GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Ook de Tijd heeft thans, en nog wel in

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ook de Tijd heeft thans, en nog wel in

5 minuten leestijd

Amsterdam, 8 Jan. 1892

twee hoofdartikelen, den percentsgewijzen relatieven achteruitgang van de Roomsche bevolking ten onzent besproken.

Zij erkent de beteekenis der bij de vol.ksftelling verkregen èijfers, en geeft toe, dat het Roomsche percent van 39 allengs op even 35 gedaald is.

Een inzender zocht naar de verklaring van dit verschijnsel, en wees op vier oorzaken.

Ten eerste op het celibaat der geestelijken; ten tweede op de emigratie vuoral uit Limburg; ten derde op de sluiting van latere huwelijken; en ten vierde op het ongunstige sterftecijfer ia Limburg enNoordlïrabant.

Toch wil de Tijd aan de? e vier oorzaken niet te veel gewicht hechten.

Niet aan het celibaat, omdat ook onder de niet-Roomschen zeer velen vrijwillig celibatair leven.

Niet aan de emigratie uit Limburg, waarschijnlijk omdat ook uit het Noorden de emigratie sterk, zoo niet sterker is.

Iets meer aan de late of mindere huwelijken, die h. i. gevolg zijn van minder welvaart in het Zuiden.

En ten slotte minder weer aan het hooger sterftecijfer in het Zuiden, dat in 1884 exceptioneel was.

Neen, de achteruitgang moet volgens de Tijd niet in het Zuiden, maar zeer bepaaldelijk in het Noorden van het land gezocht, en wel hst meest, ja bijna uitsluitend in de groote steden.

In die groote steden leven er altoos velen, zoo zegt ze, die allengs van alle belangstelling in de religie afkeerig wierden en buiten alle deelneming a'an het kerkelijk leven voortsukkelen.

Deze soort lieden hebben niets voor hun kerk en voor hun religie over, en neigen er daardoor zeer toe, om liever over te treden in een Synodale kerk, die het haar leden vergunt, om jaar in jaar uit lid van haar gemeenschap te blijven, zonder dat ze ooit iets voof hun kerk doen, of op eenige wijze aan het leven van hun kerk deelnemen.

Vooral door gemengde huwelijken komen de zoodanigen er dus zeer licht toe, om de lastiger Roomsche kerk te verlaten en in de doodgemakkelijke Synodale kerk over te gaan. Of ook, waar zij zelven dan nog dezen overgang niet aandurven, voeden ze toch hun kinderen in de kerk der Synodalen op.

hun kinderen in de kerk der Synodalen op. En al is dit cijfer nu niet zoo in het oog loopend om gerucht te maken, toch werkt het op den langen duur sterk genoeg door, om ten slotte in het cijfer mee te teilen.

Wij voor ons kunnen met deze oplossing van de Tijd niét medegaan.

Van deze overgangen weten we ook iets af; maar ten eerste staat hier tegenover, dat er zoo nu en dan evengoed enkelen uit de Protestantsche kringen in de Roomsche kerk overgaan, en dat bij gemengde huwelijken heel wat kinderen in de Roomsche kerk worden opgevoed.

Bij een percentsgewijze berekening moet men dus deze beide soort renegaten eerst pondspondsgewijze tegen elkander uitspelen.

En al gaven we nu toe, dat er ook dan nog zeker surplus overblijft van dezulken, die aan Rome den rug toekeerden, zoo lijkt het er toch op geen'voeten of vademen naar, dat dit surplus in tien jaren tijds een 20, 000 zou kunnen bedragen, en dus per jaar een 2000.

Vooral sinds de Aprilbeweging heeft men met name in de groote steden meest afzonderlijke commissiën benoemd, die de Synodale kerkeraden op de hoogte hielden van deze overgangen; en wanneer men nu weet dat deze in de groote gemeente van Amsterdam jaarlijks zelden boven de 20 gingen, zal het wel geen betoog meer behoeven, dat met zoo klein cijfer nooit het enorme cijfer, dat de aandacht trok, te verklaren viel.

Overgangen van kerk naar kerk zijn bij ons over het algemeen uiterst zeldzaam, en rekenen in het percentage der bevolking bijna niet meê.

Juist echter omdat vele Protestanten nog steeds in den waan verkeerden, alsof deze overgangen naar de Roomsche kerk zoo sterk waren, dat allengs en ongemerkt ons halve land Roomsch werd, hebben we met eenige uitvoerigheid op deze cijfers gewezen, om te doen uitkomen, hoe onwaar en hersenschimmig heel deze voorstelling is.

Het is volkomen waar, dat er sommige streken van het land zijn, waar deRoomschen toenamen. Zoo b. v. in Staats Vlaanderen, op het platteland van Utrecht, en in die streken van Zuid-en Noord-Holland, die naar Utrecht toeliggen. En het is uit de aanschouwing van wat men hier zag, dat men zijn onhoudbare conclusie voor heel het land trok.

Iets waar men te eerder toe kwam, omdat ongetwijfeld ook in menige andere streek de Roomsche boeren en industrieelen maatschappelijk vooruitgingen, en daardoor tot meerder invloed in het gemeenschappelijk leven kwamen.

Ia dorpen waar vroeger de rijkere bevolking Protestantsch en de Roomsche bevolking arm was, is nu niet zelden omgekeerd het meerendeel der hofsteden in Roomsche handen, terwijl de arbeiders meest Protestanten zijn.

Ook het plotseling allerwegen optreden met prachtige kerkgebouwen heeft tot dien indruk bijgedragen; terwijl toch dit verschijnsel alleen daaruit te verklaren is, dat de indertijd interest op interest uitgezette kapitalen, bijna gelijktijdig allerwegen de noodige sommen voor kerkbouw beschikbaar deden komen.

Deze op allerlei wijs verkregen indruk •vermag echter niets tegen de welsprekende kracht der cijfers.

De cijfers wijzen nu eenmaal uit, dat pro rato Eoovvel dé Roomsche kerk als de Protestantsche afnam, en dat het eenig cijfer dat werkelijk vooruitgaat dat der ongeloovigen Is, Het ongeloof is in heel ons vaderland nog steeds aan de winnende hand.

Voor het overige hechten wij aan de steeds wassep''''. toeneming der bevolkicg uit moreel en lellgieus oogpunt bitter weinig.

Vooral bij de bevolking van een land, als| het onze, komt het veel minder op de quantiteit dan op de qualiteit aan.

En in zooverre vroege en onberaden huwelijken ook het hunae tot vermeerdering der quantiteit bijdragen, mag evenzeer langenomen, dat de qualiteit er door achteruitgaat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 januari 1892

De Heraut | 4 Pagina's

Ook de Tijd heeft thans, en nog wel in

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 januari 1892

De Heraut | 4 Pagina's