GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJK LEVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJK LEVEN

28 minuten leestijd

De scheuring in Ameiika. (XV.)

(Intermezzo: antvsfoord aan ds D. Zwier, II.)

In het voorgaande artikel lieten we uitkomen, dat het „eerste punt" van de synode van Kalamazoo, gelezen onder de vóóronderstelling, dat het begrip der „gunstige GEZINDHEID Gods jegens de menschheid in het algemeen" er essentieel toe behoort, ons onaannemelijk is. We wezen aan, dat het logisch geen eenheid is, en als uitwerking van een verzwegen syllogisme niet te handhaven is. En we besloten verleden week met de opmerking, dat dit reeds aanstonds heel wat te zeggen heeft voor het Schriftonderzoek. Als ons „Schriltonderzoek" tot resultaten leidt, die logisch niet te houden zijn, dan kunnen we er zeker van zijn, dat ons onderzoek niet juist geweest is. We kunnen een uitlegkundige fout gemaakt hebben. We kunnen ook de hermeneutische regelen hebben geschonden, en dus verzuimd hebben, „Schrift met Schrift te vergelijken", en alsdan willekeurig te werk zijn gegaan, d.w.z. alleen die Schriftplaatsen bijeengegaard hebben, die ons een goed draagvlak leken voor beschouwingen, die we toch al v a n plan waren te verdedigen, vóórdat we de Schrift „onderzoekend" naderden.

Thans, in ons tweede artikel, zullen we iets nader hebben in te gaan op bet geleverde Schriftbewijs zelf. We herinneren er aan, dat de synode van Kalamazoo in haar eigen uitspraak wel geen Schriftmateriaal heeft opgenomen, doch wel daarnaar uitdrukkelijk verwezen heeft. Op de bekende uitspraak liet ze o.m. volgen: „dit blijkt uit de aangehaalde Schriftuurplaatsen". Dat moet wel slaan op de Schriftplaatsen, waarbij de rapporteerende commissie den vinger had gelegd, en die de synode nu heeft overgenomen, als, tenminste globaal genomen, genoegzaam bewijs voor de bewering, dat God een gunstige gezindheid koestert jegens de mensch­ heid in het algemeen. Onnoodig te verzekeren, dat we èn hier èn in het vervolg nu steeds onderstellen, dat die gunstige gezindheid inderdaad behoort tot de synodale uitspraak.

Welke plaatsen zijn vermeld? En wat bewijzen ze? De eerste is Ps. 145 : 9. Noordtzij vertaalt:

Goed is de Heere jegens allen en zijn erbarmen strekt zich uit over al zijn werken.

De uitlegging van den vertaler komt hierop neer:

„Aanknoopend aan Exod. 34 : 6 laat hij (de dichter) nu den rijkdom zien der zelfopenbaring des Heeren, zooals die in Israels geschiedenis naar voren treedt: zijn genade en erbarmen, zijn lankmoedigheid en groote goedertierenheid, waardoor Hij altijd weer de zonde vergeeft, de schuld uitdelgt (vs. 8)... Maar, zoo haast de dichter zich nu er aan toe te voegen, „die goedheid des Heeren beperkt zich in haar openbaringswerkzaamheid niet tot Israël. Haar werkingskring omvat zijn gansche schepping en al zijne werken ervaren den rijkdom van zijn dagelijksch erbarmen (vs. 9). Daarom mogen ze Israël niet alleen laten staan bij het bezingen van deze wondere deugden des Heeren, maar moeten ze mede instemmen met de lofprijzing van zijne gunstgenooten..."

Ongetwijfeld ligt in deze uitspraak de erkenning, dat de God van Israël, Jahwe, die eeuwig leeft, en die in tegenstelling met de afgoden werkelijk bestaat, zijn schepselen in stand houdt, met welgevallen zijn eigen werk aanschouwt, en ondanks de kromme sprongen, die in deze wereld gemaakt worden, toch aan het menschelijk leven zijn ontwikkeling geeft. Een ontwikkeling, die zich aansluit bij wat er is, en door God onderhouden (geconserveerd) is; die dus ook zelf weer de in de schepping van Godswege gelegde mogelijkheden tot ontwikkeling brengt, en aan den dag laat komen, en zoo aan de menschelijke existentie het vreugdegevoel schenkt van er te zijn, en te worden versterkt.

Maar dat is nog geen wetenschappelijke uitspraak over Gods gunstige gezindheid jegens de menschheid in het algemeen. In de gezindheid komen Gods gedachten, die ik in zijn werken nimmer adaequaat uitgedrukt vindt, tot haar eenheid terug; daarin ontmoet de ééne de andere. In de gezindheid als ondeelbare eenheid komt naar voren toe niet alleen Gods welbehagen in het kreatuurlijke leven a 1 s kreatuurlijk, en voorzoover kreatuurlijk gebleven, aan den éénen kant, maar óók zijn beoordeeling van wat de menschen als trouwe dan wel ontrouwe ambtsdragers" hebben gedaan in en met die kreatuurlijkheid.

Welnu, is het, juist voor wat die gezindheid betreft, niet beteekenisvol, dat Noordtzij in vs. 9 een aankiiooping aan en uitbreiding van den inhoud van vs. 8 ziet, en dat hij bij vs. 8 aanteekent, dat de dichter zich aansluit bij Exod. 34:6? Straks zullen we zien, dat de synode ook op Lucas 6 : 35, 36 zich beroept. Welnu, De Zwaan in zijn uitleg van Lucas 6 : 36 verwijst óók naar Ex. 34:6. Daar lezen we (vertaling dr Gispen):

„En de HEERE ging aan zijn (Mozes') aangezicht voorbij en de HEERE riep: 'HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid en trouw, goedertierenheid bewarende aan duizenden, schuld en misdaad en zonde vergevende, maar Hij laat zeker niet ongestraft, bezoekende de schuld der vaderen aan de kinderen en aan de kinderen der kinderen, aan de klein- en aan de achterkleinkinderen."

In deze verzen is het opmerkelijke, dat niet een menschen kind over God, doch dat de Heere zelf over zichzelf spreekt. Hier wordt dan ook' de gezindheid Gods openbaar: het blijkt niet „in abstracto" over een menschheid „in het algemeen", of zelfs over een verbondsgemeente „in het algemeen" „een zekere" gezindheid te zijn, doch de zelfaankondiging des Heeren verbindt de goedertierenheid aan de rechtvaardigheid, en het loon aan de straf, en de zelftrouw in het uitkeeren van beloofden zegen aan de zelftrouw in het uitkeeren van de gedreigde straf. Prof. Böhl moge de neiging verraden, uit deze plaats af te leiden, dat Gods genade en lankmoedigheid „het wint van Gods straffende gerechtigheid", maar in den tekst staat daarvan niets.

Conclusie: in Ps. 145 : 9 ligt geen bewijs voor punt 1 als hierboven afgegrensd.

De tweede geciteerde plaats is: Matth. 5 : 44, 45. Vertaling Van Leeuwen:

„Maar ik zeg u: hebt uwe vijanden lief en bidt voor • wie u vervolgen, opdat gij u kinderen moogt betoonen (betoonen, zoo ook H. N. Ridderbos, Bergr., 135) van uwen Vader, die in de hemelen is; want Hij laat zijne zon opgaan over boozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen."

Nu wordt volgens H. N. Ridderbos (a.w. 264) in deze plaats door den Heiland aan de bekeerden (Ridderbos, 134/5) de eisch van zelfverloochening gesteld. Daarin moeten zij dus hun eerste begeerten en opkomende gedachten verdringen, zichzelf verloochenen, hun eerste gezindheid ten aanzien van de konkrete vijanden, gelijk ze op het oogenblik zijn en optreden, derhalve niet in rekening doen komen, maar haar verhinderen voort te varen tot de haar goeddunkende praxis. Hun gezindheid van afkeuring en toorn over de vijanden mogen ze niet aan den dag doen treden in met haar overeenkomstige daden van straf, of wraak.

In dezen eisch wordt dus de gezindheid van den discipel, zoover ze den tegenstander in diens momenteele qualiteiten en handelingen betreft, juist niet openbaar in de uiterlijk waarneembare daad, die hij doet ten aanzien van zijn vijand. Zijn gezindheid jegens den

HÈËRE, diè moet daarin uitkomen. Om Go ds wil heeft hij onrecht te vergeven, en den vijand op te nemen in den kring, binnen welken Hij Zijn welwadigheid bewijst. Als wij spreken van verberging der gezindheid, althans van verloochening daarvan, beteekent dat natuurlijk geen huichelarij. Integendeel; want a. de gezindheid van gehoorzaamheid aan den Heere moet den andere overheerschen; en b. de tegenstander van nu kan een kind des fieeren zijn, kan het in alle geval worden, de discipel weet ook zelf zondaar te zijn; en dat alles komt mee in rekening bij zijn hier vei'eischte daad. Alleen maar: de gezindheid, die in zijn hart ten aanzien van den konkreten mensch met zijn konkrete daad van vijandschap en zelfs vervolging leeft, dié moét 'niet in de daden, in zijn „houding" uitkomen. Daarin moet uitkomen hoe hij tegenover den HEERE staat. En zéker is d i è gezindheid (jegens den Heere) geen tegenstelling met den toorn over de zonde, noch met de uitdrijving, op 'sHeeren bevel, van kerkvervolgers (Gal. 4:30), noch met den lateren jubel over Gods recht in den ondergang van Zijn haters.

Indien nu deze plaats reeds voor wat de gezindheid van den discipel jegens zijn vervolger betreft, een daad verlangt, waarin die gezindheid niet uitkomt, maar moet verloochend worden, voorzoover ze n.l. wijken moet voor een betere, hoe kan men dan uit deze plaats een bewijs halen voor/Gods gezindheid jegens boozen en goeden? Hij geeft over beiden regen en zonneschijn. Geen wonder ook. Dat deed eveneens de heer uit de gelijkenis, die tot zijn knechten zei, dat ze het kaf vooral niet mochten weghalen uit den akker, uit het koren vandaan. Hij gaf aan dat kaf regen en zon, den heelen zomer. Maar hoe hij over dat kaf verder dacht? Wel, hij zou het straks met vuur verbranden. De daad van regen en zon geven was geen openbaring van vriendelijke gezindheid speciaal tegen dat kaf. Ze was slechts openbaring van de gezindheid van den heer van het land tegenover hem zelf: hij zou zichzelf iiiet verloochenen, ook niet in de liefde voor het koren, dat schade zou beloopjen als de haastige knechten hun zin kregen. Maar wat voorts die gezindheid van den heer ten aanzien van het kaf was, kon niemand weten, dan hij zejf en degene, wien hij het wilde openbaren. Wien mijn God vandaag conserveert, dien moet ik niet van de conserveering willen uitsluiten. Alleen door voor mijn deel mee te helpen aan de conserveering, blijf ik zoon van mijn Vader, mijn gedrag naar Hem bepalende, en mijn gezindheid voorts richtende op Hem, die mij geen uitsluitsel geeft omtrent zijn gezindheid jegens A of B, of jegens het korenveld (met inbegrip van kaf) „in het algemeen", of „de menschheid in het algemeen".

Conclusie: in Matth. 5 : 44, 45 ligt geen bewijs voor punt 1 als hierboven afgegrensd.

De derde tekst is Lukas 6:35, 36. Vertaling De Zwaan:

„Gij echter moet uwe vijanden liefhebben en goeddoen en leenen zonder te wanhopen, en groot zal uw loon zijn, en gij zult zonen wezen des- Allerhoogsten, want hij is mild over de ondankbaren en boozen. Wêest ontfermers, gelijk uw Vader een ontfermer ts."

Hier wordt dus gezegd, dat de Vader mild, „chrêstos" is jegens ondankbaren en boozen. Ook in 1 Petr. 2 : 3 wordt het woord „chrêstos" gebruikt in betrekking tot God, in- een zinspeling op Ps. 34:9: smaakt en ziet, dat de Heere goed is. In het woord van 1 Petr. 2 : 3 „is dus sprake van het met blijdschap ervaren hebben van Gods goedheid... De vraag is, wat dit woord hier beteekent... Nu meenen sommigen, dat dit woord hier den zin heeft van zoet, liefelijk. En zij willen daarbij dan nog denken aan de melk (uit vs. 2, K. S.) en oordeelen, dat de Heere thans nog als de melk gedacht • wordt, Wiens zoetigheid of liefelijkheid de geadresseerden gesmaakt hebben. Doch vooreerst geeft Ps. 34:9 niet zulk eene voorstelling. In de tweede plaats heeft „chj'êstos" in het N. T. elders eenen anderen zin: Matth. 11: 30; Luc. 5 : 39; 6 : 35; Rom. 2 : 4; Eph. 4 : 32; en vgl. 1 Cor. 15 : 33. Als afgeleid van „chraomai" beteekent het eigenlijk: bruikbaar. En, zoo krijgt het ook de beteekenis van vriendelijk... De Heere wordt hier „chrêstos" genoemd, omdat Hij in zijne vriendelijke goedheid deze verlossing bereidde, en deze geestelijke melk of voeding gaf te genieten" (Greijdanus, Komm. 1 Petr. 90).

Hier is dus sprake van vriendelijkheid in het betoon ^ van verlossende genade.

Aan deze verlossende genade is-geloof gehecht.

Door het geloof hadden de aangesprokenen Gods beloften aangenomen, en waren ze verzekerd van de aan hen geschiede vervulling daarvan. DOOR HET GELOOF hadden" zij dus de hun overkomen weldaden leeren zien als bewijs van vriendelijke gezindheid. Niet de bloote feiten, maar het WOORD, door het geloof aanvaard, had hen in hnn geval van de gezindheid Gods overtuigd. Neem dat geloof aan het Woord weg, en Gods gezindheid ware hun meteen weer onzeker geworden.

Hoe staat het nu in dezen met Lucas 6?

«K. S.

„Napleiten"? OJ actueele programpunten bespreken?

In „De Heraut" wordt naar aanleiding van wat prof. Greijdanus over de kwestie van het promotierecht onlangs schreef, gesproken van „napleiten".' De synode van Sneek heeft een besluit genomen, en daarover zoo is de redeneergang; moet nu niet meer worden nagepleit.

De redeneering lijkt me geheel en al juist; met uitzondering- dan van - haar beweerde toepasselijkheid op wat prof. Greijdanus schreef. Immers, de synode van Sneek heeft ons weer voor drie jaar aan het denken gezet. Dat denken is natuurlijk de taak van ons allen. We zullen daarom krachtens de eenheid van kerken en synode (er is nog pas op gewezen door de synode zelf), het gereformeerde' volk moeten laten meeleven in dat denken. Anders vervalt dat volk in practisch independentisme; óók daartegen waarschuwde de synode nog pas. De geschiedenis leert, dat, wanneer het volk buiten de zaken der leiding gehouden wordt, het al heel spoedig zich van zijn leiders niets meer aantrekt, en dus recht in-de-penden-tistisch wordt. Men laat dan een paar afgevaardigden doen wat goed is in hun oogen, en doet zélf óók niet anders. Verwarring is het einde. Wars als we zijn van alle scheiding tusschen kerken en synode, en van alle werkelijke independentisme (van het kerkrechtelijke leerbegrip dienaangaande trekt een schare, die zich nergens meer iets van aantrekt, natuurlijk óók niets meer aan; het vervalt slechts in atheoretisch, in praktisch independentisme, de ergste soort, die er is), we herhalen: wars van alle werkelijke independentisme zullen we dus óók ón'zerzijds na eenigen tijd de kwesties van het promotierecht, in zooverre ze te maken hebben met de in overweging gegeven gedachte van promo veeren aan de Vrije Universiteit onder leiding van een Kamper hoogleei-aar, behandelen. Feitelijk hadden we dat reeds aangekondigd; ' waarom we dan ook ditmaal wel zelf op het artikel van „De Heraut" meenden te mogen reageeren.

We maken er niemand een verwijt van, dat op den dag, waarop het promotierecht te Sneek aan de orde kwam, we de avondpauze ingingen met de gedachte: straks kunnen we antwoord geven aan de sprekers van hedenmiddag (ik had mijn speechje al klaar), terwijl aanstonds na de pauze, dadelijk bij terugkeer in de vergaderzaal bleek: geen tijd voor repliek, maar in speechjes van 6 minuten enkele totaal nieuwe voorstellen behandelen. We zullen mede daarom straks wat we tóen niet kónden zeggen, voor een deel nèg geven.

Het zal dan geen napleiten, maar iets anders zijn. Ten deele repliek, die de nog aan de orde zij nde alge m eene kwestie betreft. Ten deele ook vóórpleiten.

pleiten. K. S.

Misverstand.

In het „Reglement voor de Theologische Opleiding aan de Theologische School" stond sedert 1896 in art. 11: „Het college van hoogleeraren heeft het recht van examineeren in de theologie en verleenen van den graad van candidaat tot het praeparatoir examen". Men heeft dit soms, hoewel geheel ten onrechte, opgevat, alsof met deze laatste woorden aangegeven zou zijn, wat op de bul moest staan van hen, die met goed gevolg het candidaatsexamen aan de Theologische School hadden afgelegd. Reeds vóór ongeveer tien - jaren hebben Dr W. A. van Es en ik hierover gediscussieerd. De eerste bracht ook op de Synode te Sneek bezwaren in tegen het op voorstel der hoogleeraren der School door Curatoren aan de Synode gedaan voorstel om de woorden „tot het praeparatoir examen" te vervangen door: „in de Heilige, Godgeleerdheid"; welk voorstel door deze Synode werd aangenomen. En tot mijn niet geringe verwondering las ik in het „Noord-Hollandsch Kerkblad" van 29 Sept. j.l. van de hand van Prof. Dr F. W. Grosheide te dezer zake het volgende: „Van min of meer principiëelen aard was de bespreking over de ewoordingen op de examenbullen en in het reglement, dat ze regelt. Tot nu toe spreekt het reglement van de Theologische Hoogeschool van candidaten tot het praeparatoir examen. Dat is de zuiver kerkelijke terminologie. De hoogleeraren hebben voorgesteld dit te veranderen in candidaat in de heilige godgeleerdheid en dezen term ook op de bullen te gebruiken en dan n de Latijnsche taal. Dat wordt dan een wetenschappeijke titel. Curatoren hebben dit voorstel der hoogleeraren overgenomen. Wij achten dit een belangrijke kwestie n een slapper maken van den band tusschen de Hoogechool en de kerken. Wij gaan daar thans niet nader p in, omdat de Generale Synode, als onze lezers dit tuk onder oogen krijgon, al wel een beslissing over eze zaak zal hebben genomen. In het algemeen is ons ordeel, dat al wat den band tuschen de School en de er'ken losser maakt, het bestaansrecht der Theologische School van de • Gereformeerde Kerken in Nederland ndermijnt. Wanneer de School geen zuiver kerkelijke chool meer wil zijn, geeft zij haar eerstgeboorterecht rijs. Want alleen' als kerkelijke Hoogeschool is zij door e gezamenlijke kerken in 1892 aanvaard".

Wij zien, dat Prof. Dr F. W. Grosheide van meening s: a. dat de woorden in art. 11 van het Reglement: candidaat tot het praeparatoir examen" bedoeld zouden eweest zijn als titulatuur op de candidaatsbullen te ampen; b. dat dit de zuiver kerkelijke terminologie ou zijn; c. dat daarvoor nu in de plaats gekomen ou zijn een wetenschappelijke titel; d. dat deze verndering van bewoording in art. 11 van liet Reglement ene belangrijke quaestie zou zijn; e. dat daardoor de and der Theologische Hoogeschool aan de kerken slaper zou worden; f. dat door het voorstel tot deze vei-ndering de School zou openbaren, minder eene kerkeijke school te willen zijn; g. dat door de aanneming an dit voorstel het bestaansrecht der Theologische oogeschool zou ondermijnd zijn.

Alle deze meeningen zijn echter foutief, en berusten nkel op misverstand.

De woorden „candidaat tot het praeparatoir examen" ijn nimmer bedoeld, en kunnen nimmer bedoeld ijn, als titel op candidaatsbullen te Kampen. Die "wooren zijn geen „kerkelijke titulatuur", laat staan „de uiver kerkelijke titulatuur". Reeds terstond in

(Zie vervolg óp blz. 30.)

30 of na 1896 komt op de candidaatsbullen te Kampen de titel voor: „candidaat in de heilige Godgeleerdheid". Deze titel dateert dus niet van nu, noch van vóór enkele jaren, doch reeds terstond van 1896. Deze verandering van bewoording is geene belangrijke quaestie, maar eene zaak van bijna geene beteekenis; alleen wordt daardoor eene onjuistheid weggenomen, en eene overbodigheid ter zij gesteld. Daarom wordt door deze verandering de band der School aan de kerken niet in het minst losser gemaakt. De School houdt door die verandering ook niet in de geringste mate op kerkelijke school te wezen, gelijk te voren. Haar bestaansrecht wordt daarom evenmin maar eenigszins door deze verandering ondermijnd.

Prof. Dr F. W. Grosheide denkt zich deze zaken niet juist in, en stelt ze geheel onjuist voor.

In 1896 heeft met de Theologische School te Kampen eene belangrijke verandering plaats gevonden. Toen werd de gymnasiale afdeeling, die tevoren aan haar verbonden was, van haar losgemaakt; en in de examinatie werd eene gewichtige wijziging aangebracht. Tot 1896 examineerden de Curatoren, bijgestaan door de Hoogleeraren, destijds Leeraren of Docenten genoemd.

En het (in den volksmond, ter onderscheiding van het semi-candidaats, zoogenaamde tweede) candidaatsexamen, of officieel: candidaatsexamen (tweede gedeelte), was tevens praeparatoir examen, en gold dus, bij gunstigen uitslag, meteen als examen waarbij de geslaagde beroepbaar verklaard werd.

Ton bewijze zij hier zulk eene candidaatsbul overgeschreven van het jaar 1889. Bovenaan staat bij vwjze van zegel: de kerk op eene rots met als randschrift er om heen: de poorten der hel zullen haar niet overweldigen.

En dan staat op deze bul:

„Het College van Curatoren der Theologische School van de Christelijke Gereform. Kerk in Nederland, bijgestaan door de Leeraren der School en gemachtigd door de Synode,

Verklaart,

na gehouden onderzoek in de vakken, die bij besluit der Synode van 1875, Handelingen art. 58, aangewezen zijn, als: de Geschiedenis der Geref. Kerk in Nederland, Inleiding op de Dogmatiek, Geschiedenis der Godsdiensten, Natuurlijke, Stellige, Wederleggende en Beoefenende Godgeleerdheid, Symboliek, Dogmengeschiedenis en Homiletiek, den Student

voorzien van diploma's voor de overige vakken, vermeld in genoemd besluit,

Beroepbaar voor den predikdienst, met de bede, dat het den Heere behage, hem weldra in Zijn dienst tot heil der Gemeente en tot uitbreiding van Zijn Rijk te gebruiken.

Curatoren voornoemd: (w.g.) J. VAN DER LINDEN, Pres.

Kampen, den... Juli 1889. (w.g.) L. NEÏJENS, Secretaris"!)

Op eene bul van het semi-candidaats van 1888 worden genoemd als vakken, waarin een „onderzoek gehouden" is: „de Bijbelsche Geschiedenis en Geographie, Joodsche Oudheden, Tekst-kritiek, Isagogiek van het O.- en N.- Testament, Hermeneutiek, Exegese en Algemeene Kerkgeschiedenis".

En op eene bul voor het propaedeutisch examen van 1886 staat o.m.:

Bevordert

na inzage der overgelegde Testimonia in Geografie, Algem. (Oude- en Midd.-) Gesch., Psychologie, Logica en Philosophic, Grieksche & Romeinsche Antiquit. en Mythologie, en na gehouden onderzoek in de overige vakken, die bij besluit der Synode van 1875, Handel. Art. 58 aangewezen zijn, namelijk: Nederlandsche taal, Stijl en Letterkunde, Algemeene (Nieuwe) en Vaderlandsche Geschiedenis, Recitatie, Latijn, Grieksch & Hebreeuwsch, den Student tot de Theologische Lessen,

In 1896 werd nu door de Synode te Middelburg op voorstel van Curatoren, en na bespreking, bepaald, dat de examens aan de Theologische School voortaan niet meer door de Curatoren, doch door de Hoogleeraren (en Lectoren) zouden worden afgenomen, en dat het candidaatsexamen aan die School niet langer als tevens Praeparatoir examen zou gelden, doch dat de Candidaten der School in het vervolg evenzeer als de Candidaten der Vrije Universiteit nog eerst Praeparatoir examen zouden moeten afleggen, en wel in- of op Classicale vergaderingen, en dat alleen deze Classicale vergaderingen hen bij gunstigen uitslag van hun examen beroepbaar zouden verklaren.

Toen hielden dus de examens aan de Theologische School op tegelijk als kerkelijke examens te gelden, en werden zij gequalificeerd als enkel schoolexamens te zijn, ook het candidaatsexamen (tweede gedeelte). In het „Concept van Regeling", enz. ter Synode te Dordt in 1893 ingediend, werd reeds te dezer zake gezegd: „Wel zouden de kerken er van moeten afzien, om zelve door hare Curatoren die examina te laten afnemen. Want niet alleen zou dit practisch meer en meer onuitvoerbaar worden, gelijk de ervaring in Kampen leert. aar het is ook noodzakelijk, om volgens de door de erken zelven gemaakte bepaling de oude, Gereforeerde wijze van examinatie te herstellen; de examens an school en kerk. te onderscheiden; en zoowel het raeparatoir als peremptoir examen in de classes voor lle studenten verplichtend te stellen, en dus ook in eze zaak gelijkheid te brengen", Acta, blz. 49. Dit Concept" werd toen wel niet aangenomen. Maar drie aren later, in 1896, te Middelburg, werd toch op deze ijze die zaak geregeld, Acta, artt. 97—101. Het raport der adviseerende commissie, rapporteur Dr F. L. utgers, bevat o.m. deze woorden: „Algemeen v.'ordt us gewenscht, dat bij alle aanstaande dienaren des oords het praeparatoir examen door de kerken in hare dassen worde afgenomen, en dat in verband aarmede, het theologisch examen aan de Theologische School inderdaad en geeel een schoolexamen zij (spatiëering van mij, S. G.). Wel wordt door ééne provincie gewenscht, dat ook dit examen worde afgenomen „onder toezicht an deputaten ad hoc met het recht van veto". Maar de commissie van advies acht die bijvoeging niet wenschelijk, vooral omdat het dan een examen zou worden, dat geen schoolexamen en ook geen kerkelijk examen was, en voorts om allerlei praktische bezwaren... En wat het toezicht aangaat, hebben Curatoren natuurlijk altijd het recht, alle colleges en alle examens bij te wonen...", Acta, 2e druk, blz. 54.

Toen zijn dus de examens aan de Theologische School geheel schoolexamens gemaakt en verklaard. Kerkelijke examens waren zij ook reeds tevoren niet, al golden toen de candidaatsexamens tevens als praeparatoire examens, want Curatoren vormen geen kerkelijke vergadering als classis en synode. Maar met 1896 is in elk geval de zaak der examens aan de Theologische School zoo geregeld, .dat zij duidelijk „inderdaad en geheel" schoolexamens zijn, en dat is toen klaar uitgesproken.

Om dat tot uitdrukking te brengen, en nimmer te doen vergeten, is toen in art. 11 van het Reglement gezegd, dat het College van Hoogleeraren het recht heeft van examineeren in de theologie „en tot verleenen van den graad van candidaat tot het praeparatoir examen". Deze woorden zijn echter nimmer bedoeld, en kunnen nimmer bedoeld zijn, als titel op eene bul. Want dan zouden zij eene onwaarheid zijn. Omdat niemand bij geslaagd candidaatsexamen aan de Theologische School tot „candidaat tot het praeparatoir examen" gepromoveerd wordt, nu niet, en nimmer, en dat niet kan worden, maar dan slechts één der stukken ontvangt, die hij tot toelating tot het praeparatoir examen noodig (hoewel dit nog niet eens onmisbaar noodig) heeft, en bij welke hij nog andere overleggen moet. Iemand wordt candidaat tot het praeparatoir examen slechts doordat hij zelf voor dat examen zich op ge eft. Nimmer heeft het College van Hoogleeraren aan de Theologische School ook maar iemand na geslaagd candidaatsexamen tot „candidaat tot het praeparatoir examen" gemaakt of verklaard, of kunnen bevorderen. Alle candidaten vaii de Theologische School worden, evenals die van do Vrije Universiteit, eventueel op eigen verzoek candidaten tot het praeparatoir examen.

In zoover zijn de betreffende woorden in art. 11 van het Reglement eene onwaarheid, en berusten zij op eene vergissing en verwarring van denkbeelden. En hunne verwijdering uit dat artikel is dan ook niet anders dan het wegnemen van eene onjuiste uitspraak, om het artikel te doen overeenstemmen met de waarheid, althans het daarmede niet meer in tegenspraak te doen zijn.

Men heeft te Middelburg in 1896 bepaald, dat het candidaatsexamen aan de Theologische School niet meer tegelijk als praeparatoir examen zou gelden. En dat heeft men op deze onjuiste wijze in het Reglement pogen vast te leggen, zonder te merken, welke fout men aldus maakte. Men had moeten volstaan met de bepaling, dat dit candidaatsexamen voortaan alleen schoolexamen was, en niet meer als praeparatoir examen gold, en dan deze bepaling in de Acta der Synode moeten opnemen, en desnoods aan het College van Curatoren en aan dat van Hoogleeraren moeten opdragen, dat besluit in hunne onderscheiden notulenboeken in te schrijven, opdat zij het nimmer zouden vergeten. Doch zulk eene bepaling hoort. niet in het Reglement, en althans niet in zoodanigen vorm als zij er in kwam. Ook zeer geleerde en zeer uitnemende mannen als te Middelburg deze zaak besproken en geregeld hebben, kunnen zich vergissen, en blijken hier eene haast onbegrijpelijke, zij het al weinig gewichtige, fout gemaakt te hebben.

Wegneming van deze fout maakt den band der School aan de kerken niet losser. Want die foutieve woorden drukten geene verbinding van de School aan de kerkenuit, maar juist omgekeerd: dat het geslaagde candidaatsexamen der School geen kerkelijk examen was, niet meer als praeparatoir examen gold, evenmin als het candidaatsexamen aan de Vrije Universiteit.

Zoo hebben deze woorden in art. 11 van het Reglement nimmer als titel op eene bul bedoeld kunnen zijn, en geven zij geene „kerkelijke titulatuur" aan, en nog minder „de zuiver kerkelijke titulatuur". Hun inhoud of strekking is slechts negatief. En positief opgevat, spreken zij eene onwaarheid uit. En van zulk eene titulatuur in het kerkelijke weten zij niet. Die bestaat niet, en kan niet gegeven worden door het College van Hoogleeraren aan de Theologische Hoogeschool, hoe uitnemend examen er ook voor ware afgelegd, evenmin als door de Theologische Faculteit der Vrije Universi­ teit. Dat College is geene kerkelijke vergadering als classis en synode, al worden zijn Hoogleeraren ook door Synodes benoemd. De Deputaten voor de Zending, de Deputaten voor „het Vei'band", de Deputaten naar art. 13 K.O., en die naar art. 11 K.O., en die naar art. 49 K.O., e.a. zijn ook geen kerkelijke vergaderingen als classis en synode. Een examen door dat College afgenomen is dan ook slechts schoolexamen, zooals in 1896 duidelijk is uitgesproken. Dat College kan dan ook na gunstig afgelegde examens slechts o.z.t.z. schoolgraden verleenen, d.i. graden, die op schoolgebied liggen en gelden, en geen kerkelijke. En omdat het volgens art. 11 van het Reglement in de. Theologie moet examineeren, geeft het met de candidaatsbul ook eenen graad in de wetenschap der Theologie. Maar een graad van „candidaat tot het praeparatoir examen" kan het niet geven, en heeft het niet kunnen geven. Deze bestaat niet, en is nimmer ingesteld kunnen worden. Zulk een „graad" is er niet, en is niet bestaanbaar, noch denkbaar. Ook zou hij niet gegeven kunnen worden, omdat men zelf zich opgeeft als candidaat voor het praeparatoir examen.

Dat deze woorden van art. 11 van het Reglement ook nimmer bedoeld zijn als titel op een diploma of bul, blijkt daaruit, dat de Hoogleeraren en Curatoren van de Theologische School terstond na de Synode van 1896 de bewoordingen van de candidaatsbullen ontworpen en vastgesteld hebben, die daarna in gebruik bleven, en waarin de bij het candidaatsexamen geslaagde bevorderd wordt tot: Candidaat in de heilige Godgeleerdheid". Ik heb hier voor mij een bul uit 1897. Deze luidt:

„L. S. Het College van Hoogleeraren der Theologische School van de Gereformeerde Kerken in Nederland, heeft in zijne Vergadering van ... November 1897 onderzocht den Heer

in de vakken, bij besluit van de Curatoren der Theologische School vastgesteld voor het tweede gedeelte van het Candidaats-examen; en verklaart, dat hij aan de gestelde eischen heeft voldaan, zoodat hij tot Candidaat in de heilige Godgeleerdheid wordt bevorderd.

Ten bewijze daarvan wordt hem dit getuigschrift uitgereikt.

Uit naam van het College voornoemd, (w.g.) D. K. WIELENGA, h. t. Rector. (w.g.) M. NOORDTZIJ, h. t. Ab-actis.

Kampen, den ... November 1897."

Nu waren de Hoogleeraren der Theologische School als prae-adviseurs ter Synode te Middelburg in 1896 aanwezig en werkzaam geweest, en ook eenigen van de Curatoren. Wanneer het dan de bedoeling der Synode te Middelburg geweest was, de besproken woorden van art. 11 van het Reglement als titel op de candidaatsbullen te plaatsen, zouden deze Hoogleeraren en Curatoren niet vlak na die Synode van zoodanig besluit afgeweken zijn, om in plaats van die woorden te schrijven: „candidaat in de heilige Godgeleerdheid". Dat kan .toch niet aangenomen worden. Zij hadden dan toch die bedoeling wel geweten, en kunnen toch niet verondersteld worden, hetzij uit onbedachtzaamheid, hetzij welbewust en opzettelijk, dergelijk besluit der Synode ter zij gelaten, en er iets gansch anders voor in de plaats gegeven te hebben, zonder dat zij op de Synode ook maar met een enkel woord tegen die formule als titel op de bullen opgekomen waren. Daarbij komt, dat reeds op de eerstvolgende Generale Synode, die te Groningen in 1899, door de Curatoren in hun rapport werd medegedeeld: „Gedurende deze drie cursussen werden successievelijk 5, 14 en 10 der broederen tot Candidaten in de H. Godgeleerdheid bevorderd", Acta, blz. 112. En op deze wijze van zeggen, die daarna telkens nagevolgd werd in de Curatorenverslagen op de Generale Synodes, werd noch toen, noch later, aanmerking gemaakt door die Synodes.

Er kan dus geen twijfel aan zijn, dat bedoelde woorden in art. 11 van het Reglement nimmer bedoeld zijn als titulatuur op candidaatsbullen.

Zij hebben dat niet kunnen zijn vanwege innerlijke onjuistheid. En zij zijn het feitelijk niet geweest, zooals uit het vlak daarop volgende doen van Hoogleeraren en Curatoren der Theologische School en dat der verdere Synodes blijkt.

De uitwissching dezer woorden uit art. 11 van het Reglement is dus maar het wegnemen eener onjuistheid, en hunne vervanging door: „candidaat in de Heilige Godgeleerdheid" het aanbrengen van eene ware zegswijs of formule in de plaats van eene onware. Voorzoover is deze verandering niet zonder beteekenis. Maar van een losser maken van den band der School aan de kerken is daarbij geenerlei sprake. Wanneer men daarvan zou willen spreken, moest men zijne bezwaren inbrengen tegen de Synode te Middelburg in 1896 en tegen wat zij inzake de examinatie aan de Theologische School bepaald heeft, hoewel men ook dan geen recht zou hebben."> Kerkelijke School is de Theologische Hoogeschool, omdat zij het eigendom der Gereformeerde Kerken is, door haar werd opgericht en door haar wordt in stand gehouden en verzorgd. De uitdrukking „eigene inrichting" „duidt de school alleen aan als eene inrichting, die door de kerken opgericht is, door haar onderhouden en verzorgd wordt, en dan voorts op eigen terrein en binnen eigen kring een bijzonder karakter draagt, een eigen leven leidt en eene zekere mate van zelfstandigheid bezit", Dr H. Bavinck, „Theologische School en Vrije Universiteit", blz. 43. De besproken woorden geven geene uitdrukking aan eenigen band der School aan de kerken. Hunne wegneming en vervan-

ging maakt daarom dien band niet losser, en ondermijnt het bestaansrecht der Theologische School als kerkelijke School of „eigene inrichting" der kerken ook niet op eenigerlei wijze.

S. GREIJDANUS.

De Kleine Catechismus van Zacharias Ursinus. (XXI.)

106. Welke is de zesde bede?

Dat Hij ons niet in verzoeking leid e, maar ons van den Booze verlosse, dat is, dat Hij ons tegen alle aanvallen van onze doodsvijanden, den duivel, de wereld, de zonde en ons vleesch, door de kracht Zijns Geestes versterke en beveilige; opdat wij niet in zonden vallen, noch in dezen geestelijken strijd onderliggen, maar na eindelijk de volkomen overwinning behaald te hebben, de eeuwige gelukzaligheid genieten door onzen Heere Jezus Christus.

107. Waarom voegt gij deze woorden toe (aan het gehed): Want Uwe is het Koninhrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid?

Omdat ik alles, wat ik bid, alléén van Zijn goedheid en macht verwacht, en begeer, dat het tot Zijn verheerlijking aangewend wordt.

108. Waarom voegt gij aan het eind van het gebed het woordeke , ^men" erbij?

Omdat ik zóó zeker weet, dat mijn gebeden door God verhoord worden, als ik dit waarlijk begeer.

Einde van den kleinen Catechismus.

G. B.


1) Op eene soortgelijke bul van het jaar 1882, in de maand Juli, onderteekend door Ds D. K. Wielenga als praeses (van 't Curatorium) en door Ds J. F. Bulens als secretaris, staat er (onder de kerk op een rots) nog boven: L. S. Voorts is Handelingen afgekort tot Handel., en na Homiletiek wordien nog genoemd: Catechetiek, Liturgiek, Kerkregeering en Pastoraal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 oktober 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJK LEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 oktober 1939

De Reformatie | 8 Pagina's