GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Van de voleinding

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de voleinding

21 minuten leestijd

CLXXV.

VIJFDE REEKS.

XXXVII.

De Openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft om zijnen dienstknechten te toonen de dingen die haast geschieden moeten; en die hij door zijnen engel gezonden en zijnen dienstknecht Johannes te kennen gegeven heeft. Openbaring 1 : 1.

Reeds uit het aangevoerde blijkt genoegzaam, hoe de bestrijding van de echtheid der Apocalypse niet alleen .aan den inhoud als zoodanig haar' wapens ontleende, maar in veel enger zin nog aan een bepaalde uitlegging, die men van stukken van den inhoud meende te mogen geven. Denk slechts aan het Chiliasme, dat men meende in Openbaringen XX : 1—7 te vinden, aan wat men als kabbalistiek in Openb. XIII:18 verwierp, en aan wat in Openb. XIV : 4 gewraakt werd als veroordeeling van het wettig huwelijk. Toch is 't hier niet de plaats, om op deze belangrijke punten thans reeds dieper in te gaan. Die komen later vanzelf aan de orde. Voor het thans beoogde doel is het voldoende, er op te hebben gewezen, hoe in de eerste eeuw na Johannes sterven de erkenning van dit geschrift algemeen was; hoe de eigenaardigheid dat het aan zeven gemeenten werd gericht, vanzelf een uiterst belangrijke controle voor de echtheid aanbood; en dat van de 3e eeuw af tot nu toe, alle voor de echtheid bedenkelijke critiek nooit anders dan aan den inhoud haar bewijzen poogde te ontleenen, alsook dat het beroep op deze stukken van den inhoud zoo zeer met de uitlegging van die deelen samenhangt, dat ten slotte het niet gelooven, dat we hier een bijzondere openbaring van den Christus voor ons hebben, geheel het vraagstuk heeft beheerscht. Vooral de critiek die sinds het laatst der 18e eeuw opkwam, en in de 19e eeuw zoo snel en sterk in hevigheid toenam, ging steeds uit van verwerfrfng van het groote feit, dat de Christus, die nu aan Gods rechterhand gezeten was, van uit den hemel deze'indrukwekkende openbaring aan den eenig overgeblevene van zijn apostelen geschonken had. Alle geloof aan zulk een rechtstreeksche openbaring verwierp men. Van een inspiratie die desnoods tot de letter toe ingaf wat als openbaring gelden zou, had men zich steeds meer vervreemd. Wat men als inspiratie dan nog wilde laten doorgaan, was ten hoogste het alleszins begrijpelijke, dat de schrijvers in 't gemeen, en zelfs hier Johannes over de heilige dingen hadden nagedacht, er over hadden gepeinsd, er in verband met het verleden zich voorstellingen van hadden gemaakt, en dat ze nu in oogenbHkken van heilige bezieling verhelderd werden in hun blik, en zich onder hooger leiding zoodoende denkbeelden over de toekomst vormden, waarbij ze metterdaad tot op zekere hoogte in de toekomst inleefden. Daarentegen werd steeds beslister elke mogelijkheid verworpen, alsof het eigen bewustzijn van de schrijvers door een hoogere macht, die in hen werkte, terug werd gedrongen, om vervangen te worden door een geheel ander, hun van Boven toegekomen en ingeprente en ingegeven voorstelling, die ze als het woorden waren slechts te boeken, en als het gezichten waren slechts te beschrijven hadden. Het was de inspiratie, het was de ingeving waartegen de strijd ging, het was de wezenlijke openbaring die in beginsel verworpen werd. Wat men beleed was niet van Godswege, door bijzondere mededeeling, in den mensch ingekomen, maar uit 'smenschen eigen denken in hem zelf opgekomen. Wel werd daarbij dan nog zekere hoogere leiding van geestelijken aard geëerbiedigd, maar deze leiding hield feitelijk niet anders in dan de leiding, die van Hooger Geest, heel ons leven door aan elk waarachtig geloovige toekomt. Mededeeling mocht het nooit zijn. En van een doen van Jezus uit den hemel viel deswege dan ook geen sprake. Dit viel waar te nemen bij de critiek over elk geschrift, maar vooral bij de Apocalypse van Johannes viel dit in het oog, wijl zelfs bij dit geheel eenige boek zoo goed als nimmer van een actie van Jezus uit den hemel ook maar gerept werd.

Dit trekt vooral de aandacht, zoo we letten op den naam van Apocalypse of Openbaring, die aan dit geschrift van Johannes gegeven is. Apocalypse toch is iets eigenaardigs, dat niet eenvoudig als profetie met alle overige openbaringen op één lijn mag worden gesteld. Apocalypse beteekent: het wegnemen van een bedekking. Het woord is saamgesteld uit twee deelen. Apo beteekent rt/, en calypse is de dekking die op iets rust of over iets uitgespreid ligt. Als het jonge wicht in de wieg sluimert en het wiegekleed hangt er over, dan ontwaart men het niet met zijn oog. Om het te kunnen zien, moet dan eerst dat kleed, dat deksel, deze bedekking worden weggenomen. Dan eerst kan men het kindeke met het oog waarnemen. En zoo nu is het ook hier. Hier geldt 't dan niet 't kindeke, maar de geheele toekomst, gelijk ze in Gods Raad en wereldplan gereed ligt. Maar men ziet dat niet en kan dat niet waarnemen, omdat er het kleed der eeuwen over hangt. En dit blijft zoo, totdat óf de eeuwen zich voleinden, of het kleed dat er over hing, geheel, dan wel ten deele, wordt opgetild. En dit optillen en gedeeltelijk wegnemen van het dekkleed dat over de komende eeuwen hangt, dat is nu de optilling van het dek, of, in het Grieksch de Apocalypse. Nu komt dit in zooverre met de Profetieën overeen, dat beider resultaat kan wezen om wat in de toekomst voor ons verborgen was, nu reeds aan ons te openbaren en aan ons mede te deelen, maar al is er zekere overeenkomst, toch blijft er verschil. De profeet toch beziet de dingen van uit deze aarde, de Apocalypse toont ze u van boven. In de profetie sluit daarom de Openbaring zich aan bij de gedachtenwereld, waarin de profeet leeft en denkt, en als gevolg uit oorzaken ziet hij in de toekomst rijpen, wat hij nu nog derft. In de Apocal)-pse daarentegen grijpt de vertooning van hetgeen te komen staat, van'uit den hemel plaats. Vandaar dat er in de profetieën veelal vormen en beelden gekozen zijn, die aan dit aardsche leven zijn ontleend, en dat daarentegen in de Apocalypse de taal, de manier van uiting en de geheele vertooning plaats heeft in vormen, ontleend aan de hoogere ongeziene wereld. Die twee kunnen zich nu verdeelen, gelijk dit met name bij Daniël het geval was, maar het kan ook óf louter profetie zijn, gelijk bij Amos, of louter Apocalypse, gelijk in de openbaring die aan Johannes op Pathmos ten deel viel. En hieraan nu is het toe te schrijven, dat in de Openbaring van Johannes de moeilijkheden zich als opeenhoopen, omdat 't hier alles een wijze van uiting en voorstelling is, die van uit den hemel bezien klaar als kristal is, maar van uit onze aarde aangestaard, telkens gelijken indruk maakt, als wij ondergaan, zoo we te doen hebben met een voorstelling en met een taal van een ons vreemd, met name Oostersch volk, waarbij, zonder nadere uitlegging, het recht verstaan ons niet gegund is.

Tot op zekere hoogte komt dit minder sterk in de Zeven dusgenoemde brieven van hoofdstuk 2 en 3 uit, en toch is het juist door deze gewichtige stukken, dat het volstrekte karakter van een van Jezus uitgaande Openbaring hier bezegeld is. Eerst geeft de apostel een kort inleidend woord in drie verzen, maar dan volgt terstond een opdracht van wat komt aan de zeven kerken die in Klein "Azië waren. Christus zelf roept dan uit: „Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en het einde, zegt de Heere die is en die was en die komen zal, de Almachtige". En nu volgt na de mededeeling, dat wie het schrijft Johannes, de gevangene op Patmos is, de rijke voorstelling dat de Kerk van Christus zich als een zeven gouden kandelaren afspiegelt, dat elk van de gemeenten van Christus' kerk beschenen wordt door een schijnend gestarnte, en dat in deze aldus afgebeelde Kerk de Christus zelf omwandelt in geestelijke gemeenschap' met zijn geloovigen. Dit beeld laat zich licht verstaan. Er is een wereld die in het duister der zonde ligt, maar in deze wereld komt nu licht. Dat licht komt wel van Boven, maar vindt toch zijn uitgang en breking hier op aarde in instituten die Christus er in droeg. Zoo straalt dan nu in deze wereld dit Licht niet uit de wijsheid der menschen, noch uit de wereld van het burgerlijk samenleven, maar van zeven kandelaren, d. w. z. lichtbronnen, die Christus in deze wereld indroeg, en die er nu in staan. Die kandelaren zijn vol goud, om hun uitnemende waarde te doen uitkomen. En elk van deze kandelaren heeft boven zich zweven een lichtende ster. Dit zijn dan de Kerken met haar geestelijke hoofden. En nu is de rijkdom van deze groepen nog minder in dat goud of in die starren te zoeken maar in den Christus die binnen den kring v»i deze kandelaren omwandelt. De zeven kandelaren zijn een eigen geestelijke wereld, te midden van de onheilige wereld geplaatst, en in het midden nu van die geestelijke wereld is Christus zelf het middenp'unt en de lichtuitstralende bron. Zoo zou niet onze wijze van afbeelden noch onze wijze van spreken zijn geweest, maar in dit hemelsche gezicht hoorde het zoo. Aldus was metterdaad de Kerk in de wereld, met Christus als haar centrum.

Na deze teekenivi> ; volgen nu zeven geschriften, want er 'staat telkens: Schrijf aan den engel der gemeente. Alleen maar, het wordt niet aan Johannes overgelaten zelf uit te maken, hoe hij dat schrijven zal. Johannes treedt hier niet op als auteur, maar als copiïst, en wel als copiëerende in den strengsten zin van het woord. Van woorde tot woorde toch wordt hem letterlijk aangezegd, wat en hoe hij schrijven zal. Niets is aan hem zelf overgelaten. Het is niet Johannes die hier de mededeeling aan deze zeven gemeenten doet, maar de Christus zelf doet het door den dienst van Johannes. En zoo volgen dan achter elkander de zeven brieven, niet van Johannes, maar van Jezus, aan de Kerken van Ephese, van Smyrna, van Pergamus, van Th)'atire, van Sardis, van Philadelphia en van "Laodicea.

Deze zeven Kerken blijken nu niet van gelijke soort te zijn. In de drie eerstgenoemde is nog de worsteHng met de onheilige machten van buiten, zoo uit het Jodendom als uit '; Heidendom, terwijl in de vier laatstgenoemde Kerken de ijver van den Christus ingaat tegen het booze kwaad, dat in dieKerken zelfwas opgekomen, en 't welk haar geestelijken staat ondermijnde. Wel met verschil in graad. Ephese staat alsnog het meest ongeschonden bovenaan, en heeft zijn strijd vooral met het Joodsche insluipsel Smyrna worstelt met Joodsche en Heidensche invloeden. Pergamus niet meer met de Joden, maar met de Heidenen. En v^t nu de vier overige Kerken betreft, ziet men het innerlijk kwaad, de innerlijke krankheid en versterving steeds in'graad toenemen. Het begint reeds in Thyatire en Sardis, maar het nam toe in Philadelphia, en bereikte haar zenith in Laodicea. Wat deze Kerken Vv/cral bedierf, was het antinomianisme. Het formeel wettelijke standpunt was nu met de Joden uitgeworpen, maar nu sloop ook aanstonds het booze k\yaad der Nicolaïeten in, die zich aan geen wet van Sinaï meer stoorden, en eer er behagen in schepten, te toonen, hoe zij zelfs in het grof-zinnelijke van de geslachts-zonde voor geen schandelijkheden terugdeinsden. Leest en herleest men nu, van woord tot woord, wat hier tot elk van deze zeven Kerken gezegd wordt, dan ontwaart men hoe het hier Christus zelf is, die spreekt, en in elk woord dat van hem uitgaat, karakterlijnen teekent van de wijze waarop zijn Kerk in het midden der wereld zich openbaren zou. Daarbij gevoelt men aanstonds, dat de bedoeling niet kon wezen, om nu juist deze zeven gemeenten met een alleen voor haar geldend woord wakker te schudden. De overige Kerken, zoo in Azië als in Europa, liggen Jezus even na aan het hart. Het zou niet aangaan, te beweren, dat Jezus wel wandelt in de zeven Kerken, die hier genoemd werden, en alle gemeenschap verzaakt met tal en tal van-andere Kerken, waarin stellig de kracht van het geloof niet minder kostelijk uitblonk, dan in' Efeze. Het feit dat de zeven kandelaren alzoo heel Christus Kerk op aarde voorstelden, toont derhalve, dat niet eeniglijk op de zeven Kerken in Kiein-Azië gedoeld werd, maar dat deze zeven Kerken, die onder Johannes' zorge gesteld waren, hier optreden als type, als soort van kerk. Allicht dat het soortverschil hier iets scherper uitkwam, zoodat zij zich beter dan andere kerkengroepen voor zulk een classificeering leenden, maar wie Openb. 1 : 20 helder doordenkt, kan tot geen andere conclusie 'komen, dan dat de vlak daarop genoemde zeven Kerken van Klein Azië, ons de Kerk van Christus voorhouden, zoo als ze in haar onderscheidene t)-pen of soorten reeds toen begon zich te openbaren, en steeds meer zich bij verdere ontwikkeling toonen zou.

In zooverre kan derhalve gezegd, dat in het karakteristieke beeld van deze zeven aan Johannes van nabij bekende Kerken, zich de Kerk in haar noodzakelijke variatiën vertoonde, gelijk ze in den loop der eeuwen steeds klaarder de velerlei schaduwzijden van het leven op aarde openbaren zou. Van dat 2e en 3e hoofdstuk kan daarom gezegd, dat ze een kerkhistorisch perspectief geven. Zóó zou de variatie, zóó de rijke ontplooiing, zóó de krankheid der Kerk in haar historisch verloop zijn, en juist deze loop zou ten bewijze strekken, dat er van een geleidelijke heiliging van het leven dezer wereld geen sprake kan zijn, en dat de Voleinding niet anders kan intreden dan doordien God de Heere den geregelden, gewonen loop van het Ipven op deze wereld gewelddadig zou afbreken, zoo de Parousie van den Christus voorbereiden, en eerst door de Wederkomst van den Christus den nieuwen staat van zaken zou doen ingaan, die in de Voleinding zou verwezenlijkt worden. Vandaar dan ook, dat, waar deze beide hoofdstukken ten einde zijn, met het vijfde hoofdstuk een geheel ander onderwerp aan de orde komt. De twee eerste hoofdstukken handelden van wat op deze aarde omging, doch met het vijfde hoofdstuk verplaatst de actie zich plotseling van deze aarde naar den hemel, waar Christus is. Teekenend wordt dit aangegeven door de woorden: -nEn ziet, een deur werd geopend in den hemel< s.. Dusver was het hemelsche nog afgesloten geweest. In de Tente Gods, in den Tempel daarboven, was nog geen inzicht mogefijk geweest. Doch nu grijpt dit wondere plaats, dat Johannes, in den Geest als verhoogd, thans opeens een opening ontwaart, een inzicht in de verte erlangt, een deur ziet opengaan, en door de geopende deur heen ziende, een inblik verkrijgt in een geheel andere levenswereld, dan hij hier op aarde gekend had.

En niet dat hij zoo 'staren blijft, en bij dat inzien den hemel aan zichzelf wordt overgelaten. Neen, er komt nu een stem tot hem uit, die roept; , , Kom en zie, en ik zal u toonen hetgeen na deze geschieden moet". Er nadert nu een beslissing. Het boek met de zeven zegelen wordt ontsloten, en Johannes ontvangt een gewaarwording, dat straks alle schepsel dat in den hemel is en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, als in één adem den lofzang aanheffen: , , Hem die op den troon zit en het Lam zij de dankzegging en de eer en de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid». Een lofzang van alle creaturen, die natuurlijk in de dagen van Johannes nog ondenkbaar was, en alzoo heenwijst naar het naderend einde. Dat einde treedt in de gezichten, door Johannes ontvangen, dan ook aanstonds in. Zegel voor zegel wordt geopend. Uit de zeven zegelen ontplooien zich de zeven bazuinen. De zeven bazuinen gaan in de zeven fiolen over. En in bijna rythmischen gang spoedt alles naar het einde, tot ten slotte de Christus zelf verschijnt; het oordeel der wereld voltrokken wordt, en , , de nieuwe aarde onder den nieuwen hemel" haar heerlijkheid begint te ontplooien. Eerst in het 8e vers van het 22e hoofdstuk is dan het einde bereikt, en in vers 8—21 geeft de apostel ons dan 't slot van deze gansche openbaring, altoos daardoor gekenmerkt, dat 't alles hangt aan de Voleinding die nn gaat intreden. »Die deze dingen getuigt, d.i. de apostel, zegt: Ja, kom Heere Jezus, ja, kom haastelijk. Amen, ja kom Heere Jezus«. In dit alles nu niets dan een vooruitgeschreven historie van de straks' volgende 20 eeuwen te zien, is uit dien hoofde een onhoudbare opvatting. Vooral Augustinus heeft die opvatting in zwang gebracht, en in een kerk gelijk toen, die zich steeds meer op een duurzaam leven hier op aarde begon in te richten, moest die opvatting wel ingang vinden. Vandaar dat toen een grootsche poging is gewaagd, om in het grootste deel van de Openbaringen niet anders te gaan zien, dan een vooruit-aankondiging van wat in den loop der eeuwen met de Kerk van Christus zou voorvallen. Vindingrijkheid vond hierbij een onafzienbaar terrein om haar wijsheid te toonen, en zoo was men er ten slotte toe gekomen, om in Openbaringen V—XXII de profetie te geven van wat in den loop der historie, alle eeuwen door, aan de Kerk van Christus op aarde te wachten stond. Er was niets in voorspeld dan wat in den loop der eeuwen te gebeuren stond. De vervolgingen van Joodschen en Heidenschen kant, de strijd met Mohammed en de Islam, het kerkbederf onder Rome, de Reformatie die redding zou aanbrengen, ja, wat niet al. Kortom, of men de Openbaringen las of de Kerkhisto/ie, het kwam al op 't zelfde neder. Het was zoo men wil een doublure in Profetische Voorzegging van wat te komen stond, en zoo dan tevens historische bevestiging van de profetie. Het eenige jammer was maar, dat deze aankondiging of profetie zoo gebrekkig was ingekleed, en zelfs van achter zoo weinig klem in de woorden bezat, dat nog bijna nimmer twee onderscheiden uitleggers geheel gelijke verklaring van de profetie in de his-'torie gaven, en erger nog, dat men dan wel in de uitkomst waarmaakte, dat 't profetisch geweest was, maar met geen woord vooraf, eer de uitkomst insloeg, had kunnen inzien wat voorspeld en aangekondigd was. Toen de Islam zijn ontzettende verwoesting had aangericht, toen kon men meenen te ontdekken, dat Mohammed voorspeld was, maar eerst nadat hij verschenen was en de Kerk van Christus in Azië en Afrika, ja ten deele zelfs in Europa, verwoest en vernietigd was. Op zulk een standpunt nu kan men zijn opvatting, nimmer rechtvaardigen. Profetie en Apocalj-pse strekten tot waarschuwing. Profetie van de Islam had intijds tot geestelijke actie moeten leiden, om den Islam te voorkomen, of althans om, toen hij kwam, gereed te staan om zijn vernietigenden aanval op Christus' Kerk af te weren. Profetie daarentegen die geen ander doel heeft, dan om, als de wonde geslagen is, te doen zien, hoe die wonde voorspeld was, zou haar heilig en ernstig karakter inboeten. Die min juiste opvatting moeten we dan ook laten varen. Het gaat niet aan te zeggen: »Hier hebt ge wat over een verloop varf 20 en meer eeuwen te gebeuren staat«, en dan toch als grondgedachte te blijven vasthouden aan het woord des Heeren: »Ik kom haastelijk«. Zulk een woord van Jezus kan alleen op de Voleinding zien, als hij dan ook werkelijk komen zal. Daarentegen te wanen, dat Jezus gezegd zou hebben voor nu bijna twintig eeuwen: »Zie, ik kom haastelijk«, om dan een' historisch perspectief te geven, dat nu reeds 20 eeuwen in zich sluit, ware ongerijmd. Het »Zie, ik kom haastelijk" kan alleen gelden als ge u Jezus denkt, 't alles afbeeldende gelijk het vlak voor zijn wederkomst en in de ure der Voleinding wezen zal. En alleen zoo ge van uit dat standpunt en van uit dat tijdstip de Apocal)-pse laat spreken, wordt 't alles u doorzichtig en verklaarbaar. Het historisch uitkomende in den tijd spreekt u dan uit de zeven brieven toe, maar de saamvatting van alle dingen, • die eerst in de Voleinding komen kunnen, doorleeft ge als geestelijk geconcentreerd naar den maatstaf van het eeuwige.

Er kan dan ook niet gezegd, dat de Apocalypse een geheel nieuwe, dusver onbekende voorstelling van wat in het einde te komen stond, in de Kerk van Christus indroeg. Wie in geregelde orde bijeenvoegt en historisch ordent, wat ons, van het Paradijs af, over de eindelijke overwinning en over den slottriomf van God over Satan betuigd was, dit naspeurt bij alle profeten, niet alleen bij de oudste in rangorde, maar ook bij de latere, vooral en in 't bijzonder ook in Daniël, ziet reeds daaruit hoe 't alles op gee» andere openbaring kon uitloopen, dan ons in de Apocalypse wordt voorgehouden. En" wie dan daarna de eschatologische uitspraken van den Christus zelven, en na hem die van zijn apostelen, zoo van Paulus als van Petrus, in goede volgorde samenstelt, voelt zeer wel, dat de vooruitziende blik op het einde, gelijk die in de Apocalypse geboekt wordt, in hoofdzaak geheel parallel loopt met wat Johannes zelf, zoo hij de brieven van Paulus en Petrus en de drie Evangeliën gekend heeft, reeds in schrift voor zich had liggen. Reeds eer hij van Pathmos werd weggevoerd, stond het klaar en helder voor hem vast, dat de Cultuur des menschen de zonde niet te niet kan doen, en dat alleen door een ingrijpen van Gods zijde, en door de komst van den Messias, de gestuite verheerlijking van het Heelal weer zou kunnen doorgaan. En zelfs hier bleef het voor hem niet bij. Eer hij naar Pathmos in ballingschap ging, wist Johannes even vastelijk dat er na Jezus hemelvaart een tweede periode van bange worsteling volgen zou, en dat eerst de tweede verschijning van den Messias de Voleinding kon brengen. Met de stukken van het Oud Verbond en de reeds gereede bestanddeelen van het Nieuwe Testament voor zich, steeds staande voor. de heilige heugenis van wat hij zelf van zijn Heiland had mogen beluisteren, en gedrongen niet 't minst door de hooge inspiratie des Geestes, stond het uitzicht in de toekomst, reeds vóór Pathmos, voor Johannes vast.

Toch heeft de Christus het niet bij het reeds geopenbaarde willen laten. Het apostolaat was niet bestemd om in telkens nieuwe apostelen vernieuwd te worden. Het straks wegsterven van den laatsten apostq|]r zou vanzelf een persoonlijke leegte in Christus' Kerk achterlaten. Én zoo verstaat ge het, dat de Christus, aan de Rechterhand des Vaders gezeten, ten einde zijn Kerk bij haar ingaan in de wereld nogmaals geestelijk te steunen, Johannes voor het ontvangen van deze Apocalypse heeft opgeroepen. Dat juist Johannes hiertoe verkoren werd, kon niet bevreemden. Vooreerst toch kon zulk een Testament eerst in de laatste ure uitgaan, en daar Johannes de overige apostelen overleefde, en de eenige was, die, voor zoover we weten, het einde der eerste eeuw mocht medemaken, is 't geheel natuurlijk, dat Johannes tot het ontvangen van deze openbaring geroepen is. Er was geen ander apostel meer, en voor het komen zelf van deze Apocal)'pse was het oogenblik eerst daar, nu het apostolaat ten onderging. Iets waar dan nog bijkomt, dat Johannes onder Jezus' discipelen* reeds een geheel eenige plaats had ingenomen, en dat uit alles blijkt, hoe hij vooral gerijpt was

in die mystieke innigheid, die als vanzelf steeds uit de oppervlakte naar de m kern vaii het leven onderduikt. Dat aan­ w liggen in Jezus schoot bij het Avondmaal, en dat tweezijdige in zijn karakter dat hij de ééne maal de Boanerges, en een andermaal de stille verzorger van Maria a werd, schonk hem juist wat hij behoefde, om tot de taak die op Pathmos te vervullen a viel, te rijpen. Zelfs was de bijzonder innige band die Johannes aan Jezus bond, zoo voor aller oog uitgekomen, dat ieder wist, hoe hij de apostel was dien Jezus zoo intiem liefhad. De Apocalypse was een openbaring, die alleen in stille teruggetrokkenheid innerlijk beseft, geestelijk doorleefd en klaar weergegeven kon worden. En zoo liep dan alles hier saam, om ook deze wonderdaad uit den hemel geheel aan haar doel op deze aarde te doen beantwoorden, nu Johannes, nu Johannes bij het einde van zijn leven, nu Johannes op Pathmos geroepen werd, om hierbij als instrument te dienen. Het geven aan zijn Kerk van deze Apocalypse juist nu het Apostolaat wegviel, was een daad van ontfermende > liefde die de Christus zijn Kerk op aarde ten goede deed komen. Slechts aan ééne zaak faalde het nu nog: Er was het Oude Testament, het Nieuwe was wordende, en dan eerst kon de Kerk haar loop voleinden, indien de Bijbel haar steunpilaar werd. De Bijbel in haar midden te hebben neergelegd, is dan ook de laatste daad van den Christus, eer de ordinaire loop van het leven der Kerk begon. Doch hierover in het volgend artikel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 juni 1915

De Heraut | 4 Pagina's

Van de voleinding

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 juni 1915

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken