GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Agendum

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Agendum

12 minuten leestijd

VOOR HET

Synodaal Convent der ontkomene Gereformeerde Kerken in Nederland,

door den Kerkeraad van Voorthuizen naar Rotterdam sadmgeroepen tegen 28 Juni iS& y.

Art. I. Een der afgevaardigden van den Kerkeraad te Voorthuizen opent de vergadering te tien ure precies, en gaat voor in den gebede, om den zegen des Heeren over dit Convent af te smeeken.

Art. 2. De tijdelijke voorzitter benoemt eene Commissie van zes leden, om de Credentialen en Instructiën, die reeds ingekomen zijn, of alsBog inkomen mochten, in ontvangst te nemen, die na te zien en daarover te rapporteeren.

Art. 3. De tijdelijke voorzitter noodigt de Commissie van het Agendum uit, om bij monde van haren voorzitter. Dr. A. Kuyper, het Agendum ter tafel te brengen, en voorts de noodige voorstellen te doen tot regeling der vergaderingen tn werkzaamheden.

Art. 4. De tijdelijke voorzitter stelt alsnu aan de orde, de benoeming uit de stemhebbende broederen van een Praeses, twee A.ssessoren en twee Scribae of Actuarii.

Art. 5. Deze gekozene broederen treden op, en de gekozen Praesés neemt de leiding der vergadering over.

Art. 6. Regeling van de presentielijst en toegangskaart; en regeling van de opgave aan de pers.

Art. 7. Mededeeling van wat voor de leden persoonlijk van aanbelang mocht zijn, tenzij dit reeds bij Art. 3 mocht zijn afgedaan.

Art. 8. Eerste deel van het rapport over de Credentialen, en vastelling van de rol der stemhebbende leden.

DEEL II. Regeling van het verband der Kerken.

Art. 9. Alsnu komt aan de orde het eerste vraagstuk, aldus luidende : Aangezien de Kerken Christi naar eisch van Gods Woord gehouden en verbonden zijn, niet elk op zich zelve, maar in onderling verband met elkander te leven, zoo wordt gevraagd, op welken voet de nu ontkomene Kerken zulk een verband nu reeds regelen kunnen? Of zulk een verband der Kerken, met het oog op de vele Gereformeerde Belijders en Kerkelijke groepen, die thans nog onder de Synodale Hiërarchie bleven of eigene formatie zochten, al dan niet slechts een voorloopig karakter zal dragen? Welke de kenteekenen zijn, waardoor zulk een voorloopig Kerkverband van een duurzaam Kerkverband onderscheiden is? En eindelijk, door welke termen en door welken naam men dit karakter van het Kerkverband, ter afsnijding van alle misverstand, duidelijk kan aangeven ?

Art. 10. Besluit het Convent tot regeling van het Kerkverband over te gaan, dan komt in de tweede plaats de vraag aan de orde, hoedanig^ de samenvoeging der Kerk bij dit verband zal zijn. Naar de Oude Classicale en Provinciale saamvoeging van vóór i8i6 ? Naar de Classicale en Provinciale saamvoeging van na 1816, gelijk die nu is ? Alleen naar Classicale of ook naar Provinciale saamvoeging? Of en hoe Classen kunnen gecombineerd worden, zoo daarin vooralsnog te weinig Kerken zijn, om zelfstandig te handelen ? Hoedanig deze combinatiën zullen zijn ? Of het niet goed ware terstond door de Kerken uit elke Provincie deze combinatie aan het Convent te laten voorstellen?

Art. II. Ten derde zal alsdan te beslissen zijn, welke Kerk voor elke Classis of voor elke Combinatie van Classis op zal roepen ? Indien er ook tot het houden van Provinciale Vergaderingen van meerdere Classen besloten wierd, welke Kerk deze vergaderingen zal saamroepen? Hoevele malen des jaars deze Vergaderingen salm zullen komen? Hoe de kosten van deze Vergaderingen zullen bestreden worden? En eindelijk hoe men geraken zal tot de onderlinge visitatiën der Kerken.

Art. 12. Na regeling van deze aangelegenheden, zal men voor de vraag komen te staan: Of, hoe en wanneer er wederom eene generale Vergadering van alle ontkomene Kerken zal saam worden geroepen ? Of voor zulk een Vergadering de naam zal worden aangenomen van Voorloopige Synode der Doleerende Gereformeerde Kerken ? Van wie de oproeping voor deze Synodale Vergadering zal uitgaan ? Wie en op welke wijze naar deze Synodale Vergadering zullen afvaardigen ? De Kerken afzonderlijk? De Kerken Classicaal bijeengevoegd ? Of de Kerken Provinciaal saamgenomen ? Waar deze Synodale Vergadering zal worden gehouden ? Wanneer ? Hoe de kosten te bestrijden ?

Art. 13. Hieruit vloeit voort, de ontbinding en het ontslag van het Bureau van het Congres, en later de benoeming van Synodale Deputaten voor de afdoening van wat door het Synodaal Convent hun mocht worden opgedragen.

Art. 14. Keuze van een orgaan voor het doen van mededeelingen omtrent de Kerken en de „meerdere Vergaderingen".

DEEL III, Nog niet of nog slechts gebrekkiglijk ontkomen Kerhen.

Art. 15. Aangezien in onderscheidene Kerken nog slechts enkele geloovigen van hun liefde voor de. zuivere Religie en de zuiverder Kerkregeering lieten blijken, zonder dat zij naar het ambt der geloovigen vooralsnog tot de benoeming van Opzieners en Armverzorgers overgingen, zoo wordt gevraagd : hoe deze „beginsels van Kerken", gelijk onze vaderen ze noemden, tot vaster staat te brengen zijn ? , 0f tijdelijk enkele geloovigen in onderscheidene dorpen zich hiertoe combineeren kunnen ? Of deze combinatie zijn moet: de formatie eener plaatselijke Kerk in één dorp, waarbij de andere dan toetreden ? Of één Kerk saamgevoegd uit meerdere dorpen ? Of wel een combinatie van zoovele Kerken als er dorpen zijn ? En eindelijk hoe in dit geval de saamstelling van den Kerkeraad tot stand moet komen ?

Art. 16. Overmits in tal van Kerken nog vele geloovigen zijn, die alsnog voor het ter hand nemen der reformatie terugdeinzen, zoo wordt gevraagd, welke middelen de Classen kunnen aanwenden, om onder deze aarzelende broederen het werk der reformatie door te zetten.

Art. 17. Naardien ook in vroegere jaren en buiten verband met de jongste gebeurtenissen, in onderscheidene steden en dorpen enkele groepen Gereformeerde belijders onder het juk der Synodale Hiërarchie zijn uitgegaan, zonder tot voorloopige vaste Kerkelijke instelling te geraken, zoo wordt gevraagd, op welke wijze deze groepen tot vaster staat en met de ontkomen Kerken in verband zijn te brengen.

DEEL IV. Verband met geloovigen, die reeds vroeger het Juk der Hiërarchie dfwierpen, en zich voorshands op eigen voet hebben ingericht.

Art. 18. Dewijl reeds sedert lang onderscheidene malen een deel der geloovigen tegen de aanranding van Jezus' Koninklijke Heerschappij door de Synodale Hiërarchie in verzet is gekomen, en reeds sedert 1834 meerdere groepen dezer broederen, zelfs op uitgebreide schaal, tot Kerkelijke regeling zijn overgegaan, zoo wordt gevraagd, welke weg moet worden ingeslagen, om met deze groepen tot vereeniging te geraken, en alzoo het optreden in wel geordend verband van alle Gereformeerde Kerken in deze landen voor te bereiden?

Art, 19. Deze vraag eischt afzonderlijke bespreking ten opzichte van hen die saamleven onder den naam van de „Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland", ingevolge het Reglement van 1869, de groep van Ds. Ledeboer enz. enz.

Art. 20. Ingelijks afzonderlijk ten opzichte van de groep, tot wier optreden het woord en het werk van wijlen Ds. Ledeboer den stoot gaf.

Art. 21. En insgelijks afzonderlijk ten aanzien van de groepen die zich hier en daar als »vrije kerk", »vrije gemeenten", of nog voorbestaande »kruiskerk" openbaarden.

DEEL V. Verband met de Gereformeerde Kerken buiten onze grenzen., bijzonderlijk met die • vatt Nederlandsche herkomst.

Art. 22. Overmits de Kerken Christi niet afgesloten mogen blijven binnen de grenzen van één bepaald land, maar zich bewust hebben te blijven van haren samenhang met de Kerke Chiisti van gereformeerde belijdenis ook over onze grenzen, zoo wordt gevraagd : Op welke wijze deze vergadering aan de buitenlandsche Kerken kennis zal geven van de vrijmaking veler Kerken in ons vaderland ? Aan welke Kerken deze kennisgeving zal gezonden worden? Wie hiermede zullen worden belast?

Art 23. Ter onderhouding van duurzame correspondentie met de buitenlandsche Kerken, wordt gevraagd, of men dezerzijds afgevaardigden zenden zal naar andere vergaderingen buitenaf? Alsook, ' of men aan de buitenlandsche Vergadering verzoeken zal het zenden van afgevaardigden naar onze eerstvolgende generale Vergadering ? Alsmede wie hiertoe gedeputeerd worden, en desvereischt, hoe de kosten dezer deputation zullen gevonden worden?

Art. 24. En eindelijk, overmits veel kwaad en valsch gerucht omtrent onze zaken ook buitenaf verspreid wordt, of het niet wenschelijk ware, in de Engelsche of Duitsche taal een klein geschrift te doen uitgaan ter voorlichting van de broederen buiten af. Alsmede of niet in buitenlandsche kerkelijke periodieke geschriften eene gestadige mededeeling omtrent den loop onzer zaken kon gedaan worden.

DEEL V. Van de Stichting van Gereformeerde Kerken onder de Heidenen en van de Zending onder de Joden.

Art. 25. Naardien de Kerken onzes Heeren de roeping hebben, om haar heil niet alleen zelve te genieten, maar om ook in den Naam des Heeren te gaan tot hen die vooralsnog buiten staan, zoo wordt gevraagd, of deze Vergadering zich niet terstond zal uitspreken voor de gehoudenheid der Kerken, om de Zending onder de Heidenen en onder de Joden ter hand te nemen.

DEEL VI. Van de Bediening des Woords en der Sacramenten.

Art. 26. Dewijl de toelating tot de Bediening des Woords en der Sacramenten onverwijld voorziening vereischt, zoo wordt gevraagd: Welke regelen te stellen zijn voor de onderzoekinge van degen'^n, die zich daarvoor aanmelden, alsook of deze vergadering eenige broeders deputeeren zal, om de Classicale onderzoekingen bij te wonen, teneinde deze onderzoekingen in de onderscheidene Classes op een eenparigen voet mogen gehouden worden ? En eindelijk, welk formulier in alle Classes aan hen, die geschikt bevonden worden, ter teekening zal worden' voorgelegd ?

Art. 27. Naardien personen, die in onderscheidene Kerken of groepen van Kerken reeds tot de Bediening wierden toegelaten en werkzaam waren, zich voor den dienst in onze Kerken konden aanmelden, zoo wordt gevraagd: Op welke wijze de Classes hierin te werk zullen gaan, ten opzichte van hen, die later pas van onder de Hiërarchie uitkomen; van hen, die bij de Christelijke Gereformeerde Kerken zijn aangesteld; van hen die in vrije Kerken optraden; en van hen die zonder kerkelijk verband den titel van Dienaren des Woords voeren.

Art. 28. Daar ook buitenlandsche' Kerken ons Dienaren kunnen afstaan, zoo wordt gevraagd, hoe men handelen zal met hen, die uit het Buitenland zich aanmelden.

Art. 29. Is het raadzaam om thans op eenigszins uitgebreide schaal gebruik te maken van het bij Art. 8 der Kerkenorde erkende recht der Kerken, om ook ongestudeerde personen vati singuliere gaven te roepen, en op welke wijze behoort alsdan deze zaak geregeld?

Art. 30. Oordeelt de Vergadering, dat het goed zou zijn, in dezen nood der Kerken, zekere hulpdienaren aan te stellen, die als sEvangelisen", Catecheten" of »Zendelingleeraars" konden optreden ?

Art. 31. Daar het meerendeel van de ontkomene Kerken thans niet voorzien is van hel vereischte getal Bedienaren des Woords, zoo wordt gevraagd, wat gedaan kan worden, om tijdelijk aan dezen nood te gemoet te komen ?

Art. 32. En in het bijzonder of het wenschelijk zij te achten, dat een lijst der vacante Kerken worde opgemaakt, en door de grootere Kerken op de rij af, gequalificeerde «Oefenaars", «Catecheten", «Evangelisten" of «Zendelingleeraars" naar deze vacante Kerken gezonden worden? En zoo ja, aan wie de vergadering de regeling en uitvoering hiervan opdraagt?

Art. 33. Of de voorlezing van eene predicatie niet zoo zij in te richten, dat eenige deputaten in last krijgen, de vacante Kerken te voorzien van een goede volgreeks degelijke en wel gefundeerde predieatiën ? Welke regelen voor de goede uitvoering van zulk lezen te geven zijn? En door wien, bijaldien zulk lezen door iemand buiten den Kerkeraad geschiedt, de dienst te openen, de gebeden te doen en de zegen op de gemeente zij te leggen.

Art. 34. Of het niet dringend noodzakelijk is allerwegen ten eerste de predicatie van den Catechismus te hervatten en geregeld de Catechisatiën voort te zetten.

Art. 3S. Aangezien zich bij de Bediening van den H. Doop en van het H. Avondmaal thans vele ongeregelde verhoudingen voordoen, zoo wordt gevraagd, welke gedragslijn de vergadering oordeelt, dat hierbij te volgen zij; en in verband hiermede, hoe te handelen zij met de discipline en met het uitreiken van attestatiën.

DEEL VI. Van de Bediening der Barmhartigheid en het Onderwijs der jeugd in de Scholen.

Art. 36. Naardien in de meeste Kerken al hetgeen voor het onderhoud der meer behoeftige gemeenteleden wierd saamgebracht, ons thans door overmacht onthouden wordt, zoo wordt gevraagd op welke wijze door onze Kerken in dezen nood van armen en behoeftigen, van weduwen en weezen, van ouden van dagen en kranken, van blinden en dooven, en met allerlei gebrek bezochten moet worden voorzien.

Art. 37. Ten einde te verhoeden, dat in navolging van de vroegere Hiërarchische sleur het werk der Barmhartigheid niet weer in doodsche, ongeestelijke bedeeling onderga, zoo wordt gevraagd, wat te doen zij, om dezen arbeid weer in overeenstemming te brengen, en beter dan dusver een vrucht te doen afwerpen voor de oplossing der sociale vraagstukken.

Art. 38. Overmits niet alle ouders in staat zijn, zelvem in de Christelijke opvoeding^en de onderrichting hunner kinderen te voorzien, zoo wordt gevraagd, wat door de Kerken gedaan kan worden voor het openstellen van gelegenheden tot het verkrijgen van Christelijk onderwijs en in hoeverre de Kerken zich hiermede hebben in te laten.

DEEL VII Van de uitwendige aangelegenheden.

Art. 39, Op welke wijze is, zoolang onze Kerken doleerende blijven, de regeling der uitwendige aangelegeuheden te ordenen, opdat misbruik en onzekerheid voorkomen worde? Zal deze regeling plaatselijk zijn ? Zal zij doorgaan onder den gelijkluidenden naam: ï)e Kerkelijke Kas ? Naar welke model-statuten ?

Art. 40. Zal uit deze plaatselijke vereeniging een generale deputatie gekozen worden om de zaak der Getneene-Kas te regelen en uit te voeren?

Art. 41. Zal uit deze Getneene-Kas een bijdrage betaald worden voor elk predikantstraktement of alleen hulpe geboden worden aan noodlijdende Kerken?

Art. 42, Zal deze Gemeene-Kas tevens de zorge ter hand nemen voor weduwen en weezen van predikanten den voor emeriti ?

DEEL VIII. Verhouding tot de Kerken of deel en van Kerken, die nog onder de Hiërarchie bleven.

Art. 42*. Op welke wijze zal door de ontkomene Kerken de groote rechtsvraag over het recht op den historischen titel der aloude Gereformeerde Kerken dezer landen voor den rechter gebracht worden ?

Art. 43. In welke positie hebben de ontkomen Kerken zich te plaatsen tegenover het Rijk ten opzichte van het Landstraktement?

Art. 44. Op welke wijze zullen de ontkomene Kerken waken voor het recht der Kerken op hare kerkelijke goederen?

Art. 45. Op welke wijze zullen de Bedienaren des Woords hun recht doen gelden op de weduwfondsen, waarin zij dusver bijdroegen ?

Art. 46. AVelke maatregelen zullen de Kerkeraden nemen, ten opzichte van ambtsdragers en leden der Kerk, die weigeren hun college te erkennen?

Art. 47. Welke verhouding zullen de geloovigen in Kerken, wier Kerkeraad nog niet tot reformatie overging, tegenover den Hierarchischen Kerkeraad aannemen?

Art. 48. Eenige particuliere vragen, die op het Convent tegelijk met dit Agendum zullen worden ingediend.

Art. 49. Opmaking van de lijst der Deputaten en Resumtie der Acten.

Art. 50. Sluiting der Vergadering met dankzegging.

Aldus opgemaakt door de Commissie voor het Agendnm.,

Namens de Kerken van Amsterdam en Rotterdam.,

Dr. A. KUYPER.

Ds. F. LION CACHET.

Dr. F. L. RUTGERS.

Dr. W. GEESINK.

Amsterdam en Rotterdam, 21 Juni 1887.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 juli 1887

De Heraut | 4 Pagina's

Agendum

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 juli 1887

De Heraut | 4 Pagina's