GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

De loochening der Gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De loochening der Gemeene Gratie.

18 minuten leestijd

XIII (Slot).

In Amerika is onder de Gereformeerde broederen ernstig geschil gerezen over het leerstuk van do Gemeene Gratie.

Er zijn er, die meenen, dat deze leer onschriftuurlijk is en daarom de Gemeene Gratie loochenen. De stand van de kwestie wordt uiteengezet ia de brochure van Ds J. K. van Baaien: „De loochening der Gemeene Gratie, Gereformeerd of Doopersch".

Ds van Baaien ziet in dit geschil een beginselstrijd tusschen Calvinisme en Anabaptisme en meent, dat in HoUandsche kringen in Amerika nog maar al te veel van den Dooperschen zuurdeesem te bespeuren valt.

Om onze lezers voor te lichten, volgen we den sclirijver op den voet.

We wenschen echter deze zaak geheel los te maken van de Jansen-kwestie.

Ook werpen we ons niet als scheidsrechter tusschen de Amerikaansche broeders op.

Daarom blijvgn hun personen buiten geding.

Zij, die in Amerika de Gemeene Gratie loochenen, zetten de uitspraken van godgeleerden als Kuyper en Bavinck, in deze kwestie eenvoudig op zij en betoonen daarbij niet steeds het verschuldigde respect.

Voor hen_ is het Noachitische Verbond een verbond van particuliere genade.

Ook wordt volgens hen, het leven .der wedergeboorte niet gedragen door het leven uit de schepping. Evenmin is ook het verbond der bijzondere genade aan alle zijden omringd, door een algemeene genade, gelijk een kern door haar bolster.

Er bestaat, zoo gaan zij verder, geen genade, dan in het bloed van Christus en in den natuurlijken mensch is er van vatbaarheid voor genade in het hart geen sprake.

Tot den natuurlijken mensch vloeien wel uitwendige zegeningen, welke voor den geloovige bestemd zijn, af, maar die zegeningïen verkeeren voor hem in een vloek.

Daartegen nu brengt Ds van Baaien zijn bezwaren in. Hij ontdekt rationalisme in de redeneeneeringen zijner tegenstanders. Maar vooral legt hjj hun ten laste een eenzijdige theologie, ' die alleen uitgaat van de" leer der uitverkiezing.

Met de voorbeelden van Farao's dochter en de bekeering der Ninevieten op de prediking van Jona, wil hiJ aantoonen, dat de gaven Gods aan de on-^ wedergeborene, dezen niet nog goddeloozer maken '

Hij meent in de loochening der Gemeene Gratie te herkennen, de dwaling van het Anabaptisme, waaraan de praktijk van de „mijding" onafscheideilijk verbonden was.

Het zou jammer zijn, indien dit geschil in onze Amerikaansche Kerken op scheuring uitliep. Daarom matige men zich in zijn uitspraken, v.erkettere elkander niet te spoedig, zegge liever, dat iets in de Anabaptistische liJn ligt, dan dat men het als Anabaptisme brandmerkt en houde rekening met de inkonsekwenties, welke biJ de tegenpartij duidelijk zichtbaar zijn en waaruit blijkt, dat men bij het Anabaptisme niet wil uitkomen.

Het is alsof Kuyper zeker voorgevoel bad van de moeilijkheden, welke dit leerstuk in de toekomst zou opleveren, toen hiJ den term , , algemeene genade" inruilde tegen „gemeene gratie". Misschien zou het verhelderend werken, indien men, inplaats van „genade", „lankmoedigheid" gebruikte. Toch mag het genade-begrip hier niet losgelaten. Calvijn is daarin voorgegaan.

Calvijn laat zicli op de ernstigste wijze over de loochening der Algemeene Genade uit.

En wat de Schrift aangaat: naast de genade in Christus kent zij aan het woord genade ook een veel ruimer zin toe.

Een viertal verkeerde elementen huizen er in het genadebegrip van hen, die alleen de particuliere genade als genade beschouwen.

Stellig is de algemeene genade er om de bijzondere genadö. Maar niet wordt eerst de bijzondere genade bewezen, terwijl dan iets, wat op algemeene genade gelijkt, ervan zou afvloeien naar de wereld. Dit ware een verbreken van den stelregel van den apostel: het natuu, i: iijke is-eerst, daarna het geestelijke.

Wat is er waar van de bewering van bedoelde broeders, dat de natuurlijke zegeningen, welke de wereld ontvangt, eenmaal in vloek verkeeren?

Dat de mensch eenmaal te zwaaj-der zal moeten boeten, omdat hem algemeene genade bewezen is, leert de Schrift nergens.

Niet de algemeene genade als zoodanig zal eenmaal de straf verzwaren, maar het misbruiken ervan,

In dit slotartikel behoeven - we geen resumé te geven van , wat verhandeld is.

Men vindt het in de inhoudsoipgave hierboven.

Wel willen we nog even tqt ons uitgangspunt terugkeeren , en er nogmaals bij de braeders in Amerika .op aandringen oun dit., geschil toch vooral niet teverbreeden.

Volgens aispraak hebben we in vorige artikelen • even de jTOnsekwenties getoond, waartoe de verschillende, beweringen, ^ndien er geen storende faktaren tusschenbeideikwamen, zouden mioeten leiden.

Maar gelukkig zijn, gelijk we reeds vaker er op wezen, zulke .storende faktoien overvloedig aanwezig.

Zij vloeien voort uit het Gereformeerde besef, dat ook in .do divergeerendo broeders leeft.

De wijking zit nog maar in den knop en wij hebben allen moed, dat zij: zich niet verder zal ontwikkelen.

En nu hebben wij beproefd in dien knop' het zwarte puntje aan te - wijzen.

Dat bestond naar ons inzicht in een even loslaten van , het juiste genadebegrip.

Men verlooa.' bij' zijn redeneering voor een oogenhlik de ^pnwederstandelijkheid der particuliere genade uit het , oog.

Men sloot het ontvankelijk maken van het hart buiten die .particuliere genade. En dat mag natuurlijk niet.

Dat geschil betreft dus niet slechts een woord, maar wel degelijk een zaak.

Doch men onthoude er zich van, van twee richtingen te , , spreken.

Wij gelooven dan ook niet, dat ziji, die de gemeene gratie loochenen, daarmee een eenzijdige theologie aanhangen, , die alles van uit de uitverkiezing wil beredeneeren , en voor het verbond Gods geen plaats heeft.

Wij pouden de'broeders ten ernstigste .willen vragen om itcrmen als Anabaptisme, Rationalisme enz. niet te gebruiken.

DaardoO'r komt men ongemerkt verder van elkander te staan.

En idan weder toenadering te bewerken valt o zoo moeilijk. ,

Wij (twijfelen er niet aan of, wanneer men de atmosfeer niet laadt met minder lieflijke kwalifikaties, ook de afwijkende broeders bij nadere bezinning hun fout zullen inzien.

Men spreke vrij zijn gevoelens over en - weer uit

Maar men doe ook al wat in zijn vermogen is om de gfger rustig te houden.

Bij kalmo geesteshouding behoeft mien niet te schrofflsii de tegenstelling eens scherp te trekken.

Maar onder onze broeders in Amerika is de spaniüiio reeds te groot, dan dat men zich dit kan veroorloven

Daarom js daar groote voorzichtigheid geboden.

De Heere schenke daartoe de benoodigde wijdheid Onzen wensch kunnen - wij hierin samenvatten: dat de broederlijke liefde blijve!

Niet ten koste van de waarheid.

Maar dn broederlijke liefde samen de waarheid te zoeken, zal aan de ontwikkeling der Gereformeerde belijdenis en den kerkdijken vrede bevorderlijk zijn.

De positie van zooveel' beteekenis. onze Amerikaansche kerken is van

Te midden van kerken, die steeds verder verdwalen van de waarheid der Schriften, zijn zij' de vertegenwoot. digers van de echt Gereformeerde wereld-en levens, . beschou: wing.

Een kostelijke boodschap hebben zij uit te dragen.

Het .rotsvaste, dat onze Gereformeerde vaderen kenmerkte, behooren ook zij te toonen in de sterke doiuino van het Amerikaansche leven.

Dat idan alle krachten worden ingespannen om scheuring of zelfs maar innerlijke tweespalt te voorkomen.

Het izal den Gereformeerden in Nederland 'tot dank stemni'en ook in deze het goede van onze Amerikaansche zusterkerken te vernemen.

De vrijheid onzer Vrlje Universiteit.

In de (groene) „Am'sterdamtaer" van 17 Eehmari j.l. brengt Prof. G. v; an Rijnberk de vrijheid der Vrije Universiteit ter sprake.

Hij doet 'dat naar aanleiding van een opstel van Prof. Bavinck, wien hij het ijk van wetenschappelij'kheid blijkbaar niet wil o-nthbuden, hoewel zijn beschouwing, welke hij aan dat opstel vasikno'opt, er wel eenigermate inbreuk' op 'm'aakt.

