GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Dó kinderen des Verbonds.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Dó kinderen des Verbonds.

11 minuten leestijd

XLVII.

Geheel anders staat het mét het tweede voorbeeld, waarop men zich wel beroepen heeft, met den profeet Jeremia.

Dat een nieuwe_vértaling of eene herziening, niet in dien zin noodzakelijk is te' achten, als zou de Statenoverzetting aan de gemeente het Woord Gods onthouden; dat echter taal en stijl der Statenoverzetting ten deele zijn verouderd, en er bovendien op het gebied der Schriftstudie aangaande allerlei zaken een vermeerdering van kennis is verkregen, die het mogelijk maakt de H. Schrift op verschillende plaatsen beter te vertalen, maar dat er voor een nieuwe vertaling of een herziening nog allerlei voorarbeid dient verricht te worden.

Beluisterden we bij David en den dichter van Psalm 71 een uiting van hun persoonlijk geloofsleven, van hun verborgen omgang met God; roemen ze er in, dat God reeds van hun eerste ontstaan af met de teerste liefde hen droeg' en dat ze door Zijne genade van hun vroegste jeugd af op Hem vertrouwd hebben ; en ligt in dit woord daarom de rijkste vervulling van de belofte Gods, dat Hij de »God van ons zaad* is ; bij Jeremia is hiervan geen sprake. In het eerste hoofdstuk zijner pr'bfetie, waarin Jeremia ons verhaalt, hoe God de Heere hem riep tot profeet, deelt hij mede, hoe het eerste woord, dat God tot hem sprak, dit woord was, - ^Eér Ik ii ih mcreders buik formeerde, heb Ik ^t gekend; eer gij uit de baarmoeder voortkwaamt, heb Ik u geheiligd; Ik heb u den volken tot een prof eet gesteldi. (vs. 5). Het sik heb u gekend» en »Ik heb u geheiligd« slaan duidelijk op hetgeen daarna volgt, dat God »hem tot profeet had gesteld* en mogen niet anders dan in verband met Jeremia's roeping tot profeet worden verklaard. Op den klank af deze woorden aan te halen als een bewijs, dat de kinderen des verbonds van moederslijf geheiligd zijn, gaat dus niet aan. Want nog daargelaten, of het «geheiligd» hier hetzelfde zeggen wil als wat men gewoonlijk bij de kinderen des verbonds onder het »geheiligd« verstaat, d.w.z. de wedergeboorte, is het duidelijk, dat hier tot Jeremia niet als kind des verbonds, maar als den door God geroepen, profeet wordt gesproken.

Wat God de Heere hier aan Jeremia zeggen wi), die nog een jongeling was, opgegroeid in het stille dorpske Anathot, en die zoo beschroomd was, dat hij de roeping tot profeet niet dorst aanvaarden, is, dat God niet nu, plotseling, hem riep, maar reeds eer hij geformeerd was, hem tot dit ambt bestemd had, en eer hij geboren werd, hem had voorbereid om profeet te zijn. Het is hetzelfde, wat ook Jesaja getuigt in het 49e hoofdstuk zijner profetie:11 De Heere heeft mij geroepen van den buik af; van mijner moeders ingewand af, heeft Hij mijnen nüam gemeld. En nu se^t de Heere, die mij zich van moeders buik af tot een knecht geformeerd heeft, dat ik Jacob tot Hem wederbrengen zoude" (vs. 1 en S). Ook hier is het duidelijk, dat de roeping, waarvan hier sprake is, niet de zaligmakende roeping Gods is, maar de roeping tot profeet, evenals het: k heb u geformeerd tot mijnen knecht, niet ziet op de wederbarende genade Gods, maar op de voorbereiding tot het ambt. Daarom volgt er op: Hij heeft mijn mond gemaakt tot een scherp zwaard en mij tot ee: zuiveren i)ijl gesteld, dien Hij in zijn pijlkoker heeft verborgen« (vs. 2). Dat dit profetische woord in den volsten en diepsten zin op den Messias slaat, is volkomen juist, maar dit neemt niet weg, dat het ook van Jesaja zelf geldt, ja, dat het in zijn ruimsten zin zelfs van alle profeten en leeraars gezegd kan worden, gelijk Calvijn terecht opmerkt, wanneer hij dit woord aldus verklaart: De vrome leeraars belijden hier, tegelijk met Christus hun hoofd, dat zij door God zijn geformeerd voor «hun ambt. Want God begiftigt en versiert steeds-met de noodige gaven allen, die Hij tot het ambt roept. Zoo heeft de Vader den eengeboren Zoon verzegeld en zoo bereidt Hij ook de andere leeraren, een iegelijk naar zijne mate, voor, opdat zij bekwaam zouden zijn om dit ambt te bedienen", waarbij hij dan tegelijk naar het voorbeeld van Jeremia, van Johannes den Dooper en van den Apostel Paulus verwijst. Want wat God de Heere in elk van deze voorbeelden ons leeren wil, is dat Hij zijn profeten niet neemt, zooals Hij se vindt, maar dat Hij van eeuwigheid af ze gekend en voorbestemd . had tot dit ambt, en daarom niet eerst na hun roeping hlin de gaven schenkt voor het ambt, maar dit reeds gedaan had, toen Hij hen formeerde naar ziel en lichaam, opdat zij in de handen Gods een goed instrument zouden zijn, als Hij ze roept.

In dien zin moet dan ook het woord verstaan worden, dat God de Heere tot Jeremia sprak, toen hij hem riep tot profeet. Eerst zegt God tot hem: »eer Ik u in moeders buik formeerde, heb Ik u gekend*. Dit »kennen* beteekent hier niet een w< ? r-

uit weten, wat Jeremia worden zou, maar gelijk het woord zoo vaak in de Schrift gebruikt wordt, een vooruit bestemmen en bepalen. God wijst Jeremia hiermede op Zijn eeuwig Raadsbesluit, waarin Hij van te voren Jeremia had uitverkoren om Zijn profeet te zijn. Zoo wordt het door Calvijn verklaard en ook de nieuwere uitleggers • geven Calvijn hierin volkomen gelijk, ïjeremia's bestemming tot profeet van de volken, zegt Keil, berust op een raadsbesluit, dat God genomen had vóór Jeremia's ontvangenis en geboorte. Want niet alleen ons bestaan en leven heeft God in Zijn Raad van te voren bepaald, maar ook ons beroep op aarde. Dat geldt van alle menschen, maar bijzonder van hen, die Hij tot buitengewone instrumenten Zijner genade heeft uitverkoren*. En daarom kan ook hetgeen er op volgt: eer gij uit de baarmoeder voortkwaamt, heb Ik u geheiligd? , niet zien op de heiligmaking in zedelijken zin of de wedergeboorte, maar moet het, gelijk dit door Calvijn en op zijn voetspoor door onze Statenoyerzetters terecht geschiedt, verstaan worden de afzondering en verordineering tot het ambt. Dat het woord »heiligen* metterdaad in dien zin in de Schrift voorkomt, blijkt uit Exodus 29 : 44, waarheen onze Kantteekenaren dan ook verwijzen, want hier zegt God; »Ik zal Aaron en zijne zonen heiligen, opdat zij Mij het priesterambt bedienen* ; het is duidelijk, dat deze heiliging hier niet een innerlijke heiliging is, maar een afzonderen uit het volk om Hem tot priester te zijn. Zoo nu is ook Jeremia van zijne geboorte »geheiligd* door God, d.w.z. afgezonderd uit het volk om zijn profeet te zijn.

Maar hoezeer aan Calvijn en onze Kantteekenaren moet worden toegegeven, dat dit «heiligen* hier ziet op de wijding tot het ambt, toch gaat Calvijn te ver, wanneer hij, blijkbaar op grond van het zoogenaamde paralellisme in de Hebreeuwsche poëzie, dit «heiligen* evenals het voorafgaande* skennen* laat slaan op het eeuwige Raadsbesluit Gods, en er niet anders in ziet dan dat God van eeuwigheid af Jeremia tot profeet verordineerd had. Want uog daargelaten., dat het woord heiligen in dien , zin in de Schrift nooit gebruikt wordt, dient het paralellisme in de Schrift ook niet om tweemaal dezelfde gedachte, alleen met andere woorden, uit te drukken, wat een bloote tautologie zou wezen, die beneden de waardigheid, der Schrift is, maar om die gedachte nader uit te werken, te verdiepen, in 'een ander licht ons te doen bezien. En zoo is het ook hier. Eerst zegt God de Heere, wat Hij gedaan heeft, voordat Hij aanving Jeremia te formeeren, , ^.i. vóór zijn ontvangenis, voor den eersten ' aanvang van zijn bestaan. Toen had God hem gekend, d.w.z. hem verordineerd om zijn profeet te zijn. En als daarna volgt: »eer gij uit moeders schoot voortkwaamt, d.w.z. eer gij geboren werdt, heb Ik u geheiligd*, dan moet dit laatste dus zien op een Goddelijke daad, die niet aan . de ontvangenis, maar aan de-geboorte voorafging. Toen God Jeremia formeerde, toen had Hij hem geheiligd om zijn profeet te worden.

Zoo eerst komt de rijke beteekenis van dit woord tot haar recht. Het »eer Ik u formeerde* dient hier niet als bloote tijdsbepaling, om aan te duiden, dat het «kennen Gods* van eeuwigheid was, maar legt tusschen dat Raadsbesluit Gods en dat formeeren van Jeremia in moeders schoot een oorzakelijk verband, fletis diezelfde God, die in Zijn eeuwig raadsbesluit Jeremia gekend en voorbestemd heeft om zijn profeet te zijn, . die Hem 'wopderbaarlijk geformeerd had naar lichaam en ziel in moeders schq, ot, en hem voorbereid had voor den dienst, waartoe Hij hem bestemd had. Zoo dient dit woord Gods tot Jeremia om hem te bemoedigen, 'dit hooge en heerlijke ambt dat God hem schenkt, aan te nemen. Jeremia zelf moge - zeggen: »Ach, Heere Heere' ik kan niet spreken, want ik ben jong* (v, s. 6), maar God voorkomt hem door hem te zeggen, dat Hij, die hem uitverkoren had - tot dit ambt reeds vóór de geboorte, hem ook toegerust heeft bij die geboorte met de gaven en krachten voor dit ambt noodig. Zoo krijgt dit: «eer gij uit de baarmoeder voortkwaamt, heb Ik u geheiligd*, eerst zijn vollen en die-* pen zin.

Bestond nu die voorbereiding voor het ambt alleen daarin, gelijk de oude Rabbijnen beweerden, dat God zulk een kindeke bijzonder ontwikkelde hersenen schon kom een dieper inzicht in de waarheid te, krijgen, dan zou daaruit niet besloten mogen worden, dat Jeremia ook door geestelijke genade Gods reeds van moeders lijf af voorbereid was voor zijn taak. I\Taar al toonen ons de voorbeelden van een Bileam, een Saul, een Cajaphas, dat niet allen die «geprofeteerd* hebben, daarom' kinderen Gods geweest zijn, toch is dit een uitzondering en althans bij de echte profeten van Israel, vooral bij een Jesaja en een • Jeremia, gaat hun profetische roeping en werkzaamheid nooit buiten hun eigen geestelijk leven om. Een klinkend metaal en een luidende schel, gelijk Paulus dezulken noemt die wel de gave der profetie hadden, maar de liefde niet, waren zij zeker niet. Van hen gold veeleer: «Ik geloof, daarom spreek ik«. Om een goed instrument in de handen des Heeren te zijn, moest een Jeremia dus meer ontvangen dan een scherp verstand en een zekere gave van welsprekendheid; hij moest God kennen voor zijn eigen hart, in Zijn gemeenschap leven, Zijn kind zijn. En wanneer God de Heere nu verklaren komt, dat Hij Jeremia reeds vóór zijne geboorte tot dit ambt voorbereid had, dan ligt daarin ongetwijfeld een vingerwijzing, dat God niet alleen ambtelijke gaven hem had geschonken, maar ook zijn hart had bereid om Hem van kindsbeen te dienen en te vreezen. Jeremia was nog een jongeling, toen hij geroepen werd tot profeet, en al wat we van hem lezen maakt den indruk, dat hij toen reeds een kind des Heeren was. Zijn roeping tot profeet was niet het oogenblik van zijn bekeering, zooals dat bij Paulus het geval v/as, maar jeremia heeft van kindsbeen af den Heere gevreesd.

Al beteekent het woord «heiligen» hier dus niet de wedergeboorte, maar de afzondering en voorbereiding voor het ambt als profeet, die voorbereiding is bij een profeet als Jeremia toch moeilijk denkbaar, wanneer we niet aannemen, dat daarbij ook persoonlijke genade aan hem bewezen is. En in zooverre heeft Ursinus dus geen ongelijk, wanneer hij, op grond van dit woord Gods, ook op Jeremia wijst als voorbeeld, hoe Gods genadewerk reeds vóór de geboorte in een kindeken kan aanvangen:

Maar ook afgezien daarvan ligt in dit woord Gods .een rijke gedachte, die niet alleen voor Jeremia, maar evenzeer voor ons geldt. Want al is er van een roeping tot het ambt en een bijzondere voorbereiding daartoe natuurlijk niet bij al" Gods kinderen sprake, toch geldt ook hier, dat hetgeen ons in de Schrift geopenbaard wordt, altoos tot onze leering en vertroosting is geschreven. Zoo wil God de Heere door dit voorbeeld van Jeremia ons leeren, dat, al roept Hij ons eerst op lateren leeftijd, Hij van eeuwigheid ons gekend heeft en verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te worden. Daarom heeft God reeds van onze geboorte af ons geheiligd, d. w. z. afgezonderd van de wereld om Zijn. eigendom te zijn, gelijk onze Belijdenis zegt, en ontvangen we daarvan in den doop het zegel. En waar we geroepen worden om zijn priesters te zijn, die Hem zullen dienen, daar geldt evenzeer van ons, dat Hij, die ons formeerde in moeders schoot, reeds toen voor dien heiligen dienst ons voorbereiden kon door Zijne genade, gelijk Hij dit bij Jeremia heeft gedaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 december 1916

De Heraut | 4 Pagina's

Dó kinderen des Verbonds.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 december 1916

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken