GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

12 minuten leestijd

INTER NOS,

PAPE ' de Afscheiding - JANSSEN.

II.

De verdrongen vraag.

Reeds spoedig laat Scliolte de gezangen weer na; Pape mekll aan Janssen:

Heusden, de 5e Sept. 1833.

„... Ik heb na veel zoekens eindelijk het besluit der Zuid-Hollandsche Synode betrekkelijk de invoering der gezangen gevonden, ... [Het is, of diende, in elk geval te worden opgenomen in de notulenboeken van alle Brabantsche kerken.]

„Regt verdrietig is het mij gedurig te vernemen, dat Ds Scholte de gezangen volstrektelijk niet meer laat zingen, zooals de predikant van Aalburg, Van Veen, gisteren dat nog verhaalde; regt onaangenaam is het mij, het Klassikaal Bestuur slapheid, loslieid, onverschilligheid ten laste te hooren leggen, en als men van het KI. Bestuur spreekt, dan noemt men in zijn gedachten den naam van den scriba [Inderdaad! Pape, en niet de praeses Van Spall, was de spil der classis.]

„Ik zeg UEd. hartelijk dank voor de gunstige tijding voor mijn neef [benoemd te Sprang]. Aan UEd. is hij gedurende zijne studie f200 jaarlijlcs verplicht geweest, aan UEd. zal hij zijne benoeming te danken hebben; aangenaam, dubbel aangenaam is het mij er te kunnen bijvoegen: En hij zal ook UEd. deswege dankbaar, blijvend dankbaar zijn!"

In het najaar van 1833 doel Ds G. F. Gezelle Meerburg zijn intrede te Almkerk, en na veel tegenwerking, [„Er schijnt een nauwe vriendschap tusschen Scholte en Van Rhee te bestaan" (Pape, 20 Dec. '33 aan de class. Middelburg)] ontvangt „de blomzoete Van Rhee" approbatie op zijn beroep naar Veen. Zijn intrede aldaar op 13 Juli '34 was „geruchtmakend", o.m. omdat hij, na onverstaanbaar zacht het verplichte gezangvers te hebben voorgelezen, op het gezangboek ging zitten.

Zoowel Scholte als Gezelle Meerburg geraken in het voorjaar van 1834 reeds in geding met het Classicaal Bestuur.

Scholte vanwege een verkiezingskwestie i), Pape schrijft 29 April:

„Ons Bestuur heeft Ds Scholte aangeklaagd bij het Prov. K. Bestuur van Noord-Brabant, wegens miskenning der bestaande Reglementen, en verguizing der Klassikale autoriteit, doch Z.Eerw. gaat voorl om ook geen enkeld gezang meer te laten zingen; van dit vergrijp hebikalleen melding gemaakt in een confidentieel rapport, als bijlage tot de tabel der kerkvisitaüc, of er vanwege ons Prov. K. Best. desaangaande eenig voorstel zal worden gedaan, dat aanleiding tot eenige algemeene maatregelen zoude kumien ^even."

Ofschoon Scholte dus reeds meer dan een half jaar geen gezangen liet zingen, heeft men „om redenen van gewicht" (vi.sitatie-rapport, Arch, van Heusden) het nog niet gewaagd, om de kracht van het, als een Phenix uit zijn asch verrezen, besluit van Breda op hem te beproeven.

Meerburg's eerste vergrijp was het nalaten der vier(!) Avondmaalsvragen, welke noch hij, noch Van Rhee, (noch wij) in de kerkelijke archieven konden \dnden.

„Gisteren [Pape, 29 April '34] ontving ik van den burgemeester van Almkerk eene missive, in­ houdende dat Ds Meerburg Snai-enberg [de scriba noemt hem ook wel eens Smeerburg!] in weerwil van zijn verzoek, ook nu wederom de 3 vragen voor de Avondmaalsviering niet heeft gelieven voor te stellen. UEd. ziet, dat gemelde predikant getrouw de voetstappen volgt van Ds Scholte, op wiens aanbeveling hij te Almkerk Jieroepen is. Waarlijk in al de jaren dat ik scriba ben, heb ik zooveel moeite niet gehad, als sedert de komst van Scholte cum suis. Macalister, die 1.1. Zondag voor mij predikte, ging uit nieuwsgierigheid hem des middags hooren. Bij zijne terugkomst vroeg ik hem zijne opinie. Gewawel en rediten, maar bovenal verdediging van Davids vloekpsalmen, hetwelk hij in deze dagen, dus drukte hij zich uil, bijzonder gewichtig oordeelt. Hij predikte over: „Gij zult met doodslaan" meldde mij mijn Bommelsche vriend."

Den 17en Mei (een paar dagen te laat, want De Cock was den 14en Mei in Den Haag op audiëntie, na het bezoek te Doeveren), rapporteerl Pape:

„Bij Ds Schoile te Doeveren zijn thans gelogeerd De Cock, Pred. te Ulrum, en Kohlbrugge; wat of deze Triple Alliantie zal uitvoeren, zal de tijd leeren [hun wegen liepen spoedig wonderlijk uiteen naar Amerika, Duitschland en „het vaderland daarboven" - )], zeker is het, dat de gisting in deze streken hand over hand toeneemt, en hedenmorgen kwam mij een boer van Aalburg waarschuwen, om mij toch niet tegen des Heeren werk (gelijk hij hel noemde) te verzetten."

Janssen, door Pape's dateering misleid, beoordeelt het samentreffen aldus (22 Mei):

„Daar de Gereformeerde Ultramonlanen thans ZOO' roerig zijn is het niet te verwonderen, dat De Cock, die hier in Den Haag bij den Koning en Minister geen heul gevonden heeft, bij Scholte en Kohlbrugge twist is gaan zoeken. Ik vrees de mannen niet, wanneer onze kerkbesturen algemeen behoorlijk handelen, dat is: gevoelens en spreekwijze vrij latende, de goede orde en de stipte opvolging der kerkelijke verordeningen... handhaven, nooit door halve maar door h e e 1 e maatregelen."

Deze laatste woorden bevatten criliek op het beleid van hel Class. Bestuur, dat „eene halve maatregel" nam, terwijl het door een h e e 1 e Van Rhee had kunnen weren; men vindt ze ook weer terug in de ariliek van Donker Curlius, president van de Haagsche Synode, Nieuwold, vice-president, en prof. Pareau op de handelwijze der Sj"^node, toen deze vergadering de afzetting van Dt& Cock ongeldig verklaarde en hem nog 6 maanden bedenktijd gaf.

Deze Synode zond tevens een vermaning aan alle predikanten om „zich met bedachtzaamheid te onthouden van alles wat de zuiverheid hunner belijdenis en Evangelieprediking eenigszins in verdeuking zou kunnen brengen", — waarop Scholte, volgens den burgemeester van Steenwijk (4 Sept. 1834) „voor 14 dagen, op zekeren Woensdag, openbare godsdienst heeft gehouden, tot behandeling der missive van de Synode, welke missive hij voor de gemeente heeft uitgeplozen, en daarbij zich van lasterlijke uitdrukkingen bediendi; — deze openbare voortzettingen mogen wij niet langer werkeloos aanzien, en het Classikaal Bestuur heeft 3 leden benoemd om op de plaats zelve Ds Scholte te verhooren wegens voorgeschrevene punten." [o.m. nu ook het Gezangen-verzuim.]

Scholte's i-)redikiug te Ulrum leidt dan tot zijn overhaaste schorsing. Pape schrijft, 29 October '34, aan Janssen:

„Gisteren hadden wij vergadering, toen vooreergisteren en oergisteren de ministeriëele kennisgevingen en bijlagen kwamen. Het resultaat is in bijgaande missive vervat, eenstemmig hebben wij Scholte geschorst, en er is een commissie (Pape, Suringar? , van Veen) benoemd, om tegen Woensdag aanstaande hem te hooren." .... Daar de aanklacht niet van den Ring Heusden, maar van het Departement is gekomen, verzoekt Pape inlichtingen, aan wie Scholte's eventueele antwoorden moeten worden gezonden, en vervolgt:

„Ik ben moede van het schrijven dwazen jongen man. over dien

„Aan de burgemeesters zijner dorpen heb iJ: , met kennisgeving zijner schorsing, mij gerigt om maatregelen voor de openbare godsdienstige rust en veiligheid der predikanten bij de waarneming van den godsdienst, want wat te Ulrum is voorgevallen, kan ook hier gebeuren, en wat is niet van Religieuze dweeperij te vreezen....

„Wal nader merkwaardigs voorvalt-zal ik UEsL, melden. De procedure die ons Bestuur tegen hem heeft, wordt buitendien voortgezet, en het eene zal zoowel als het andere zijne afzetting kunnen tengevolge hebben.

„Vergeef schrift, want de tijd ontbreekt tot ordelijke letter."

Janssen (1 Nov.) vernam dit eenparig besluit „met veel genoegen. Zulks was ook zeer aange-^ naam aan den Minister en de Synodale Commissie", en wat het doorzenden van Scholte's verweer betreft, och, dat is immers overbodig, want:

„Een eigenlijk klager bestaat er niet, maar hel kerkbestuur ontvangt van hoogerhand officiëele stukken, legale proces-verbalen, die stellige bewijzen der schuld medebrengen, en alleen zouden kunnen verzwakt worden door onwraakbare ge».

tuigen van den kant des beschuldigden aan te voeren; want zijne ontkenning op zidizelve kan van geene kracht zijn tegen zoodanige verbalen der bevoegde autoriteit."

Mocht het kerkbestuur twijfelen aan bijzonderheden in het proces-verbaal, dan kan het Scholte's getuigen in Groningen een verhoor laten afnemen, „maar komen zoodanige twijfelingen niet voor, dan kan hetzelve uitspraak van het kerkbestuur doen op grond der officiëele stukken, die als volkomen bewijs gelden."

De Gendersche predikant wacht maar niet op het eind dezer „procedure", doch scheidt zich den len November 1834, met zijn gemeente (op B mannelijke en 2 vrouwelijke lidmaten na) af „van het Ned. Herv. Kerkbestuur". De kerkegoed eren meenen zij te zullen behouden, doch op bevel dier burgerlijke overheid moeten zij den eersten Zondag reeds de kerkgebouwen te D'. en G. afstaan aan de Ringpredikanten, dit doen zij onderworpen, maar zenden aanstonds oen (Ie) request aan den Koning.

Scholte CS. zijn nu nog in het bezit van de pastorie te Doeveren, kerkfondsen van Di. en G. (eigendomsbewijzen van landerijen, obligaties, effecten en contanten, welke deels in de kerk te Genderen, deels bij den vrederechter Jan Vreede to Heusden worden bewaard), en diaconiefondsen van D. en G. Genderen was een rijke gemeente, Doeveren niet.

Hun recht op hun goederen handhaven de Afgescheidenen met een beroep opi het fe|it dat zij „De Kerk" zijn (met verwijs naar het verleden: den Hervormingstijd etc). Maar juist die principiëele vraag „Wat is de Kerk? " wensclit men van Hervormde zijde allerminst in behandeling te nemen. De Ned. Herv. Kerk ontduikt met list en geweld een principieel debat en past aanstonds kunstgrepen toe, om zich in het bezit der Gendersche goederen te stellen.

Donker Curtius, door Van Spall om raad gevraagd, acht het (7 Nov.) daartoe nooidig, dat het Prov. Kerkbestuur Scliolte en zijn kerkcraad afzet, er kan dan een nieuwe kerkeraad worden benoemd, een predikant worden beroepen en „de Minister zal voorts, door het Kollegie van Toezicht wel order stellen op het doen ruimen der pastorie, (welke geen dag bewoond kan worden door een predikant, die niet tot ons kerkgenootschap behoort), gelijk ook op- het overgaan der administratie en de kerkegoederen in handen van de goedgezinden. Zoo loopt de zaak doodeenvoudig en kort af."

Dit advies stuurt hij ter inzage naar Janssen, die er o.m. bij aanteekent:

„De vergadering van het Provinciaal Kerkbestuur vordert te meer spoed, daar de afzetting van .Scholte noodig is, om de ontruiming der pastorie te verzekeren."

Op deze wijze tracht de Ned. Herv. Kerk alle gedachten wisseling en uitspraak over „De Kerk" dood te drukken; zij verleent straks aan Scholte CS., die „Kerk" zijnde en blijvende, zich van het Ned. Herv. Genootschap hebben afgescheiden, een bewijs-van-afzetling, en meent daai-na recht op hun kerkegoederen te kunnen uitoefenen!.... Doodeenvoudig...

De brieven, die Pape in deze weken geschreven heeft, moeten elders bewaard zijn, doch v> ne ontvangen door een episteltje van den Secretaris- Generaal aan den President der Synode enkele nadere inlichtingen:

„Amicissime! 's Hage, den 8 November 1834.

„Met het Classikaal Bestuur van Heusden zal het goed gaan, door het beleid en den moed van den scriba Pape; Van Spall echter had opwekldng en bestuur noodig, waartoe uw brief best was, die dan ook door mij met een P. S. verzonden is. Met het aanstellen van een nieuwen kerkeraad zal het lui gaan [er zijn geen menschen voor!]; dat komt er dan ook niet zeer op aan, want het Classikaal Bestuur kan intusschen alles doen, wat des kerkeraads is, ook beroep." (!)

„Maar ik ben niet gerust omtrent de houding van het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Brabant; er zijn daaronder, die vreezen zich aan koud water te branden. — Aan den predikant Van Heusden [President van het Prov. Kerkbestuur, predikant te Hilvarenbeek] heb ik gister geschreven om zoo mogelijk zijn voerkracht op te wekken.

„Moorrees houdt zich goed en heeft zich openlijk en rond tegen Scholte verklaard.

„Daar ontving ik een brief van Hendriks [President van het Prov. Kerkbestuur te Groningen] (een fe-rmer man dan Van Heusden)".

Van Heusden was een „middenman". Hjj schreef 11 Juni 1835 aan Janssen: Hi heb „uit vreeze dal men te verre zoude gaan", in verzet tegen de belijdenis, zonder mijn naam, niet omdat ik er niet voor uit wilde komen, maar om geen vlaggendrager te willen schijnen", een boekje „laten drukken in 1825: Een woord over het gebruik van geloofsbelijdenissen, waarin ik bij een gematigde handhaving derzelver nut heb trachten aan te wijzen. Door de onrust in onze kerk ontstaan, ben ik in dat gevoelen bevestigd." ...

Ja, het Classikaal Bestuur in de stad van Voetius hield zich wel goed: het verzwaarde 7 Nov. de schorsing, en eischte meteen de goederen op! Nog doodeenvoudiger —

En het Provinciaal Kerkbestuur? Vreest zich inderdaad te branden: Van Heusden aan Janssen, 30 November:

„Wij hebben er ons op toegelegd, om miet bedachtzaamheid te handelen, naardien men zegt, dat Scholte op zijne luimen legt, of hij; op onze handelwijze niet iets zou te berispen hebben om in zijne schooltjes een groot lawijt te maken, en het aan zijn secte te doen voorkomen, alsof hij een martelaar der waarheid is." — Vrees voor Scholte...

Toch moest en zou hij worden afgezet, want met een honende „vergissing" doceert Donker Curtius (15 Nov.):

„Nu Scholte CS. zegt dat zij zich niet afscheiden van de kerk, maar wel van het kerkbestuur en aan dit bestuur alle gehoorzaamheid opzeggen, verklaren zij zich in staat van rebellie en moet dus Scholte en zijn kerkeraad worden afgezet. Wie dat niet inziet is blind, en wie dat niet aandurft, moet geen lid van een kerkbestuur zijn." Schoorvoetend zet het Prov. Kerkbestuur dus Scholte af, en... krijgt hier de gevreesde blaren van! — Want de afgezette wijst er hen met klem en cursiveeringen op, dat hij, steeds nog lid der Kerk! toch sinds geruimen tijd reeds geen lid meer was van hun Hervormd Genootschap:

„Indien gij, mijne Heeren! niet gedeeltelijk maar geheel onze acte van afscheiding gelezen en aangehaald hadt, d; an zoudt gij zeker zulk een besluit niet hebben gemaakt. Staat er niet duidelijk genoeg in de acte van afscheiding te lezen, dat de Gemeente verklaart, dat wij niet langer onder uw bestuur willen leven, en met hen die er zich aan o n d e r w e r p e n i n k e r k e 1 ij k e gemeenschap V e r k e e r e n, maar ons houdende aan Gods Woord en de daarmede in alles overeenkomende formulieren van eenigheid, als Gereformeerde Gemeente van hen afscheiden? "


1) Zie Keizer, „De Afscheiding", pag, 426.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 december 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 december 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

Bladeren