GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Jets over het Antinlmianisme in de 17e eeuw.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Jets over het Antinlmianisme in de 17e eeuw.

4 minuten leestijd

XV.

DE AFGEVAARDIGDEN DER CLASSIS.

Joh. Philenfus en Nlcolaas Scharer vatten de commissie, hun opgedragen, om de beschuldigingen, tegen Ds. Stroobant ingebracht, te onderzoeken, ernstig op. Zij waren geen partij in deze zaak. Het was hun bovendien te doen, om Stroobant te behouden en niet om hem te verderven. Zooveel mogelijk wilden zij den beklaagde ter wille zijn, alle gelegenheid werd hem aangeboden om zich te verantwoorden. Buiten hem om deed men onderzoek naar de waarde of onwaarde der beschuldigingen, om daarna bij hem terug te komen niet met eenen eisch tot zelfbeschuldigmg, maar met de bede om zich los te maken uit alles, waawan hij zich niet ontschuldigen kon. Eere der menschen, de afgevaardigden der Classis dachten er niet aan daar naar te streven (getuige hunne lankmoedigheid tegenover de afmattende ontwijkingen en hoogmoedige verwijtingen van Stroobant, jaren lang volgehouden).

Alles wilden zij toegeven, behalve wat de eere Gods en de waarheid van de Evangelieprediking aanging. Reeds den 2osten October 1689 waren de gedeputeerden-classicaal gereed met hun rapport. Toen zij het hadden uitgebracht, had Stroobant' lang geweigerd te verklaren »of zij in hun gedaan rapport iets gezegd hadden dat niet conform de waarheid was of iets hadden verzwegen wat tot zijne verlichting kon dienen." Het was reeds laat geworden als Stroobant de gewenschte verklaringen had. De classis was daarop tot het besluit gekomen, dat de deputati »nog nader inquest hadden te doen, de classis te informeeren en punten van beschuldiging op te stellen.”

Dat dit alles zao gegaan is, mijne lezers, kunt ge vernemen, wanneer ge in' uwe gedachten tot den 3den November (1689) terugkeert en u dien dag neerzet onder de leden der classis van Walcheren, in Middelburg samengekomen.

Ziet, daar hebt ge de afgevaardigden. Zij hebben daareven van den voorzitter Ds. Aegidius van Rijckegem het woord verkregen. Na verklaard te hebben, dat zij de zaak van Stroobant gaarne eerder behandeld hadden gezien, leggen de afgevaardigden de schuld van het uit­ stel op Stroobant zelven en zijne weigering, boven reeds gemeld. Ook zouden zij liever van de behandeling der quaestiê af geweest zijn, »want deze commissie, " zoo spreken zij, »sleept zooveel callange na zich." De vergadering had hen echter niet willen ontslaan, maar veeleer opnieuw met de zaak belast.

Zietdaar de inleiding, laten wij nu nog nauwgezet toeluisteren. Naar mannen met zulke begeerte vervuld, mogen wij dat wel doen. Hoort wat ze zeggen: Ds. Stroobant is al bij allen en al overlange verdacht van Hattemisme, welke suspiciën ten slotte aan de Classis bekend zijn geworden bij zïjn beroep naar Gapins.

De deputati, afgaande op oog-en ooggetuigen, op verschillende plaatsen woonachtig, houden Ds. Stroobant ook suspect voor Hattemisme. Zij zullen dat bewijzen, alleen zullen zij de namen der getuigen niet noemen daar een ieder wordt gevraagd, die zich maar in dezen zoude immeleeren.”

Wilt ge op deze algemeene beschouwing ook reeds een woord zeggen, collega Stroobant", vraagt de voorzitter.

»Dank u, praeses, liever had ik, dat men maar dadelijk tot de particuliere instantiën mocht overgaan. Dan neem ik aan in deze vergadering het tegendeel te bewijzen der auspiciën.”

Nu dan spreken wij het eerst over zekere gepasseerde zaken, waaruit Ds. Stroobant's ketterij blijkt, gaan de afgevaardigden voort, en ten tweede over eenige punten in de Heilige Theologia, waaromtrent on^ nadrukkelijke suspiciën zijn voorgehouden.

Van het eerste punt zullen wij hier niets meer zeggen, aangezien wij hierboven het gebeurde op schip en wagen hebben meegedeeld. Alleen mogen we niet verzwijgen, dat Ds. Stroobant, niettegenstaande hij vroeger het verslag der commissie goedgekeurd had, nu daartegen bezwaren inbrengt.

Hij herinnert zich niets van zijn gesprek in 'Mei of Juni gehouden »van de lichtheid en gemakkelijkheid van den weg, om zalig te worden.”

Hij ontkent iets tot verachting van tfactaatjes als dat van Ds. a Brakel gezegd te hebben, alleen heeft hij beweerd dat ergeen tractaatje zoo nuttig of leerzaam is, of de Bijbel is dat nog meer. Hij loochent ooit gezegd te hebben, dat de weg ter zaligheid ruim is.

Hij houdt vol dat al zijn redeneeringen op schip en wagen gevoerd nopens de veelheid] of weinigheid dergenen die zalig zullen worden, slechts betrekking hebben op Matth. 22 en niet op Matlh. 7. Eindelijk werpt hij alle beschuldigingen, over dit punt tegen hem ingebracht, als valsch, lasterlijk en onwaar van zich.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 januari 1887

De Heraut | 4 Pagina's

Jets over het Antinlmianisme in de 17e eeuw.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 januari 1887

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken