GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

BIJ DE KINDEREN IN ZIJN DOOD

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

BIJ DE KINDEREN IN ZIJN DOOD

16 minuten leestijd

WOENSDAG 26 MAART 1952.

In gure voorjaarswind staat een kist boven de groeve.

Erom heen, aan alle kant, familie, en Familie, natuurlijk zaad, en geestelijk zaad, broeders en zusters naar vlees en Geest, tezamen.

Hun ogen houden die kist vast en boren in die groeve. Het grauwe graf gaat grijpen hem, die grote in Israël.'

En plots, als even de ogen afdwalen, een grafsteen ontwaren aan het voeteneind van de nu open kuil, opvallend in zijn nieuwheid nog en naakte eenvoud, dan gaat een nieuwe huivering door ons heen. En de ogen weten niet meer, wat het meest hen vast moet houden nu, ze zien die groeve, èn die steen; die kuil èn weer die letters; en het wordt één beeld, één indruk, één historie, van deze gure dag. De predikant gaat lezen. We horen Jezus spreken, bidden tot de Vader, het schrijven in Zijn boek, Johannes' Evangelie. Vader, de ure is gekomen, verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke, gelijkerwijs Gij Hem macht gegeven hebt over alle vlees, opdat al wat Gij Hem gegeven hebt. Hij hun het eeuwige leven geve. Dat horen onze oren. En onze ogen zien die kuil, waarin een kist nu gezonken is; èn ze zien weer die steen daarnaast, waarop letters geschreven zijn. Ze zien het graf van Klaas Schilder, geboren 19, December 1890, gestorven 23 Maart 1952. En ze zien dat schrift daarnevens: Aaltje Ymkje Holwerda, 15 Augustus 1947—18 Maart 1951. Met een tekst: Word ik wakker, zo ben ik nog bij U, Psalm 139 : 18b. De gedachten flitsen: 18 Maart 1951, dat was een Zondag. En 23 Maart 1952, dat was weer een Zondag. Twee dagen van opstanding van Jezus Christus. Tweemaal een Zondag van Maart, „lijdenstijd" van het kerkelijke jaar, crisismaand in de gang der seizoenen. De wind guurt door onze kleren, de hoofden durft men amper ongedekt te laten, zo koud is het nu. Maar ik hoor, door de mond van deze dominé, Jezus' spreken: gelijker-wijs Gij Hem macht gegeven hebt over alle vlees het vlees van die ruim zestigjarige daar, en het vlees van dat driejarig kindje daar nevens hem, opdat al (al, al: de ouden met de jongen) wat Gij Hem gegeven hebt, Hij hun het eeuwige leven geve en opdat zij dus het aanstonds zeggen zouden, nu al en later: Here, het is toch eigenlijk ook weer zo gewoon, zo rustig, zo veilig: ik heb maar de ogen na de slaap weer op te slaan, en ik zie U; het is nog net zo als toen we kleine kinderen waren bij vader thuis en in benauwde droom wij wakker schrokken zie, daar stond reeds vader naast het bed: „was het zo naar, jongen? maar hier ben ik" : word ik wakker uit de slaap des doods, dat grauwe graf, die gure wind, zo ben ik nog bij U. Want een eeuwig leven kent geen dood, „En dit is het eeuwige leven", — zo roept het daar die heraut van Jezus door de voorjaarsstorm — dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt". En hoor hem vervolgen, triomferend over de koude wind en de jacht des doods: „Ik bid niet alleen voor deze — apostelen van toen — maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij geloven zullen Vader, Ik wil, dat waar Ik ben ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen ", „zij", die doctor daar van de Vloeddijk, en die kleuter, van dezelfde Vloeddijk, nu beide slapend in éénzelfde aarde, onder één wind, pneuma, adem. Geest, die ze ook beide wakker maakt en ze zeggen doet, tot Vader: worden wij wakker, zo zijn wij nog bij U opdat wij de heerlijkheid aanschouwen die Gij onze eerste Broeder gegeven ; iebt....

En dan wordt 't gezegd in de hemel reeds.... en ten jongsten dage, èn bij ons: Klaas Schilder, de doctor, is bij de kinderen in hun dood geweest. Hij liep met hen op de Vloeddijk. Hij slaapt met hen in het zand van IJsselmuiden. Straks staat hij met hen op en is die kleuter, dat buurmeisje, daar naast hem de eerste, die hij de hand reikt, om zo samen naar Jezus toe te gaan. Bij Wie zij ook samen nu reeds zijn.

Gij zegt toch niet, dat dit te eenvoudig, te naïef is voorgesteld? Want dan waart ge in het zoeken van uw voorstellingen wijzer dan de Schrift, die straks de doden maar heel , .gewoon" laat „opstaan", als 's morgens uit de slaap en ze óók reeds echt bij de Here laat zijn. Ge waart dan zelf geen kinderen, en niet geworden als de kinderen. Ge waart dan óók geen eenvoudig, ongekunsteld discipel van hem, die gij ten grave hebt gedragen.

Want in dit samengaan van twee zulke graven op een kerkhof ligt meer dan een toevalligheid. We zouden willen zeggen: Het past zo bij hem. Hij is bij de kinderen in zijn dood. M a a r hij was het ook in z ij n leven. En als mede-kinderen slechts konden wij staan om dat graf. En zo samen verder gaan. ,

Het is daarvan, dat wij iets meer willen zeggen.

Hij was met de kinderen, in zijn leven.

Dat moogt ge gerust betrekken, in de eerste plaats op kinderen in de alledaagse zin, kleuters, kleine mensen. Hoe heeft deze mens, deze geleerde, van kinderen gehouden. Meer opgewekt bezoek in 'n kraamkamer dan 't zijne was nauwelijks te denken. Men zou zo zeggen: die verstrooide geleerde staat „buiten het leven", en zijn reukorganen zullen door zoveel boekenstof voor andere prikkels wel ongevoelig zijn geworden. Maar zie hem buigen en glunderen tegen een moeder: wat ruiken die kinderen van jou toch altijd lekker! Hoeveel vaders merken dat op, al hun enthousiasme ten spijt? Maar deze, hij „rook" de kinderen. Zo gevoelig was hij, naar lichaam en geest, en zo jong, altijd.

Wie zoiets gadesloeg (het geschiedde aan meer dan één wieg), verstond in één ogenblik, waarom hij zijn strijd voerde, vanaf de studeerkamer grotendeels, en de kansel vooral, tegen alle mystieke scheiding en tegenstelling van natuur en genade. Men verstond het, zij zo'n wieg en lekker ruikende baby, waarom hij het barthianisme haatte en er niet over denken zou zich aan leeruitspraken te conformeren die over kinderen anders spreken dan God in Zijn verbond te spreken geeft. Men verstond het, waarom hij er een kinderlijk pleizier in schepte een kind te mogen dopen; men zou op zo'n dag heus niet weten, wie er blijer was: de eigen vader, of de dopende dienaar, zó genoot hij ervan en deed hij er alles voor als was het voorrecht voor hemzelf het grootst

Menigeen, die hem meegemaakt heeft bij opgroeiende kinderen, weet van hetzelfde te verhalen. Geen oom, op wie neefjes en nichtjes van heinde en ver gekker waren dan deze. Geen komst, die blijder werd begroet dan de zijne. Ze begrepen zo: hij hoort bij ons, hij staat heel echt boven ons, maar toch, hij is eigenlijk net als wij.

En wie in de bange oorlogstijd hem spreken hoorde in zijn'brieven „aan een jongeren tijdgenoot" die weet, hoezeer op elke leeft ij d het jonge hart voor hem was als een open boek, hoe hij het wist te lezen, en te verwarmen ook.

Het is meer dan een particulier verhaal, wanneer de schrijver hier eigen ervaringen inlast. Dezer dagen komen wij er allen mee. En ieder weet: ik hoef ze mij niet te schamen, en ook niet krampachtig benauwd te zijn, dat ik een mens in het middelpunt ga plaatsen. Want wie één zien laat, die als de kinderen werd, spreekt van de Here, die daarin Z ij n behagen heeft.

Nu, ik kan, als jongere, als „kind" van de grotendeels door Schilder gevormde generatie, rustig erkennen, dat ik niet geloof — eigen gezinsrelaties van vroeger en nu, uiteraard terzijde latende — van enig mens zoveel te hebben gehouden als van deze. En ik meen ook, daarin niet de enige te zijn vandaag. En als ik me afvraag, waarin dat bestaan heeft, waarom dat geweest is, dan besef ik in mijn geval, dat weliswaar familiebetrekking de mogelijkheid geschapen heeft van een contact dat zonder deze zo nauw wel nimmer zou zijn geweest, maar evenzeer, dat deze liefde niet uit de bloedband zelf voortvloeide en ook niet door hem wordt bepaald. Juist daarom kon ik menen, dat anderen, zonder zulke aparte betrekking, met mij hetzelfde zeggen, die in andere wegen, met andere aanleidingen, in een nauwe betrekking tot hem kwamen te staan. Trouwens, dit juist zou ik als oorzaak en basis van deze liefde willen zien: dat hij in de meest persoonlijke relaties immer de ambtsdrager zich toonde, de knecht Gods, de profeet, priester, koning, die de ander zeer „persoonUjk" bejegende, maar zonder enig „aanzien des persoons".

En hier raak ik het geheim van dit leven, dat klaar mocht zijn als de dag en diep tevens als een meer in de bergen: wie het meemaakte, kreeg één levende illustratie van wat de Schrift noemt: in Christus herschapen te worden n a a r G o d s beeld. B e e l d d r a g e r te zijn. Naa* de roeping van den beginne. Met heel wat zwakheden, o ja. Met 'n klein beginsel nog slechts, o zeker.

Maar toch: beelddrager. In Christus, volmaakt. Het beeld Gods. Over dat thema heeft hij heel wat geschreven, bladzijden, paragrafen vol in zijn eerste deel catechismusverklaring. Maar wat daar schoon wordt ontvouwd, verdedigd, geargumenteerd, geformuleerd, werd in de omgang met deze auteur één brok levende werkelijkheid. Men zag in hem er iets, veel, van hoe de Here is.

Wie deze dingen niet verstaat, moet nu maar niet verder lezen. Hij staat haastig klaar met een commentaar, dat na Schilders dood aanstonds hij vergoddelijkt wordt. Wie dat zegt, in dit verband, heeft van God en mens, naar Genesis 1, 2 en 3, niet veel begrepen — en wij weten allen, hoe juist die hoofdstukken, „van den beginne", liggen tussen Schilder en zijn tegenstanders van zeer verschillende herkomst. Maar wie hierin zijn boodschap heeft geproefd en tevens hemzelf heeft gekend, die weet: een mens kan nooit kleiner worden en nimmer meer op zijn natuurlijke plaats staan, nooit meer „kind" zijn naar Jezus' eis, dan zo, als K. S. het naar eis „van den beginne" aanwees, en zoals Gods Geest het in hemzelf aanschouwelijk maakte.

Dit hebben zij gezien, die, in critieke, beslissende levenssituaties hem in vertrouwen hebben genomen. Daar kon iemand uitspreken. Daar was volkomen geduld. Daar was alle tijd. Daar waren die vreemde, en toch zo vertrouwde „zachte ogen" — waarvan hij nog kort geleden wenste, dat ze in ons kerkelijk leven alom gevonden mochten worden. Daar kon iemand zijn verhaal doen. Daar viel schaamte weg, en bleef de schroom. Daar werd dan een enkele vraag gesteld, de situatie waarin iemand zelf geen weg haast zag, zomaar gepeild — en dan werd daar geantwoord, geraden, vermaand en vertroost naar de Schriften. En wanneer dan zulk één de kamer verliet en dank wilde prevelen, was déze hèm vóór, door zelf, haast verlegen, te zeggen: ik dank je voor het vertrouwen dat je in mij hebt gesteld.

Wie aan zulke gesprekken terugdenkt, beseft, wat aan alle ambtelijk verkeer eigen mag zijn, maar zo zelden tot volle ontplooiing komt: ik zag Gods beeld. De mens viel weg als eigen parmantige instantie. Hij werd mond Gods. En ik weet Gods wil, voorzover dat kon, in antwoord op wat ik zelf zeide, en naar wat God heeft geopenbaard. Dus was ik bij God op bezoek, juist omdat die mens zo echt mens was, en zijn creatuurlijke roeping vervulde, naar Genesis 2 en Efeze 4.

Waarin dat dan tastbaar werd? zal iemand vragen. Nu, in te veel om op te noemen. Maar laat ik het met een paar woorden mogen zeggen. Men kreeg daar te doen, door de ambtsdrager, met Gods barmhartigheid: hier durfde iemand alles zeggen en konden mensen alles kwijt, ze keken soms maar in die zachte ogen. En soms wisten ze zich onder de klem va, n Zijn rechtvaardigheid; het werd nooit iemand gemakkelijk gemaakt; als daar maar op één punt een zwakke vraag overbleef of deze dan wel die weg naar de wil Gods zou zijn, zou hij nooit toegeven; hij, zijnerzijds, gaf geen kans door de mazen heen te glippen; hij kende geen mazen en wie heen ging, wist het: als ik er door wil glippen moet ik ze zelf maken en de verantwoording zelf dragen.

En dan nog één ding vooral. Wat was hij zuinig met de Naam Gods. Ik herinner mij een vrouwelijke remonstrantse predikante — ze was toen nog studente — die in een brief eens schreef: „ik heb op gereformeerden vooral dit tegen dat zij zoo heel gemakkelijk Gods naam gebruiken ik huiver elke keer als ik die naam heb uit te spreken ". Ik dacht toen: er liggen natuurlijk zeer principiële fouten achter die opmerking, een kind mag de naam van zijn Vader „gewoon" uitspreken, de Geest wil dit juist weer hem leren maar toch, wat heeft ze gelijk. Want eerlijk, ik had het ook vaak gedacht. Enerzijds gebruiken we Gods Naam veel te weinig, juist in het dagelijkse leven. Anderzijds veel te gemakkelijk, juist soms in meer stichtelijk verband. En ik dacht toen aan K. S. Hij leerde ons Gods Naam te spreken en geschreven te zien boven en in het leven van de dag, de welriekende baby, en de „slasnijdende huismoeder" (uit een preek over: laat de kinderkens tot Mij komen); hij kende geen groter vreugde dan Gods Naam te verkondigen; hij schroomde niet God zelf, de in Zijn Woord geopenbaarde, object der theologie te noemen; hij kon maar niet ophouden op college te behandelen de Locus de Deo, het „Hoofdstuk over God", maar tegel ij k hij was zo zuinig! Ik herinner me gesprekken van een paar uur achtereen, waarin alles cirkelde om de vraag: „wat wil de Here? ", waarin misschien één maal de naam God van zijn lippen kwam. En dan nog — hoe beslist ook — haast verlegen; je hoorde hem denken: ïk wéét nu wat ik zeg. En het gevolg was, dat nog, jaren later het in de geest gegrift staat: tóen, tóen, noemde hij Gods Naam Van hoeveel stichtelijke redenen zou de herinnering aan die Naam reeds niet na een uur vervlogen zijn, juist ook omdat van teksten en heilige namen de pastorale mond te gemakkelijk vol was geweest?

Reeds om dit alles mag ik tweeërlei zeggen: als kind bij vader konden Gods kinderen bij hem als ambtelijk beheerst persoon terecht. En: zo was hij zélf kind, dat Vaders naam vertrouwelijk noemt, maar nooit hem werpt over de straten.

En daarom konden wij hem zo liefhebben. Liefde. Hebben wij haar niet vlees en bloed in hem zien worden. Liefde. Geen eroos, altijd agapè. Dat wil zeggen : geen liefdes drang slechts als bijvoorbeeld bij het natuurlijke kind, maar ambtelijke liefde als van hem die naar Jezus' woord tot kind zich heeft gemaakt. En ik mag hier denken aan wat eens een dominee zei tot zijn catechisanten, toen hij hun wilde duidelijk maken met een beeld wat, en hoe, ongeveer de liefde tot God is. Hij zei: „er is een enkele maal in je leven, een mens, waarvoor je een diep respect hebt. Dat sluit liefde en genegenheid niet uit, integendeel, maar toch kun je hem nooit benaderen, hij blijft altijd boven je staan. En het lage en banale kun je met hem niet verbinden". Ik weet, dat die predikant toen voor zichzelf aan Schilder dacht. En met hem durf ik het zo zeggen en zo denken. Zulke dingen, goddeloos voor elk, die zulk een uitspraak niet mét ons ziet als een allersterkste belijdenis van de grens tussen Schepper en schepsel, kan men alleen zeggen waar men samen heel klein werd voor God en heel dankbaar voor Zijn gaven en heel dicht zich aan elkaar verbonden weet in het kindschap Gods. Maar daar kan deze gemeenschap der heiligen dan ook zulke nederige woorden aan. En daar durven wij ze zeggen nu, verbonden om een open graf, door de Geest der aanneming tot kinderen.

Een open graf. Het graf van een kind. Die bij kinderen mag zijn in hun dood. Omdat hij als hen werd, en met hen was in zijn leven. En wij, als kinderen, broeders en zusters, er om heen. Door Vader verenigd. Dankbaar, dat deze geschonken werd, niet maar aan de wetenschap, en de universiteiten, en het politieke of sociale leven, niet maar aan de christenheid, zelfs niet maar aan de gereformeerde kring of gezindte, maar aan de kerk, de kerk der kleine luiden van wie hij zo onnoemelijk veel hield en tot welke hij zich zo geheel vidst te behoren; de kerk, dat gezin van kinderen, die het Vader erg moeilijk kunnen maken, maar die ook door elkaar zich tot reformatie laten leiden als een enkele broer, weer komt laten gelden Vaders gezag, en doorgeeft Vaders Woord.

En aan dat graf, neen, aan die graven, van onze broeder, ons kleine zustertje, op dat hof van zovele doden, waaronder zovelen, als „kinderen" ontslapenen, denken wij aan een woord, dat de rotterdamse predikant K. Schilder eens schreef toen hij zich bezig hield met het thema van de „naieve christenmens" (Tussen Ja en Neen, p. 146, 147):

, men wijst op het „kind", dat Jezus in het midden stelde: „indien gij niet w o r d t als de kinderken s" En „der z o o- danigen is het koninkrijk der hern e 1 e n". Wat willen we nog meer? vraagt men. Maar men vergeet, dat deze tekst j u i s t het grootste kruis is voor de droomers van het naieve gevoel. Een kind, dat kind i s, dat wordt „naievelijk" man. Maar een man, die het bevel krijgt, niet om een kind te z ij n, doch om het te worden, d i e moet zich geweldig inspannen, en jagen naar zijn doel; die komt pas op dien weg naar het kindschap toe aan Paulus' woord: toen ik een kind was, sprak ik als een kind maar nu heb ik teniet gedaan hetgeen eens kinds was. Trouwens, hetzelfde hoofdstuk — Matth. 18 — dat het kind als model aanwijst, spreekt het „w e e" uit over iemand, die één van de kleinen een aanstoot geeft. Is daar al weer niet de eis van opzettelijke inspanning in een leven van de uiterste gecompliceerdheid? "

Inspanning. Jagen. Gecompliceerdheid. Wat is daarvan dit leven vol geweest. Maar hoe mocht het komen, reeds hier, onder ons, en nu te meer, bij de Kyrios, tot de eenvoud van het kinderlijk „model".

En hoe zullen wij nu maar God danken, en de boodschap verstaan: indien gij niet wordt als de kinderkens

„Derzulken is het Koninkrijk der hemelen".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 29 maart 1952

De Reformatie | 20 Pagina's

BIJ DE KINDEREN IN ZIJN DOOD

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 29 maart 1952

De Reformatie | 20 Pagina's

PDF Bekijken