn uitspraak: „Le coeur a ses raisons que im'^°" ne connait point".

'C) Zie: „De Noodzakelijkheid eener Chr. logica" van l-rof. Dr D. H. Th. VoUenhoven (pg. 86).

11) Met het „boven-redelijke" wordt hier natuurlijk niet "edoeld de „intuïtie" e.d. We zouden hier zeggen: ten SUnste van het inzicht dat door het geloof wordt verkregen. 12) Max Scheler (t) klaagt in zijn „Ethiek", dat de "•'spraak: „de existentie van een positieve waarde is zelf ^'n positieve waarde" (door hem, in navolging van Bren- ^•"5, een axioma der waarde-leer genoemd), veranderd ^orat in het z.i. foutieve oordeel, dat elke existentie V, * '•««ds een positieve waarde is (pg. 88, aant. 2). Maar: !"oest het niet tot zulk een „Umdeutung" komen? Overal Ie weg voorbereid, die naar de huidige geestelijke ellen- "«^ voerde.

j^w) Ook Pfarrer Homann verwijt in zijn: , , Der het K ""^^ '^^^ Evangelium" aan Rosenberg en de zijnen ), 'Sebruik van „Christelijke termen". Dat gebruik beteezak r^u" "inflatie van de woorden"; het moet „noodecn^ '°t een verwarring der begrippen en daarna tot j j ^"Westing en vernietiging van de Christelijke Godsaachte en den Chr. Godsdienst uitgroeien" (pg. 117).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 februari 1936

De Reformatie | 8 Pagina's

HET BOEK VAN DE WEEK

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 februari 1936

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken