GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„En werden twijfelmoedig”.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„En werden twijfelmoedig”.

20 minuten leestijd

(VOOR DE PINKSTERWEEK.)

En zij ontzetten zich allen, en werden twij felmoedig, zeggende de een tegen den ander: Wat wil toch dit zijn ? Hand. Il : 12.

De gewaarwordingen, die bij het naderen van 't heilig Pinksteren in de mannen der omgeving opkomen, Hepen van oudsher zoo zichtbaar uitéén. Zoo was het van meet af, en zoo bleef het nog; zelfs mag toegegeven dat het verschil eer wies dan afnam. In het Pinksterverhaal ontwaren we, dat er te Jerusalem, toen het heiligPinksteren intrad, allereerst spotters waren, die geen zweem van eerbied koesterde voor wat ze toch zelve ontwaarden dat plaats greep. Ze hoorden met eigen oor hoe 't machtige talenwonder intrad, maar geen oogenblik deed 't een heiliger aandoening in hen opkomen. Ze dreven den spot met wat ze gebeuren zagen en weigerden volstrektelijk om onder den indruk er van te komen. Bij door sterken drank verhitte personen hadden ze vaak een verwarring in de taal en in wat ze hiermede spraken opgemerkt, en nu ze iets soortgelijks ontwaarden bij de Apostelen, gingen ze zich inbeelden, dat ook hier op misbruik van [sterken drank was terug te gaan. Anderen ontzetten zich wel, maar zonder schamper over wat ze waarnamen te oordeelen. En in de derde plaats waren er onder de aanwezigen ook wel meer ernstig gestemden, die in wat ze ontwaarden poogden in te leven, maar die er geen vat op konden krijgen, en er ten deele althans half vreemd tegenover bleven staan. .^Er waren er ook niet weinigen, die van heeler harte in de groote gebeurtenis ingingen, en zich door de inwerking van den Heiligen Geest zegenen lieten. Maar toch, die zalige uitwerking bleek verre van algemeen door te gaan, en althans niet ten volle. En zoo bleek al spoedig, dat, zoo men de spotters en de gladonverschilligen zich ter zijde dacht, er ja wel een groote schare overbleef, die in het Pinksterwonder inleefde en genoot, maar dan toch althans zoo, dat er ook in deze schare zekere twijfelmoedigheid opkwam, zoo sterk zelfs, dat ons in Hand. II : 12 gemeld wordt, dat er twijfelmoedigheid in velen oprees. Zij ontzetten zich allen, zoo lezen we daar toch, en werden twijfelmoedig, zeggende de één tegen den ander: Wat wil toch dit zeggen ? « Heerlijk stak dit af tegenover hen van wie VS. 13 meldt: Anderen spottende zeiden: Wat wil toch dit zeggen? " De twijfelmoedigen bleven er dus niet buiten staan. Ze gingen in het heerlijke waarvan ze getuigen waren, in. Alleen maar, doorgronden konden ze het niet aanstonds. Uitwendig boezemde wat ze waarnamen, hun eerbied in. Ze voelden zeer wel, dat 't een heerlijkheid gold, die ook hen aanging, en wel verre van er zich gedachteloos van af te wenden, gingen ze aanstonds met heel hun innerlijke gewaarwording in wat plaats greep in. Alleen maar, den vollen rijkdom ervan konden ze niet aanstonds begrijpen. Het was hun te overweldigend en te machtig. Vandaar de twijfelmoedigheid die zich van hen meester maakte. Ze voelden er zich door aangegrepen. Ze ontwaarden den innerlijken drang om er dieper op in te gaan. Ook bleven ze er mee doende en mee bezig. Alleen maar 't kon niet op 't diepst tot in hun innerlijk zielsleven doordringen. Het greep hen wel aan. Ze konden er hun zielsaandacht niet van aftrekken.' En waar 't aan schortte was alleen, dat hetgeen plaats greep niet diep genoeg in hun eigen wezen doordrong, hen niet met genoegzaam heiligen drang omzette, en zoodoende twijfelmoedigheid deed opkomen, waar een beslist en geheel zich overgevend geloof eisch van het aangrijpende oogenblik ware geweest.

Het hier spreken van ^twyfelmoedigheid" is nu daarom van zoo uitermate hoog belang, omdat geheel dezelfde twijfelmoedigheid nog steeds, als 't Pinksteren nabij komt, zich van zoo vele geesten meester maakt, We doelen nu niet op de spotters, en niet op de onverschillige wereldlingen. Neen, het gaat hier over die ernstig gezinden, en vaak ernstig gestemde belijders, die ook zelven' door het heilige, dat in de vierdagen tot hen nadert, worden aangegrepen, er in meeleven, en erin meê genieten, maar die toch niet tot den boden en de kern van het heilige kunnen doordringen. Zoo waren er toen reeds ernstig gezinde Joden, die niet aanstonds tot het volle geloof doordrongen, en zoo nu ook zijn er thans nog onder ons op het Pinksterfeest vaak ernstig gestemden en het heiliglijk meenende vromen, die ten deele in het heerlijke van den vierdag mee­ leven, maar toch dit heerlijke niet tot in de kern van het wezen opnemen en daarom vaak reeds den dag na het Pinksterfeest zich weer geheel in de wereldsche gemeenschap of familieaangelegenheden verliezen kunnen. Deze klasse van Kerkleden is veel grooter dan de meesten zich voorstellen. Bij het Pinksterwonder waren ze stellig geringer in aantal, omdat de dag die toen doorleefd werd, zooveel meer aangrijpend was.

Thans echter kan veelszins betuigd worden, dat we op onze groote feesten voor vierderlei medeburgers staan. Er is een schare, op wie Pinksteren geeü enkele vat heeft, en die in niets een begroeten van den dag kennen dan met wilde pret, zoodat ze zelfs bij het nachtelijk uur zich bedrinken om in hun wildheid uit te barsten. Op deze wilde, maar helaas nog altoos zoo talrijke schare volgt dan de groep van wie uitwendig Pinksteren mee maken, maar zonder dat er een enkele geestelijke veer bij hen in beweging geraakt. Ze blijven in stille actie ook op den feestdag leven, maar van een heilige bezieling die deze dag hun aanbrengen zou. ontwaart ge niets. En dan komt in de derde plaats de vrij groote schare van die meer ernstig gestemden, die in het heilige feest mêe ingaan, en er het heilige van waardeeren, maar die toch te oppervlakkig zijn om er een geestelijken zegen van in te drinken.En daarna eerst komt er dan in de vierde of laatste plaats de groep der verlosten en bekeerden, die de geestelijke beteekenis van het zalig Pinksterfeest tot in den wortel verstaan, en zich dientengevolge door de heilige vreugde van het Pinksterfeest bezield en als in het geloof verjongd gevoelen.

In de derde groep nu vooral schuilt het gevaar waarop we wezen. Dezulken bedoelen we, die als weer het Pinksterfeest zich inzet, zich aanstonds door de heilige beteekenis van Pinksteren aangegrepen gevoelen en niets liever zouden doen, dan tot in' den bodem van hun innerlijk zielsleven den zegen er van inzuigen. Maar zoover zijn ze nog niet. Ze stellen er wel prijs op, om zich aan het heilige toe te wijden en den zegen van 't heilige in zich op te nemen, maar ze zijn er innerlijk nog niet voor gerijpt. Ze hunkeren wel soms naar de heerlijke gedachte, dat ook hun de volle toebrenging tot den Heiland mocht gegund worden, maar het toeft nog, en komt nog niet uit. Reeds sinds enkele jaren verkeeren ze in een toestand, dat ze er innerlijk naar verlangen kunnen, om wedergeboren en bekeerd den Heiland te zijn toegebracht, en in zijn heilige gemeenschap in te gaan. Maar het toeft nog. Het nadert hen soms een oogenblik, maar het dringt niet innerlijk tot hen door. Ze wanen het telkens te grijpen, doch dan ontglipt het hun weder.

Natuurlijk doet zich hierbij gedurig graad verschil voor. Er zijn er onder deze zoekers, die steeds op verren afstand blijven verkeeren, en ook op Pinksteren zich gemeenlijk, zonder tegenstribbeling in hun geest, voor de gewone belangen des levens interesseeren blijven. Daarnaast vindt ge dan anderen, die zich sterker uit hun verlatenheid tot het heilige aangetrokken gevoelen, er daardoor meer meê doende en meê bezig zijn, en gedurig gesprekken over het heilige zoeken, en dan in de eenzaamheid zekere neiging tot toenadering gevoelen. En dan ten slotte hebt ge de zoekers van den teedersten graad, die, ook zonder aanleiding, zich gedurig naar het heilige gedrongen gevoelen en het niet kunnen loslaten. Belijders die er tot op hun legerstede zich in verliezen, er telkens nieuw licht over pogen op te vangen, en de oogenblikken zien komen, dat ze een gewaarwording zullen hebben als waren ze reeds in het heilige kindschap opgenomen. Ze durven dan nog niet zeggen, dat ze in dat heilige kindschap reeds zijn aangenomen. Nog steeds vervolgt hen een gewaarwording van tekortkoming in het Heilige. En, zoo dikwijls ze er toe komen, om hun zielsleven voor bekende geloovigen te ontsluiten, dan is en blijft het steeds hun droeve klacht, dat ze wel dorsten en hongeren naar het Heilige, maar dat de volle verzekerdheid hun van hun God nog niet is toegekomen. Die drie groepen nu leven meestal van elkaar gescheiden voort. De ééne groep vindt de andere te ingebeeld of onteeder. Hoofdzaak echter bij alle drie deze groepen is, dat ze zich verrijkt zouden gevoelen, zoo hun onbelemmerd geloof maar doorbrak, doch dan telkens als ze nog een heilige zielsverrukking kennen, toch tenslotte gevoelen, dat ze weer worden teruggeslagen. Het teleurstellende resultaat is dan ook, dat in smaller of in breeder kring nog steeds geheel een schare van ernstig gestemde leden der Kerk voortworstelt, die niet rusten kunnen, eer ze het zalig kindschap als hun persoonlijk deel mogen. be­ schouwen, en toch blijft 't jaar in jaar uit een voortkruipen zonder dat ze de rijke, volle, allesomvattende zegening van de toebrenging de hunne mogen noemen.

Deze groep van »twijfelmoedigen < nu, die aanvankelijk zoo gering in 't aantal was, is thans helaas schier telken jare breeder uitgedijd. Het is almeer of er een aanmatiging in ligt, om zijn uitverkiezing en zijn kindschap te belijden. Men blijft, als om te schuilen, van verre staan en gaat aarzelend en veelal niet-durvend het leege leven door. Eerst als het sterven nadert, komt dan veelal eindelijk de doorbreking, en na steeds, den Christus zoekend, geleefd te hebben, gaat men dan tenslotte het sterven tegen als een dankbare verloste.

Hoe van nabij echter deze zakelijke voorstelling op de waarneming in het gemeene leven passen zou, ze geeft ons toch niet wat Pinksteren, in verband met onze heilige roeping, vraagt. Ons Pinksteren, gelijk we dit thans vieren, is een gedenkdag, en wel in zeer bijzonderen zin de gedenkdag van wat op het groote Pinksteren, toen de Apostel zijn getuigenis liet uitgaan, heeft plaats gegrepen. Dit nu herhaalt zich niet en kan zich niet herhalen. De uitstorting van den Heiligen Geest, zóó wonderbaar dat de heilige gemeenschap tusschen God Drieëenig en de verkorenen die op aarde zijn, er door blijkt tot stand gekomen te zijn, kon slechts eenmaal plaats grijpen, en uit dien hoofde kan er van een herhaling ook op a.s. Zondag van hetgeen Petrus in zijn heilige rede vertolkte geen sprake meer zijn. Toen was het tot de inwoning van God Drieëenig door den Heiligen Geest in zijn verkorenen op aarde nog niet gekomen. Doch wat toen nog niet was, is op dien dag juist in de werkelijkheid ingetreden. Aan de scheiding tusschen dit leven hier beneden en den Heiligen Geest is toen een einde gemaakt. De gemeenschap van den Heiligen Geest met het bestaan en het leven der verkorenen is toen eens en voor altoos tot stand gekomen, en van een vernieuwing of herhaling hiervan kan geen sprake zijn. Natuurlijk grijpt dit voor 't eerst in verband treden met God den Heiligen Geest ook nu nog plaats bij de Javanen die tot bekeering komen, of bij andere Heidenen of Joden, van wier overgang tot de Belijdenis van den Christus we getuigen mogen zijn, maar het blijft toch altoos iets dat zich niet kan vernieuwen of herhalen in den kring der gedoopten. De Heilige Doop is juist het heilig getuigenis, dat het kindeken dat den Doop ontving, uit Christenouders in de nieuwe bedeeling geboren is, en alzoo niet meer overgaan kan, omdat 't geboren is in den heiligen levenskring, waarin het, zoo 't tot de uitverkorenen behoort, tot in alle eeuwigheid zal blijven. Het teleurstellende hierbij is nu maar, dat in de Christelijke Kerk, gelijk deze zich thans in de meeste landen voordoet, een opeenhooping en verzameling van individuen plaats grijpt, over wier ouders geen oordeel meer is te vellen, of ze al dan niet in 't heilig verband stonden toen dat kindeken geboren werd. Gaat men nu onze groote Volkskerken na, waarin dan gemeenlijk de geheele bevolking van een land, zonder keur of onderscheid, is opgenomen, dan is het zonneklaar, dat op deze breede groep, die zonder kies of keur opeen is gehoopt, van geen toebedeeling des Heiligen Geestes sprake kan zijn. Ook al trad er naderhand 't doen van belijdenis in, vaak na een onderricht van twee, drie maanden, één uur in de week, dan staat men voor niet anders dan een geestelijk zelfbedrog, en is er aan de officieele actie die er straks op volgt, en zelfs aan het verschijnen aan het Heilig Avondmaal, geen de minste beteekenis meer te hechten, dan slechts in zooverre, dat er aldus een spelen met het heilige plaats grijpt, dat heilige wrake na zich kan sleepen.

Er lag dan ook niets overdrevens in, toen de Kerkeraad van Amsterdam in 1886 in den meest stelligen zin weigerde toegang tot het Heilig Avondmaal te verleenen aan jonge mannen, die elders dusgenaamd waren »aangenomen*, maar van wie in niets bleek dat ze in volle oprechtheid tot de Belijdenis van den Drieëenigen God gekomen waren. De uitstorting van den Heiligen Geest greep slechts eenmaal plaats. Van die ure af heeft de Heilige Geest in de Kerk van Christus geleefd, en was er geen Kerk denkbaar, die niet uit het volle en oprechte geloof aan de uitstorting van den Heiligen Geest was opgekomen. Het is daarom een zoo onjuist zich aanstellen, indien men op onzen jaarlijkschen Pinksterdag zich aandient, als lag het in onze bedoeling alsnu op den vierdag een herhaling uit te lokken van wat te Jeruzalem metterdaad plaats greep, doch dan slechts éénmaal voor alle eeuwen en zóó dat he voor alle aangesloten Kerken van Christus slechts eenmaal kon plaats hebben. Wat toen intrad en geschied is, kan zich in de Christelijke Kerken nooit en nimmer herhalen. Hierop echter wordt — iets wat zeer bedenkelijk is — in den gewonen eeredienst van onze Pinkstergodsdienstoefening veel te weinig gelet. Men geeft predicatiënten beste, om nogmaals den aangrijpenden inhoud van Hand, II, in alle deelen uiteen te zetten, zoodat de indruk wordt gevestigd alsof nu het gebeurde in Hand, II, voor zoover het Geesteswerking was, zich herhalen zou, herhalen van eeuw tot eeuw, vanjaar tot jaar, van land tot land en van kerk tot kerk, en toch is dit juist niet het geval, en kan niet zoo zijn. De groote Pinkstergebeurtenis was eenig en is voor geen herhaling vatbaar. Wie thans in Christus Kerk het Pinksterfeest viert, laat geen bede uitgaan of het groote genadewonder iöw^« mocht, maar dankt eeniglijk dat het onder Petrus heilige taal gekomen is. Van herhaling kan hier geen sprake zijn. Wie door zijn geboorte en door zijn doop in de Kerk van Christus is opgenomen, kan er niet als van buiten af nieuw intreden, maar slechts ontwaken tot het bewustzijn van wat door de wondere genade Gods hem met alle gedoopte uitverkorenen is toebedeeld.

Nimmer mag 't dan ook voorgesteld, alsof de dusgenaamde „aannethingt de intrede in den heiligen kring was. Wie ter zaligheid zal ingaan, is er in zijn geboorte voor aangewezen, en ontvangt op grond van die ongeziene, maar toch feitelijke „omkeering" den Heiligen Doop, Zijn dusgenaamde »aanneming< kan daarom geen andere beduidenis hebben, dan dat nu ook zijn ondeirichting in baareerste stadium voleind is, en dat hetgeen in het gezin voor de ouders geen geheim kon blij ven, nu ook voor de geheele Kerk openbaar beleden wordt. Men treedt een oogenblik het gezin uit, om met den breederen kring van het kerkelijk geheel gemeenschap te oefenen. Er ligt daarom iets eigenaardigs in, zoo deze publiekmaking van zijn belijdenis met het Pascha kan plaats grijpen. Het is dan een overgang van hetgeen dusver een huiselijk karater droeg, naar de geheele Gemeente. Niet echter om een nieuwen band te vlechten. De wedergeboorte gaat veelal zelfs aan den Heiligen Doop vooraf, en hierin ligt de belijdenis dat het oorspronkelijke door God Drieëenig in het zielsleven van den Heilige ingeprent en ingeplant is.

De bijna onoverkomelijke moeilijkheid ligt hierbij eeniglijk in de verplichting om dezen band zuiver te houden èn in zijn eigen Kerk én met de andere Kerken, waarmede men door zijn Kerkelijke verbintenis in verband treedt. Reeds uw plaatselijke Kerk kan schier te talrijk zijn, om u te doen gevoelen en erkennen, dat ge in geestelijke gemeenschap staat met de overige leden van dfcze Kerk. Doch veel moeilijker wordt het uiteraard dén vooral, zoo uw Kerk met tal van andere Kerken in geestelijke verbintenis trad, en ge op het Kerkeraadsgetuigenis van die andere gemeenten moet afgaan, om u te verzekeren, of ge al dan niet met de leden der andere Kerken geestelijke gemeenschap kunt oefenen onder de heilige keur van uw God.

Voor een klein land als 't onze gaat dit ten deele nog, maar zoo men met veel, veel grooter Kerken als die van Duitschland, Frankrijk, Rusland enz. rekent, kan men niet dan op anderer getuigenis afgaan; iets wat ook bij ons plaats grijpt door middel van de attestation. Dit kan dan niet anders, en moet wel zoo. Alleen maar, waarde kan hieraan alleen worden toegekend, zoo de gezamenlijke Kerken scherp toezien, dat de leeraars en ouderlingen de onderlinge verhoudingen met vollen ernst naspeuren, en er zich voor hoeden om pp oppervlakkig getuigenis af te gaan. Hiervóór nu is een Kerkelijk toezicht noodig, dat zich op eiken persoon afzondelijk richt, en een iegelijks redelijke gezindheid weet vast te stellen. Hierin nu ligt tevens vanzelf de volstrekte veroordeeling der groote volkskerken. Die toch moeten wel op den schijn afgaan en die schijn kweekt zelfbedrog. En het is daarom dat steeds meer op indeeling van de groote Kerken in parochiale Kerken wordt aangedrongen, teneinde aan den misstand van den onwaren schijn met Gods hulpe een einde te maken. Doch juist met het oog hierop is 't dan ook zoo dringend noodzakelijk, dat de Pinkster-prediking blijve wat ze zijn moet. Ze strekt toch niet om te herhalen wat op den grooten Pinksterdag geschied is. Dit toch kon slechts eenmaal plaats grijpen en herhaalt zich niet. Bezield en krachtig kan op onzen Pinksterdag het gebeurde op den grooten Pinkstermorgen weer opleven. Ons Pinksterfeest is het vieren van een herdenking, het slaat niet op wat nu plaats grijpt, maar op wat voor negentien eeuwen geschied is, en van toen af nog op het heden nawerkt. Wij wonen nu in het heilige huis, dat toen gebouwd is, maar van een telkens bouwen van een nieuw huis kan geen sprake zijn.

Juist daarom nu moet wel het groote Pinksterwonder op eiken Pinkstermorgen in gedachtenis voor ons treden, maar niet als iets, waar we toe komen moeten, doch als iets waar we in geboren zijn, waar we in verkeeren, en waar onze zaligheid aan hangt. Moet derhalve eenerzijds de heugenis van het machtig Pinkster-wonder in rijk getinte kleuren voor ons vernieuwd worden, het mag hier niet bij blijven. Zoo we waarlijk ten eeuwigen leven verkoren zijn, worden we niet eerst nu uit de wereld naar de Kerk delokt en geroepen. Neen, dan zijn we in de Kerk van Christus geboren, en belijden daarom met onze vaderen, dat zelfs de jonge kleinen, die nog geen jaar oud sterven, toch, zoo ze verkoren zijn, ten eeuwigen leven ingaan.

Tweeërlei moet ons daarom ook op het heilig Pinksterfeest bezielen. Allereerst de heugenis en nagedachtenis van wat voor nu bijna twee duizend jaren in de Tempelzaal te Jerusalem plaats greep. Toen is de Heilige Geest tot in ons menschelijk leven neergedaald, heeft zich in den kring van Gods geroepenen uitgestort, en heeft een geheel nieuw, rijk, geestelijk leven op deze aarde niet slechts mogelijk gemaakt, maar doen opkomen, bevestigd en bestendigd. Het betaamt ons daarom telken jare die groote, rijke, geestelijke gebeurtenis te herdenken, er op nieuw als met geheel ons bewustzijn in te gaan, er onzen God in groot te maken, en Pinksteren steeds weer voor wie geestelijk leven ontving, te maken tot - den grooten vierdag, die zich nimmer kan herhalen, maar die toch telkens opnieuw in onze herinnering en verbeelding opleeft, als had nu eerst plaats wat toen vopr altijd intrad, doorging en zich voleindde. Van twijfelmoedigheid kan daarom bij ons geen sprake meer zijn, eb ook onzerzijds moeten we aan de twijfelachtigen klaar en helder doen inzien, dat wie nog steeds uitziet of niet nogmaals gebeuren kon wat voor twintig eeuwen intrad, doorging en voleind wierd, zich zelven buiten het Heiligdom sluit.

Doch dan ook in de tweede plaats is ons Pinksteren een roepstem tot een heilige plichtsbetrachting, die op ons indringt. De herinnering kon op 't Pascha niet rijk noch bezielend genoeg op ons inwerken, maar toch, het Pinksteren dat ons nu gegund wordt te beleven, mag niet in louter herinnering opgaan, maar rust niet eer 't ons heeft kunnen bezielen tot een rijker, warmer, beslister Christelijk leven, en zulks niet voor ons zelf, maar voor de eere van het Koninkrijk Gods. De prediking op het Pinksterfeest kan en mag daarom' niet beperkt blijven tot de heilige herinnering aan 't voorheen, maar moet telken jare op nieuw een rijkere levensuiting van de Gemeente Gods doen uitgaan. De herdenking van de Hemelvaart ligt dan achter ons, We wachteü dan in die dagen, die Hemelvaart en Pinksteren vaneen scheiden, op een bewerking van ons innerlijk zielsleven waardoor we thans op Pinksteren de herhaling krijgen van wat voor bijna twintig eeuwen intrad, maar thans zich in nieuwen rijkdom des Geestes openbaren moet.

Ook de prediking moet zich daarop richten. Rijk moge de herinnering ontplooid worden v^n wat éénmaal plaats greep en voor geen herhaling vatbaar is. Doch hierbij mag het niet blijven. Hand. II kan tot zelfs onze jeugdige kinderen soms bezielen, doch het geheugenwerk leidt slechts in het gebeurde in, en doet er de werking op onzen eigen persoon, op ons gezin en op onzen levenskring niet van gevoelen. Eisch is 't daarom en blijft het, dat de predicatie op onzen Pinksterdag met vollen ernst op de uitwerking en op de gevolgen van het groote Pinksterwonder inga. Op klare, boeiende doorzichtige wijze moet de Prediking op onze Pinksterdagen den nieuwen geestelijken toestand doen uitkomen, waarom de nu gèdoopteii en ten Heilig Avondmaal toegelatenen den Christus toebehooren, zijn getuigen en dienstknechten zijn, en niet meer in de wereld, maar eeniglijk in zijn Heilig Lichaam de kracht huns levens moeten ontplooien. Van de herinnering van het verleden ga daarbij niets af. Dit moet klaar en doorzichtig blijven, en met dank in het hart moeten we op eiken Pinkstermorgen weer inleven in wat vóór nu zooveel eeuwen die rijke Pinkstermorgen aan de wereld gebracht heeft. Maar hierbij mag het niet blijven. Die

zalige heilige herinnering moet ons zelf, moet ons persoonlijk als getuigen van het vernieuwde, verjongde, geheiligde leven doen optreden, om nu niet meer het rijk Gods te zoeken, maar het te bezitten, er in te wonen, er steeds in te zijn, en er niet minder heen te lokken al wat onder de bereiking van ons woord valt. De Apostelen en de getuigen op den Pinksterdag voor nu twintig eeuwen waren op weg naar het volzalig Koninkrijk, en het ontsloot zich voor hen, en met al hun geestelijke volgelingen zijn ze er in thuis» gebracht. Dankbaar genieten ook wij van wat hen verrijkte, daar 't ook onze geestelijke schat is, doch voor ons, als nu in het Koninkrijk inzijnde en in het nieuw leven inlevende, is thans alle twijfel buitengeworpen, en ons innerlijk leven een zielsleven in den Heere.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 mei 1920

De Heraut | 4 Pagina's

„En werden twijfelmoedig”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 mei 1920

De Heraut | 4 Pagina's