GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voor Kinderen.

5 minuten leestijd

AAN VRAGERS.

Waarom leest menberhaaldelijk, dat Abraham en andere aartsvaders naar Egypte gingen om koren te koopen, als er in hun land honger was? Had Egypte dan zooveel meer koren dan Kan? .§.n, dat toch ook een vruchtbaar land was, waar graan groeide?

W, te G.

Ongetwijfeld was Kanaan oudtijds een vruchtbaar land. Het „vloeide van melk en honig, " Ook was er veel koren. Dat weten we uit he Nieuwe Testament, maar ook reeds in het Oude lezen wij, Psalm 65 : 10 tot 14;

„Gij bezoekt het land, en hebbende het begeerig gemaakt, verrijkt Gij het grootelijks; de rivier Gods is vol waters. Wanneer Gij het alzoo bereid hebt, maakt Gij hunlieder koten gereed. Gij maakt zijne opgeploegde aarde dronken; Gij doet ze dalen in zijne voren; Gij maakt het week door 9e druppelen; Gij zegent zijn uitspruitsel. Gij kroont hetjaar Uwer goedheid: en Uwe voetstappen druipen van vettigheid. Zij bedruipen de weiden der woestijn; en de heuvelen zijn aangegord met verheuging. De velden zijn bekleed met kudden, en de dalen zijn bedekt met koren; zij juichen, ook zingen zij." .

Er was dus. in de tijden der koningen en later overvloed van graan in Palestina. Doch in vroegere dagen, zooals die der aartsvaders, was dit niet altijd zoo.

Het land werd toen bewoond door verschillends volksstammen, dis soms elkaar beoorloogden, en over het geheel schaars bevolkt. Voor een deel werd het land bewoond door herders, die met hun groote kudden er doortrokken, gelijk trouwens ook de aartsvaders zelf deden. Dit zou natuurlijk onmogelijk zijn geweest, indien al het land reeds verdeeld ware en eigenaars bad of bebouwd was. Doch er was nog land en ruimte in overvloed. Maar ook, een groot deel des lands leverde geen koren. Wie dat verbouwde, deed het voor zich zelf. De herders die natuurlijk in den regel geen landbouwers konden wezen, wijl ze mi bier dan daar woonden, moesten het noodige graan meestal koopen. Wanneer er gebrek aan kwam, daar zorgde de-graanbouwer allereerst voor zich zelf en de zijnen en wilde niets afstaan. De herders leden dan gebrek.

Nu was in Egypte de toestand gansch anders. Daar waren > geen rondzwervende herders met groote kudden, en bijna «heel de bevolking leefde van den landbouw. Dezen werd gemakkelijk gemaakt^ doordat de rivier de Nijl tegen het najaar over het land stroomde, wat een weldaad was, wijl het in Egypte bijna nooit regent, In het slib dat achterbleef, kon bet zaad gemakkelijk ontkiemen, zoodat men een rijken oogst verkreeg. Vandaar dat Egypte, in de oudheid de korenschuur der wereld heette. Soms echter bleven die overstroomingen uit of waren slechts gering. Zoo ging het b.v. ook in de zeven magere jaren tijdens Jozef. Daarom zag ook Farao zoowel de zeven vette als de zeven magere koeien uit den Nijl opkomen. Egypte kon dus ook wel hongersnood hebben.

In den regel echter was daai overvloed van koren, ook zelfs nog als elders gebrek heerschte. En zoo begrijpen we, dat de aartsvaders in tijd van nood naar het nabijgelegen Egypte togen, om zich daar van koren te voorzien.

Een tweede vraag is van N. S. te U en luidt: In Tijdrekenkundig Overzicht van de Alg

Gesch. van Nuiver en Reinders lees ik:

„± 4000 j. v. Chr. Menes, de stichter van den staat Memphis.

± 3000 j, V. Chr. Amenemha of Moeris laat in Ae^ypte het meer Moeiis graven en sticht het Labyrinth, "

Is dit niet in strijd met wat we op school leerden over Bijbelsche tijdrekening?

Wat moeten we zeggen van de opvatting van J, J. L. ten Kate, F. Bsttex en anderen, die de scheppingsdagen als duizenden jaren opvatten?

De eenige betrouwbare bron voor de tijdberekening tusschen Schepping en Zondvloed, is de geslachtslijst in Gen. 5. Daarop voortbouwend komen we tot ± 4000 jaar tusschen de schepping van den mensch en de geboorte van Caristus. Wij doen best ons hieraan te houden en ons niet te wagen aan allerlei, nog steeds zeer onzekere gissingen.

Wat het tweede betreft, zoo heeft het woord „dag" in de Schrift, even als bij ons, verschillende beteekenissen en komt in den Bijbel zelfs vaak voor in den zin van „tijdperk." Men kan dus iemand kwalijk het recht betwisten, het zoo ook in de scheppingsgeschiedenis op te vatten.

Twee vragen doet N. N. te R,

De eerste is:

Wat is toch de oorsprong van het woord bakbeest!

Die vraag is zeker al meer gedaan, want omtrent dit woord heerscht veel onzekerheid. Er is al dadelijk een verschil O'^ti d^ beteekenis. In Zuid-Nederland toch verstaat men onder een bakbeest een dronkaard of liederlijk mensch; is het een vrouw, dan zegt men bakbeeste. Bij ons duidt het aan een groot, plomp of log voorwerp.

Wat den oorsprong betreft zoo weet men dat oudtijds een groot grof dier, bv, een zwijn, ook wel bak heette, In het Duitsch is Bache of Backer nog een woord, dat een wild varken aanduidt, In het Engelsch kent men het woord Bacon voor s'pek. Denkelijk is ons woord bakbeest van dit Bak afgeleid.

Dezelfde vraagt:

Waarom zegt men toch steeds: „het beleg om de stad slaan" of ook „het beleg opbreken". Hoe komt hier het woord „slaan" te pas ?

Wanneer een stad belegerd zal worden, begint men met de noodige tenten voor de soldaten op te slaan. Is htft beleg geëindigd dan gaat men de tenten weer afbreken. Slaan en t breken kenmerken dan het begin en het einde van het beleg, en hierdoor wordt de uitdrukking verklaarbaar.

Aan W, B. die graag weten wil waar de leien vandaan komen, kan geantwoord: uit Engeland en Duitschland, Daar vindt men het leisteen, dat uit de „leigroeven", dat zijn diepten of uitgravingen in de bergen, wordt gehaald. Leisteen is schilferachtig «n laat zich makkelijk ia groote of kleine stukken deelen. De eene t leisoort is echter veel harder dan de andere. De zachte soorten dienen om er op te schrijven. Het ruwe lei gebruikt men tot dekking van t gebouwen. Ook de griffels worden uit leisteen t gezaagd,

HOOGENBIRK,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 april 1911

De Heraut | 4 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 april 1911

De Heraut | 4 Pagina's