GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Een stem des „volks” over de Vrije Universiteit

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een stem des „volks” over de Vrije Universiteit

12 minuten leestijd

Naast karikaturen is er in dit Doleantie-nummer ook plaats voor andere curiosa uit den Doleantie-tijd. Voor de kennis van die periode hebben dergelijke curiosa minstens evenveel beteekenis als de zwaarste wetenschappelijke verhandelingen; men kan trouwens gêne slechts „lezen", als men déze „aan kan".

Uit de veelheid grijpen we onderstaand „Volksblaadje" ; dit was een wekelijksche uitgave van P. Vergunst, Recht Boomsloot no. 59 te Het ons interesseerende nummer luidt, in zijn geheel, als volgt:

1887. Na 1.

DE NIEUWE UNIVERSITEIT.

VOLKSBLAADJES.

Prijs 2 Cents.

Jan. Goeden avond Piet. Zoo, Keetje! zijt gij er ook al?

Keetje. Ik heb al een weinig gewacht, Jan! Omdat het voor het eerst is, dat wij onze samenkomsten zouden beginnen, wist ik niet juist hoe laat wij zouden beginnen.

Piet. Nu, wij zijn dan bij elkander, en zoo God het wil, hopen wij onzen samenspraak eens in de week voort te zetten; en als wij dan ooren hebben gekregen om te hooren, wat God in Zijn getuigenis tot ons te zeggen heeft, dan zullen we niet vruchteloos bij elkander zijn.

Jan. Ik dacht over wolken en donkerheid. Zoo God dan wil, hopen we de volgende week daarover te spreken.

Keetje. Wolken en donkerheid! Hé, Dr Kuyper heeft onlangs in „De Kerkbode" geschreven, dat de duisternis is verdwenen en het licht is te voorschijn gekomen.

Piet. Ik heb gehoord, dat niet lang geleden Dr Kuyper gesproken heeft over de verborgen raad en de geopenbaarde, en Zijn Eerwaarde heeft het vooi^ gesteld als twee voorhangsels, waarvan er een was opgetrokken.

Jan. Door wie?

Piet. Ik denk door hem zei ven; en Zijn Eerwaarde zeide, er waren er, die er in keken en er niets in zagen. Zoo zie ik ook wel in dat opgetrokken scherm, maar ik zie er geen Gods werk in, maar wel, dat het het werk is van menschen.

Jan. Ik heb gehoord, dat Zijn Eerwaarde jaren geleden heeft geschreven, dat de Synode de rijke man was en de leden der Kerk de arme Lazarussen.

Piet. Juist, daar hebt gij het begin van zooveel geprezen Gods werk. De groote Meester zegt: indien uw oog boos is, zoo is uw gansche lichaam duister. Ik wil aannemen, dat Zijn Eerwaarde een hekel heeft om in de positie te verkeeren van Lazarus uit de gelijkenis.

Jan. Nu, maar zoover is het nog nooit met de predikanten geweest. Zij hebben toch altijd goede bezoldiging gehad en vele gaven en giften ontvangen, hoewel buiten de ordonnantie van den grooten Meester. Salomon zegt: geschenken verblinden de oogen en laat uw oog niet vliegen naar hetgeen niets is. Maar 't lieve geld! Met 30 zilverlingen is alles betaald. Keetje. Wat bedoelt gij daarmede? Gij kunt mij gerust gelooven, ik vat u niet.

Jan. Daar komen we wel eens op terug. Dr Kuyper schreef ook, dat de Heere was aan de spits getreden; en als de Heere God aan de spits was getreden, dan zouden we wat anders zien.

Keetje. Wat zouden we dan zien?

Jan. Dan zouden we de wonderwerken van den Heere zien, dat er onbekeerden en monsters van menschen werden staande gehouden en door God bekeerd en in Zijne genade zouden juichen. Met al de waai^ heid, zoo men zegt, is het voor het echte kind van God niets.

Keetje. Maar zij verkondigen toch waarheid! Piet. De bazuin die zij blazen, is gebarsten. Een kind en erfgenaam des hemels, die bij zijn hand is, schrikt er van. De doodsbeenderen rammelen niet en er valt geen puimsteentje van Jericho's muren. Jan. Maar dat is Gods werk.

Piet. Als de Heere aan de spits is getreden en de duisternis is geweken en het licht te voorschijn gekomen, zoo Dr Kuyper zegt, wat ziet men dan anders als Gods werk. Neen, wachter, wat is er van de nacht? het is morgen geweest en het is nog nacht. De dichter zegt: ik zie na al dit ongeval geen teeken meer van uwen gunst gegeven. Zeg mij, waar wordt er eene ziel, door God waarachtig bekeerd, met al dat aan de spits treden en dat zoogenaamde licht? Hoor eens. Jan! als de Heere God de oordeelen over Israël brengt dan gaat zij aan het roemen over haar godsdienst en haar vrome vaderen, en dat ging in duister onder de oordeelen. Ja, Jan! de hersenen die met dat licht worden volgepropt, kunnen geen stevigen kost verdragen. De Heere God zal kwaad verwekken over Nederland; en of 't van het oosten of van het westen komen zal, weet ik niet. Maar dat weet ik, dan zullen de borsten, die niet gezoogd en de buiken die niet gebaart en hebben, worden zalig gesproken; want het zullen donkere en benauwde tijden zijn. God de Heere heeft een tvrist met zijn nog overgebleven volk, en met al de waarheid is God op weg om ze te winnen. Met wolken en donkerheid zijn de Kerken Gods als begraven. De smeltkroes staat te vuur en de Heer zal de Kerk gaan louteren, opdat het machtig vele schuim en degenen, die wat groots schijnen, er worden uitgenomen. Verbranding in plaats van schoonheid. Jesaia 3.

Jan. Dan ziet donkerheid de tijd te gemoet. Piet. Wat voor de steunpilaren wordt aangezien, die gaan waggelen en de zieners zijn met blindheid geslagen; dan worden de kortzinnlgen stekenblind en het geslacht van de Cretens en vreet voort als de kanker.

Keetje. Maar Piet! ik heb in het begin onder de prediking vele menschen zien schreien.

Piet. O, dat doen zij even als of zij biechten voor de pastoor. Judas ging naar de overpriesters, maar Petrus ging naar Jezus. Ik moet u een vraag doen. Keetje! Als een Leeraar de waarheid verkondigt volgens Gods Woord, maar nochtans zelve onbekeerd is, kan dan zulk een leeraar de volle raad Gods verkondigen? En heeft een particulier mensch, volgens Gods Woord, de vrijheid zich als leeraar te mogen opwerpen, zoo hij niet wettig een leeraar is. Amos was een ossenherder, doch de Heere God maakte hem tot een profeet. Petrus was een visser; Paulus was een tentemaker, Bunyan een ketellapper, Hurtington een kolendrager. En in het laatste der dagen zal de Heere God ze roepen uit de hutten en van de driestallen, die Zijn Woord zullen verkondigen, en er den buidel niet van zullen vullen, want ze zijn allen kruisgezanten van hun grooten Meester. Ik herinner mij, dat er waren, die aan den Meester vroegen, waar woont Gij? En 't antwoord was: Kom en zie, dat is, de vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des menschen heeft niets waar Hij het hoofd op nederlegge.

Jan. Wel, wel, wat is dat toch iets groots voor diegenen, die geen brood op het oog hebben en geen toejuiching van menschen of vuil gewin. Die het genoeg is zijn grooten Meester gelijk te zijn, men zal ze met een kaars moeten zoeken, de meeste zijn uit het oog verloren, 't Zij een dienstknecht genoeg dat hij is gelijk zijn heer; maar het kruis te dragen en te volgen, daar komen velen tegen op.

Piet. Neen, Jan! daar heeft niemand van nature zin aan, of de nood moet hem opgelegen zijn, dan is de nood hem een driewerf geluk. Zalig die de nood is opgelegd niet door menschen, maar door de Heere God zelf, dan zullen ze niet beschaamd worden in eeuwigheid, (Joel 3—27) omdat de Heere ze geroepen heeft; en de Heere zal de toevlucht zijns volks wezen, (vs. 16). Jakobs huis zal een vuur zijn. Jozefs huis een vlam en Ezous huis een stoppel. (Obadja 1 : 18). Jan. Zoo heeft de Heere God er dan nog eenigen overgelaten in dezen donkeren en ver uitziende dagen, die de breuke bewenen der dochteren Zions, hoewel bij velen niet in aanzien, want ze zitten veelal in een vochtigen kelder, of huizen onder een pannen dak; het beste nog op een achterkamertje, maar dan nog soms in een vuile straat. Er was een kwaad, Keetje! zegt de wijze koning, er was een stad en weinige lieden waren daar in; en er kwam een groot koning tegen haar op en hij omsingelde ze en bouwden groote vestingen tegen haar; en men vond een ouden, armen man, die de stad verloste door zijn wijsheid. Maar niemand gedacht den armen man; dat was een kwaad. En nochtans is er nog zoo een enkele, als voren ge-, noemd, die voor land en volk, dat gezonken is en van God afgekeerd, in de bres springen, somtijds onder vele nooden en gebrek, waaronder zijn gezin gebukt gaat, omdat hij ze niet kan geven wat er noodig is. Het is gemakkelijk genoeg, zegt Salomon Duitsch, om God te loven als men een goed gevulde goudbeurs heeft. Maar men moet 12 uren met de trekschuit gaan en geen cent in je zak hebben en komen dan aan de wal en 'tis betaald.

Piet. De vruchten, die ze ook hebben, zijn uit God. Jan. Juist. Wie is wijs, zegt de Heere, die versta deze dingen, (Hosea 14 : 9) en die behoeven geen vergaan te vreezen.

Piet. Want zij zullen zitten een iegelijk onder zijnen wijnstok en onder zijnen vijgenboom, en er zal niemand zijn, die ze kan verschrikken (Micha 4:4).

Keetje. Maar zouden er onder de doleerenden dan ook nog niet gevonden worden, ik bedoel namelijk onder de predikanten, die in de bressen staan voor land en volk en die van God zijn aangesteld?

Piet. We hebben er al veel van gezegd. Velen zijn er van hun ouders, toen zij nog in de wieg lagen, er voor verordineerd.

Keetje. Van hun ouders? wat is dat treurig! Piet. Ja, Keetje! ik denk dat zij nooit de ouders of de predikers zijn ter harte gegaan. Want de grooten Meester zegt in Mattheus 19 : 12: Want er zijn gesnedenen, die uit moeders lichaam alzoo geboren zijn; en er zijn gesnedenen, die van de menschen gesneden zijn; en er zijn gesnedenen, die zich zelven gesneden hebben, om het koninkrijk der hemelen te beërven. Die 't vatten kan vatte het.

Keetje. Brakel wilde en dorst niet te prediken,

voor en aleer dat God hem zelf orders gaf.

Jan. Nu, dat gebeurt toch alle menschen niet. Piet. Die dat niet gebeurt, Jan! zult ge ook niets van hooren, zegt de Heere, want Ik heb ze niet gezonden. Zij zijn zoo vermetel geweest en zijn bij den grooten Meester in Zijn werk getreden zonder aanstelling.

Keetje. Wel, wel, dat is toch wel vermetel. Ik denk, als ik zoo in mijne dienst gekomen was, dat mevrouw me dan wel had weggejaagd en nooit meer behoefde te denken, dat ik in haar gunst zou gekomen zijn.

Piet. De Heere God is langmoedig, verdragende de vaten des tooms tot het verderf toebereid. De wijze koning zegt: indien God de zonden der menschen straffen zou op heeter daad, dan zoude het kwaad des menschen zooveel niet zijn; en Jesaja 29:13: Hunne vreeze, waarmede zij Mij vreezen, zijn menschengeboden, die hun geleerd zijn.

Keetje. Het zal toch wat te zeggen zijn, dacht ik zoo, voor een onbekeerden toehoorder, die zich waant bekeerd te zijn, en voor den voorganger, die gij zoo juist geschetst hebt, volgens Gods Woord. Piet. Ze zullen het hier volhouden, het gaat alles over hun hoofd, gelijk een smids hand is, zoo die gaat als zijn baas het ijzer smeed, onder het aanbeeld liggen, dan gaan de vonken over hem. henen. Maar de Heere zal alsdan zeggen: Ik heb u nooit gekend. Neen, Keetje! de Satan is hun vader en Christus hun rechter. Die mensch is tweemaal meer een kind der hel, dan anderen, die geen belijdenis maken en de groote overtreding tegen Jehova, den Vader, door vermetel zich zijne kinderen te noemen, wanneer Hij hun nooit heeft uitverkoren; ten tweede, tegen God den Zoon, door Hem hunnen Zaligmaker te noemen, wanneer Hij hun nooit verlóstte; ten derde, tegen God den Heiligen Geest, door te wanen, dat zij wandelen in een licht, hetwelk Hij nooit heelt ontstoken. Schuim van zilver, zegt de Heere (Spreuken 26 : 23). Zoo namen koning Datan en Abiram elk zijn wierookvat; ze bouwden zeven altaren en offerden eenen ram op elk altaar. Zoo offerde Saul het brandoffer; zoo richtte Jerobiam de kalveren op te Bethel. Het onderscheidingsteeken is, dat de mensch de godsdienst aanvangt met menschen en niet met God; en hoe meer hij nu vervuld is met valschen ijver, des te geweldiger zal zijn tegenstand zijn tegen de echte waarheid Gods.

Nu, het is noodig tijd van scheiden; onze gesprekken zijn nog al wat uiteengeloopen. Zoo God wil zullen wij ons de volgende week meer bepalen tot ons onderwerp. En gij, onbekeerden, die ons gesprek hebt aangehoord, spot niet met de woorden Gods, opdat gij niet op de weg vergaat, want dan zal de Heere God lachen in uw verderf, en spotten als de vreeze komt. De bijl ligt aan den wortel der boom.

Tot zoover de samenspraak.

We zullen dit lierdenkingsnummer niet misbruiken voor een analyse ervan. Genoeg zij, eraan te herinneren, dat we sedert 1887 nog niet heel ver gevorderd zijn in de overwinning van het hier ingenomen „standpunt". De volksgroep, die zich hierin uitgesproken lieett, of liever, zich hier „aangesproken" „voelde" (want tot een „uitspraalc" kan dit volk niet komen, wijl het geen eenheid is en geen thetische bindingen kent), die volksgroep leeft als verzameling van neen-zeggers nóg. Maar haar dualistisch geredeneer krijgt heden ten dage „wetenschappelijlien" steun; en vulgaire geestigheden, als b.v. hier tusschen „Jan" en „Piet" aan „Keetje" verhandeld worden (denk aan Piets orakeltaal over het door Dr A. Kuyper zelf opgetrokken voorhangsel) worden nog dichterlijk aan den man gebracht, onder protectie, om maar niet het woord „redactie" te gebruiken, van een theologisch Kamerlid. Het type van deze j, Cretenser"vloekers vertoont zich tegenwoordig in de Kamer, en als het spreekt, dan is het nog al eens cretensisch.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 februari 1936

De Reformatie | 24 Pagina's

Een stem des „volks” over de Vrije Universiteit

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 februari 1936

De Reformatie | 24 Pagina's