Hij schrijft: „Een dezer dagen kwam mij de, bet vorig jaar verschenen , , Verzamielde Opstellen" van Prof, H. Bavinck, in handen. Een • merkwaardig boek, waar tegen-en medestander veel uit leoren kian. Dr Bavinck, te vroeg aan de wetenschap ont vallen, was bij zijn leven hoogteeraar aan de „Vrije Universiteit'' te Amsterdatoi."

Vervolgens spreekt hij zijn verwondering uit over den naam onzer Universiteit: „Wie geleerd heeft en leert aan een gewone Universiteit, meent, dal vrijheid een vanzelf sprektende, onontbeerlijke bestaansvoorwaarde van elk vruchtbaar wetenschappelijk li& haam' is." Hij acht het daarom' een overiDodig attribuut voo'r een Universiteit. Maar in hel bijzonder doet heöil het epitoeton „vrij" in het geval der Calvinistische hoogeschool, vreemd aan. In materiëelen en administratieven 'zin' is zij precies even vrij oif onvrij, als welke andere der vaderland.-^che Universiteiten.

Als ik hier even mla, g afbreken oim een opmerking te plaatsen. Wat de hoogleeraar met deze laatste zinsnede bedoelt is mij niet «erg duidelijk. Wat veronderstelt hij onder , , in materiëelen en admanistra tieven zin"? Materieel staat juist heel veel de vrijheid van onze Universiteiten in den weg. Andere hoogescholeir lómnen zich vrijer ont"wikkelen daii zij, omdat 'de Ovenheid de noodige materiöele hulp . middelen verschaft. Maar biedt de Overhe'id oO'l onze Universiteit zulk een sohoone kans aan? Het tegenovergestelde is het gevaL Een betrekkelijke kteinigheid voor een bepaald doel ontvangt zij. Maar dat 'mag geen naam hebben met wat de Overheid aan andere Universiteiten ten koste legt. HierdoO'i wordt een zeer ongelijke conditie geschapen, welke de vrije ontplooiing van onze Universiteit zeker niet in de hand werkt.

Hoe staat .het met de ladministratieve vrijheid ? Be doelt Prof. van Rijnberk daarmtede, dat onze (iniversiteit zich' ImJag inrichten, gelijk' zij verkiest? Dan is hier to-oh vergissing in het.spel. Om alleen dit maar te noemien: O'Uze Universiteit is door de wet genoo'dzaakt over zeven jaar een vierde faculteit aan de andere toe te \''oe' gen en over twee en dertig jaar eèn vij'Me. Doel zij idat niet, dan verbeurt zij den effectus civilis. En nu kan men wel zeg'gen, dat de stichter der Vrije Universiteit indertijd zelf dit heeft voorgesteW, maar daartegenover staat, dat hij 'die voorwaarden wel zóó streng moest m'ak'en, wilde zijn ontwerp wet worden. De gemeentelijke Universitrat van Amsterdam heeft echter taaar vier faculteiten, verplichting oml de ontbrekende erhij op te richten bestaat niet en to'ch 'derft zij daardoor den effectus oivilis niet. En dan zw'ijg ik 'nog van de . Technische Hoogescho'ol te Delft, de Llandbou-who'O'g'eschoo'l te Wageningen en de Handelshbogesch'O'Ol te Rotterdam, die onder veel minder zwaren dmk staan dan O'nze Vrije Universiteit. Op h'ët precies •even vrij of onvrij zou derhalve nog wel wat af te dingen zijn.

Meer interesseert O'Us nog hoe Prof. van Rijnberk over de geestelijke vrij'h'eid O'Ordeelt. „En wat de geestesvrijheid betreft, telüienmale als ik kennis maak miet een gescihrift uit die school, vraagi ik mij wederom toet bevreemding af, iioe men er toci toe 'ge'komen is, juist de CaMnistische Universiteit lals , , vrij" aaiu te duiden. Want aan de geestespToducten harer leeraren is het maar al te vaak duidelijl^ bemer'kbaar, dat hun geest verre van vrij is oi behoort te zijn.”

Op deze vraag van Prof. van RijnberK'géeff. Ss liistorie 'het antwoord. Hij zoeKt in verkeerde richting. Het gaat hier om vrij haan te hebben ook' op wetenschappelijk gebied voor onze wereld--en levensbeschouwing. Het liberalisme had mannen, die deze beschouwing waren toegedaan en voor een katheder stellig niet ongeschikt waren, stelseliiiatig igeweerd. En nu taag voorzeker aan de openbai'e rniversiteiten elk hoogleeraar vrij voor zijn beginselen uitkomien, "maar de Overheid benoehit de ho'ügleeraren en zij heeft het in haar hand onze mannen te passeeren. Daarmee moige de vrijheid ia naïun worden gehuldigd, m'aar daadwerkelijk is (Ie vrijheid zoek. Dit exolusirisme van het liberalisme heeft voor een niet gering deel den stoot negeren tot het stichten van de Vrije Universiteit, waar de Gereformeerde wereld-en levensbeschouwing vrij lean worden gedoceerd en geen Overheid op de benoeniing der hoogleeraren eenigen invloed heeft.

Trouwens, al zijn er thans ook aan de openbare Universiteiten eenige mannen, die liet Gereformeerd beginsel zijn toegedaan, dit maakt een Vrije Universiteit voor ons allerminst overbodig. Of al enkele vakken overeenkomstig pnze. pricipia worden gedoceerd is niet toereikend. Diaardoor komt de Gereformeerde wereld-en levensbesCihouwing niet tot Tiajar recht. Die heheersoht heel de wetenschap. Vandaar ons begeeren, dat, alle takken van wetenschap vrij naar ons beginsel, worden bestudeerd. Daarvoor is noodig een specifiek Gereformeerde Universiteit. En stel, dat de Overheid een onzer Universiteiten wilde restaureeren in Gereformeerden stijl. Dian zou ook dat niet kunnen bevredigen. Onze vrijheid .zou daardoor niet zijn gewaarborgd. Immers, al zou de Overheid heden van oedeu wille zijn, wie ^wlaarborgt, dat zij het morgen , og zal wezen? En hoe zou een Overheid ooit in staat zijn Gereformeerde wetenschappelijke keur te oefenen? Daarom' moet in deze onze Universiteit üdfc vrij van alle overheidsb'embeiïng blijveri.

Maar Prof. van Rijnberk wendt het over een anderen boeg. Hij zoekt de vrijheid in het beoefenen der wetenschap. Uit het opstel van Proif. Bavinck over , , Ghristendom en Natuurwetensdhap" tracht liij aan te toonen, hoe gebonden onze wetensehappelijke mannen zijn. Vooral 'heeft hij er bezw^aar tegen, .dat Prof. Bavinck de natuur bindt aan een voortdurende inwerking Gods.

En dan zingt hij den lof van zijn eigen opvatting: „Hoe geheel anders staat dan hij tegenover de natuur, die overtuigd is, dat 'de w^etten van de stof onvergaidielijk zijn en bestudeierd' kunnen worden onafhan'fcelijk van elke ethische en religieuse opvatting en openbaring. Hoeveel vrijer is hij, die meent, dat zoowel het bekende als het onbekende, het begrijpelijke en verklaarbare zoowel als .het onvatbare en ondoorgrondelijke in de natuur, dit in gelijke miate en op dezelfde wijze zijn Voor den pantheïst, voor den christen, den Jood, den Mahom-edaan, den Buddhist en den occultist! Thuis en in de 'kerk: iedereen vrij in zijn geloof, in de werkplaats der wetenschlap, iedereen vrij in een neutraal agnosticisme, dat Goddelijke en geestelijke beweegbaarheden streng scheidt vaïi al wat het intellect naar gewicht, maat en getal k'an uitdrukten."

Hierin beluistert men weer oude klanken.

Die klanken van het liberalisme en positivisme. Zóó redeneerde men vroeger ook'.

En wel voorziet Prof. van Rij'nberk' de tegenwerping, dat, zoodra men feiten en wetten gaat veAlaren, men evenzeer als de christen vastzit aan de ingeboren instinctieve voorkeur.

Maar hij adviseert daarom „dat men zich zooeel lals doenlijk is moet beperken in het volgen der verleidelijke neiging om de eerste oorzak: en 6n laatste verklaringen te willen kennen", want dit zijn tocjh maar , , genoeglijke droomerijen".

Dus: men moet zichzelf aan banden leggen.

Men moet de drang vlan de mensch'elijke ziel om tot den oorsprong - en het doel van bet bestaairde door te dringen, zooveel m'ogelijk onderdrnlkken.

Alzoo een vrijheid, die niet gekJocht kan worden, flan door knechting van eigen persoonlijkheid. die en die behoefte moiogt gij niet hebben.

Een rajheid, die het hart aan intellectueele k'ete-'len vastlegt en in dezen g'eest Igeboden opstelt:

Prof. van Rijnberk' eindigt zijn artikel: , , Houdt 'i iaan de dingen, zooals ze zijn en vraag' niet naar oorsprong of ioorzaak, die toch voor 'het m'ensche-•'ï brein ondoorgrondelijk zijn."

Wanneer zal mien eens over het naïeve standpunt heenkomen, dat men op die manier zich de Wijheid heeft veroverd ? .

Wij geven volmondig toe: wij zijn bij' de beoefening der wetenschap aan onze principia, aan vóóroordeelen gebonden. Wij binden 'ons daar vrijwillig

Maar heeft Pïof. van Rijnberk' piet evengoed 2ijn vóór-oordeelen?

Mag ik ler uit zijn eigen woorden eens en'kele opsommen ?

Hier zijn zij.

1. de wetten van de stof zijn onvergankelijk.

2 de bestudeering van die wetten is onafhan-®lijk van alle ethisöhe en religieuse opvatting en opeubaring. '

3. er bestaat eeii neutraal agnosticisme.

4. de ganschte metafysiKa is niet anders dan een soort opiumkit, een wereld van „genoeglijke droomerijen".

5. oorsprong en oorza, ak der dingen zijn ondoorgrondelijk voor het m'enschelijk brein.

Zijn dat geen geweldige vóór-oordeelen ?

Kan Prof. van Rijnberk er niet inkomen, dat m'et Wet oog daarop-de christen zich minstens zoo vrij voelt als hij?

De perken te huiten.

De publikaties van het Centraal Burea^i voor Statistiek hebben reeds vaiker de aandacht getrokken om.' de eigenaardige manier, waarop daarin over de toename der bevolking in ons land wordt gesproken.

Ook bij het jaaroverzicht over 1922, zooals dat in de groote pers is overgenomten, komt dat op'nieuw uit.

Dat het in de steden dÖOTlöopend lager is dan in het rijk in zijin geheel, is een gevolg van het feit, dat de stedelijke bevolking in meerdere miate dan de landelijke zich toegankelijk betoont voor de nieuwe opvattingen betreffende de matrimönieele moraal.

Wat zegt men van zulk' een volzin?

Speurt |men hier niet reeds den toeleg om verderfelijke praktijken achter een schoonklink'ende benaming te verbergen?

Een rapport moet natuurlijk zakelijk' blijven.

Het behoeft geen ethisöhe beoordeehng' te geven.

Maar waarom dan niet eenvoudig weg geschreven: dat de stedelijke bevolking in meerdere mate dan de landelijke zich toegankelijk betoont voor het neo-mialthusiianisme of: voor de propaganda tof gezinsbeperking.

Zooals het er nu staat: .voor de nieuwe op-V.a, ttingen betreffende de matrimoniëele moraal, heeft het den .sc|hijn, alsof de op-steUers van deze statistiek' zelf de meening zijn toegiedaan, dat de moraal, welke totnogtoe werd gehhldigd, , thans is verouderd.

Nog een andere zinsnede geeft te denken.

De omvang van de verrqinderde nataliteit kan wellicht het best worden verduidelijkt, wanneer men er op wijst, dat, , indien in 1922 het geboortecijfer nog had gestaan op de hoogte van 1876, toen het met 37.1 per 1000 zielen zijn maximuni bereikte, er in ons land 260.349 levend geboren kinderen zooden zijn ingeschreven, of 78.521 mee]' dan in werkelijkheid het geval was. Men kan zich hieruit een beeld vormen van den .omvang, waarin de opvatting, otm ook de gezinsomvang zich te doen aanpassen bij, den economischen toe-, stand der bevolking, hier , te lande reeds heeft veld gewonnen.

Hier heeft mfen w'eer hetzelfde verschijnsel als boven Werd gediskwalificeerd.

De doorwerking van het neo-malthusianisme wordt hier geheeten: de gezinsomvang zich te doen aanpassen bij den economischen toestand der bevolking.

De gezinsbepe]dking wordt hier zoo-verleidelijk voorgesteld, dat mIen anderen de vraag in den mond geefi; : wat is daar nu tegen? '

Is (het niet alleszins loffelijk zich aan te passen bij den economischen toestand der bevolking?

Moet daarmee in deze tijden van malaise geen rekening worden gehouden?

Toch projekteert het Centraal Bureau een valsch' beeld. hiermee

Het is imtmers van genoegzame bekendheid, dat juist in de economisch sterkte gezinnen het neomalthüsianismie de meeste aan'hangers vindt?

Maar Jiad men in deze uitdrukkingen nog mfet een ineer bedekte propaganda voor de gezinsbeperking te doen, anders kbm't het te staan in de volgende passage:

Dat een dergelijk bevolkingsaccres, hetwelk in het laatste jaar onze bevodking door meer geboorte dan sterfte met 101.502 zielen zag toenemen, onverschillig of men het naar het verleden of naar de toekcönst projecteert, geheel abnormaal en tevens op den duur volkomen onhoudbaar moet heeten; en dat het weinig in overeenstemlming' is met de omstandigheden, waarin oiok ons land verkeert, zal wel geen nader betoog behoeven. Wel niemand kan meenen, dat, indien dergelijke cijfers duurzaam worden gedacht, emigratie de moeilijkheid zou kunnen oplossen. Voor een dergelijk accres ware van jaar tot jaar, andere bezwaren nqg daargelaten, nergens plaatsing 'te vinden. Enkel hetzij toeneming der sterfte, of anders verdere daling der geboorten kan hier oplossing geven.

Hier gaat de Statistiek liaair perken, al neemf men die nog zoO' ruim, ver te buiten.

Statistiek heeft cijfers te geven over een beipaalden tijd.

Zij Inag oók die cijfers trachten te verklaren uit historische faktoren.

Maar gevolgtrekkingen voor de toekomst zij niet te m, 'aken. heeft, maken.

Dat moet zij aan anderen overlaten.

En vooral heeft zij zich te onthouden van beschouwingen .als deze, dat op den duur de toestand onhoudbiaar zou worden, emigratie geen uitkomst zou bieden en alleen de oplossing zou gevonden worden door hetzij toeneming der sterfte of anders verdere daling der geboorte.

Hier ligt de neo-m'ialth'usiaansche propaganda er dik op.

Want natuurlijk gaat mten zich rëkens.chap geven wat kan gedaan om den geprofeteerden „onhoudharen toestand" te voorkomen.

Het middel der emigratie wordt hier al dadelijk van de hand gewezen.

Blijven er nog twee andere middelen: toeneming der sterfte of vermindering der geboorten.

Voor het bevorderen van de toeneming der' sterfte, zal wel niemand het opnemen.

Een mlan als Binding moge deze richting eenigszins inslaan, uit een lander motief dan, over het geheel is de mtenschheid nog niet zooi barbaarsch, dat zij er voor voelen zou, om' in vollen en koelen vredestijd mionschen in massa van kant te maken.

Voor een bevel om de pasgeboren 'kinderen in Donau, Rijn, Maas, Noordzee te werpen behoeven we niet beduclit te zijn.

Rest dus alleen: vermindering der geboorten.

Geleidelijk' voert deze Statistiek tot de conclusie, dat daarin alleen behoud s'chuilt.

Met het bevolkingsvraagstuk zelf laten we ons hier nu niet in.

Alleen vinden wij het opmerkelijk dat, terwijl in landen om ons heen de bevolking afneemt, ze hier niettegenstaande zedelijk minderwaardige praktijken toch nog toeneemt.

In Frankrijk wees men reeds op de mogelijkheid, dat iraen daar op den duur zijn inwoners uit het buitenland zou moeten betrekken.

Of voor Nederland in deze misschien nog een roeping is weggelegd?

Inderdaad weten we niet, welke wegen de Heere, als de grond hier te-zwak geworden is om' de inenigte te dragen, nog opent.

Zoover zijn we echter nog niet.

Voorspellen in deze is een gevaarlijk werk.

Maar allerminst behoort h'et thuis in een statistisch verslag.

En wij vragen of het niet hoog tijd wordt, .dat hierin van hoogerhand worde ingegrepen.

Voor goede statistiek zijn we dankbaar.

Ze is vian groote waarde.

Het Centraal Bureau toont ook die te kunnen leveren en voor zijn taak berekend te zijn.

Maar hiet dient den heeren toch duidelij'k gemaakt, dat zij zich aan uitdrujkkingen alsboven werden gewraakt en die heel licht de immoraliteit in de hand khnnen-werlcen, v: oortaan zullen spenen.

En dat zij him profetenmantels-moeten hangen aan den kapstok, eer zij voor het plibliek verschijnen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 februari 1923

De Reformatie | 8 Pagina's

De loochening der Gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 februari 1923

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken