GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KUYPERIANA.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KUYPERIANA.

22 minuten leestijd

In dit artikel komt Dr Kuyper zelf aan 't woord! Zou een „Kuyper-nummer" volledig zijn als we „our masters voice" niet hoorden?

We zullen hem daarom alleen een beetje inleiden en soms een beetje uitleiden — maar 't is uitsluitend om z ij n woorden te doen.

En 'kweet zeker: U zult verbaasd staan over zooveel onverwachte, interessante, pikante, profetische uitspraken!

De humor ontbreekt niet, evenmin als de bekende historie, ge weet wel, die zich steeds herhaalt. We hebben voor dit artikel alleen geput uit oudere, weinig bekende, publicaties van Dr Kuyper. Nog één ding: Dit artikel had heel makkelijk honderd -maal zoo lang kunnen worden. En daar gaat ie dan!

Dr Kuyper was volop „negentiende-eeuwer". Van top tot teen was hij een figuur uit de nieuwste geschiedenis. Hij voelde zich thuis in zijn aera en wilde juist in z ij n tijd het Calvinisme weer tot bloei brengen.

Hoor maar naar wat hij aan Prof. Harting schrijft in een open brief („Heraut" No. 330):

TJw voorstelHug, als voelde ik aelf al 'het hopelooze, dat in elk oiproeien tegen den stroom der moderne

levensbeschouwing zou liggen, vindt in de heugenis van mijn Jeven dan ook weinig weerklank. Eer heb ik tamelijfe goede hope. Kind van mijn tijd voel ik mij zoo goed als de beste uwer. Ook mij' is een reizen per spoor tienmaal liever dan een voortsukkelen in de nac'htschuit, en ik weet waarlijk niet in wat opzicht de 'zegeningen der moderne beschaving minder door ons dan door U worden gewaardeerd. Uitnemend wel gevoel ik mij dan in deze negentiende eeuw ook . thuis; ik zou in geen andere kunnen leven; en wat in het hart van de zonen onzer eeuw omgaat, meen ik aan het kloppen van mijn eigen hart tamelijk trouw te hebben Muisterd.

Maar dat dit aan een terugikeer tot de beginselen en naar de levensrichting van het Calvinisme in den weg zou staan, merkte ik noch aan mij^zelven, noch aan anderen ooit. De sfeer van het geloof bleek mij in altoos duidelijker mate van de sfeer uwer wetenschap o n afhankelijk.

Kuyper is langzamerhand gereformeerd geworden. Naar hij zelf eens schreef, heeft het vijf en twintig jaar geduurd eer hij zich uit den greep van het modernisme ten volle had losgeworsteld.

Ja, Kuyper m'oest gerefoi-meerd worden. Men leze („Heraut" No. 50):

Zelden schreef Dï Bronsveld dan ook een meer waar woord dan toen hij' onlangs drukken liet: „Gereformeerd en Dr K. zijn nog altüd twee!"

Wehiu, dat is zoo. Dat is (afgezien nu van wat Dr B. dit schriivende bedoelde) volkomen waar. En zal misschien nog wel lang zoo blijven. Eer op alle punten helder licht ontstoken en over alle vraagstukken van methode en toepassing en relatie tot wetenschap en • kunst, maatschappij en school, staat «n kerk, de zuivere liJn zoo zal gevonden zijn, dat men tot verdere ontwikkeling in staat zal blijken, verloopt. Dr B. 'ga er 'zeker op, nog licht een reeks van jaren.

Wij voor ons althans maken er in het minst geen geheim van dat we veel, zeer veel nog niet weten, dat veel wat we weten nog een juistere richting moeten ontvangen; en vooral dat niet ©en enkel geleerde, noch ook een kring van zeer geleerden, maar alleen een Synode nationaal, naar geestelijke ordening beroepen, Kj het licht des Heiligen Geestes, uit Godes iWoord, beslissen kan.

Het levensideaal van Kuyper!

Meermalen schreef hij daarover. In de kern der zaak is het altijd gelijk gebleven: de triomf der gereformeerde beginselen in de harten van zijn landgenooten.

Maar bij de verwerkelijking van dit ideaal, is zijn weg anders geleid, dan hij wilde of vermoedde.

Hoe in 1886 Kuyper zich zijn levenstaak dacht, schreef hij eenmaal in de bekende brochurereeks: „Het conflict gekomen", deel III, p. 35 en 36:

"Want als op de vraag : Wat wil Dr Kuyper toch? Dr Kuyper zelf nu ook eens het antwoord _IQ'ag geven, dat wete men, -dat ai wat..in..mij is, er naar snakt en hijgt, om van den 'kerkelijken strijd met al zijn zielverdervende 'bitteAeden verlost te worden, en dat ik, o, zoo dankbaar het uur zal zegenen, waarop mijn wederpartijders mij de verhooring dier stille bede brengen.

Ik heb er geen tijd voor.

De studie der Theologie eischt in toenemende mate mijn kracht, en als de Heere mijn God mij nog een tiental jaren levens mocht hehben toebedacht, dan is het al mijn jaloersch'heid en zielsinnig begeeren, dat ik eerst mijn Encyclopaedie, daarna mijn Dogmatiek moge uitgeven, en dat ik mijn levensarf)eid besluiten moge met de uitlegging van een boek uit het Woord.

Hooger en verder gaan miJn aspiration niet.

Persoonlijk ben ik van het politieke tooneel voorgoed afgetreden, en o, ik verheug er my zoo van heeler harte in, dat ik aan het Kamerleven ontkwam.

In den tijd, vlak voor de Doleantie, werd rondverteld, dat Kuyper zich zelf als een Kerk-reformator beschouwde, die hiervoor bizonder door God zelf geroepen was.

Op een fijne manier reageert Kuyper in „De Heraut" van 24 Febr. 1884 op dit gerucht:

Telkens en telkenis hoort men het gerucht uitstrooien, dat er in onze kerken iemand zou ziJn, die verklaarde van Godswege geroepen te zijn, om als Reformator op te treden.

Dit boezemt ons zeer groote belangstelling in.

Het zou toch een heerliike, een tot jubel en lofgemng stemmende ontdekking zijn, indien werkelijk •ropenibaar wierd, dat God de Heere - zulk een man verwekt had.

Daarin toch zou de heuglijke zekerheid liggen, dat de Heere 'ziJn volk weer bezocht, dat er onder het volk rijk en ruim schuldibelüden was doorgebroken, en dat er een werking van den Heiligen Geest onder 'de kerken was uitgegaan, om weer in ijver te ontvlammen voor de zuiverheid van 's Heeren dienst.

Maar bevat dit gerucht wel waarheid ?

Het Winkt zoo vreemd.

Wij althans zouden zoo zeggen : Iemand, die daartoe werkelijk verwekt is, die zal het nooit verklaren, ' maar die zal er zonder dat hy het zelf weet of merkt, toe gebruikt worden.

Geestig was Kuyper in hooge mate.

In 1878 oefende hij kritiek op een tijdschrift-artikel van Prof. Valeton Jr, betoogende, dat door dat artikel bevestigd werd de slechte indruk, dien men van Valetons schriftbeschouwing reeds door zijn inaugureele oratie had gekregen.

Rusteloos heeft Kuyper Valeton vervolgd met zijn critiek, telkens wanneer deze het Schriftgezag aanrandde.

De woede van ons irenische Vaderland daarover was grenzenloos.

Naar aanleiding van bovengenoemde kritiek ontvangt Kuyper een anonyme briefkaart van een Utrechtschen student.

Deze heer ontvangt in „Uit de pers" van „De Heraut" van 7 Juli 1878 een antwoord van den volgenden inhoud:

„Uit pers en pos t" mocht ditmaal wel tooven deze rubriek staan. Althans we moeten voor dit keer óók de aandacht vestigen op een kaart in onze brievenbus gevonden.

Een kaart die zich voor wil doen als in naam van alle theologische studenten te Utrecht door een student 'geschreven, maar die, bü het licht der tekstoritiek, blijkbaar ondergeschoven en niet authentiek is. Er stond dit op :

Gij schijnt weer nieuw voedsel genomen te hebben om onzen professor Valeton verdacht te maken en met hem de Utrechtsche Universiteit met hare studenten. Bij het volk bereikt ge o zoo zeker uw doel, maar 'het zal onze liefde voor hem steeds doen toenemen, overtuigd als we zijn van den hoogheiligen ernst, die Z. Hooggel. bij al zijne lessen bezielt. Ga dus vrij uw gang jacht te maken op eenige regels of woorden, gelicht uit een of ander wetenschappelijk tijdschrift, dat „het volkje" niet leest. Uit dit laatste geschrijf zal het volk wel concludeeren: Prof. Valeton is een godloochenaar, en de proponenten van die hoogeschool 2e moeten onderzocht. Welnu benoem een commissie, bestaande b.v. uit de H.H. Kal^oven, Bax, Groeneveld, Van Goor CS.

t.t. CALVINUS.

Verbeeld u nu dat een student de „lafheid" zou hebben om anoniem, in open 'kaart, . over de post, u zulk een kruipende insinuatie te sturen.

Dat een student de „pedanterie" zou hebben, om zich zei ven met den naam van d e n g r o o t e n O a 1- vijn te noemen.

Dat een student Hollands zou schrijven als „voedsel genomen om verdacht te maiken", voor „voedsel geven aan de verdachtmaking".

Dat een student, van een professor sprekend, in plaats ivan het gewone „hy", schrijven zou „Z ü n Hoog Geleerde!"

Ja, 'dat een student hol genoeg in 'zijn phrasen zou zijn, om te verze/keren dat h iJ weet, hoe alle studenten overtuigd zijn van den ernst, neen van den heiligen ernst, ja meer nog van den „'h o o g - 'heiligen ernst", die den hoogleeraar Valeton bij „al zijn lessen" bezielt.

Och, blijkens het t.t. onder 'zülk een kaart is de schrijver van dit etukske blijkbaar iemand die zelfs geen latijn verstaat, daargelaten dat het schrift eer aan een - vrouwenhand doet denken.

En wat alles afdoet, een student heeft eerbied voor elke overtuiging 'en 'heeft, oök al staat hij vierkant tegen u over, te nobele manieren om den man, van wien 'hij afwijkt in meening, op zulk een „keukenmeidachtige" wijs ook maar te kunnen beleedigen.

Slotsom 'der tekstcritiek is dus, dat deze kaart op goedige, maar vrij onhandige manier, in de bus is gestoken door een beminnelijke volgelinge van 's maiLs praedicatiën, die uit die praedicatie tot de lessen en van eigen indruk tot dien der studenten besloot.

Voor Professor Valeton zelf moet 'zulk een ongevraagde pleitbezorgster al bijster onaangenaam ziJn.

Fijntjes kon Kuyper allerlei dingen rechtzetten. Dat heeft Beets o.a. meermalen ondervonden.

Kuyper was over Beets' taal zeer te spreken. Hij zegt van diens bundel „Najaarsbladen" dit („Heraut" No. 216):

Och, 'deze 'kleine 'bundel 'bevat zooveel gezonde taal in malsc'h Nederlandsch, dat men zelf krank van ziel em o n hollandsch zou moeten ziJn, om er niet doorgaande van te genieten.

Het is al najaarsblad van 'zilveren eik of bonten 'beui, niet stroef en stram en schor als de Najaarsbladen van Bilderdijk, den man die ellende gezien had, maar het fluweelen, gelend, spelend blad, neerzwirrelend van een stam, die nog welig tiert in vette aarde.

Maar op den inhoud wat aan te merken. van het bundelken is wel

Na eerst een venijnig hekelvers te hebben gegispt, gaat Kuyper aldus verder („Heraut" No. 218):

Minder stuitend, stellig vernuftiger is zijn non taliauxilio op blz. 121, blijkbaar aan geluk adres gericht:

„Beeld u niet in, de waarfieid te beschermen. Te dekik'sn, of te waap'nen! — Noodeloos werk. Ze is naakt, gezond en, o n gewapend, sterk. Gij hoont haar door u over 'haar te ontfermen. Ze is onbevreesd, onkwetsbaar, en geen kind. Een vijand is haar nutter dan een vrind."

Dit is kostelijk. Maar daar houden we Beets dan nu ook aan. „Naakt", „gezond", ontdaan van onpassend harnas! moet de Waarheid Gods in het land en door de kerk klinken.

En juist omdat dit nu niet zoo is. Omdat tal van lieden „de waarheid in ongerechtigheid te onder h oude n."

Omdat men de naakte waarheid Gods in allerlei leugen inwikkelt tot ze zich niet meer bewegen 'kan.

Omdat men de eenis gezonde waarheid „tot in het onkenbare toe bleek en ziekelijk" heeft gem'aakt.

Ja, omdat men haar een gansch onpassend harnas van „kerkelijke reglementen" om heeft gegespt.

Daarom, en daarom alleen, wil 's Heeren volk in deze landen, dat de Waarheid weer in al 'haar naaktheid, kerngezond en on'belemmerd in het strijdperk zal kunnen treden; wetende dat ze dan gewisselijk overwint.

Maar wat nu wel wonder is ! Zie, indien men dan nu, 'gelijk „De Heraut", die Waarheid wat heel naakt durft spreken, dan deugt het ook weer niet.

Dan is het t e naaJkt.

En z o o naakt, neen, dat mag niet. Dan wierd. de Waarheid misschien te etert. En dat baarde licht onrust. En.... rust gaat bovenal!

Ook Bronsveld, de bekende Schrijver van een „Kroniek" heeft meermalen, op voor hem minder aangename wijze, kennis gemaakt met Kuypers meesterschap in het rechtbuigen van wat verwrongen was.

Men oordeele („Heraut" No. 251; 15—10—'82):

Van irenische zijde redeneert men deze maand in de Kroniek aldus: „We zullen eerst het Evangelie prediken; dan de verwildering onder de macht van dat Evangelie brengen; voorts het ongeloof bestrijden en de nooden der lirders heelen en dan ja.... als we zoover zijn, dan zullen we eens aan kerkrecht denken!"

Deze voorslag deed ons denken aan wat Jezus deed toen dat meisje van den synagoge-directeur Jairus, van dood weer levend werd door zijn machtwoord.

Toen zou ieder van ons gedacht hebben, het eerste wat dat geredde meisje moet doen, is op de knieën vallen en loven, en het eerste wat de ouders nu moeten doen, is, o zoo, geestelijk, met dat lieve kind in de verrukking' gaan.

Maar Jezus dacht er anders over.

Jezus was niet voor dat dwepend overgeestelijke.

Hij, de Ontfermer, kende den nood ook van dat kind, en gebood daarom heel practisch, dat men dat geredde meisje eerst wat te eten zou geven.

Dat was wel zeer weinig geesteli(k, maar het was allereerst noodzakelijk.

En zoo ook hier.

Kerkrecht, is handhaving in de kerk van recht, en recht is ons even noodig als brood.

Men zou zoo ook wel van een volk kunnen zeggen: „Laat het maar eerst zich weer herstellen: eerst weer tot veerkracht en bloei komen; en dan later zullen we wel voor de rechtspleging zorgen!"

Een goedbedoelde wenk, maar waarop elk deskundig staatsman antwoorden zou: „Maar, lieve vriend, juist om weer tot veerkracht en bloei te komen, is rechtszekerheid ALLEREERSTE EISGH. En nu, rechtszekerheid is zonder rechtsinstituut eenvoudig ondenkbaar.

Zoo nu antwoorden ook wij: „Gij spant de paarden achter den wagen en komt zoo tot uw doel nooit".

Zonder rechtszekerheid in uw kerk is er in uw kerk zekerheid voor het onrecht.

En zoolang die zekerheid voor het onrecht in Jezus' kerk voortduurt is de prediking van het Evangelie niet gewaarborgd, eer bedreigd; neemt de verwildering niet af, maar toe; en komt voor uw verantwocrdeliikheid het schromelijk gevolg dat alle rechtsschennis na zich sleept.

Zeer vrijmoedig bespreekt Kuyper allerlei misstanden. Hij vecht altijd tegen leugen en onwaarachtigheid. Kruiperigheid is hem ten eenenmale vreemd. Zelfs Koning Willem III spaart hij zijn kritiek niet.

Men leze maar eens, wat Kuyper schrijft over i' t bezoek van den Koning in Londen („Heraut" N'' ^ i} 22-4-1883): ^-öö-^er /'' S i^rdir

Naar de dagbladen mededeelden, heeff^ " Koning tijdens zajn verblijf te Londen, olieeft- 'Hollandsche kerk bezocht. Ize ae

Vreugde gaf dit bericht niet.

Althans niet voor hem, die weet, dat de Hollandsche predikant aldaar, niet een belijder van Gods Woord, maar een volgeling der modernen is.

Maar wat aan dit reeds niet blijde bericht nog 'droever tint leende, wa» eene bijkomstigheid.

Men meldde er namelij'k tevens 'bij, dat Z. M. de Koning te kennen 'had gegeven: in geen geval te kunnen noch te zullen 'komen, tenzij 'de kerk niet 'langer dan één half uur duurde, van elf uur tot half twaalf.

Als kerkelijk week'blad moeten we tot ons leedwezen tegen deze 'bedenkelijke bepaling eerbiedig protest aanteekenen.

Door deze tij'dsbepaling toch is de kerk in haar eere gegrepen.

Ware 'het een druk bezette dag geweest, 'zoodat de Koning deswege had laten verzoeken, om den dienst te bekorten, er zou geen reden denkbaar zijn geweest, waarom men dit verzoek niet had ingewilligd.

Maar die drangrede bestond niet. Z. M. vertoefde in Engeland als stU reiziger. Verhaal op vèrhaaï 'bereikte ons van langdurige •bezoeten door den Koning aan ateliers van schilders en magazijnen in Regentstreet gebracht.

Bovendien het was Zondag.

In Londen een doodstiUe dag, waarop elk denkbeeld van drukte gebannen is.

En nu komt het ons voor, 'dat op zulk een dag alle rechtmatige oorzaak wegviel, om aan de kerk zulk een voorwaarde te stellen.

In de kerk is Koning Jezus alleen Koning, en komt ook de aardsche vorst, om zich met den armsten 'daglooner voor dien Koning der eere neder te buigen.

Hiermee in strijd nu is zulk een 'halfuursdienst schier oneerbiedig.

Hartelijk zou het ons daarom verheugen, indien dit bericht uit 'de N. R. G. kon worden tegengesproken.

Er 'liggen nog in het archief van die Hollandsche kerk te Londen edele 'brieven van 's Konings grooten voorzaat, Willem van Oranje, die van teedere liefde ivoor Gods kerke getuigen.

En daarom schande zou het o.i. over het hoofd van den tegenwoordigen kerkeraad van Londen zijn, indien 'deze, loffelijk en na uitsc'hudding van alle gevoel van waardi'gheid, zich naar zulk een voorwaarde (stel 'ze was 'gesteld geworden) heeft geschikt.

Kuyper zag de éénheid van onderwijs.

„Van kleuterschool tot Universiteit" zou een parool voor hem geweest kunnen zijn. Voor alle takken van onderwijs had en hield hij volle belangstelling.

En lang niet malsch was dikwijls zijn kritiek. We vinden in „De Heraut" van 16 Febr. 1879 het volgende:

De ellendige Pröbel-metliode; onzer kinderen.... dat Sbe-derf

De Frö'bel-methode gaat lijnrecht tegen alle poëzie, tegen alle vrije leven in, dus ook tegen den geestelijlcen rijlkdam van het Christendom. Een Christelijke Fröbel-bewaarschool is een rond vierkant.

Van Kuyper naar „De Heraut": dat is minder dan één stap: ze zijn één.

Reeds in de aloude Heraut, de praeformatie van de tegenwoordige, schi-eef Kuyper artikelen. Zijn eerste artikel, verschenen 8 October 1869, had tot titel „Eerlijke discussie". Mooier debuut in de journalistiek is niet wel denkbaar! Het is een program!

Deze oude „Heraut" ging onder in, of liever, groeide uit tot „De Standaard". In het Zondagsblad van „De Standaard" bleef Kuyper godgeleerde, stichtelijke en kerkelijke onderwerpen behandelen. Maar — niet alle lezers van „De Standaard" konden zich vinden in Kuypers kerkelijke actie en daarom werd, na Kuypers zware ziekte van Febr. 76—Mei 77, het Zondagsblad van „De Standaard" losgemaakt en omgezet in „De Heraut". 7 Dec. 1877 verscheen No. 1. Meer dan 3100 nummers zijn nu reeds verschenen. Aanvankelijk bleef nog eenig verband met „De Standaard" bewaard: lezers van „De Standaard" betaalden een abonnementsgeld van 95 cent per kwartaal, ni e t - lezers f 1, 95. Maar met ingang van 1 Jan. 1882 kwam ook hieraan een eind. De abonnementsprijs werd toen f 1, 20 per kwartaal voor iedereen.

't Zal voor ons, jongeren, wel onmogelijk zijn, den geweldigen invloed na te gaan, die „De Heraut" in de jaren van Dr A. Kuyper heeft uitgeoefend. Met groote spanning werd het nieuwe nummer elke week tegemoet gezien. En hoe het gelezen werd? Daar heeft in „Het Kerkblad" van Haarlem iemand de volgende schets van gegeven:

„Vijftig jaar was mijn grootvader oud, toen in zijn Friesche dorpje de reformatie der kerk de gemoederen in beweging bracht.

Met den dominé was hij de ziel der reformatorische beweging.

We willen U nu schetsen, hoe de Zondag in zijn gezin werd doorgebracht. U moet dan weten, dat mijn grootvader een groot gezin had, zes dochters en één zoon.

De Zondag was voor het gezin een drukke dag. Om negen uur moesten allen, van de oudste tot de vierjarige jongste, in de kerk aanwezig zijn. Om dat te kunnen, mocht de middagmaaltijd geen zorgen vragen. Om dit doel te bereiken, werd iedere Zaterdagavond een groote pot rijst met veel water en weinig melk klaar gemaakt, 's Zondagsmorgens voor kerktijd werd de rijst op een kolenvuur gezet en zoo ^\J|J, was het probleem opgelost. Om kwart na elf vond men

\ ho\' heele familie om de koffietafel. \a) ^^ werd „De Heraut" gelezen.

jl^? „^y& der las de meditatie en de grootste kinderen leraniep™^ 'i^el van het hoofdartikel. Na de lezing mochten eerst de kinderen vragen stellen over wat ze niet hadden begrepen. Dan vatte grootvader de hoofdzaken nog eens samen en stelde een onderzoek in, of alles door allen begrepen was. Het verband werd gelegd met de voorgaande artikelen.

Zoo vroeg „De Heraut" altijd ruim een uur van den tusschen-kerk-tij d.

De eenvoudige rijstmaaltijd werd dan opgedischt. Dat deze geen tijd vorderde, kwam heel goed uit. Want ruim één uur was heel het gezin weer op weg naar de kerk, waar de dienst om half twee begon."

Het is mij gelukt enkele gegevens omtrent het abonnementenaantal, of — om met Dr Kuyper te spreken — het „abonnenten"-aantal te krijgen.

Als Van Oosterzee eenmaal zegt, dat hij „De Heraut" niet leest, dan spreekt Dr Kuyper zijn verbazing daarover uit! Dr Kuyper had hem geen exemplaar toegezonden van het nummer, waarin hij over Van Oosterzee schreef, omdat hij niet anders mocht veronderstellen, of de Hoogleeraar hield zich op de hoogte van de kerkelijk-theologlsche tijdschriften. Vooral

waar sprake is van één der meest gelezen weekbladen van kerkelijk-theologiBchen inhoud; van een blad, dat het voor ons land zeldzame cijfer van ver over de TWEE DUIZEND ABONNEN- TEN bezit.

Dit schreef Kuyper in „De Heraut" van 26 December 1879. In het nummer van 6 Februari 1881 schrijft Dr Kuyper, in een soort tijdschriftenschouw:

„en dat b.v. De Heraut alleen (van andere bladen zijn ons geen cijfers bekend) steeds varieert tusschen de 2300 en 2500 exemplaren."

In den Doleantietijd kwam een geweldige vooruitgang. Daarover vertelt Kuyper in het nummer van 9 Januari 1887 aldus:

ISTog nimmer hielden we onze lezers bezig met het op en neergaan van ons abonnentencijfer. Nu men echter in meer dan een kring en blad het voorstelt alsof „De Heraut" door het terugtrekken der Irenischen schade had geleden, mag deze onjuiste voorstelling niet onweersproken blijven.

Zij het ons daarom geoorloofd mede te deelen, dat „De Heraut" van 5 Januari 1886 tot 5 Januari 1887 een getal van 702 abonnenten verloor; doch dat hier tegenover stond in hetzelfde tijdvak een aanwinst 'van abonnenten tot een getal van 1673. Zoodat we in het eene jaar schier duizend abonnenten vooruitgingen. i'-^i; K; f'; .'; -ï; .

Om de waarde van deze getallen te verstaan, moet men bedenken, dat er veel en veel meer lezers waren. De prijs was voor dien tijd, toen een werkman 5 è 6 gulden per week verdiende, enorm hoog. In mijn bezit zijn b.v. exemplaren, waarop twaalf namen geschreven staan met daarachter de opmerking: leestijd 1 dag!

Wat bedoelde Kuyper nu met zijn „Heraut" bij de oprichting?

Met zijn gewone openhartigheid omtrent zijn plannen en tactiek zegt Kuyper dat telkens en telkens weer. We laten hier een stuk volgen uit het Nummer van 9 October 1881:

Gelijk men weet is de strijd voor de hoogste en heiligste belangen de laatste drie jaar meer en meer van kerkelijk naar theologisch terrein versohoven.

„De Heraut" verklaarde bij zijh weêroptreden in 78 (dit moet zijn 77 C. V.) dit opzettelijk te bedoelen. De „kerkelijke" strijd trof geen doel, was een verspelen van krachten, en maakte de spraakverwarring hoe langer hoe grooter. Zoolang de strijd op „kerkelijk" terrein gevoerd werd, lag er iets bitters, iets schampers, iets onheiligs in.

In dien strijd liep saam wat niet saam hoorde, en ging tuteen wat één in beginsel was.... Dit noopte er ons toe, bij het weêroptreden van „De Heraut" te veranderen van positie.

Kon het gelukken de kracht weer saam te trekken op het pit der zaak, of wil men op de vraag: hoe God goddeloozen rechtvaardigt? dan zou van lieverlee ziel voor ziel weer kiezen of deelen moeten; de onzuivere vermengingen zouden ophouden; en er zouden beginselen worden gezaaid waaruit weer iets groeien kon. Dusdoende zou het leven der gemeente Ghristi weer herkenbare karaktertrekken ontvangen.

Uit dit tot hoogere bewustheid opgeklommen gemeenteleven zou vanzelf de dorst naar een g e e s t e- lijke theologie ontstaan; die wel verre van in critiek en bespreking der uitwendigheden op te gaan, weer verplicht zou zijn door te dringen tot de vragen die eens menschen ziel raken.

Zulk een theologie zou vanzelf een deugdelük, geestelijk kerkrecht projecteeren. En drong eenmaal, gerugsteund door een pittige •ftieologie, en gedragen door een gemeente, die kennisse der heiligheden bezat, dat geestelijk kerkrecht door, och, dan zou er niet veel beroering meer noodig zijln, op 's Heeren tijd weekte zich dan vanzelf af wat tot onze kerk niet hoorde.

Vooral tegen de irenische en ethische broederen richtte „De Heraut" den aanval.

't Is wel de moeite waard op te merken, dat lo. elk „Herauf'-nummer polemiseerde, soms weergaloos fel. In dit Nummer kan men staaltjes daarvan vinden. 2o. dat het overgroote deel dier polemiek, polemiek is tegen de broeders, b.v. Van Oosterzee, Valeton, Gunning Sr en Jr, Bronsveld, Von Toorenenbergen enz. Men leze „De Heraut" van 25 Januari 1880:

Nu is het de roeping van ons blad allereerst, om de eere en de waarheid der Gereformeerde beginselen te bepleiten tegenover de moderne orthodoxie der Irenischen, die in een van huis uit Gereformeerde kerk die beginselen tegenstaan.

Of, met andere woorden, vijf jaar later (6 Sept. 1885):

„De Heraut" had het sinds 1879 (moet zijn 1877) ondernomien, de kerken dezer landen tegea de noodlottige oonseciuentiën van deze ethischirenische broederen te waarschuwen; volstrekt niet omdat hij iemand aandeel aan de erfenisse in ihet licht betwistte; noch ook omdat hij' schadelijk opzet in de bedoeling en den toeleg van deze halve belijdersi vermoedde; maar overmits, in weerwil van dien goed bedoelden toeleg en ondanks veler begenadigdheid, de uitwerking altoos bleef en bleek, dat de groep als groep steeds verder van de vastigheden afgleed.

Over de resultaten van zijn actie in „De Heraut" is Kuyper na een paar jaar best te spreken. Het volgende was te lezen op 10 September 1882:

Nog sleohts enkele jaren is „De Heraut" aan de bepleiting der rechtstreeks gereformeerde beginselen getogen, en nu reeds is het gelukt, de tegenstelling tussohen deze beginselen en de Vermittelungstheologie onder Staatstheologen duidelijk te nuaJken.

Eten niet zoo kleine kring van theologen heeft den moerasbodem der Vermittelungstheologie reeds vaarwel gezegd, om ziöh op het vaster erf onzer historische theologie terug te trekken.

Op kerkrechtelijk terrein wordt de strenge en onverbiddelijke consequentie van deze beginselen reeds gevoeld.

De gemeente begroet over het algemeen genomen, de wederopleving van haar historisch verleden met ingenomenheid.

Onbegrijpelijk felle woede heeft „De Heraut" bij de tegenstanders gewerkt. En de reden? Kuyper zegt er iets van in No. 349 (31—8—'84):

Een eenigszins vriilmoedige critiök van iemands godgeleerd en wij^eerig standpunt; het wegnemen van een sluier, die veel onzichtbaar maakt of verborgen hield; vooral het openbaren aan de gemeente van wat men zelf reeds voorlang in de binnenkamer gefluisterd had, werd ons toegerekend als „verdachtmaking", „lastering", „declineering", en wat woorden in onze taal meer zijin, om aan overprikkelde lichtgeraaktheid lucht te geven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 oktober 1937

De Reformatie | 48 Pagina's

KUYPERIANA.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 oktober 1937

De Reformatie | 48 Pagina's