GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

DE PSYCHOLOGIE DER BEKËERING.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE PSYCHOLOGIE DER BEKËERING.

12 minuten leestijd

l

Vele zijn de omkeeringen, die er op wetenschappelijk terrein werden geconstateerd, sinds de nieuwere filosofie zich Van de christelijke geloofsovertuiging losmaakte. Die omkeeringen komen niet alle voor rekening van die filosofie zelve, maar zij heeft ongetwijfeld haar grooten invloed doen gelden.

Juist het terrein van de godsdienstwetenschap koos zij menigmaal uit voor haar speculaties en meer dan eens bleek ze overhaaste conclusies te Jiebben getrokken, terwijl todi ook herhaaldelijk fcaardevolle opmerkingen werden gemaakt.

* Hoewel het oorspronkelijk niet haar bedoeling was, heeft zij evenwel tenslotte de religie genegeerd, ea de theologie gedood. In den aanvang scheen dit niet alzoo' te behoeven. Immers het was haar bedoeling de theologie met' een eigen gebied aan de theologen over te laten, — terwijl zij', na een scheiding gemaakt te hebben tusschen geloof en rede, de wereld van het denken voor haar rekening nam. Daarna kwam "de periode!, dat zij dacht geloof en openbaring, religie en theologie, voorgoed te kunnen missen, daar immers de rede zelve datgene, wat benoodigd was voor zedelijk en goed leven, voldoende aan het licht kon brengen. En toen begon de dritiek op de openbaring in welgedane zelfbewustheid. De rede zom als de gave leermeester wel heel het leven vullen.

Tot de vrij plotselinge kentering kwam. De rede nam de rede zelve onder het ontleedmes. Na de witiek op alles begon de rede met de critiek op de rede. En toen viel alles, wat voorheen — ongetwijfeld ook als een erfenis van een vroegere beschouwing — was meegebracht, weg. De oorzakelijkheid in de natuur viel even goed als de doelstelling; persoonlijkheid en zelfbewustzijn waren oabewijsbare grootheden; goddelijke en bovenzinlijke dingen, ze waren weinig meer dan vervlogen fantasieën.

En toch leefde men in het 'bewustzijn, dat er een verlies was geleden doo^rdien men a"l deze bovenzinnelijke dingen moest loslaten. En de groote profeet v; an de critiek opi de rede. Kant, heeft 2olf gepoogd op zijn wij^ze toch Voor de religie Weer een plaats in te ruimen. En hij was zeker 'liet de eenige, die zulk een poging waagde. Nu 66ns moest uit de zedelijke kraciht van den wil, •lan uit de mystiek des geVoels, en "dan weer uit ie intelleetueele aansdiouwing of de specnlatieve rede het liitgangspunt genomen worden, om toch 'foer te komen tolt het herwinnen van iets van iot verloren terrein.

Al dadelijk moet worden opgemerkt, dat al deze pogingen echter de religie uit het subject opbou-'•''en; oorsprong en kenbron van 'de religie is de •Henschelijke geest, en van een 'Openbaring Gods, Tan een religioi ohjectiva (voorwerpelijke religie) ^^ü men niet weten.

Het zou ons te v^er voeren, wanneer we al de *derscheiden wegen, die men insloeg om toch jje religie weer een' eigen plaats in het systeem der ••eschouwingen Ie geven, zouden behandelen. Wel ''erstaan we, dat, hoie men ook poogde het geleden ^erlies te herstellen, men nimmer verder kon ^omen, dan tot een ervaringstheologie, of een uit •let Tïewustzijn opgebouwde gódsdienstwetenschapl

Wanneer we spreken ov'er de psychologie der "okeering, dan bewegen we ons voornamelijk in het gebied van de nieuwere godsdienstwetenschap, en het spreekt wel vanzelf, dat de richtingen, die hier den toon aangeven, dan ook in de eerste plaats onze aandacht hebben.

Wat toch was het gev'al?

Men constateerde — terecht — dat er bij elke religie zekere innerlijke aandoicningen zijn, zekere ervaringen, die voor den persoon zelve, die ze beleeft, werkelijk en waarneembaar zijn.

Deze ervaringen nu gaven aanleiding om te denken aan de mogelijkheid, dat men door het onderzoek van datgene, wat zich als ervaring voordeed, zou kunnen komen tot het kennen van het wezen van de religie, tot het bestudeeren van de dingen, die buiten onze gewone waamemingssfeer liggen.

De gedachte aan deze mogelijkheid kon des te eerder opkomen, wijl door het piëtisme, en vooral door het methodisme, "een zekere wetmatigheid der religieuse ervaringen was verondersteld. En ongetwijfeld bestaan er zekere algemeene regelen, die als „normaal" mogen gelden, ook in het werk van het heil, dat God aan een zondaar verricht.

Daarbij kwam, dat er sinds lang sprake was van „ervaringstheologie". Terecht heeft echter reeds Bavinck erop gewezen, dat men hier door een woordklank zich tot misverstaan liet verleiden. Immers bij de „ervaring" waarvan de theologie sprak, bedoelde men te wijzj^n opi het feit, dat de religieuse beleving een dor en ïïoor persoonlijke zaak is, dat door de beleving de religieuse waarheden het eigendom van elke ziel moeten worden, en dat deze beleving in ieder individu op geheel eigen wijze werkt. Maar toen men ging spreken van 'de nieuwere godsdienstpisychologie wilde men dat begrip ervaring dekken doiOï een experimenteel vast te stellen psychische gewaarwording en men verwarde deze begrippen; men wilde door de ervaringsgegevens vast te leggen, te bestudeeren, te classifioeeren, enzoovoorts, tot een resultaat komen omtrent het wezen'der relig i e. Men meende zoo de religie gemaakt te hebben tot voorwerp van een soort exacte wetenschap.

Inderdaad liet dan ook eenige jlaren geleden een godsdienstpsycholoog den juichkreet 'hooren, dat nu ook „God" wetenschappelijk kon worden onderzocht, en dat er dus geen terrein meer was, dat niet door de wetenschap was veroverd.

Hoezeer deze wetenschap alle vastigheid en objecitieve zekerheid mist, zullen we later aantoonen, genoeg zij dit voorbeeld om "te doen zien, wa't de bedoeling is van velen van hen, die zich aan de godsdienstpsychologie wijdten.

Natuurlijk is het niet de bedoeling van deze artikelenreeks, enkel te handelen over datgene, wat het zoogenaamd wetenschappelijk onderzoek van den laatsten tijd aan materiaal verschafte. |Wij twijfelen er geen oogenWik aan, dat enkel zulk een poging bij het meerendeel onz; er lezers slechts matige belangstelling zon vinden. Maar tooh moeten we wel aanvangen met een overziöht van hetgeen men in de onderscheiden scholen der godsdienstpsychologie alzoo als vaststaande aanneemt, omdat opi die wijze juist onze beschouwing tegenover de moderne gedachte komt te staan, maar we ook van den anderen kant kunnen laten zien, dat er veel waardevolle opmerkingen van moderne zifde zijn gemaakt, — opmerkingen, die we niet mogen negeeren.

Waarbij we ei weer op wijzen moeten, dat de titel dezer reeks niet is: „psychologie der religie", maar „psychologie der bekeering".

Hetgeen zeggen wil, dat we niet het geheele terrein voor onze rekening nemen ditmaal, maar slechts dat gedeelte, dat handelt ovter het mysterie van de bekeering.

Dat we nu eerst moeten zien, wat er in den laatsten tijd alzoo omtrent de bekeering als psychologisch verschijnsel is gezegd, staat wel vast, evenals het feit, dat eenige critiek op onderscheiden uitspraken volgen moet.

Pas daarna gaan we pogen ons standpunt ten opzichte van de psychologie der bekeering uiteen te zetten.

Terecht werd er op gewezen in den laatsten tijd, dat „be keer ing" een verschijnsel is, dat bij eiken vorm van religie voorkomt. Bekeering, als psychologisch gebeuren is er ook, wanneer de roover in de bergen van Thibet berouw krijgt over zijn daden, en als een vrome Lama zich terugtrekt in het klooster. Bekeering is er ook, wanneer de zoon van den koppensneller moderne ideëen krjjgt en aflaat van het euvel bedrijf zijner voorouders, maar bekeering is er ook weejr wanneer dat „moderne" jongmensch terugkeert^ onder de Dajakkers en weer lustig gaat meedoen mét het afsnijden van menschenhoofden. Bekeering is er naar alle kanten heen.

Zoo is het psychologisch gezien. Immerè in al die gevallen heeft er een imierlijke ommekeer .plaats gehad, en heeft een verandering van richting een wijziging in de levenshonding doen komen.

Natuurlijk ontbreekt het in deze gevallen aan een waardemeter. De waardeering yan het verschijnsel valt buiten het bestek'.

Of Petrus zich bekeert en naar bniten gaat en bitter weent, dan wel of Judas berouw krijgt en zich ophangt, het is bij beide een vorm van bekeering, maar voor de psychologie van de bekeering in modernen zin genomen, zijn deze vormen van bekeering volkomen van gelijke waarde, om het verschijnsel van de bekeering te bestudeeren.

Evenwel — meestal zal in de pracitijk de consequentie niet zooi strak worden getrokken. Immers het „onderzoekmateriaal" staat gewoonlijk onder den invloed van het christelijk' leven, onder den invloed van de bijbelsche terminologie zelfs, zoodat de onderzoekingen zich onwillekeurig veel dichter aansluiten bij de opvattingen van de christelijke religie, dan Üieoretisch noodzakelijk is.

Zelfs de onderzoeker is van deze invloeden niet vrij.

Een eigenaardig voorbeeld daarvan geelt W i 1-liam James.

Deze, die wel eens ten onrechte de eerste godsdienstpsycholoog wordt genoemd, verzamelde allerlei interessante gegevens omtrent bepaalde, meestal ongewone gevallen van godsdienstige ervaring. Zijn godsdienstpsychologie kan dan ook, genoemd worden: die Van het interessante geval. Nu wil James zijn systeem enkel ophonwen uit de gegevens, die hij door het experiment verkrijgt. Hij wil het wezen van dé reUgieuse ervaring vaststellen. Daartoe moet hij dan indringen in de sfeer dier religieuse ervaring.

Maar nu is het merkwaardige, dat hij bij' dat onderzoek eenige begrippen Van zichzelf meebrengt, die hij niet uit het object van onderzoek' heeft gevonden. Zoo spreekt hij b.v. van wedergeboorte en bekeering, en geeft dan aan die woiorden meermalen een orthodoxen inhoud. Dat is nu opzichzelf wel heel gelukkig, maar het wijst er toch op, dat het zuiver exp crimenteele niet immer zóó zuiver is, als men het wil doen voorkomen; en het verklaart tevens, hoe het mogelijk is, dat we 'bij! de moderne godsdienstpsychologie, die enkel uit de ervaring van den „religieusen mensch" wil spreken, nog zooveel tendenzen v"inden, die herinneren aan de uitspraken der orthodoxe theologie, zelfs aan de uitspraken van de Schrift en onze belijdenis.

Daarbij moeten we niet vergeten, dat de godsdienstpsychologie haar grootste triumfen vierde in Amerika, en dat daar dus ook de meeste experimenteele onderzoekingen werden ingesteld. Maar Amerika is het land van de godsdienstige „revivals", van de „opwekkingen", en deze „opwekkingen" hebben in^haar gevolg allerlei meetings; en juist deze meetings, inzonderheid die, waar jonge menschen aanwezig waren, waren de gelegenheden, waar men zijn „studiemateriaal" verzamelde. Juist meestal bij jonge menschen, wijl bij hen de „bekeering" ^ooials men veronderstelde.

nog beter in het geheugen lag; wijl immers, gelijk men aannam, de bekeering meestal viel tussohen het vijftiende en het twintigste levensjaar.

Dat dus de „moderne" godsdienstpsychologie zich veelal bedient van termen aan de christelijke religie ontleend, dat zij veelal zich aansluit aan de christelijke ervaring, pleit niet voor haar beginsel. Het is bij haar niet een kwestie van principe geweest, dat zij zoo deed. Zij wil immers van een van te voren aanvaard ohjectief principe niet weten. Maar het was bij haar de gedienstigheid van de practijk, die haar den dienst bewijst, dat zij, in schijn althans, veelszins dicht bij de christelijke religie staat.

Om het verwijt te ontgaan, dat we ds moderne godsdienstpsychologie van meetafaan geen recht doen, herinneren we eraan, dat zij zelve wel den term „objectieve religie" gebruikt. Zoo spreekt Dr R. M ü 11 e r — F, r e i © n f e 1 s van „„oibjektive" Re ligion", — maar zooails hij zelf zegt. bedoelt hij daarmee dan datgene, wal niet allereerst in het subject van den enkeling beleefd wordt, maar dat andere, wat eerst tot stand komt, wanneer er een saamleving is. Zoo vallen b.v. mythen, sagen, allerlei vormen van godsvereering, (en in één adem daarmee genoemd, ook) dogmata en traldities onder deze z.g. objectieve religie. Niet omdat er een objectieve zekerheid zou zijn of een voorwerpelijke waarheid a priori zou worden verondersteld, maar wijl het hier gaat om dingen, die v o o r d © v o o r-s tel ling der menschen bestaan zonder een onmiddellijke ervaring.

Bovendien moeten we niet vergeten, dat ook dan alle deze vormen van objectieve religie nog gelijke waarde hebben. De mythen van de .Javanen en de verhalen van de verschijningen Gods in het oude testament, de cultus van de Buddhisten en de eeredienst der christenen, de mededeelingen van de Vedas en de dogmata v; an het christendom, de „stellingen" van Christus en de beweringen van Mohammed — ze zijn alle van gelijke waarde. Tenminste zoolang men bezig is aan zijn onderzoek. Misschien, dat men straks vergelijkenderwijs een waarde-oordeel uitspreekt. Maar dat behoeft allerminst gunstig te zijn voor het christendom. En het is dan ook meer dan eens voor het christendom veri'e van vleiend.

Het zal reeds duidelijk zijn, dat de moderne godsdienstpsychologie de neiging heeft, in de religie te zien een algemeen menschelijk verschijnsel van psychischen aard; beleefd in ieder mensch; beleefd op onderscheiden wijze; met meer of minder wanbegrippen; maar dan toch beleefd en ervaren naar eigen karakter.

Onder de belevingen nu, die tengevolge van het aanwezig zijn van het religieus principle in den mensch naar voren komen, is ook de beleving van de „bekeering". Bij eiken godsdienst, bij eiken vorm van religie, komt deze bekeering voor. En het is de psychologie van de bekeering er veelal om te doen, te weten te komen, welke nu de typische wetten zijn, waaraan het zieleleven beantwoordt of hoe de ziel reageert in zulk een periode van bekeering. Het werkzaam beginsel in de ziel is hier een soort religieus vermogen, een eigenaardige potentie van de ziel om naar „het religieuse" zich te keeren. Hoe werkt nu die eigendommelijke functie? Wat gebeurt ei' in de ziel bij zulk een ommekeer in het leven? Wat is tot dien ommekeer de aanleiding? Dat zijn de vragen, die de psychologie der bekeering heeft te beantwoorden.

Religie wordt dus zóó ten eenenmale los gemaakt van de openbaring Gods. Het werk des Geestes wordt uitgeschakeld. Bekeering is tenslotte niet anders dan het vinden van zicèzelf, — het vinden van het rustpunt in het opgaan in de volkomen natuurlijke kwaliteiten van de eigen religieuse aandoening. Zooals de inan met de kunstenaarsziel eerst rust vindt, wanneer hij kunst geniet of kunst geeft, zoo is de mensch het religieuse wezen, dat religie hééft — en bij zijn bekeering alleen maar omgekeerd wordt om te vinden, wat hij heeft.

Hierin is een grijpen naar een 'juiste gedachte.

Maar toch is er de miskenning van de war© religie. En dus is er wezenlijk de leugen, hoe schoon sommiger uitlatingen ook klinken.

I. W.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 januari 1926

De Reformatie | 8 Pagina's

DE PSYCHOLOGIE DER BEKËERING.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 januari 1926

De Reformatie | 8 Pagina's