GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Leestafel.

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

Leestafel.

9 minuten leestijd

H. S. S. KUPPER. BRIEVEN UIT DK BERGEN La Riviète en Voorhoeve. — Zwolle. Dit nieuwe boek van Mij. KUÏPIR bevat Brieven uit ZWITSERLAMO, Brieven uit PARTEN-KfiCHEN en Brieven uit MERAN.

De laatste doen wat zonderling, want, terwijl de schrijfster daarin begint met de vriendelijke uitnoo'liging: „Wilt ge nog eens met mij op reis gaan"? en als reisptogram voorstelt: „Meran-Bologne-Rome-Florence-Venetie-Verona-Milaan _ en dan dwars door Zwitserland en over Btnssel weet naar huis!" — eindigt zij die brieven en daarmee haar boek met de mededeeÜDg, dat wij morgen van MERAN, over BoLOSNE, naar ROME vertrekken.

‘n NASCHRIFT geefc echter inlichting:

„Brieven uit de Bergen" zijn zeer omgewerkte herdukken uit „Timotheus", „Brieven uit Meran" verschenen als inleiding tot „Brieven uit Italië".— Mur ook zóo begrijp ik nog niet recht, waarom die „brieven uit Meran" in dit boek zijn op genomen; waarom reeds hier de „Inleiding" onderdak is gebracht tot een boek, dat wij nog te wachten hebben. Zouder die Inleiding tot „Brieven uit Italië", was de omvang van „Brieven uit de Bergen" — 237 pagina's — groot genoeg geweest en, laat mij er terstond aan toevoegen, ook de inhoud belangrijk genoeg.

En zullen DE BRIEVEN UIT ITALIË nu zonder Inleiding verschijnen?

Mee daarom zal ik mij dan ook ditmaal bepalen tot de besp'ekicg van „Brieven uit Zwitserland" en „Brieven uit Partenkircben" en met die van de „Brieven uit Matan" wachten tot MEJ. KUYPER baar BRIEVEN UIT ITALIË ia 't licht zal hebben gegeven.

Ik heb die Brieven uit ZYTITSERLAND en uit PARTENKIRCHEN — dat dit „uit" niet geheel juist is en eigenlijk „over" moet wezen, is weer üoo'n Gchoolmeesteiachtige aanmerking die je »ls recensent, minder uit neiging, dan wel nit plichtsbesef, ten best? geeft — met genoegen gelezen, al was het ook niet met zooveel genoegen als indertijd EEN HALF JAAR IN AMERIKA.

Met beminnelijke openhardgheid liet MEJ. KuYPEK op 'n overigens wit gelaten pagina vlak achter het titelblad, afdrukken:

Dese „reisbrieven" bedoelen niets meer ie %ijn dan eenvoudige brieven voor eenvoudige menscAen.

De Schrijfster.

‘s-Gravenhage, Juli I9I2.

Zoo willen oordeeld. en zoo moeten zij dan ook be-

Heeft MEJ. KUTPER zich bij het schrijven van haat BRIEVEN UIT DE BERGEN, de „Zwitaersche brieven" van FRANCES RIDLEY MAVERGAL ten voorbeeld gesteld?

De mogelijkheid bestaat.

Zij is de veidimstelijke vertaalster der bio graphie, die MARIA HAVERGAL van haar eigen zuster gaf en ook, blijkens vele citaten, met de „Zffitsersche brieven" der Engelsche schrijfster bekend.

Hoe het zij, evenals in die reisbeschrijving wordt men ook in deze telkens getroffen door uitingen van schoonheidsoutroering en van religieus gevoel.

BRIEVEN UIT DE BERGEN geschreven boek. is een prettig

De toon is zoo echt-gemoedelijk.

Men oordeele.

MEJ. KUYFER schreef het blijkbaar voor menschen, die nog nooit in ZWITSERLAND of in BEIEREN te PARTENKIRCHEN geweest zijn.

Als zij van het „heerlijke" en „beelderige" wat daar te zien is, verteld heeft, eindigt ze, in het laatste hoofdstuk over PARTENKIRCHEN, aldus:

„En aan dit punt toegekomen" — haar terugkomst in het vaderland en de gezellige uuitjsa van „vertellen van de reis en laten zien van photographieën en pjentbriefkaarten" — leg ik de pen neder. Mijn taak is afgedaan. Toch hoop ik, dat gij nog even naar mij zult willen luisteren, als ik u vriendelijk dank zeg voot de welwillendheid, waarmee gij mij hebt aangehoord. £n wanneer ik — naar oud-Hollandsch gebruik — met een wensch zou moeten eindigen, zou het deze sijn, dat onder mijrk lezers en lezeressen velen mogen zijn, wien God vroeger of later eens het voorrecht scaenkt, zelf in de schoonheid en heerlijkheid van het leven der bergen te genietenl (p. 237).

EQ dan, die goedmoedige gernstelling, tevens een aanmoediging, dat „'t er zoo duurnitiis.”

„De waarheid is, dat men in Zwitserland heel duur reizen kan, als men wil. Maar het is even waar, dat men in Zwitserland goedkoop kan reizen, als men wil. En dat de prijzen ervoor wie de goede adressen weet te kiezen, niet hooger zijn, dan b.v. in Duitschland of België. Voor vijf en zes francs kan men per dag in zindelijke, mooi gelegen hotels, eenvoudig maar goed pension bekomen.“ (p. 8I).

Dan, de gemoedelijke toon is niet de eenige deugd van dit boek.

De schrijfster verhaalt er in van haar reis door ZWITSERLAND met „%'a achten, " iets wat ze, „omdat men dan juist een spoorweg coupé of twee rijtuigen vult, of juist een gezellige tafel m hotel of restaurant vormt, zoodat men voortdurend in een genoegelijk „onder „ons" blijft", — »al een bijzonder gezelUgen vorm van reizen" vmdt, en zij verhaalt er ook in van haar tochtjes van uit PARTENKIRCHEN, waar zij drie weken a bq een Hollandsche famUie logeerde.

En wat zij dan gezien heeft van de bergen «n de watervallen, de bosschen en de m«en, de steden en de dorpen; van de Zwitseriehe koeien en de Zwitsersche herders, van BARTL den gids, van het dansen der Beiersche Schuh platt'lers', van de schilderijen in de ALTE en NEUE-PINAKOTHEK te MÜNCHEM, daarvan vertelt zij dan zoo heel eenvoudig weg. Wel niet zóó, dat js het nu ook zelf siet, zoo als je da hebben kunt bij 'n schilderstuk of bij 'n stukje artistiek proza. Maar toch zóó, dat js uit haar vertellen heel duidelijk merkt, dat zij het mooi heeft gevonden. Het is deze sobere, kunstloose uiting van schoonheidsontroering, die maakt, dat van het boek op eenvoudige menschen een niet geringe bekoring zal uit gaan.

Daarbij komt nog iets, wat ik het boek, met het oog op de lezers waarvoor het bestemd is, als een deugd aanreken.

Het is zoo stichtelijk.

De menschen aan wie de schrijfster, bij he maken van haar boek, blijkbaar vooral heeft gedacht zijn de eenvoudigen onder haar Geloofsgenooten en die zullen zeker met welgevallen de stichtelijke beschouwmgen lezen, die zij telkens door haar reisverbaal wist heen te vlechten.

Ook hier weer 'n enkel citaat tot staving van dit mijn, in tweeërlei opzicht, waardeerend oordeel.

Op p. 97 der „Brieven uit Zwhserland" zijn wij met MEJ. KUYPER in MÜRREN.

„En nu een penseel, om dat uitzicht te schilderen, een pen om die heerlijkheden recht te doen wedervaren! We zijn allen stil en zien rond We staan als fa» een reusachtig panorama, en kunnen het uitzicht rondom ons slechts stuksgewijze genieten. Onder ons de diepe afgrond van het dal waar Lauterbrunnen in verscholen ligt. Vóór en om ons aan de overzijde van het dal, de gansche sneeuwgekrosnde keten van het Berner-Oberland".

Is dit niet sober, en is dat „We zijn allen stil en zien rond", niet 'n heel eenvoudige uuing van schoonheidsoutroering? W4t de schrijfter düï ontroerde tiet ge nu wel niet, zooals ge het wellicht zoudt zien als zij het voor u uitgebeeld had met penseel of pen. Z('«/gij niet, ook als zij dan voortgaat „overal steken in allerlei ontzaglijke vormen, de trotsche, witte koppen omhoog en tusschen de koppen dalen ruwe, blauwe gletschers omlaag". En ook zal u de analogie, de overeenkomst met „een wereldzee, opgeiwiept door geweldige orkanen, plotseling bevroren, en het donderend geraas eensklaps tot zwijgen gebracht", — omdat ge zoo iets nog nooit van uw leven gezien en gehoord hebt, — de zaak wel niet aanschouwelijker maken. Maar daar is het met dit boek ook niet om te doen. Het wil u spreken van het machtig lustgevoel dat zich bij zijn maakster verbond aan de gewaarwording der bergen, om u dus zelf naar zulk een genieting te doen verlangen; en is haat dat niet uitstekend gelukt ?

En nu, wat het stichtelijke van dit boek betreft, alleen dit woord, naar aanleiding van de Zwitsersche bergen. „En toch.... zij dragen den vloek om onzentwille.“

De schrijfster herinnert u hier aan wat de Bijbel zegt omtrent^ „het aardrijk om onzentwll gevloekt", aan wat Paulus zegt omtrent „het zuchtende schepsel" en verbindt daar dan een reeks van christelijke denkbeelden aan.

En ten slotte heb ik van dit boek nóg iets goeds te zeggen.

Het is zoo'n leerzaam boek.

De geachte schrijfster doceert gaarne en het ontbreekt haar daarby allerminst aan didaktische bekwvamheid.

Zij doet het eerste en toont het laatste ook in dit haar werk.

Tal van aardrijkskundige, zooals over de Gletschers en de Zwitsersche meren; van historische, zooals over ERASMUS en de Zwitsersche hervormers; van letterkundige wetenswaardigheden, zooals over de TS.nhau3er-legende, deelt zij hier uit den schat van haar veekijdige kennis mee. Ook is zij, in BRIKVEN UIT DE BERGEN evenals in baar VACANTIE IN ENGELAND vol bewonderingsuiting over onze oude schilderschool. En bij dit alles krijgt ge dan nog haar reformatorische ideeën over onzen gereformeerden eeredienst; hier in dat hoofdstuk waarin zij vertelt van dien Zondagmorgen toen zij, in PAR­ TENKIRCHEN, een door niemand minder dan SröcKER geleiden dienst bijwoonde. Ook mag ik niet verzuimen te vermelden, dat zij in deze reisbrieven hehartigingswaardige wenken voor de beoefening der bergsport geeft.

Kortom, BRIEVEN UIT DE BERGEN dat mij ook nu weet gelegenheid gaf de combinatiegave van MEJ. KUYPER te bewonderen, — als zij, het, om iets te noemen, over ARNOLD VAN WINKSLRIED heeft, verbindt zij daarmee „den vreeselijken strijd, dien onze broeders in Zuid-Afrika streden tegen hun onderdrukkers" en schrijft daar dan anderhalve bladzijde, van warm medegevoel getuigend, over vol — dunkt mij een, voor de lezers, die de schrijfster zich wenscht, deugdelijk en hoogst geschikt boek.

Dit is nu net 'n boek om cadeau te geven op de aanstaande feesten.

‘n Boek om voor te lezen in den huiselijken kring en dat dan, onder meer, den wensch zal doen opkomen om „vroeg of laat zelf van de schoonheid en heerlijkheid van het leven der bergen te genieten”.

En mocht die wensch eens worden vervuld, dan vergete men vooral niet BRIEVEN UIT DE BERGEN in zijn reiskoffer te pakken; men zal er in de betgein niet weinig aan hebben.

Maar ook aan hen, die al eens in de bergen zijn geweest, kan ik de lezing aanbevelen. Het zal hun herinneringen verlevendigen en wellicht ook veel wat zij hadden overzien, aanvullen. Het zal hen wellicht ook aan ; veel, waaraan zij, bij wat zij zagen, zoo denken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 december 1912

De Heraut | 4 Pagina's

Leestafel.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 december 1912

De Heraut | 4 Pagina's

Bladeren