Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

10 minuten leestijd

Rationalisatie en Mechanisatie.

V.

In het vorige artikel werd betoogd', dat o.i. één der consequenties van voortgaaade mechanisatie öf krachtige opvoering van het arbeidstempo (gepaard gaande met verdere arbeidsverdteeling) öf toepassing van het ploegenstelsel is.

Een leerzaam voorbeeld in dit verband is de geschiedenis met de kalkzandsteenfabriek „Arnoud" te Hülegom, directeur A. H. Baron van Hardenbroek.

De leiding zag kans loonend' te produceeren, wanneer de ; echui clieiastal!a; i: s gehee^ vernieuwd werden. (Een goed voorbeeld van de stelling, dat door mechanisatie de productiekosten sterk verlaagd (kunnen) worden; dal was hier inderdaad het geval). Alvorens echter tol deze aanzienlijke investeering (totaal 1.35 miljoen!) over le gaan, wilde zij zekerheid hebben, dat het tweeplocgenslelsel ingevoerd mocht worden. Want zonder dezen maatregel zouden de nieuwe installaties niet kunnen rendeeren. De toenmalige minister van Sociale Zaken, minister Verschuur, gat de verlangde zekerheid (23 Dec. 1929). (Eigenlijk stimuleerde deze bewindsman zelfs de fabriek tot de invoering van hel tweeploegenstelsel. Z, ij vroeg namelijk eerst (alvorens tot vernieuwing over te gaan) „overuren", en verkreeg tot antwoord, dat zij voor een reorganisatie moest zorgen om tot dat stelsel te geraken.)

Minister R o m m e maakte echter, verleden jaar, die toezegging ongedaan. Z.Exc. verbood het werken in ploegen. De fabriek trok zich daar echter niets van aan, en ging voort met de gevolgdte werkwijze toe te passen. Het gevolg was procesverbaal wegens overtreding der arbeidswet. De zaak werd eerst voor het kantongerecht, daarna voor de rechtbank te Haarlem behandeld.

Bij die behandeling nu verklaarden alle deskundigen, ook de als getuige opgeroepen ambtenaren van het departement van „Sociale Zaleen", waaronder de directeur-generaal van Arbeid, dat het effect van de vernieuwing der apparatuur zou worden teniet gedaan, wanneer de fabriek slechts met één ploeg mocht werken. Zelfs de Minister had dit, in een schrijven aan den Minister van Justitie, toegestemd. „Nu is er met name één fabriek", luidt het, — de „Arnoud" te Hillegom, die sinds 1929 zoo geheel op twee ploegen is ingesteld, dat zij bij het werken met één ploeg onmogelijk loonend kan produceeren". De fabriek zou in dat geval, ondanks haar voortreffelijke installaties, ondanks de toegepaste rationalisatie — neen, tengevolge van deze rationalisatie, die zooveel kapitaal had gekost, met verlies moeten werken, en op den duur haar deuren sluiten.

De rechtbank te Haarlem oordeelde dit feit van zooveel belang, dat zij mede daarom, beklaagde ontsloeg van rechtsvervolging. Zij achtte de nadeelige gevolgen van de overtreding der wet van geringere beteekenis, dan die der handhaving!

Dit voorbeeld „spreekt" inderdaad „boekdeelen". Het laat ons overduidelijk zien, dat bepaalde (economisch nuttige) rationalisaties gepaard gaan met de toepassing van maatregelen op het terrein der arbeidsorganisatie, die voor het persoonlijk en het gezinsleven nadeelig zijn, die „ethisch" niet verantwoord kunnen worden.

Al verzacht de leiding de gevolgen zooveel mogelijk (zooals die der hier genoemde fabriek), het kwaad blijft.

In plaatsen, waar slechts weinig arbeiders in ploegen werken, worden de bezwaren dikwijls door de omgeving niet opgemerkt. Waar, zooals in Twentsche steden, een groot gedeelte der arbeidende bevolking in den zeer vroegen morgen moet beginnen, of des avonds laat pas zijn werk beëindigt, kennen velen den nood door zulk een toestand gewekt. En daar.kan een ieder ook iets leeren omtrent de gevolgen van het arbeidstempo aan den loopenden band. De verhopgde arbeidsintensiteit wekt spanningen, die hel leven geweld aandoen.

Zoowel het ploegenstelsel als de opvoering van het arbeidstempo en het systeem van loon naar prestatie (veel te zachte uitdrukking voor loonberekeningen, die dikwijls toegepast worden) zijn directe consequenties van de mechanisatie in de bedrijven. Kostprijsverlaging is in den regel alloen slechts dan mogelijk, wanneer de machmes de werkkracht der arbeiders uitbuiten. Laten we hier geen zachtere woorden gebruiken.

Ook de ondernemers lijden onder dezen toestand. De techniek oefent door haar excessieven groei een zwaren druk op het gansche bedrijfsleven uit. En het meest tragische is, dat in verschillende industrieën dikwijls geen andere redding mogelijk schijnt dan de toepassing der hier genoemde maatregelen. Het gaal dan heusch niet om het behalen van groote winsten.

Met opzet zeggen we hier „schijnt". Want vergeten we niet, dat, zoo het kapitaal aanwezig is of zich beschikbaar stelt, de mechanisatie met al haar noodzak el ij ke gevolgen, ook de gemakk e 1 ij k s t e vorm van rationalisatie is.

Kostprijsverlaging? Zeker! Maar zoo eenvoudig is het rekensommetje niet. Want op de debetbladzijde der kostenrekening staan de posten der volksgezondheid. En zooveel andere. Waarom worden die in de beschouwingen dikwijls genegeerd? Niet de invloed op den prijs van één soort goederen (die goedkocper gemaakt en gekocht kunnen worden), noch de directe verlaging, bepalen tenslotte het effect der „rationalisatie". Ook kan hel resultaat daarvan niet in een korten tijd gemeten worden. Daarvoor is een langere periode noodig.

Een der principiêele verdedigers der rationalisatie-theorieën: Dr Goijko Grdjic (de naam is goed gedrakt!) schrijft hieromtrent in zijn voortreffelijk boekje: „Rationalisierung, Arbeitslosigkeit, und Arbeitszeitverkürzung", de volgende merkwaardige woorden:

„Een gunstig uitvallende berekening binnen een bepaalde onderneming kan mogelijk hel beste bewijs van de goede kansen voor de richtige uitwerking der rationalisatie in het oeconomische leven zijn, zij mag echter juist daarom geen andere waardeering hebben, dan die er aan gegeven is" (gunstig voor de onderneming) „omdat het aankomt op de levenskracht der gansche samenleving, welker ontwikkeling door de rationalisalie bevorderd moet worden."

Deze XTirige verdediger der compensatietheorieën erkent volmondig, dat de calculaties van één onderneming hem niets zeggen. Het oordeel over de

uitwerking der rationalisaüe-maatregelen is geen kwestie van optellen en aftrekken: het probleem waarom het gaat heeft een qualitalief en niet een quantitalief karakter".

Inderdaad, en om nog geheel andere redenen dan deze schrijver noemt.

Vooral ook omdat de tijdelijke levensverrüiming dikwijls verkregen is ten koste der levensvreugde en der gezondheid van talrijke arbeiders. En' niet alleen daarom zijn dan de genomen maatregelen te veroordeelen, maar ook wijl vroeg óf laat zal blijken, dat de totale arbeidskracht vermindert, omdat de bron dier kracht, omdat de mensch zelf aangetast is, en dientengevolge de productiviteit afneemt. Hetgeen weer een kostenverhooging beteekent.

Men meene nu niet, dat de techniek als geheel hier veroordeeld wordt. Dat ware principieel ver- Iceerd. De verschillende vormen van rebellie tegen haar macht (we mogen wel weer naar do brochure , , Discipelschap in de Fabriek" verwijzen) zijn evenzeer te laken als de eenzijdige verheerlijking. Zij heeft zegen over de menschheid gebracht, en geen geringen. Maar in het stadium van haar tegenwoordige ontwikkeling moeten wij vooral oog hebben voor haar gevaarlijke karaktertrekken. Om oeconomische en om „principiëele" redenen.

Nauwkeurige analyse van het oeconomisch effect der mechanisatie (en rationalisatie) is evenzeer noodzakelijk als een ontledende beschouwing van de bases, waarop deze stelsels rusten.

Vooral omdat de ontwikkeling der techniek voor een belangrijk deel beheerscht wordt door het doel der voortbrenging. Die voortbrenging nu, is hl de tegenwoordige samenleving lang niet altijd een vervulling van de roeping, die God aan den mensch gegeven heeft, niet een dienen van den -Schepper, niet een dankbaar eeren van Zijn gaven, maar uiting van m a c h t s begeerte, van h e e r s c h- zucht, van zondige zelfverheffing. In die sfeer groeit een productie-apparaat, dat alle karaktertrekken van die begeerte verraadt. En dat daarom van den zwakken mensch in zijn dienst het uiterste vergt.

En nu schrijft de hoofdredacteur van „De Opbouw", dat „de plicht van den arbeider is de principiëele aanvaarding van de technische ontwikkeling", dat „de voortgezette evolutie der techniek een gave Gods is", dat er „geen tegenstelling is lusschen stoffelijke belangen en voldoen aan Gods wil", dat „het stoffelijk belang altijd in het verlengde ligt van gehoorzaamheid aan Gods geboden, ook al ziet de door de zonde verblinde mensch het van nature altijd anders". Hij meent dat de „moderne productiewijze de weg is, die God ons, en daarmede ook den arbeider, als medewerker in het productieproces „wijst", en dat die arbeider „dien weg in gehoorzaamheid aan Gods kennelijke leiding, met gewilligheid behoort te gaan".

En wanneer wij wijzen op bet toenemend arbeidslempo; de voortschrijdende arbeidsverdeeling, de scherpe en meedoogenlooze controle, het dalend loon en de verlaging der tarieven, dan antwoordt hij ons, dat „wanneer al deze dingen toegepast worden om den zegen Gods, welke gelegen is in de voortgezette evolutie der techniek, weg te nemen, mag dat aan de techniek niet verweten worden". Dat alles komt z.i. voort „uit het misbruik, dat de mensch van die gave maakt". En om deze stelhngen toe 'te lichten neemt hij het voorbeeld van de kwakkelen van KibroUi-Taava: „de onschuldige vogeltjes deden geen kwaad, maar de gulzigheid, waarmee ze werden verslonden, veroorzaakten den dood".

Nu is het niet onze bedoeling al deze stellingein uitvoerig te beschouwen.

De hoofdzaak is o.i., dat wij de schadelijke gevolgen van den groei der teclmiek ten voUe erkennen, met alle waardeering van haar nut, dat inderdaad groot is. Dat wij waarschuwen tegen de overspanning van het technisch handelen, die geleid heeft tot depreciatie der ideëele waarden, die het leven van zijn ziel beroofde.

De gedachte, dat de mensch zelf zijn lot bepaalt, dat hij zijn gansche ontwikkeling in eigen handen heeft, beheerscht het geestelijk leven van dezen tijd. Zij eischt de volledige macht over de materie op, zij dwingt dikwijls tot rationalisatie en mechanisatie; zij past geheel in de naturalistische stelsels onzer dagen.

"Wat is de taak van den mensch?

Dat hij de natuur in vrijen cultuurarbeid veredelt, dat hij dus de natuur in de historie een plaats geeft, om alzoo het gansche cultuurproces te leiden tot verheerlijking van Gods naam.

Merken wij, dat hij zich van die roeping bewust is? Helaas neen! Het verabsoluteerde machtsstreven, dat zijn werking overal uitoefent, kent slechts de begeerte om over de natuur te heerschen, en bekommert zich niet om de plaats, waarvoor zij bestemd is. De gevolgen zijn voor ieder duidelijk zichtbaar.

Want de depreciatie der schepping als geheel, beteekent ook een devaluatie van het schepsel, van den mensch. En dit staat toch vast: Nooit kan het Gods wil geweest zijn, dat in het proces van de ontwikkeling der techniek, de menschelijke persoonlijkheid neergedrukt wordt tot een slavennatuur.

Daai-om is het zoo gevaarlijk om te spreken, dat de voortgezette evolutie der techniek een „gave Gods" is. De materie en haar krachten zijn gaven Gods; de grondstoffen heeft Hij aan den mensch gegeven om ze te veredelen, en hem daartoe krachten geschonken. Ook de ontwikkeling der menschheid gaat niet buiten Gods wil om. Maar alle werk op aarde is eveneens mcnschenwerk, door. zonde bevlekt, in zonde tot stand gebracht. Hoeden wij ons voor de gedachte (die onophoudelijk uitgesproken wordt, niet het minst in de dictatoriaal geregeerde landen) welke de menschelijke prestaties vergoddelijkt. Natuurlijk werpt de schrijver in „De Opbouw" zulke gedachten verre van zich. In zijn stukken komt dat wel uit. Maar juist daarom hadden we van hem een criUscher houding tegen wat we nu maar eenvoudigheidshalve „het productiesysteem" noemen, verwacht.

Zeker verzet is er. Tegen den mensch, die den „zegen Gods" misbruikt. Maai- niet tegen het systeem zelf. Dat wordt met de „onschuldige vogeltjes" van Kibrotli-Taava vergeleken. En die vergelijkmg is o.i. fout. Want die vogels zijn door God geschapen en gezonden; de techniek is mede het werk van menschen; daarin heeft zich een bepaalde levensbeschouwing uitgedrukt. De oorzaak der ellende is dus niet alleen het misbruik, maar ook het object, waartoe de mensch in relatie treedt, zélf. Daarover hebben we in deze artikelenserie een enkele opmerking gemaakt.

Bezien wij (tot slot) deze stelling in het volgende artikel nader.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juni 1938

De Reformatie | 12 Pagina's

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juni 1938

De Reformatie | 12 Pagina's

PDF Bekijken