GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Drie vragen.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Drie vragen.

7 minuten leestijd

In Sept. 1912 schreef Dr Colenbraiider e-en artikel in „De Gids" over: De Geur der Grondwetsherziening. Hij nam toen zijn liberale geestverwanten eens duchtig onderhanden over hun domheid, dat zij aan de voorstanders van het Bijzonder Onderwijs nog niet konden gunnen de gehjkstelling, die het bij de toen aanhangige voerstellen tot Grondwetsherziening zou worden toegekend. Hij gebruikte toen enkele uitdrukkingen, die ik nu in herinnering wil brengen, omdat ze mij van belang schijnen voor de voorstanders van de Bijzondere school. Hij zegt zoo merkwaardig: „Laat de Kerkelijken aan de Staatsruif, om er zich den dood aan te eten. Gebruik het oogenblik, waarop de tegenstanders van hun offervaa.rdigheid genoeg krijgen om uw eigene aan te kweeken Het zwakke punt der clericlalen is, dat zij zich thans veel meer met de vraag bezighouden, wie de school zal betalen, dan hoe 'de school zoo voortreffelijk mogelijk zal zijn". Daarom wil hij tegen de aanhangige voorstellen, die bedoelden de Bijzondere school d'ê' financiëele gelijkstelling te brengen, ook geen oppositie voeren. Hij zegt: „Als wij ons laten verleiden, om onder aanvoering der openbare onderwijzers de vijandelijke stelling aan te vallen, zullen we met bebloede kooppen moeten afdeinzen. We moeten de stelling omtrekken, want aan de achterzijde hgt die geheel open".

Mij dunkt, naar aanleiding van deze uitla.tingen mogen we in onzen kring wel eens een drietal vragen overwegen, 't Zou immers niet onmogelijk wezen, dat Dr Colenbrander als tegenstander van de Bijzondere school zwakke plekken had ontdekt, die wij zoo spoedig mogelijk moeten versterken.

In de eerste plaats dan de vraag: „Eten (we ons aan de Staatsruif den doiod? " We herinneren ons, dat er in onze kringen altijd tegen gewaarschuwd is en dat er nog velen zijn, die de verkregen gelijkstelling liever in een andere richting gezocht hadden: n.l. niet Bijzondere en Openbare school even veel^ maar even w^einig uit de Staatskas. Als de ouders beiderzijds voor de school konden zorgen, zou dat verreweg het beste zijn, iii-a.w. de Openbare school, die nu nog aanvulling IS, zou dan geheel kunnen verdwijnen. Ik geloof, dat wij dat bij het Bijzonder onderwijs wel aandurven: wij zullen wel voor onze school zorgen^ als men ons maar niet dwingt meteen voior do Openbare school mee te betalen. Nu is de historische ontwikkeling van ons onderwijs evenwel van dien aard geweest, dat dit in aizienbaren tijd niet mogelijk is. Daarom hebben we inmiddels d; e gelijkstelling in de andere richting aanvaard, n.l. wij evenals de voorstanders van de Openbare school, alles uit de Publieke kassen. Ons ideaal mag dat evenwel niet zijn. V\''anneer we dezen toestand als normaal gaan aanvaaxden, dan is inderdaad het vergiftigingsproces ten gevolge van het eten uit de Staatsruif reeds ingetreden. Als een gunstig teeken mag evenwel worden beschouwd, dat van alle kanten reeds wordt gereageerd en dat men onzerzijds telkens verwijst naar het zoogenaamde Gewijzigde ünierapport, waarbij gevraagd werd, dat de Slaat alleen zal bekostigen een eenvoudig ingerichte Lagere school. Er iDlijft dan vrijheid van beweging, plaats voor piarticulier initiatief. Algemeen toch gevoelt men reeds, dat de dood der verstijving moet intreden, wanneer alles van boven af moet worden geregeld.

De eenvormigheid, die altijd het gevolg is van wettelijke regeling, moet plaats maken voor differentiëering. Waarom, zoo vraagt menigeen zich af, kan men hsel wat dingen toch niet overlaten aan de vrije ontwikkeling van het leven? Nu is het overigens duidelijk, dat we bij het eten van de Staatsruif controle moeten toelaten, voorwaarden moeten aanvaarden en daarbij is inderdaad het gevaar niet denkbeeldig, dat het besef van eigen verantwoordelijkheid verdwijnt en dat — is, de dood.' Als we zoo zoetjes aan verwachten, dat de overheid er wel voor zorgt, dan laten we het al gauw van onze schouders af glijden en er wordt weer een stukje volkskracht ingeboet. Van veel belang is het inderdaad in onze schoolkringen na te gaan, of de rechte belangstelling, Iret rechte meeleven nog aanwezig is.

In nauw verband hiermee staat de tweede vraag, die ik zou willen stellen: „Krijgen wij van onze offervaardigheid genoeg? " Ik vind dat een leelijke uitdrukking van Dr Colenbrander. Als daar in ons land een groep van menschen is, die met opoffering van veel geld en niettegenstaande veel bezwaren en belemmeringen, hun eigen soholen hebben gebouwd; als diezelfde menschen dat nochtans gevoelen als een onrecht, hun aangedaan, waardoor ook op menige plaats de ouders niet kunnen krijgen de school, die zij voor hun kinderen noodig achten; als daarom die menschen gaan ijveren voor een rechtmatige plaats en een rechtmatig aandeel, dan mag men niet zeggen, da, t ze van hun offervaardigheid genoeg hebben. Niemand, allerminst de liberale partij, mag dat aan de mannen en vrouwen van de Bijzondere school verwijten. Maar dat belet ons niet, om met die vraag toch tot onszelf in te keeren en onze kringen eens even na te gaan. Zeker, er is gevaar, dat we gaan leunen op Staatssteun, mato waarneer .wij zien, wat onze hienschen nog voor kerk en armen en verschillende liefdadige doeleinden bijeenbrengen, dan is ons hart noig niet overbezorgd en dan durven we nog wel füslig afwachten de tijd, dat Dr Colenbrander en de zijnen in hun kringen de offervaardigheid toit dat peil hebben opgewerkt. Mocht de school haar weer noodig hebben, dan zou, ik twijfel daar geen oogenblik aan, onze offervaardigheid opnieuw-velen misschien een wonder lijken, zeker tot ergernis zijn. Moge het voorshands in onze kringen, in iedere schoolgemeente TDlijken, dat wij ons wel bekommeren over de vraag, wie het onderwijs zal betalen, want dat is een vraag van recht in ons land geworden, maar dat wij toch nog veel meer bekommerd zijn over de vraag, hoe wij ons onderwijs zoo goed mogelijk zullen maken. Het geld is hier slechts middel, het onderwijs blijft immers doel. Wie heeft toch reden, daaraan te twijfelen?

Eindelijk de derde vraag: „Ligt onze stelling aan de achterzijde open? " Het front, zoo begrijp ik Dr Colenbrander, wordt dan gevormd door de mannen, die in hoogere en lagere regeeringskringen tot den aanval zijn geroepen; die. moeten het spits afbijten. De achterzijde van onze stelling, vindt hij dan bij de ouders, die hun kinderen naar de Bijzondere school zenden, bij de kinderen, die daar heen worden gezonden. Hij meent, dat daar met meer succes de strijd der beginselen kan worden gestreden. Hij komt daarmee meer in de lijn van de strijdmiddelen onzer dagen. Men komt er van terug, ons met geweld te bestrijden, martelaren maakt men niet meer. Tot die strijdmiddelen behoorde wel de achteruitzetting, waarvan de schoolstrijd vermeldt. Dat heeft nu uit, maar men kan beter in het leven van de kinderen, ook van die de Bijzondere school bezochten, de vrijzinnige beginselen indragen. Welnu, dat wordt een eerlijke strijd, waar we met gelijke wapenen kimnen kampen. En nu is mijn vraag: Zijn we op' het gevaar, dat ons hier dreigt, bedacht? Vormen de menschen der schoolgemeente een weigesloten macht, om den vijand ook aan de achterzijde van de stelling te kmmen ontvangen? Daartoe moeten we dan onze school met den Bijbel dragen door onze belangstelling, dragen door oris gebed.. Daartoe moeten ouders en onderwijzers samenwerken in rechte eensgezindheid. De ouders moeten den meester kennen, hij moet. in hun huizen .geen vreemde­ ling zijn. Daartoe moeten hoofd en onde-nvijzers eendrachtig ijveren VOOT het welzijn van het kind; daartoe moet onze school blijven de school van het gezag.

Wanneer het ons dan mag gelukken op deze manier onze positie te behouden en te versterken, dan kunnen we het verder aan den Heere overgeven. Dan blijven ons stellig met onze scholen allerlei gevaren omringen, immers, we weten het, de vijand rust nooit, maar we weten het even stellig, dat de Heere de planting van Zijn vingeren niet prijs zal geven. .En op ons moeten de overwinningen, die behaald zijn, niet verslappend werken, maar integendeel, waar we nu ruimte kregen, worde de vrij geworden kracht besteed aan den innerlijken opbouw vair onze school en worde de stelling zoowel aan de voorzijde als aan de achterzijde met vereende krachten gestevigd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 januari 1925

De Reformatie | 8 Pagina's

Drie vragen.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 januari 1925

De Reformatie | 8 Pagina's