GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJK LEVEN.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJK LEVEN.

16 minuten leestijd

Inzoover Dr v. d. Vaart Smit zich op Calvijn beroept is de stand der kwestie deze: Ic. Calvijn kent volgens Dr v. d. V. S. geen bijzondere sacramenteele genade.2oi. Calvijn leert volgens hem, dat er zonder persoonlijk geloofsaanvaarden, alzoo zonder dadelijk geloof, geen sacrament bestaat.3o. Calvijn zou de meening zjjn toegedaan, dat de doopsgenade in de eerste plaats bij den doop van liet kind aan de ouders wordt geschonken.4o. Het kind zou eerst deel krijgen aan de doopsgenade, als het tot zijn verstand is gekomen.5o. Dr V. d. V. S. ziet daarbij af van de ons verborgen inwerking Gods op de ziel van het kind, omdat, gelijk uit de strekking van ziju betoog blijkt, deze inwerking, zoo ze bestaat, in geen geval als sacramenteele genade kan worden opgevatBij den doop van hot kind deze voorstelling alzoo: staat liot naarlo. het kind ontvangt alleen bet uitwendig docpsteeken, maar niet de doopsgenade; 2o. de ouders ontvangen niet het uitwendig doopsteeken, maai' wel de doopsgenade.Uit de aangevoerde citaten 'bleek reeds, hoe onjuist dit beroep op Calvrju is.Zoo staan dan in deze kwestie Calvijn en Dr V. d. V. S. letterlijk op elk punt tegenover elkander.

Verkeerfle wisselstand. X.

Niet te lang willen we stilstaan bij het gevoelen, dat bij het sacrament eigenlijk tusschen drieërlei moet worden onderscheiden: n.l.

1. „het teeken en zegel". 2. 'de „beteekende zaak". 3. ide „conjunctie", de „verbinding" tusschen die beide.

Op een ander© plaats geeft hij toe: „Gewoonlijk wordt in de dogmatiek (ook door Calvijn) geleerd, dat het wezen van het sacrament uit tweeërlei bestaat, ree en signum, beteekende zaak en teeken. Men vatte echter wel in het oog, dat dan onder de , , beteekende zaak" door Calvijn (èn de Gereformeerde dogmati, ek) steeds zoowel het objectieve aanbod del' gènaae als de" subj'éctiévë' aanvaardilig der geiiade door net geloof... worden samengevat'".

Dr V. d. V. S. zegt dus, dat gewoonlijk in de dogmatiek slechts tweeërlei, n.l. teeken en beteekende zaak bij het sacrament wordt, aangenomen.

Daaruit móet volgen, dat de dogmatiek — en hier kan niet anders bedoeld zijn dan de Gere-, formeerde dogmatiek — niet steeds zoo doet.

Nu zal Dr v. d. V. S.-ons een dienst bewijzen, indien hij ons de Gereformeerde dogmatici noemt, die er anders over denken.

Wij willen in deze gaarne onze onkunde belijden: ons zijn zulke dogmatici niet bekend.

In elk geval achten wij de onderscheiding drieën, gelijk hij die voorstelt, geen verbetering. in

Gelukkig trekt hij daaruit geen verre fconsekwcnties.

Daarom kunnen wij dit punt ook terloops aanstippen.

Het is ver van ons, dat wij ons aan wat onze Oostelijke naburen noemen — en waarvoor wij geen afzonderlijk woord bezitten — Consequenzmacherei zouden willen schuldig maken.

Toch zal voorzeker een woord om met zulk een nieuwe konstmktie van de sacramentsleer voorzichtig te zijn, ons niet euvel worden geduid.

Want indien het waar ware, dat er behalve een teeken en een beteekende zaalc nog een conjunctie of verbinding noodig was, dan zou daardoor de beteekende zaak niet alleen objektief, maar ook onpersoonlijk worden gemaakt.

De conjunctie of verbinding zou het subjectiefpersoonlijke element aanbrengen. -

Dat zou vanzelf tot een verkeerd genadebegrip voeren.

De beteekende zaak zou een soort thesaurus, een soort depositum, een soort schat of vastgestelde som worden, waaruit bij het. sacrament zou worden geput. Door de conjimctie of verbinding zou de Doopeling er deel aan krijgen. .

Wij willen om all© onnoodige scherpt© te vermijden dit genadeb©grip niet etiketteeren.

Deze enkel© aanduidingen zullen misschien genoeg zijn omx te doen zien, hoe deze onderscheiding, werd zij konsekwent toegepast — wij herhalen: dat is gelukkig niet zoo! — zoowel het-.Gerefor-

meerde genade-als sacrainentsbegrip zou omverwerpen.

De genade Gods in Christus is altijd persoonlijk.

Christus' verdiensten zijn niet ergens weggeborgen om zoo nu en dan te worden meegedeeld'.

Dat zou al een zeer mechanische en quantitatieve gedachte van Zijn Middelaarswerk zijn.

Neen, Christus is voor bepaalde personen gestorven.

De genade Gods heeft een persoonlijk adres.

De afwassching der zonden, door den Doop beteekend en bezegeld, is niet een afwassching zonder persoonlijk karakter op zichzelf.

Dat persoonlijk, karakter komt er niet eersl door een conjunctie of verbinding in.

Maar een afwassching, die niet persoonlijk is. die niet in zichzelf ook het subject van den te doopen persoon raakt, is een contradictio in terminis, de uitdrukking zelf verraadt reeds de tegenstrijdigheid.

Wij keuren het allerminst af, dat men l.i-achte de traditioneelft dogmatische konstrukties te overtreffen.

Doch vooraf dringe men diep door in den geest der vaderen om uit te vorschen wat hen tot hun. dogmatische konstruktie heeft geleid.

En dan zal men bij deze onderscheiding lot de ontdekking komen, dat hun formuleering niet zoo gemakkelijk te verbeteren is.

Men passé dan ook op, dat men door een ongelukkige formuleering niet den weg vrij maakt voor begrippen, welke tegen de Gereformeerde beli.idenis indruischen.

Men bedoelt dat natuurlijk niet.

Doch het eind zou dien last weleens kunnen dragen, al beleeft men het zelf niet meer.

Ill de dogmatiek luisteren onderscheidingen soms zoo ontzettend nauw.

l^an • wij achten hiermee dil, punt genoegza; un toegelicht.

üok een andere bewering van Dr v. d. V. S. lijkt mij niet doordacht.

Ik schrijf dai waarlijk niet om onvriendelijk te zijn.

Maar er hangl, van een rechte, beschouwing zoo veel af.

Ik heb hier het oog op zijn stelling, dat de volwassendoop on niet de kinderdoop de eigenlijke is.

Reeds in het „Ger. Theol. Tijdschrift" van Maart 1928 schreef hij: „In den volwassen-doop (DE doop en dus ook de doop, van welke de kinderdoop is afgeleid, •— niet omgekeerd) is er daarom eerst een geloofsbelijdenis van de zijde desgenen, die gedoopt staat te worden".

Men gevoelt, hoe Dr v. d. V. S. tot zulk een konklusie logisch moet komen, wil hij zijn standpunt handhaven, dat de ouders bij den Doop van hun kind zelf mee den Doop ontvangen.

De doop der volwassenen moet dan het karakter van dit sacrament bepalen.

En daaruit vloeit weer voort, dat de kinderdoop op zichzelf nooit kompleet kan zijn, wijl van de zijde van het kind het element der belijdenis erin ontbreekt. Dus moeten de ouders er aan te pas komen om door hun belijdenis den Doop volledig te maken.

Men mag Dr v. d. V. S. de eer niet onthouden, dat hij hier volkomen logisch redeneerde.

Indien de e ene stelling valt, valt ook de andere.

Hier moet echter, zij het dan in den geest der zachtmoedigheid, Dr v. d. V. S. ernstig worden terechtgewezen.

Hier verwijdert hij zich inderdaad van de Gereformeerde doopsbeschouwing.

Nog nooit heeft eenig Gereformeerd theoloog in dien zin geschreven.

Indien deze artikelenreeks toch al niet zooveel tijd in beslag had genomen, zouden we dit gaarne met citaat op citaat aantoonen.

Zoo iemand mocht meenen bij een onverdacht Gereformeerd schrijver hiervoor steun te vinden, hij melde vrij, waar hij zoo'n uitspraak vond en we kunnen van tevoren reeds verzekeren uit de woorden zelf te kunnen bewijzen, dat hij zich vergist.

Overigens is de kwestie niet zoo heel ingewikkeld.

De doop der volwassenen is zeer zeker de eerste geweest, maar daarom is hij nog niet de eigenlijke.

Het eerste mag niet met het eigenlijke worden verward. - .

De eerste mensch werd volwassen geschapen.

Daaruit zal evenwel toch niemand de gevolgtrekking maken, dat de mensch, die van het begin at volwassen was, pas de eigenlijke mensch is?

De eerste besnijdenis was de besnijdenis van een volwassene. God' gebood Abraham: „En gij zult het vleesch uwer voorhuid besnijden, en dat zal tot een teeken zijn van het verbond tusschen Mij en tusscheh u". (Gen. 17; 11).

Ook moet Abraham besnijden de ingeborenen van zijn huis en de gekochten met zijn geld. (Gen. 17:13),

Maar de besnijdenis der-volwassenen was de uitzondering.

Als regel bepaalde God: „Een zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden".

Die regel word ook op het Kindeke .Tezus toegepast.

En als Paiilus opsomt, waarin hij naar het vleesch kon roemen, vermeldt hij daaronder ook: besneden ten achtsten dage.

Wij denken niet, dat Dr v. d. V. S. van de besnijdenis zal durven zeggen: die van de volwassenen was de eigenlijke en die der kinderen is daai'uit afgeleid en niet omgekeerd.

Doch dan kan hij zijn doopsbeschouwing ook geen moment langer handhaven.

Was bij de besnijdenis die van het kind regel, die van de volwassenen uitzondering, evenzoo staat het met den Doop.

En nu bepaalt toch nooit het uitzonderingsgeval, maar alleen de regel het karakter van zeker verschijnsel?

En dat in deze het wezen van den doop niet verschilt van. dat der besnijdenis, welk Gereformeerde zou dat durven betwisten?

Ons Doopsformulier geeft op dit punt noch een zwak noch een onzeker geluid.

Wanneer hot herinnerd heeft aan de woorden van God tot Abraham en van Petrus, dat God Zijn verbond ook opricht met het zaad der geloovigen en dat odk aan de kinderen de belofte toekomt, vei'volgt het: Daarom heeft God voormaals bevolen hen te besnijden, hetwelk een zegel des vej-bonds en der gerechtigheid des geloofs was, gelijk ook Christus heii/^^omhelsd, de hand opgelegd en gezegend ' heeft. '(iVlarkus 10:16). Dewijl dan nu de Doop in de plaats der Besnijdenis gekomen is, zoo zal men de kinderen als erfgenamen van het rijk Gods en van Zijn verbond doopen".

Dat is juist het voorname en zwaarwichtige argument voor den kinderdoop, dat hij in de plaats der besnijdenis gekomen is.

Eigenaardig: wij spreken niet van kinderbesnijdenis.

Zoo onomstootelijk staat het vast, dat de besnijdenis van kinderen de regel was.

Maar even sterk is dan ook de doop der kinderen de regel.

In den eersten tijd, toen Christus optrad, en ook nu nog bij de planting der kerk onder de heidenen en eveneens in enkele gevallen, waarin de doop op kinderlijken leeftijd hetzij uit dwaling, hetzij uit onverschilligheid, werd verzuimd, had en heeft de doop van volwassenen plaats. Doch die blijft exceptie.

Alleen de kinderdoop is normaal.

Omdat de besnijdenis der kinderen normaal was.

En omdat achter beide staan de ontfermingen Gods in het verbond.

Die ontfermingen gaan tot de kinderdagen terug.

Indien dan ook Dr v. d. V. S. zou meenen te moeten volhouden — wat ik niet kan aannemen — dat de doop der volwassenen de eigenlijke is, dan zou hij het niet bij een tijdschriftartikel mogen laten, maar dan zou hij bij een komende Generale Synode een bezwaar moeten indienen tegen het Doopsformulier.

En wel voornamelijk tegen de woorden: „D e w ij 1 dan nu de Doop in de plaats der Besnijdenis gekomen is".

Ik zeg opzettelijk niet: een gravamen. Want dit woord gebruikt men gewoonlijk slechts als men bezwaar heeft tegen eenig deel van een belijdenisschrift.

Maar: een bezwaar. Gelijk prof. Lindeboom indertijd ook bezwaar heeft gemaakt tegen een uitdrukking in het Doopsformulier, een bezwaar echter, van minder ingrijpenden aard.

Zoolang echter Dr v. d. V. S. het Doopsformulier ten volle voor zijn rekening neemt, zal hij het ook moeten aanvaarden, dat de kinderdoop eigenlijke is. ^j

Trouwens, wij gelooven, dat hij bij nader ia, zicht dit ook gaarne zal willen en zal toestemmen dat de Gereformeerde verbondsbeschouwing dit eischt.

Want ook hier mogen de konsekwenties niet over het hoofd worden gezien.

Ds Miedema merkte vroeger reeds in do „Groninger Kerkbode" op, dat wie den volwassendoop als den eigenlijken beschouwt, den grond onder den kinderdoop loswoelt.

Immers: een gebod om speciaal kinderen te doopen vindt men in de Schrift niet.

Zegt men, dat men den kinderdoop uit den vol wassen-doop afleidt, dus niet daaruit, dat God blijkens de inzetting der besnijdenis het zegel des verbonds aan onze kinderen wil schenken, dan geeft men zijn hechtste bolwerk tegenover het anabaptisme prijs.

Men versta ons goed.

Wij betichten Dr v. d. V. ö. in het geheel niet van Anabaptisme, zelfs niet van geringschatting van den kinderdoop.

Maar zijn argumentatie kan anderen op een ver keerd spoor brengen.

Zij kunnen aldiis redeneeren: Als het bevel der besnijdenis niet tevens inhoudt een bevel voor den kindei'doop, dan ontbreekt dit laatste in de Schrift, Uit gehoorzaamheid behoeven we derhalve onze kinderen niet ten doop te presenteeren. Maar ook niet, omdat zij er iets aan hebben. Want zij ontvangen, volgens Dr v. d. V. S., alleen het teeken maar niet de beteekende zaak. Die krijgen wij en onze kinderen krijgen die pas op later leeftijd. Doch is het wel waar, dat wij bij den doop onzer kinderen de beteekende zaak ontvangen? In de Schrift staat het niet. Ervaren hebben we het ook niet. En trou.wens moet onze ervaring waargemaakt uit de Schrift. Daarom is het veel beter met den doop der kinderen te wachten tot zij groot geworden zijn en zelf door subjektieve geloofsaanvaarding aan de beteekende zaak deel ontvangen-

Zoo spreekt Dr v. d. V. S. zelf niet.

Maar tegen zulk spreken is hij zijn kracht kwijt.

Wat hij daartegen inbrengt, zal halfslachtig lijken.

Zal als inkonsekwentie worden opgevat.

En dat alles, omdat hij den doop der volwassenen als den eigenlijken aanneemt en zegt, dat de kinderdoop daaruit is afgeleid.

.Afgeleid door wien? zal men vragen. Niet door de Schrift zelf, zal het antwoord zijn. Welnu, zoo oppert de twijfel, heeft de kerk in die afleiding niet gedwaald?

Men denke aan het woord van Calvijn, dat Satan ons zoo gaarne op dit punt aanvalt.

Wij Icunnen er niet genoeg op wijzen, dat men bij het poneeren van. een stelling zich immer rekenschap geve van de konsekwenties, welke anderen eruit zullen trekken, al gaat men zelf zoover niet.

Nimmer mogen we ons verontschuldigen: ik ben niet aansprakelijk voor het misbruik, dat anderen van mijn argumentatie mogelijk zullen maken.

We zijn er wel ter dege aansprakelijk voor, indien die argumentatie een zwakke stee vertoont.

Van harte hopen we dan ook, dat Dr v. d, V. S. zijn stelling zal herzien.

We leven in een tijd, waarin veel van religie gesproken wordt, maar waarin de genademiddelen. Woord en Sacrament, hoe langer hoe meer worden losgelaten.

Er zijn nog trouwe kerken, waaronder ook onze Gereformeerde.

Maar die trouw zal, als de verschijnselen niet bedriegen, steeds meer op de proef worden gesteld.

Wij wonen nu eenmaal niet op een eiland.

Daarom kunnen wij de leer der genademiddelen niet zuiver genoeg houden.

Heusch, wij wenschen niet te overdrijven.

De stelling van Dr v. d. V. S. is onhoudbaar, daar winden we geen doekjes om.

Als men echter vraagt: levert ze gevaar op, dan antwoorden we: onmiddellijk gevaar niet. Doch ze zou gevaarlijk kunnen worden.

We moeten ook vooruitzien.

En daarom hebben we elkander ook op onvoorzichtigheden en min of meer kleine afwijkingen te wijzen.

Dat mag men elkaar niet kwalijk, nemen.

Daar mag men niets leelijks achter zoeken.

Ook hier geldt: honni soit qui mal y pense.

Och, als het maar om de waarheid te doen is,

dan kunnen we wel een beetje kritiek van elkander verdragen.

In net profUt onzer Kerken?

Indien wij een bericht in enkele bladen goed begrepen hebben, zouden Dr W. A. van Es en niet hem . de kerkeraad van Leeuwarden zoo oni'Rveer stond het er — van voornemens zijn om op de Generale Synode van Arnhem in 1930 een bezwaar in te dienen tegen de kerkrechtelijke zijde van de procedure-Geelkerken.

Wij vragen: zou dit waar zijn?

En zoo ja: mag dit in het profijt onzer kerken geacht'?

Wij voor ons meenen dit laatste ontkennend te moeten beantwoorden.

Dr van Es heeft op de Synode van Assen volop gelegenheid gehad zijn bezwaren uiteen te zetten.

Daarna heeft hij als deputaat in de zaak-Ds Vermaat en de zaak-Dr van Leeuwen a fair play gekregen om zijn kerkrechtelijke opvattingen in toepassing te brengen.

Verleden jaar heeft hij op de predikanten-conferentie zijn gevoelen uitvoerig kunnen riiteenzetten en verdedigen.

Kan het nu daarbij niet blijven?

Moet op den zoo kostbaren synodalen tijd der kerken opnieuw beslag worden gelegd, de Synode er waarschijnlijk langer om vergaderen en de Acta er dikker om worden?

Het valt niet aan te nemen, dat op dit tpunt eenstemmigheid zal worden verkregen.

De Synodes van Assen en Groningen hebben getoond, dat men elkander in het verschil van inzicht in do kerkrechtelijke procedure wil dragen.

Men kan eenheid in gedragslijn in deze wenschelijk achten.

Ook wij staan er zoo voor.

Doch in de praktijk blijkt, dat verschillende wegen worden gevolgd.

Ook de zaak-Ds Jaspers toont dit.

Wij voor ons hebben er ons over verwonderd, dat de classis-Arnhem niet aanstonds, toen Ds Jaspers zich bekend maakte als schrijver van de befaamde brochure, hem op grond van het onderteekeningsformulier heeft uitgenoodigd om zijn gevoelens uiteen te zetten.

Tenzij er gegevens zijn, die alleen ten dienste van bedoelde classis stonden, zouden wij voor ons dit den juisten weg hebben gevonden.

Toch dachten wij er niet aan om wat de classis deed af te keuren.

Kerkrechtelijk moet nu eenmaal in deze zekere speling worden toegestaan.

Maar waarom zou de kerkeraad van Leeuwarden daarmee ook geen genoegen kunnen nemen?

Zou hij werkelijk van oordeel zijn na alles wat ovev deze kwestie gesproken is nog zulke nieuwe gezichtspunten te kunnen openen, dat hij onze kerken unaniem tot zijn zienswijze zou kunnen overhalen?

Wij kunnen het niet helpen, maar wij gelooven, dal het hier een zaak geldt, die vrijwel is doodgepraat.

En nu. hebben wij alle bewondering voor standvastigheid en zelfs ook een weinig voor onverzettelijkheid.

Maar zoodra deze geen geloofsbeginselen raken en ook niet voor onze kerken van primair belang zijn, zagen wij ze liever in een andere richting aangewend.

Ook Dr van Es en allen, die op zijn standpunt staan, zullen gereedelijk toestemmen, dat, al ware de procedure naar hun opvatting verloopen, de einduitslag daardoor niet anders zou zijn geweest.

Een heropening van de procedure-Geelkerken wenschen zij natuurlijk niet.

Maar wat zin heeft dan een in te dienen bezwaar?

Het liefst ware het ons, dat het krantenbericht werd tegengesproken en van Leeuwarden uit gemeld werd: wij denken er niet aan om de Synode van Arnhem met iets dergelijks lastig te vallen.

En anders zouden wij dringend willen verzoeken: broeders, komt op uw voornemen terug.

Dat er door specialiteiten in het Gereformeerde Kerkrecht, waartoe wij ook gaarne Dr van Es rekenen, daarover wordt geschreven: uitnemendI

Maar gij als kerkeraad: beid uw tijd.

Als de geleerden het met elkander eeyis zijn gewoiden, zullen de vruchten van hun stadie de kerken wel in den schoot vallen.

Op het oogenblik zou behandeling van deze materie niet in het profijt der kerken zijn,

-^ De Deestelijke nalatenschap van wülen Prof. Geesink.

In „De School met den Bijbel" toont de bekende onderwijsman H. J. van Wijlen zich ietwat verontrust over de geestelijke nalatenschap van wijlen Prof. Geesink, voorzoover die nog niet is uitgegeven, natuurlijk.

Hij schrijft:

„Wij hebben hem gekend, in zijn schoone dagen, toen zijn fijne glimlach — en hij heeft veel geglimlacht — telkens als een lichtflits viel over zijn fraaie woorden en ons mee deed lachen.

„Zijn werken volgen hem. Althans — en ik bedoel nu zijn geschreven werken — een deel. Wat moet er met de rest, met al dat schoone manuscript, dat daar verstrooid ligt in mappen en op planken in zijn studeercel?

„Mag ik eens' op een analoog geval wijzen. Toen Oswalcï Külpe, do schrijver van „Grundrisz der Psychologie" (1893), die hij als verouderd niet meer wilde herzien voor een nieuwe uitgave, stierf (omstreeks 1914), heeft een zijner oud-leerliugen Karl Bühler, Professor in de Philosofie aan de Technische Hoogeschool te Dresden, de zware taak op zich genomen, de manuscripten van Külpe, bijgewerkt als dezen waren, voor de pers te bewerken, en voorzoover dat doenlijk was en zij bijna geheel gereed lagen, uit to geven. Zoo is ontstaan het schoone werk Oswald Külpe, Vorlesungen über Psychologie (Hirze!, Leipzig 1920).

„Moot het werk van onzen door velen hoog vereerden leermeester door do motion worden verteerd? Of voelt iemand zich geroepen ze te redden? "

Het doet ons genoegen den heer Van Wijlen te kunnen geruststellen.

Vóó.r hij aan zijn bezorgdheid uitging gaf, werd er reeds aan de redding, waarvan hij spreekt, gedacht.

En bij denken bleet het niet.

Over het „hoe" mogen wij nog geen mededeeling doen. nadere

Maar „dat" de publicatie van het onuitgegeven werk van prof. Geesink een voorwerp van aktiove zorg uitmaakt, kan ik hem verzekeren.

Hiermee zullen de heer Van Wijlen en anderen, die zijn bezorgdheid deelden, zeker wel tevreden zijn?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1929

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJK LEVEN.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1929

De Reformatie | 8 Pagina's