GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJKLEVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKLEVEN

47 minuten leestijd

„Het verbond & ods". (VII.)

Verleden week bi-achten •we er bezwaar tegen in, dat prof. Aalders, juist op één der „kardinale" punten van zijn betoog, heil zoekt in de these, dat er een zekere tegenstrijdigheid is tusschen „wezen" en „verschijning" van het verbond.

Het doet ons genoegen, dat we in dezelfde week, waarin ons artikel verscheen, van de hand van prof. dr V. Hepp in „Credo" — we zullen maar een andere terminologie bezigen, dan onze hooggeachte collega, anders moesten we zeggen: een bepaald persoon in zeker kerkelijk blad — eveneens de opmerking lazen, dat van werkelijke tegenstrijdigheid in Gods werk niet te spreken valt. Een nieuwe illustratie bij mijn bewering, dat, ds J. Douma van Britsum (zie vorige week) ten spijt, het niet goed is, in 1939 tot de synode te zeggen: de zaak is doodeenvoudig, spreek maar uit, wat ik zoo denk. Een predikant wijst me op - dr A. Kuyper, „Calvinisme en Revisie", bl. 29, waaraan ik ds Douma wel eens wil herinneren, in de hoop, dat ook de Friezen zullen luisteren:

„Ten derde sluit het Calvinisme in zijn komen tot belijdenis elk individualisme en sectarisme volstandig uit. Niemand vertrouwt zijn eigen stem, en dan eerst wagen ze het, om uit de volle borst hun overtuiging te doen klinken, zoo ze weten, dat gelijke stem ook uit het hart hunner broederen in alle kerken en landen spreekt. Eerst als ze speuren, dat de ééne Geest van God, uit hetzelfde Woord van God, allerwegen een gelijke overtuiging gewerkt heeft in het hart van allen, die met hen zich in dezelfde strooming voortbewegen, gevoelen ze zich gerechtigd om, niet maar privatelijk maar in naam der kerk van Christus te belijden, en alzoo schriftetijk nu diezelfde belijdenis te formuleeren, die eerst op den brandstapel door het martelaarsbloed hunner broederen bezegeld is" (28/9)... „En ten vierde zij er op gewezen, dat de Calvinisten hooit tot het te boek stellen van hun belijdenis zijn over­ gegaan, dan nadat en in zoover de verlichting des Heiligen Geestes hun den zin van Gods Woord op de betwiste punten klaarlijk had doen onderscheiden. Van wat ge bij de enthousiasten van alle gading vindt, dat ze, op mystieke, onklare gegevens afgaande, al vast maar beginnen met hun bijzondere inzichten in schrift te brengen, speurt ge bij de Calvinisten niets. Veeleer staan ze in het geloof, dat ook de Theologie een dienaresse Gods is... en gaan deswege dan eerst tot spreken over, als deze Godgewijde Theologie tot genoegzame rijpheid van ontwikkeling is gekomen, om hun het spreken in lilaren, helderen trant mogelijk te maken." (29, vgl. 36/7.)

In den laatsten volzin is wel zoo het een en ander nader te overwegen, geloof ik. Maar het citaat is toch voldoende voor het „Friesch Kerkblad" als waarschuwend woord tegenover de meening van een redacteur, die zoo maar een formule (verbond met de uitverkorenen) wil vastgelegd zien, welke van alle in onze belijdenis en liturgische formulieren neergelegde uitspraken afwijkt. Waar haalt men den moed vandaan? Zeker niet uit de formulieren zelf, want zooals Heyns in het vei'leden week reeds genoemde, en thans hier doorgegeven citaat opmerkt, drukken deze zich anders uit:

„hl dit Doopsformulier dan zien wij, dat over hetgeen de doop beteekent en verzegelt aldoor in 't a 1 gem e e n wordt gesproken, zoodat wie zich houdt aan 't geen er staat, aan te nemen heeft, dat wat de doop gezegd wordt te beteekenen en te verzegelen, hij dat naar de leer van het Formulier beteekent voor en verzegelt aan elk kind, dat naar de ordinantie Gods den Doop ontvangt, hoofd voor hoofd.

Zoo in 't algemeen wordt er gesproken in de beschrijving van het eerste stuli van de leer des Doops, n.l. hoe de Doop ons wijst op onze onreinheid, onze verdoemelijkheid voor God. „Ten eerste", zoo heet het, „dat wij met onze kinderen in zonden ontvangen en geboren zijn"... „Wij en onze liinderen". Hier spreekt de gemeente zooals zij daar is, de geloovigen en hun zaad. W ij en onze kinderen in 't algemeen. Wel, hiermee lian ieder vrede hebben. Elk zal volgaarne toestemmen, dat dit werkelijk elke doopeling geldt hoofd voor hoofd, dit in zonden ontvangen en geboren worden, dit kinderen des toorns zijn, etc.

Maar met diezelfde algemeenheid gaat het ook in het tweede stuk voort: „Want als wij gedoopt worden in den Naam des Vaders, zoo betuigt en verzegelt ons God de Vader, dat Hij met ons een eeuwig Verbond der genade opricht", etc. Waar is het bewijs, dat hier alleen aan de uitverkorenen moet gedacht worden"? Immers elke aanduiding, dat het hier niet evenzeer elk die gedoopt wordt hoofd voor hoofd geldt, ontbreekt. En als hier in het tweede stuk niet diezelfde algemeenheid hoofd voor hoofd bedoeld wordt als in het eerste stuk, dan is dit zeer misleidend, vooral • omdat de gepastheid van die algemeenheid in het eerste stuk aanstonds in het oog moest springen. En dat in een stuk als dit! Dan is het een onvergeefelijke fout, dat men na de algemeenheid in het eerste stuk, die blijkbaar zoo algemeen bedoeld moest wezen, in het tweede stuk niet even aangeduid heeft, dat men hier die algemeenheid niet zoo algemeen moest nemen, niet als hoofd voor hoofd moest opvatten, maar dat men hier slechts aan de uitverkorenen had te denken, en die algemeenheid had te verstaan „van de soort en niet van de individuen" of „naar het oordeel der liefde". Inderdaad, dat ware een fout zoo grof, dat zij in een Formulier als dit, een der drie oudsten, dat over zooveel schijven geloopen heeft, dat eer het te Dordt 1618 geapprobeerd werd, den strijd met de Wederdoopers mee doorleefd had, welke de vaderen voorzichtigheid in hun uitdrukkingen en verklaringen geleerd had, eenvoudig ondenkbaar is.

Daarom zonder eenigen twijfel dezelfde beteekenis die wij heeft waar het geldt in zonden- ontvangen en geboren zijn, in het eerste stuk, diezelfde beteekenis heeft wij ook in het tweede stuk, n.l. hoofd voor hoofd, waar liet heet: „Want als wij gedoopt worden in den Naam des Vaders, zoo betuigt en verzegelt ons God de Vader, dat Hij met ons een EEUWIG verbond der genade opricht".

Derhalve naar de officiëele leer der Geref. Kerken is het Verbond der Genade niet opgericht „alleen met de uitverkorenen", maar met „ons en onze kinderen", en dat verbond met ons en onze kinderen opgericht is niet een tijdelijk verbond, of eenig ander aanhangsel, maar een eeuwig verbond, het verbond. Zij hebben deel aan liet wezen van het verbond.

Evenzoo wordt in de aanspraak aan de ouders dezen op het hart gedrukt, dat „de Doop een ordening Gods is" om ons en ons zaad Gods verbond te verzegelen en ze dus bepaaldelijk den Doop tot dat einde hebben te gebruiken. Maar hoe zou het Formulier zoo kunnen spreken, als het slechts in de uitverkorenen bondelingen erkende, en het dus voor de ouders onmogelijk was te weten of hun kinderen in het verbond waren, en dus Gods verbond wel aan hen mocht en kon verzegeld worden.

En eindelijk als Partijen te willen noemen God de Vader ter eene zijde, en Christus en de uitverkorenen in Hem ter andere zijde, zooals de Westminstersche Catechismus het heeft, zou met ons Doopsformulier in het geheel niet acjCordeeren. Immers ons Formulier noemt in het tweede stuk van de leer des Doops duidelijk genoeg de Drieëenige God. Vader, Zoon en H. Geest eenerzij ds tegenover de bondelingen „ons en onze kinderen" anderzijds. Alzoo Christus komt daar niet voor als Partij tegenover den Vader; maar als partij naast den Vader en den H. Geest, en derhalve geheel aan de andere zijde. Het zou voor ons moeilijk gaan om dien Catechismus van Westminster te aanvaarden en ons Doopsformulier te houden. Er zijn er geweest, die juist vanwege deze verbondsleer dien Catechismus boven onze eigen Belijdenisschriften geroemd hebben. Geen wonder ook!

"De Heidèlb. Catechismus geeft in vraag "* als grond voor den kinderdoop op, dat de jonge

kinderen alzoowel als de volwassenen in Gods verbond en in Zijne Gemeente begrepen z ij n. Vlakuit worden dus hier de kinderen der geloovigen als bondelingen gequalificeerd, als in Gods .verbond begrepen, en dat al z o o w e 1 als de volwassenen. En kennelijk is dit altijd opgevat als iets, dat hoofd voor hoofd geldt, want hoofd voor hoofd worden ze gedoopt.

Dit „alzoowel als de volwassenen" wortelt natuurlijk in de verbondsformule. Gen. 17 : 7: Ik zal Mijn verbond oprichten tusschen Mij en U en Uw zaad na u. Abraham en zijn zaad worden naast elkaar genoemd; de' ver- J)ondsoprichting heeft plaats met het zaad alzoowel als met Abraham; de geloovigen en hun kinderen, de volwassene geloovige en de kleine kinderen der geloovigen worden op één lijn gesteld; de laatsten zijn dus in waarheid alzoowel in Gods verbond begrepen als de eersten.

Met „volwassenen" worden dus blijkbaar bedoeld volwassene geloovigen. Dit volgt ook, gelijk wij vroeger reeds betoogd hebben (Jaarg. III, 390) daarait, dat hier uit het recht der volwassenen op den doop besloten wordt tot het recht der kinderen op den doop. Maar zullen volwassenen recht op den doop hebben, dan moeten het volwassene geloovigen zijn. Het antw. luidt dan ook verder: „en dat hun door Christus' bloed de verlossing van de zonden, en de H. Geest, die het geloof werkt, niet minder dan den volwassenen toegezegd wordt aan diezelfde kinderen van welke eerst beleden werd, dat zij zoowel als de volwassenen in het verbond Gods en in Zijne Gemeente begrepen zijn, en dus hoofd voor hoofd deelgenootschap toegekend aan de h e i 1 g o e d e r e n des verbonds" en alweer „niet minder dan de volwassenen" (geloovige). En zoo staat de Catechismus beslist zoowel tegenover de beschouwing van een verbond alleen met de uitverkorenen, als tegenover de onderscheiding in een uit- en inwendig verbond, en alle onderscheiding van dezelfde strekking. Tegenover de beschouwing van een verbond alleen met de uitverkorenen, omdat van de jonge kinderen in 't algemeen gesproken wordt, hen allen een en hetzelfde toegekend wordt, en er geen schijn of schaduw te bespeuren valt, als zou de bedoeling zijn, dat wat gezegd wordt, slechts voor een deel dier kinderen werkelijk waarheid zou zijn. Er is een goede dosis inleg kunde noodig om deze belijdenis naar die beschouwing om te buigen. En tegenover de onderscheiding in een in- en uitwendig verbond, omdat hier aan alle jonge kinderen der geloovigen zulk een inzijn in het verbond wordt toegekend, als gelijk staat met dat van volwassen geloovigen, en als in zich opsluit deel hebben aan de heilgoederen, aan het Wezen des. verbonds evenzoo niet minder dan volwassene geloovigen. Dit is dus heel iets anders dan wat men bij die onderscheiding noemt het inzijn in het uitwendig verbond. De Catechismus heeft blijkbaar voor zulk een uitwendig verbond geheel geen plaats; hij zou er geen raad mee weten.

De taal van de NEDERLANDSCHE GELOOFSBELIJ­ DENIS is desgelijks. In art. 34 belijden wij: dat men de kinderen der geloovigen behoort te doopen, en met het merkteeken des verbonds te verzegelen, gel ij k de kinderen Israels besneden we'rden, op dezelfde beloften, die aan onze kinderen gedaan z ij n. — Hier wordt alweer van al de kinderen der geloovigen een ên hetzelfde vei'klaard, n.l. dat zij in het verbond zijn en dus met het teeken des verbonds behooren geteekend te wezen. Ook hier ontbreekt elke aanduiding, dat dit inzijn in het verbond als zoodanig voor den een heel iets anders beteekent dan voor den ander, of dat wat gezegd wordt, voor een deel der kinderen wel waar is en voor een deel niet. En werd dit bedoeld, dan moest het ook uitgedrukt worden, althans in een stuk, dat de bestemming heeft een welomschreven belijdenis te zijn.

Onze Ned. Belijdenis kent geen verbond der genade alleen met de uitverkorenen, maar een verbond der genade met de geloovigen en hun zaad, en dat zaad hoofd voor hoofd.

Van bijzondere beteekenis is nog dat beroep der Belijdenis op de besnijdenis des O. Test. Reeds vroeger hebben wij gezien, hoe door de beteekenis, die de Heere zelf in Gen. 17 aan de besnijdenis gaf, elk Israëliet, die het teeken ontving volgens Gods eigen ordinantie, daarmee recht ontving, om zich als bondeling te beschouwen, of God van misleiding te beschuldigen. Uit Gen. 17 is het daarom zoo duidelijk als de dag, dat de opneming in het verbond heel Abraham's zaad gold hoofd voor hoofd. En nu zegt dit beroep van onze Belijdenis op de bedeeling des O. Test. ons, dat wij als Geref. Kerken niet gelooven, dat dit met het N. Test. anders geworden is, dat het met het N. Test. meer geestelijk geworden is, en dus nu slechts voor de uitverkorenen zou gelden, wat toen voor Abraham's zaad hoofd voor hoofd gold; maar dat wij gelooven, dat dit nog geheel hetzelfde is, dat dezelfde regel, die toen van kracht was voor de besnijdenis, nu van kracht is Voor den doop, omdat even beslist als toen geheel Abraliam's zaad in het verbond was en dus heel dat zaad besneden moest worden, zoo ook nu heel het zaad der geloovigen in het verbond is en dus gedoopt moet worden.

De DORDTSCHE CANONES zijn opgesteld met het oog op vijf hoofdpunten, waarover het geschil liep met de Remonstranten. Over de verbondsleer hebben die Canones dus hoegenaamd niets. Toch komt er een enkele uitdrukking in voor, die duidelijk genoeg te kennen geeft, hoe men te Dordt over het verbond dacht. Wij bedoelen het geloof aan de zaligheid van vroegstervende verbondskinderen, zooals dit in Hoofdstuk I, 17 als volgt wordt beleden: Nademaal wij over den wil Gods uit Zijn Woord hebben te oordeelen, hetwelk getuigt, dat de kinderen der geloovigen heilig zijn, wel niet van nature, maar door de weldaad des genadigen verbonds, in hetwelk zij met hunne ouders begrepen worden, zoo moeten godzalige ouders aangaande de verkiezing en zaligheid hunner kinderen, die God in hun­ ne kindsheid uit dit leven wegneemt, niet t w ij f e 1 e n.

Weer algemeen: de kinderen der geloovigen, en dat in een belijdenis waarmee de Kerk voor het oog dergenen, die buiten haar stonden, de algemeenheid van het Remonstrantisme van zich wilde afschudden.

En aan die kinderen der geloovigen in 't algemeen wordt zulk een inzijn in het verbond toegekend, dat als zij vroeg sterven, voor godzalige ouders een vaste grond zal zijn om aan hunne verkiezing en zaligheid niet te twijfelen. Heel iets andei's dan een inzijn in

een uitwendig verbond. Een inzijn in het verbond, dat twijfel aan hun verkiezing en zaligheid als zij vroeg sterven, beslist verbiedt, „niet moeten twijfelen". En twijfel aan hun verkiezing en zaligheid kan slechts dan met recht verboden zijn, als er grond is om dat van alle vroeg stervende kinderen der geloovigen hoofd voor hoofd te gelooven. Want indien die grond van de honderd kinderen slechts één niet zou betreffen, zou er voor elk ouder reden tot twijfel zijn of niet misschien zijn kind dat ééne ware. Zulk een twijfel kan dan niet met recht verboden worden. Bewijs genoeg, dat hier de bedoeling onmogelijk kan wezen: „men mag het hopen", „men moet het er voor houden", „naar het oordeel der liefde", „er zijn er onder" etc. Bewijs genoeg, dat in dit protest tegen Remonstrantsche algemeenheid deze algemeenheid wel degelijk bedoeld is, dat bedoeld is, wat er staat.

Het inzijn van de kinderen der geloovigen in het verbond hoofd voor hoofd, is zulk een inzijn, dat wanneer zij vroeg steiwen, hun verkiezing en zaligheid voor godzalige ouders onwrikbaar behoort vast te staan. Waar blijft dan voor de rechtbank onzer Belijdenisschriften de leer van een genadeverbond, opgericht alleen met de uitverkorenen?

Het is deze beschouwing, die met betrekking tot dit stuk altijd zal spreken van: er zijn er onder, men mag het hopen etc.

Waar komt dit vandaan?

Hier vandaan, dat die beschouwing alle objectiviteit mist. Slechts de uitverkorenen zijn in het genadeverbond, en wij weten van de uitverkiezing niets, althans niet van anderer uitverkiezing. Wij weten dan niet wie in het verbond zijn, voor wie de doop waarlijk een zegel was, en wie, als ze vroeg sterven, naar den hemel gaan. En al wat men vaststellen kan is dit: er zullen natuurlijk onder die kleine zoowel uitverkorenen zijn als onder hen, die opgroeien, dus er zijn er gewis onder, die zalig worden.

Maar noemen wij de geloovigen en hun zaad en dat zaad hoofd voor hoofd als degenen met wie God Zijn genadeverbond opgericht heeft, dan hebben wij objectiviteit. Dan weten wij wie in het verbond zijn, wie in den doop een zegel ontvingen, en wie, als zij vroeg sterven, naar den hemel gaan. Want zij allen staan gelijkelijk in dat verbond met God, z ij hebben het niet verbroken, zij konden dat niet doen en de Heere is de Getrouwe. Neemt de Heere ze, in dat verbond staande, weg, dan kunnen ze niet verloren gaan. Zoo volgt, dat de Heere geen andere verbondskinderen vroeg uit dit leven wegneemt dan uitverkorenen, en die voor hun dood met zaligmakende genade zijn verrijkt geworden. Dus moeten godzalige ouders aan dier kinderen verkiezing en zaligheid niet twijfelen, want daaraan te twijfelen is twijfelen aan Gods verbond, dat op Christus bevestigd is, dat Hem tot Borg heeft, en dus beslist ongeloof."

Nu kan men, in de lijn-Douma voortredeneerende, ongetwijfeld zijn bezwaren tegen de taal der formulieren inbrengen bij wijze van gravamen, en dan pogen, zich te beroepen op de Schrift. Voorzoover in het voetspoor van dr Thijs en prof. Aalders de exegese van Jer. 31 daartoe dringen mocht, zij evenwel herinnerd, dat ik deze verwerp, en, in overeenstemming met wat prof. Ridderbos daarover opmerkte, met genoegen constateer, dat Heyns het volgende dienaangaande opmerkte:

„Hoe men uit dezen tekst een bewijs construeert voor de stelling, dat alleen uitverkorenen in het Verbond kunnen zijn, is ons niet precies bekend. Wellicht geschiedt het op deze wijze: In dezen tekst wordt den bondelingen onder het N. Test. zaligmakende genade toegezegd, en zoo spreekt het van zelf, dat alleen uitverkorenen tot het Verbond kunnen behooren. Maar als deze tekst zou inhouden een belofte van zaligmakende genade aan de bondelingen des N. Test. en deswege alleen uitverkorenen als bondelingen kunnen aangemerkt worden, wat beteekent deze belofte dan? Zij komt dan hierop neer, dat onder het N. Test. den uitverkorenen zaligmakende genade zal gegeven worden. Is daar iets bijzonders in; eenige uitnemendheid van het N. Test. boven het Oude? Ontvingen onder het O. Test. niet alle uitvei-korenen zaligmakende genade? De bedoeling dezer belofte is onzes inziens deze: Zij is een aankondiging van de bedeeling des Geestes des N. Test., een bedeeling, die met haar rijkdom van genadewerking als een nieuw Verbond zou staan tegenover de wettische bedeeling des O. Test. En zoo is immers die belofte heerlijk en zichtbaar vervuld? Is de Kerk niet uitgebroken ter rechter- en ter linkerhand, zooals bij Jes. 54 voorzegd werd, en dat juist door dien rijkdom van genadewerking des H. Geestes, zooveel milder dan onder het O. Test, toen blijkens de geschiedenis de bondelingen in den regel bondbrekers werden? De geschiedenis der Kerk des N. Test. is niet onbezoedeld, niet van verval en afdwaling vrij, maar indien zij, niettegenstaande zij al die onmiddellijke openbaringen, die bijzondere tusschenkomst en wonderen heeft moeten missen, toch zooveel schooner is dan die des O. Test, ligi de oorzaak daarvan gewis in de vervulling dezer belofte, die met name naar den Pinksterdag wijst. Maar dan is er in dezen tekst niets, dat pleit voor een Genadeverbond alleen met de uitverkorenen". („Geref. Am.", IV, ' nr 5, bl. 216/7.)

Een eventueel gravamen van broeders, die ds Douma's wensch mochten onderschrijven, tegen de taal der formulieren, zal dus niet zoo gemakkelijk op Jer. 31 zich kunnen beroepen. Temeer riiet, omdat, gelijk de hier-

(Zie vervolg op blz. 364.)

(Vervolg van blz. 363.)

boven bedoelde predikant in herinnering brengt, ook dr A. Kuyper de penetrante exegese van prof. Aalders niet gekend, en ook niet als juist aanvaard heeft. Ten bewijze wijst mijn coi'respondent o.m. op de L. de S. S. I, 56: daar heeft dr Kuyper in zijn colleges dogmatiek het over de enthousiasten, die in de dagen van het Nieuwe Verbond de Schrift niet meer noodig achten, want: staat er niet in Jer. 31, dat allen van den Heere zullen geleerd zijn? Tevens naar Joel 3 : 1 in verband met Hand. Z wordt door hen verwezen. Maar — zoo zegt Kuyper dan — „hiertegen dient opgemerkt, dat deze plaats uit Joel, blijkens de exegese van Petrus, volstrekt niet zegt, dat elk geloovige nu betere openbaringen had dan vroeger de Profeten, maar dat, waar vroeger de bedeeling des Geestes slechts op enkele personen geweest was, ze nu op allerlei personen gekomen is". (Vrije weergave van Kuyper's woorden.)

Hier, maar ook elders deinst Kuyper blijkbaar terug voor een exegese, die het „allen" (uit Jer. 31:31) betrekt op déze bedeeling en dan met de conclusie, die prof. Aalders trekt. In zijn „Dat de genade particulier is" (106/7) citeert Kuyper ook Jer. 31, maar om te constateeren, dat uitspraken, „die het volk des Heeren a.ls een volk van louter heiligen (niet slechts potentia, maar actiü) voorstellen... „niet op den voorloopigen staat van Jezus' kerk, maar wel op het tijdperk van glorie, waarin het voorloopige een einde zal hebben genomen" slaan. De volle inhoud van deze en soortgelijke uitspraken is volgens Kuyper „zelfs nu nog op geen enkele ge me ente van Christus ooit toepasselij k".

Nu zal niemand van ons verwachten, dat wij met een exegetische uitspraak van dr Kuyper een pleidooi beslist achten; de herinnering aan de onderlinge tegenspraak in Kuyper's verspreide tekstenmateriaal is tegen zulke misvatting reeds een medicijn. Maar we hebben er wèl bezwaar tegen, dat men zakelijke opinies van dr Kuyper ons thans wil opdringen op grond van een exegese van Jer. 31, waartegen behalve Ridderbos, Wijngaarden, Heyns, ook tenslotte Kuyper zelf bezwaren zou inbrengen. Volkomen terecht schrijft de predikant, hierboven bedoeld, mij:

„Het gaat hier om een eerstgéboorterecht. Een strijd, waaraan geforceerd een einde is gehomen, wordt nu van den anderen kant voortgezet. En terwijl men eerst 'plechtig verklaarde, dat dr Kuyper om eijn 'nieuwe leer' niet verketterd mocht worden, keert men nu de rollen radikaal om en verkettert hen, die de oude leer der Afscheiding nog niet zoo dwaas vinden."

In hoofdzaak is hier de situatie duidelijk geteekend. Men kan ook bij de oude afgescheidenen over het verbond allerlei meening aan het woord zien komen; tot over monopleurisch en dupleurisch toe (S. A. v. d. Hoorn in 1879 b.v.). Maar op het kardinale punt, waarover prof. Aalders' krasse woorden handelen, zijn zij wel eenstemmig. Reeds enkele weken lang ligt onder Persschouv/ een .stuk van ds Delleman te wachten op plaatsing. We hopen, dat het deze week meekomt. Dan zal onzen lezei'S duidelijk zijn, waarom onze predikantcorrespondent van daareven van „eerstgéboorterecht" spreekt. Het boekje van Pieters en Krenten (predikanten te Franeker en te Hallum), getiteld: „De Kinderdoop" (Franeker 1861) is „kerkelijk goedgekeurd" door de „visitatores librorum" in de provincie Friesland, volgens art. 55 der synode van Dordrecht 1618/9, n.l. door ds J. Beijer te Leeuwarden, en ds K. J. v. Goor te Sneek. Ds Delleman haalde daaruit reeds een en ander naar voren; ik wijs ten overvloede op bl. 88, waar van Calvijn geciteerd wordt, dat door het verachten (nalaten) van den doop het verbond Gods verbroken wordt, en de verbondsvloek ook voor het N.T. wordt gehandhaafd, maar dan niet op de wijze van prof. Aalders' betoog (wezen des verbonds contra verschijning) doch krachtens de overtuiging, dat het „verbond der genade zich, onafhankelijk van het geloof, door middel van den doop sacramenteel voortzet" (88). Eveneens op bl. 56, waar geheel in den trant van Heyns, geleerd wordt, dat het doopsformulier van een genadeverbond niet tusschen Vader en Zoon, doch tusschen God en Abraham weet, alsmede (62), dat het „in Christus geheiligd", waaiin het formulier den grond voor den kinderdoxip ziet, NIET kan slaan op de eeuwige verkiezing, ook niet p een „onderwerpelij ke" genade, maar móet zien op „een heiligheid uit kracht des verbonds". Ik ben het aarmee — lettende op de Dordtsche Leerregels — eens; iét, om daarin een tegenstelling te zoeken met e genadige werking van den Heiligen Geest, want, elijk ik eens tegen „De Wekker" aanvoerde, dat zou trijden reeds met Hendrik De Cock zelf, die ook van verbondsheiligheid sprak, niet met uitsluiting evenwel, doch met insluiting van de Geesteswerking in het hart (naar het oordeel der liefde, natuurlijk); anders zou en het verbond „veruitwendigen", en daar houd ik, og steeds, mijn tegen Jongeleen ingebrachte bezwaren tegen. Maar in dien zin bedoel ik het: van het verbond wordt op de heiligheid, niet van de heiligheid op het verbond geconcludeerd.

We willen ons niet laten verleiden tot een compromisformule naar binnen, welke ons evenwel van de christelijke gereformeerden voor goed zou vervreemden. Prof. Dijk heeft onlangs op den bondsdag der chr. geref. jongelingen een woord over vrede gesproken, en ds Janssen, chr. geref., was er erg verheugd over; ook hadden de kranten weer copie. Het is ons alles goed en wel; men weet, dat wij al jaren lang betoogd hebben, dat de scheur tusschen hen en ons zonde voor God is, en de wereld uit moet (knievallen zijn daarbij volstrekt overbodig, de daad der zonen Is noodig, en behoeft niet in détails te oordeelen over de vaderen, voor wier overtreding, naar de Schrift, de kinderen niet behoeven te boeten; en wat mij betreft, mogen we dit zondigen in détails in bedrijf of misschien wel in nalatigheid, over en weer van eikaars vaderen constateeren, mits we maar als zonen van heden met elkander het hierin eens zijn, dat hun theologische meeningsgeschlllen geen grond mogen zijn voor kerkelijke gescheidenheid). Ik heb dus niets tegen prof. Dijk's eenheidstoespraak. Wat me wèl een beetje verwondert is dit, dat de een over de eenheid een keurige rede houdt, terwijl de ander een ook door prof. Dijk sterk aanbevolen boek, dat in zijn slot deze eenheid zoo krachtig mogelijk in den weg staat, moet critiseeren, en er warempel dan broeders zijn, die zeggen: de één is man des vredes, en de ander maakt al weer geschil. Neen, de zaak staat zoo: de één werkt voor den vrede met een mooie rede, en de ander met artikelen, die de steenen, die op het vredespad liggen, tracht weg te ruimen. En zoo werken we samen, de een op deze, de ander op die manier. En zóó houden we, voor wat die verbondsheiligheid betreft, meteen plaats open voor de meening van prof. dr H. Bouwman van Kampen, die in zijn „Geref, Kerkrecht", II, 295, opmerkt:

„In Rom. 11:16 wordt gesproken van de heiligheid des verbonds. Het beeld van den wortel en de takken heeft betrekking op Abraham en zijn zaad... Deze heiligheid waarborgt volstrekt niet de persoonlijke zaligheid van elk der Israëlieten, want het meerendeel dezer heiligen gaat verloren. Maar indien wij hier denken aan de verbondsheiligheid, is het beeld duidelijk: 'Indien de wortel heilig is, zoo zijn ook de takken heilig'. ...De doop dient niet om de kinderen te heiligen, maar de doop wordt bediend, omdat — zooals in de eerste doopvraag staat — onze kinderen 'in Christus geheiligd zijn'."

Alsmede (241):

„Het getal dergenen, die wij rekenen tot het verbond, is niet identisch met het getal der uitverkorenen."

K. S.

De scheuring in Amerika (XIII.)

Nu we tóch terwille van de artikelen-Lyzenga den draad even wat vieren moesten, en we juist met hem gereed gekomen zijn, zal het me wel vergund zijn, in deze reeks even een antwoord op te nemen, dat ik op een vraag van ds Zwier in „De (amerikaansche) Wachter" hem wel geven moet. Beter kon ik het afzonderlijk doen, maar ik verlies m'n ruimte anders.

Ds Zwier dan stelt mij in „De Wachter" van 25 Julij.l. een vraag. Ze raakt de kwestie van het anthropomorphisme; we zullen daarom eerst zeggen, wat ds Zwier daaronder verstaan hebben wil:

„Het woord anthropomorphisme zouden we letterlijk kunnen vertalen door menschvormigheid. Het wordt in de dogmatiek gebruikt om er mee te kennen te geven, dat er in menschelijke vormen, op menschelijke wijze, van God on Goddelijke zaken gesproken wordt Een anthropomorphe uitdrukking is dus een soort beeldspraak, die wij menschen gebruiken, als we van God, van Zijn deugden en van Zijn werken spreken."

Ds Zwier geeft dan voorbeelden (o.m. het „berouw" van God), en zegt dan:

„Doch om nu maar dadelijk met de deur in huis te vallen en recht op den man af te gaan, de bedoeling van deze artikelen is de vraag te stellen, of het juist is, als wij van Gods algemeene genade of gemeene gratie spreken, te zeggen: Dat is eigenlijk niets dan een anthropomorphisme, een menschelijke spreekwijze op God toegepast.

Het komt mij voor, dat dr Schilder in de verklaring, die hij liefst zou willen geven van het eerste der bekende 'Drie Punten' van onze Synode van Kalamazoo, dien kant uit wil. Als ik me vergis, zal de professor wel zoo goed willen zijn mij te corrigeeren in „De Reformatie", en dan zal ik D.V. in „De Wachter" onze lezers met die correctie wel in kennis stellen.

Zooals we weten, heeft hij 'eenige critiek' op dat eerste punt, en die critiek komt (hier had ds Zwier kunnen zeggen: voor zoover thans reeds in de pers verschenen, K. S.) vooral hierop neer, dat deze uitspraak van Kalamazoo aan onduidelijkheid lijdt en dus aan nadere verklaring behoefte heeft En dan ^) zou hij dit punt liefst zóó willen verduidelijken, dat wij op menschelijke Wijze wel kunnen spreken van" 'een zekere gunst of genade Gods, die Hij betoont aan Zijn schepselen in het algemeen', maar dat is anthropomorph gesproken. Als we letten op Gods eeuwigen raad met betrekking tot de gaven van Gods gemeene gratie, dan kunnen we eigenlijk niet spreken van een 'gunstige gezindheid Gods jegens de menschheid in het algemeen'.

In andere woorden, a parte hominis, van menschelijk standpunt bezien, maakt Gods houding tot de wereld in het algemeen op ons menschen den indruk van een genadige houding te zijn; maar a parte Dei, van Goddelijk standpunt bezien, is die houding moeilijk te beschouwen als een genadige houding."

Tot zoover ds Zwier.

We zijn dankbaar voor zijn aanpakken van de kwesties, willen hem ook graag op alle vragen antwoord geven, maar willen dan ook dolgraag vooraf precies weten, waar we het samen over hebben. Daarom zou ik ds Zwier willen vragen: wilt U me in „De Wachter" even zeggen, wat naar Uw meening nu precies de inhoud van het eerste punt i s ? Ik beloof U, dat ik het in „De Reformatie" weergeven zal, en precies op élke vraag, die U me stelt, zal antwoorden.

Dat ik graag, vóór ik vragen betreffende punt 1 beantwoord, weet, wat naar de meening van den vrager zelf het eerste punt precies inhoudt, is begrijpelijk. Ds Zwier klaagt er over, dat het eerste punt niet datgene is, wat de protestantsch gereformeerde broeders (ds Hoeksema c.s.) „ervan gemaakt hebben". Maar temeer daarom hoop ik ons gesprek van zulke misverstanden te vrijwaren. Ik zoek gaarne waarborgen tegen misverstand. Ik wil niet zeggen: dit of dat is al of niet anthropomorph uitgedrukt, als we niet goed en duidelijk weten, WAT dit of dat precies behelst

Om dus ook zelf maar recht op den man af te gaan, zou ik ds Zwier willen vragen:

Watispuntl? IS HET DIT:

„Het staat volgens Schrift en Confessie vast, dat er, behalve de zaligmakende genade Gods bewezen alleen fian de uitverkorenen ten eeuwigen leven, ook een zekere gunst of genade Gods is, die Hij betoont aan Zijn schepselen in het algemeen"?

OF IS HET DIT:

„Het staat volgens Schrift en Confessie vast, dat... (zie boven, tot en met 'in het algemeen'), en hierin blijkt „de gunstige gezindheid Gods jegens de menschheid in het algemeen, en niet alleen jegens de uitverkorenen"?

MET ANDERE WOORDEN:

behelst punt 1 alleen „EEN ZEKERE (!!!, K. S.) gunst of genade",

OF: behelst het OOK „DE gunstige GEZINDHEID" Gods?

Of met nóg andere woorden: moet ik punt 1 lezen zooals de synode het heeft vastgesteld (dan valt de gezindheid er buiten),

OF moet ik het schilderijtje nemen met de (commissoriale) „lijst" erbij? (dan valt de gezindheid er onder).

Ds Zwier weet, uit wat ik reeds schreef, dat hier een kwestie van beteekenis achter zit. Eveneens, dat één van de verwijten, die men aan de groep-ds Hoeksema stelt, hierop neerkomt: ge leest er meer in, dan er staat. Maar ik ben er zelf niet zoo zeker van, dat ik aan dit gevaar ontkom. Moet de gezindheid erbij, ja dan neen? Is het „eerste punt" „een zekere gunst of genade" PLUS „de gunstige gezindheid" of ZONDER DIE? Indien ds Zwier mij nu een verklaring geven kan, die naar zijn stellige overtuiging, dus zonder dat men mij eenig verwijt doen kan, door mij gebruikt mag worden als de authentieke meening der Chr. Re f. Church, zal ik hem dankbaar zijn, ook terwille van de vergemakkelijking van de discussie. Indien het hem niet mogelijk is, dan is het goed, dit te constateeren; dan komt er wat meer begrijpen over en weer, ook ter matiging óf verduidelijking (dat zal er van afhangen) van het verwijt, gericht tot ds Hoeksema, dat hij n.l. meer er in leest, dan er staat

Ds Zwier denke niet, dat ik me van zijn vragen af wil maken. Ik beloof hem onder vele getuigen volledig antwoord. Maar ik wil klaarheid. Temeer ook, omdat ik nog steeds dankbaar ben voor zijn protest, art. Ii9, tegen de besluiten van- Kalamazoo. Maar in dit protest sprak ds Zwier toch tevens uit, blz. 193, het met den INHOUD der synodale uitspraak volkomen eens te zijn. Nu treft het mij, dat ds Zwier bij zijn weergave der punten in dit protest, dus reeds ter synode zelf, sprak van „de gunstige gezindheid Gods jegens de menschheid in het algemeen".

Welnu, als ik nog zinnen ontleden kan, dan beweer ik: die GEZINDHEID is NIET door de synode beleden. Ik geef evenwel dadelijk toe, dat het er wèl veel op lijkt. Laat ons dienaangaand klaarheid scheppen.

Want, dat het geen klein verschil maakt, is wel duidelijk.

Of ik aarzelend, en met restricties, en sterk beperkend zeg: „EEN ZEKERE (Il!) gunst of genade Gods", dan wel of ik vrijmoedig spreek van „DE(!) gunstige gezindheid Gods", dat maakt veel verschil.

„De" is bepaald, „een zekere" is onbepaald.

„ G e z in d h e i d " zegt iets omtrent de binnenste gedachten van den gezinde; „een zekere gunst of genade", laat in dat „een zekere" al doorschemeren, dat men er niet zoo goed raad mee weet, dat men geen begripsmatige helderheid nastreeft, of anders geen onvermengde grootheid als zoodanig op het oog heeft, of aanduiden wil, en dat men meer op de gave en wat ze

ons doet Gil voor ons beteekent, dan op de diepe gezindheid van den gever letten wil.

Ik hoop op ds Zwier's antwoord.

En om eiken indruk, alsof ik liem uit zijn tent lokken wil (wat overigens wel mag, waar hij me een gewaardeerde vraag stelt) te vermijden, wil ik nog even dit x)pmerken:

a. in mijn bespreking van ds Hoeksema's referaat iomt de zaak vanzelf aan de orde; ik wil evenwel graag ds Zwier ook vóór dien antwoord geven;

b. in wat ik reeds hèb opgemerkt in de pers, gaf ik bovengestelde vraag om nadere opheldering feitelijk i'eeds als onvermijdelijke vraag te kennen;

e. in mijn lezingen, ook waar ds Zwier bij was, heb ïk wel degelijk gesproken over anthropomorphismen, € ok inzake de onderscheiden manieren, waarop < Je Schrift Gods „gezindheid" tegenover de konkrete -wereld bespreekt; want zoo zei ik, ze denkt er niet aan, deze gezindheid met één term aan te duiden, ze spreekt óók over Gods lankmoedigheid b.v. (en dat is volgens Bavinck al een anthropomorphe uitdrukking, bewijzende, dat men niet klaar is met het dogmatisch fixeeren van bijbeltermen, hetgeen maar biblicisme heet bij sommigen in Nederland);

d. een synode, die een dogmatischen term vaststelt, moet geen anthropomorphisme willen, omdat bijbelsche -taal en synodale termen zeer verschillend zijn; „gezindheid" is bij mij trouwens vast en zeker" géén anthropomorphisme;

e. ds Zwier spreekt in zijn hierboven aangehaalde •stukje over 'de onderscheiding „a parte hominis" en „a parte Dei". Dat herinnert me aan zijn artikel, waarin hij meende, dat de een, door te spreken van gemeene gratie, de zaak bezag „a parte- hominis", „van menschelijk standpunt", en de ander (Schilder) door te spreken van „cultuurmandaat" de zaak bezag „a parte Dei" („van 'Gods standpunt"). Om misverstand af te snijden, en nu ds Zwier zelf me vragen stelt, moet ik wel opmerken, •dat ik voor wat mij betreft, ds Zwier wel dankbaar ben voor de vele uitnemende beschouwingen, die hij aan dit cultuurmandaat gewijd heeft, doch het niet met hem eens kan zijn als hij uitspreekt, dat ik de kwestie bezie „a parte Dei". Daartoe zou ik het weer moeten hebben over de GEZINDHEID, die God (b.v. als paedagoog) ten leste „bezielt" (dat is anthropomorphisme) als Hij een mandaat aan Adam geeft. Maar ik heb het over een mandaat gehad, een bevel, en dat is een geopenbaard woord, waarin God mij , bindt op mijn eigen standpunt; waarin Hij wel iets van Zijn verborgenheid me laat zien, maar lang niet alles, zooals Zijn gewoonte met mij is (waarom ik dan ook, a parte hominis ziende, erg voorzichtig moet zijn met het spreken over Gods GEZINDHEID). Als de Catechismus spreekt over God, die mij geen onrecht doet, als Hij van mij eischt, wat ik niet doen kan, dan is dat zeker geen catechismusuitspraak a parte Dei. De kwestie is niet een dilemma „a parte Dei" dan wel „a parte hominis", maar een dilemma; alléén in rekening brengen wat naden val mij overkomt onder den indruk van de strafbedreiging, dan wel: óók in rekening brengen (wat nog nooit afgeschaft werd) hetgeen vóór den val mij gezegd is, en sindsdien gehandhaafd (cviltuurmandaat). Ik kies dan voor het laatste standpunt; ik doe dat in héél mijn dogmatischen arbeid. Ik doe het b.v. óók als ik spreek over de kerk (ze wordt dan voor mij: de menschheid Gods); en over het koninkrijk der hemelen, en over Christus, en over het verbond, de heerlijkheid; en over de mogelijkheid van verdienste van den mensch, ja, dan neen. In al die kwesties breng ik niet alleen in rekening hetgeen God NA den val tot de menschen sprak, maar óók wat Hij VOOR den val tot hen gezegd heeft, gelijk Hijzelf mij dat achteraf meedeelde in Zijn Woord.

Trou-wens, en nu 'ben ik al heel dicht bij 'het eigenlijike onderwerp: zélfs de man, die van de drie punten van Kalamazoo hartgrondig overtuigd is, hrengt practisch toch altijd in rekening, -wat God vóór den val gesproken heeft. Hij: redeneert immers (blijkens den gewonen gang van veler gemeene-gratie-theorie) ongeveer alzoo:

Adalm had verdiend te sterven; en van alles beroofd te worden;

hij blijft nochtans leven;

het leven valt dus mee, gezien tegenover de strafiedreiging;

dat ig dus „gunst", „genade", uiting (zoo zegt menigeen erbij) van gunstige gezindheid 'Gods.

Ik laat die redeneering, die ik oppervlakkig noem, au even voor wat ze is. Dan 'zeg ik toóh op mijn beurt: de spreker van daareven bekijkt de dingen die hij heeft 'Onder'hetaspeotvandestrafbedreiging.

Maar eilieve, zou dr Kuyper zeggen, óók die strafbedreiging was toch gesproken vóór den val?

Maar als ge dus toch rekent met wat 'God vóór den ^al gespro'ken heeft, waarom rekent ge dan niet met ™i cultuurmandaat, dat eveneens vóór den val gesproken is?

En als ge meent, dat het rekenen met het cultuurïnandaat (gesproken vóór den val) een bekijken van de ^aak „a parte Dei" is (wat ik voor mij^ ontken), •H^aarom denkt ge dan, dat een in rekening brengen van ^e is t r a f b e d r e i g i n g (óók vóór den val gesprof en) een 'bezien van de zaak „ a p a rte 'h o m 1 n i s " -'S ? D'at gaat toch niet ?

We moeten er van uitgaan, dat God reeds vóór den Tal bevel en belofte van het werkverbond gaf in nauw Verband met de sancties van het verbond (loontoezeg- Smg en strafbedreiging). Daaruit blijkt, dat 'ONDER MEER zijn geven van belofte en eisoh PAEDAGOGI- OHE 'bedoeling had •(zooals trouwens alle dogmatici van vroeger, die van die sancties weet hebben, erkennen). 'Een kind nu, vooral wanneer het spreken wil „a arte homunculi" (op 'kinderstandpunt) moet bedenken :

a) mijn "Vader liegt nooit; b) maar 'zegt me ook niet alles; c) want Hij heeft me zelf gezegd, dat Hij waarheid, maar niet de volle waarheid tot mij spreekt; d) ik moet daarom 'bedenken, dat zijn raad, zijn gedachten, 'breeder zijn dan ik in de verste verte begrijpen kan; e) dat Hij' dus reeds in h e t" par a dij', s een gezindheid had, die ik, in al haar diepte en breedte niet met één term benoemen kan (Hij' zelf gebruikt er trouwens wel een heel getal termen voor); f) dat dus reeds in het p a r a d ij s zijn geven van bevel èn 'belofte, van loontoezegging en strafbedreiging uit een gezindheid voortkwam, die in bevel en belofte beide geenszins adaequaat lagen uitgedrukt; g) h '0 e V e e 1 te meer moet ik dan, vandaag, in een gevallen wereld, en met mijn dwalend verstand, voorzichtig zijn met private of publieke uitspraken over zijn gezindheid?

Broeders insluiten of uitsluiten van wie de synode van Kalalmazoo' verklaarde: ze zij'n in de grondw a a r h e d en gereformeerd, en dat op grond van een formule inzake Gods g e 'z i n d 'h e i d, wie vindt dat gema; kkelijk? V\^ie kan er vrede biji hebben, dat de zaak zoo blijft? En daarom te meer: ds Zwier, 'hoort die gezindheid bij punt één, ja 'dan neen? Uw duidelijk antwoord zal mij, en uw kerk, en die van ds Hoeksema kunnen helpen!

K. 'S.

Ontstentenis van genoegzame eenparigheid, eind-, dan wel beginpunt? (II.)

'Indien nu Wijken mocht, dat er inderdaad „genoegzame eenparigheid" is in betrekking tot de idee van een QO'MFIRiOMIS, eenparigheid nJl. in DE'ZEN zin, dat van een compromis 'GE'E'N 'SPRAKE KAN zijn, dan komt automatisch weer de vraag aan de orde, hoe het staat met de INiSTE'LLING van het 'promotierecht.

Wij zeggen opzettelijk: de instelling.

En niét: het vraagstuk.

Als we scherp toezien, dan heeft - de synodale commissie, die in 1936 rapporteerde over het voorstel- Drente, hier een onnauwkeurigheid in het spreken gebruikt, die 'We zouden laten loopen, ware het niet, dat van onderscheiden kant, en thans tot mijn spijt ook •door één der hoogleeraren der 'Hoogeschool zelve, gezegd was: zoodra mocht blijken, 'dat er geen compromis i«, kan en moet 'meteen de zaak weer van de tafel.

Maar zóó staan m. i. de 'Z a k e n niet. Niet naar den geest, noch naar de letter.

Niet naar den geest. Het voorstel der synodale öommüssie '36 (om n.l. eens. te overwegen, of er een compromis te vinden was) is met algemeene stemmen aanvaard. De kwestie aJls agendumpunt van 'het oogenblik was toen meteen van de tafel, voor wat '36 'betrof. Maar •dacht men nu werkelijk, dat alle voorstemmers zouden hebben voorgestemd indien ze ondersteld hadden, dat men dit voorstel zou hebben gedaan, om daarmee te verklaren : een compromis, en anders in geen jaren meer de kans? O neen; want dan zóu 'dat de gemakkelijkste manier geweest zijn, om zich van de vraag van Drente af te maken. Door 'het aannemen van 'het voorstel, om nog eens te kijken of er een compromis te vinden was, waren de discussies over Drente's verzoek niet afgehandeld, maar, als volorlo'opig niet actuee'l, slechts 'opgeschort. Slechts, indien een compromis te vinden geweest ware, zou de eenparigheid inzake de wenschelijkheid van zulk een voorgeslagen compromis de vraag naar eenparigheid inzake 'de instelling van het promotierecht zelf') 'hebben overbo'dig gemaa'kt. Wordt een compromis niet gevonden, dan komt de zaak zélf we er op het tapijt, als men n.l. elkander serieus 'behandelen wil.

Tot die iserieuze behandeling behoort, dat men het 'Voorstel-Drente letterlijk leest. Als ik constateer, dat de commissie het niet deed, is dat natuurlijk geen ondersteling van kwade trouw; ik merk het alleen maar op, omdat men haar voorstel thans gebruikt om do heele zaa'k van de tafel te nemen.

Ziehier wat Drente in '36 had voorgesteld (i'k druk een en ander vet): na te gaan, hoever het staat met de „genoegzame eenparigheid".

'Het is duidelijk, dat 'de Drentsche synode 'hier het oog heeft —• blijkens de aanhalingsteekens —• op het besluit van Arnhem. Daar is — óók al weer met algemeene stemmen, en dus ten bewijze, dat men slechts dan broederlijk met elkander om kan gaan, als men met de opinie der voorstemmers rekent, óó'k van die voorstemmers, die 'zich t e r - wille van den vre'de voorloopig hebben geschikt — deiar is aangenomen het volgende vo'orstel:

de.... synode, ....

van oordeel, dat 'de kerken tot deze INSTELLING niet béhooren over te gaan dan met genoegzame eenparigheid,

constateerende, dat zulk een eenparigheid thans niet bestaat. besluit:

.... 'ONDER DEZE 'OMOTA'NDI'GHEDEN over de ingediende RAPPORTEN geen beslissing te nemen, en MITSDIEN de bovengenoemde voorstellen, zoowel •die tegen als 'die voor de instelling van het doctoraat TERZIJDE TE LEGGEN.

Drente heeft dus in '36 gevraagd: onderzoek eens 'hoe 't staat met de eenparigheid, bedoeld in Arnhem. Dat 'was eenparigheid inzake de INSTELLING van het promotierecht.

Wat maakt nu de rapporteerende commissie daarvan in Amsterdam-'36? Zij maa'kt ervan: eenparigheid ten opzichte van het VRAIA'QSTUK van het promotie'reoht.

Ze heeft deze niet juiste formuleering ook in het 'door 'haar ingediende voorstel neergelegd; en waar natuurlijk niemand dacht aan kwade trouw, en ook niemand van de voorstanders erop bedacht was, dat men in 1939 zou spreken zooals thans prof. Dijk en aaderen doen, daar heeft ook geen mensch caJptie gemaakt op deze formuleering.

'Maar feit is, dat ze wat anders is, dan officieel er had mogen staan.

Dat ik geen spijkers op laag water zoek (eerder wil ik een poging daartoe verhinderen) is dunkt me duidelijk te 'bewijzen.

Ik kan over een bepaald VRAAGSTUK van iemand verschillen, maar tegelijkertijd over een bepaalde, zelfs desbetreffende IN'STELLIN'G het met hem eens zijn. Er 'zijn er nog altijd, die inzake het VRAAGSTUK der opleiding door een kerkelijke 'of een vereenigingsschool van elkaar verschillen. (Maar o'mdat ze door een beding in '9'2 bij, elkaar gekomen zijn, en ze met eftaar in goede trouw willen samenwerken, besloten ze tot 'de INISTELH'NG van twee collecten jaarlijks óók voor de opleidingsinrichting die ze niet begeerden, , en houden zich daaraan (ze zijn voor een deel zelfs zoo goedmoedig, dat ze niet eens protesteeren, als één van die twee er jaarlijks 'voor een deel der kerken meer 'dan twee krijgt, ai wordt hun geduld wel op de proef gesteld, wanneer ze aan den anderen kant zich soms met tegenwerking beloond zien). Inzake het VRAAGSTUK der hulppredi'kers — een heel ander voorbeeld — kan men onderling ten 'zeerste verschillen, maar tot de AAN- STELLIN'G kan men met algemeene stemmen 'besluiten of 'helpen besluiten. Zoo 'kunnen er inzake het VRAAG­ STUK van het promotierecht vóór- en tegenstanders blijven (dat zal ook wel, gelijk ook anderen inzake het VRAAGSTUK der 'promotie aan de Theol. Faculteit der V. U. in 'haar huidige samenstelling of onder de vigeerende regeling bezwaar hebben), terwijl er toch in- Zake de INSTELLIN'G van de daaraan steun verleenende acties en instanties een eenstemmigheid bestaat.

Kortom: als 'blijkt, dat er geen compromis gevonden is, zal men heel lang moeten redeneeren, om mij te overtuigen, dat het voorts broederlij'k is, de zaak verder te laten rusten. Mijns inziens 'komt dan automatisch wat Arnhem ter zij legde, weer terug.

We moeten elkaar goed begrijpen: het is geen dreigement, maar een eerlijk elkaar in de oogen zien om misbruik bijtijds te voorkomen :

indien men 'zegt: wij denken over het VRAAGSTUK verschillend, en DUS willen wij inzake de INSTELLING zoolang dat duurt, u langs aUerlei redeneeringswegen, hoe dan ook, in elk geval weigeren, wat ge- wUt, en u niet in 'de practijk tegemoet komen,

dan zal, indien het probleem bijtijds zóó gesteld is, men oo'k moeten goedvinden, 'dat ieder, die inzake bepaalde VRAAGSTUKKEN der Vrije Universiteit anders denkt, dan velen, inzake de practisohe BESLIS'S'ING'E'N •mogen besluiten: ik doe niet mee.

Men versta mij- wel: ik 'ben daar niet voor. Ikzou het een ramp achten. Maar ik wil oo'k niet langer, dat Kampen met een kluitje in het riet gestuurd wordt op grond van redeneeringen, die ik niet verstaan kan in haar inhoud, tenzij ik moest gelooven aan 'zig-zag-leiding van den Heiligen 'Geest. Ik geloof wèl aan Zijn geduid, en 'daarom ben ik tegen een rancune-stemming, en MOET ik ertegen waarschuwen. Maar ik geloof ook aan Zijn waarachtigheid, en daarom ben ik tegen een werk-maar-van-de-tafelstemming en M'OET ik OOK DAARTEGE'N bijtijds waarschuwen.

K. S.

Hinderlijke onnauwkeurigheid.

Prof. iHepp gaat in „'Credo" nooit in op bepaalde polemische kwesties, citeert miji nooit, behalve dan als 'hij de kans krijgt in zijn Persschouw: waar alsdan een ander het doet, en spreekt verder in onduidelijke termen over „een zeker kerkelijk blad", en zoo. Allemaal in orde, dat moet hij zelf weten. Maar als hij deze „methode" kiest, laat 'hij dan verder nauwkeurig spreken. En niet onderstellen. Als er bezwaren waren tegen 'de rede van prof. 'Ridderbos op den Schooldag, dan ia het heusch niet, wijl men daöht, dat hij het tegen „iemand" had. Sommigen dachten, dat hiji het zéker óók tegen prof. Hepp had, wat ik verder niet geloof. Men 'had er 'bezwaar tegen, dat de spreker woorden, die prof. 'Greijdanus in cpialiteit van rector een vorig maal gesproken 'had (eerst waarheid, dan vrede) toeschreef aan een „jongen broeder". Wat het optreden van prof. Grosheide betreft: laat prof. Hepp eens citeeren, wat ik werkelijk dienaangaande schreef; dan is zijn onware voorstelling, evenals die van ds Boerkoel, dien hij citeert, meteen gerectificeerd. Als hij thans weer constateert, dat een zeker blad (zal wel het onze zijn) reeds vóór '36 een lijst van ernstige meeningsgeschillen gaf, is dat volkomen juist. Maar 'heeft ons blad daarvoor een isynode willen spannen? En heeft zijn

redacteur, na ruggaspraa'k met één der voor het eerst ter synode aanwezige synodeleden, een synodalen "wagen op gang gebracht, en aangeklaagd?

Ik heb eens geschreven: hoe prof. dr V. Hepp citeert. Toen citeerde hij tenminste nog. Thans genieten wij die eer niet meer. 't Is allemaal best, als die hinderlijke onnauwkeurigheid maar verdwijnt.

Waarheid en vrede!

K. S.

Verstandig besluit.

Blijkens bericht in de pers heeft de synode van de Ned. Herv. Kerk op een verzoek van het Ned. Chr. Persbureau om steun aldus gereageerd, dat gemeld zou worden, dat de subsidieverleening gestaakt wordt.

Dat lijkt ons van die synode een verstandig besluit, al was 't alleen maar omdat de positie van het onderhavige bureau zeer onduidelijk is. Wij hebben indertijd met de stukken aangetoond, dat zijn directeur, dr H. W. v. d. Vaart Smit, zich onder nationaal-socialisten liet vinden in een reeks toespraken. Hierdoor is de politieke, vidjl principiëele positie van dezen redacteur „fraglich" geworden. De vrees, dat de arbeid van dit bureau steunverleening aan de nationaal-socialistische beweging zou zijn, is hiermee opgehouden een uiting van wantrouwen te zijn. Een bureau, dat zich nederlandsch en christelijk noemt, kan ons vertrouwen slechts winnen als het een directeur heeft, die zich ver van de nationaal-socia­

listen houdt.

K. S.

De Kleine Catechismus van Zacharias Ursinus. (XI.)

53. Door welke middelen en werktuigen werkt, voedt en bevestigt de Heilige Geest het geloof in ons f

Door de prediking van het Woord Gods en het gebruik der Sacramenten.

51f. Wat zijn Sacramenten?

Het zijn plechtigheden (ceremoniën) door God ingesteld, opdat Hij daardoor als door zichtbare panden en openbare getuigenissen alle geloovenden aangaande de genade, hun in het Evangelie beloofd, vermane en bevestige; en opdat zij hunnerzijds daardoor zich tot het geloof en een heilig leven verplichten en zich van de ongeloovigen onderscheiden.

55. Kan iemand zonder het gebruik der Sacramenten de zaligheid deelachtig of van haar zeker zijn?

Niemand, die in het versmaden van die Sacramenten volhardt. Zoo iemand toch mist het waar geloof en sluit zichzelf buiten het volk en verbond Gods. Wie evenwel van de Sacramenten buiten zijn wil beroofd wordt, deze is niettemin de genade, aan de geloovenden en hun zaad beloofd, deelachtig.

56. Hoeveel Sacramenten heeft Christus ingesteld?

Twee: den Doop en het Avondmaal.

57. Wat is de Doop?

Het is een afwassching, die door water geschiedt in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes, door Christus ingesteld, opdat Hij hierdoor, als door een zichtbaar pand en openbaar getuigenis, ons allen, die in Hem gelooven, gedurende ons gansche leven vermane en bevestige, dat niet alleen anderen, maar ook ons ieder in het bijzonder door Zijn bloed en Geest de zonden afgewasschen zijn; en waardoor wij onzerzijds verplicht worden om dag aan dag te vorderen in de ware bekeering.

58. Wat is: afgewasschen te worden door het bloed en den Geest van Christus?

Het is, vanwege het vergoten bloed van Christus, vergeving van zonden ontvangen en met den Heiligen Geest begiftigd worden, door Wiens kracht wij meer en meer probeeren en vermogen de zonden tegen te staan en God in nieuwheid en heiligheid des levens te dienen.

G. B.

Geboortebeperking.

In „De Rotterdammer" van 8 Augustus stond in het verslag van de zeventiende zitting der Alg. Synode Ned. Herv. Kerk o.m. het volgende te lezen:

„Ds van den Kieboom brengt rapport uit, namens dezelfde commissie, over een schrijven van kerkvisitatoren van de prov. Utrecht, waarin gewezen wordt op het verminderend aantal doopelingen in verschillende gemeenten. Verschillende voorbeelden worden genoemd. Op de vraag bij de kerkvisitatie gesteld, of algerneen de Doop wordt begeerd, wordt telkens „ja" geantwoord. Waarom is het aantal gedoopten dan zoo gering? Omdat zoo weinig kinderen geboren worden. Kerkvisitatoren slaan met groote bezorgdheid dit verschijnsel der kunstmatige geboortebeperking gade, waaruit schade voor de volkskracht in Nederland, voor ziel en lichaam der gehuwden voortvloeien. Er ontspint zich met betrekking tot dit punt een ernstige discussie. De Synode toont zich diep onder den indruk van den ernst van de vraag. Gewezen wordt op de vele problemen, die hiermee samenhangen en de verschillende standpunten door Christen-medici ingenomen; alsook op het getuigenis door de Eng. kerk in dezen gegeven. De aandacht wordt er ook op gevestigd, hoe door deze Synode geen leeruitspraak mag worden gedaan en ook hier weer de roep tot reorganisatie doorklinkt.

Overeenkomstig de conclusie van het rapport zal aan de kerkvisitatoren worden gemeld, dat de Synode het vraagstuk der geboortebeperking met bijzondere zorg in haar overwegingen heeft opgenomen en zij den kerkvisitatoren raadt dit onderwerp aan de kerkeraden, als een belangrijk onderdeel der zielszorg toe te vertrouwen."

Laat, heel laat, misschien zelfs te laat heeft de Alg. Synode der Ned. Herv. Kerk het vraagstuk der geboortebeperking in overweging genomen. Immers reeds in het begin van deze eeuw is de geboortedaling als een ernstig feit gesignaleerd. Daarna zijn de publicaties ovei-- de beteekenis van dit demographisch verschijnsel, ook van christelijke zijde, in verblijdende mate vermeerderd. Helaas — het heeft tot nog toe niet mogen helpen. De kunstmatige geboortebeperking heeft bij onze bevolking, ook bij ons christelijk volksdeel, vasten grond onder den voet gekregen. Het is te hopen, dat de Synode niet alleen de beperking van het kindertal met ernst gadeslaat, maar dit uiterst belangrijke vraagstuk eens in studie neemt. Niettemin heeft zij een zeer praktischen raad gegeven, n.l. om dit onderwerp voortaan als een belangrijk onderdeel der zielszorg te gaan beschouwen.

Zou onze Synode ook niet goed doen het probleem der kunstmatige geboortebeperking eens onder de loupe te nemen? Wel hebben wij een uitspraak van de Generale Synode over het Neo-Malthusianisme, maar hoe staan onze Kerken tegenover het Oginoïsme en hoe moet onze houding zijn ten opzichte van andere methoden van geboortebeperking? Al zou het in studie nemen van deze vraagstukken ook wat laat zijn, beter laat dan

nooit.

A. C. D.


1) Het eerste (die onduidelijkheid) heb ik inderdaad geschreven. Maar waar las Ds Zwier dit tweede? K. S.

1) Ik spreek van „instelling", wijl het woord in officiëele stukken staat. Maar ik leg het op mijn manier uit; anderen mogen — zie hieronder — hetzelfde doen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 augustus 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJKLEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 augustus 1939

De Reformatie | 8 Pagina's