GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Vergeten ?

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

Vergeten ?

5 minuten leestijd

Nu men van Gereformeerde zijde bij het honderdjarig bestaan van het Nederlandsch • Hervormd Kerkgenootschap zijn afkeurend oordeel «ver de machtsdaad van Koning Willem I, die dit Kerkgenootschap in het leven riep, niet onder stoelen en banken heeft gestoken, komt Ds. J. C. A. van Bemmel, van Beverwijk, in de Zondagsbode, Christelijk weekblad voor Noord-Holland, ons verwijten, dat we bij dit scherpe oordeel vier dingen vergeten hebben. Wat die vier dingen zijn, moge het volgende citaat, aan de N^ieuwe Rotterdammer ontleend, zeggen :

^Menigmaal wordt de kerkinrichting van 1816 minachtend een Staatscreatuur van koning Willem I geiioemd. Maar de schimpenden (te vinden vooral aan de zijden der gescheiden Gereformeerden) hebben vier dingen vergeten. Men vergat den treurigen toestand, waarin mede tengevolge der staatkundige gebeurtenissen van die tijden de Gereformeerde kerk in l8l6 verkeerde. Men vergat de machteloosheid dier kerk in 1816, om daarin zelf verandering te brengen. Men vergat, dat koning Willem I handelde krachtens het wel nooit door de kerk geheel erkende, maar toch altijd gedulde recht der overheid in kerkelijke zaken. Meri vergat, dat de kerk zich heel rustigjes en heel gedwee heeft onderworpen, 's könings daad' zonder protest aanvaardend. Enkele predikanten uit de classis van Leiden en Woerden en de Amsterdamsche classis spraken hare bezwaren uit in een adres aan den koning. Verreweg de grootste meerderheid was ten zeerste ingeqómen met het gewraakt Synodaal dwangbuis'."

Ds. van Bemmel, ' die, naar de Nietnve Rotterdammer meedeelt, een voorstander is van handhaving der leer in de Hervormde Kerk en dus zelf tot de , , Gereformeerden" moét bebooren, moge gerust zijn. Het viertal argi^menten, waarmee hij de machtsdaad van Koning Willem I tracht goed te pleiten, was ons heusch niet onbekend, want elk advocaat voor het rechtmatig bestaan der Hervormde Kerk had ze reeds te berde gebracht; maar wat Ds. van Bemmel zelf blijkbaar vergeten heeft, of misschien niet wist, is, dat deze bekende argumenten reeds zoo vaak en'zoo afdoende weerlegd zijn geworden, dat ze • nu wel eens eindelijk in de rommelkamer mogjiten opgeborgen worden.

Dat de toestand der Gereformeerde Kerk in 1816 treurig was tengevolge van de voorafgaande staatkundige gebeurtenissen, vooral omdat de pastoralia schier niets opbrachten en de tractementen der predikanten waren ingehouden, is volkomen waar, maar dat raakte niet den inwendigen toestand der Kerk, niet haar organisatie, maar alleen haar financieele positie. Het feit, dat de Grondwet van 1814 in art. 136 weer de uitbetaling der predikants-traktementen aan de Kerken verzekerde, was volkomen voldoende geweest, om aan dien treurigen toestand een einde te maken. De Koning had daartoe niet behoeven in te grijpen in de inwendige organisatie der kerk en haar een geheel nieuwe organisatie, die met haar wezen in stiüd was, behoeveh • op te leggen.

Dat de Kerk in 1816 nrachteloos zou geweest zijn om orde in dien treurigen toestand verandering te brengen, is een sprookje, dat men elkaar naschrijft, maar waarvoor nooit een bewijs geleverd is. De Kerk behoefde in 1816 in den financie'elen toestand geen orde te brengen, want dit was reeds geschied bij de Grondwet van 1814. En wat haar inwendige organisatie betrof, zoo had men nog overal i& r/è^röf^i'w, die"de wettige bestuurscolleges der plaatselijke kerken waren en was ook op de meeste plaatsen het classicaal verband nog behouden gebleven. Alleen de provinciale Synoden waren in 't ongereede geraakt. In de Kerk zelf echter had men zeer goed deze organisatie weder in orde kunnen brengen; de toen nog altoos geldende Dordtsche Kerkenorde bood daarvoor vanzelf het schema aan. In de Kerk zelf heeft men dan ook geen oogenblik gemeend, dat deze reorganisatie onmogelijk was. De deputaten der Zuid-Hollandsche Kerken drongen op bijeenroeping der provinciale Synoden aan, maar de Koning weigerde dit, zoogenaamd om de kosten, maarin werkelijkheid, omdat hij van een reorganisaties die van de Kerk zelf uitging, niets wilde weten. De Kerk was niet machteloos, maar werd machteloos gemaakt, orndat de Koning zelf de Kerk reorganiseeren wilde.

Dat de Koning daarbij handelde krachtens het wel niet door de Kerk geheel erkende, maar toch altijd gedulde recht der Overheid in kerkelijke zaken, is een voorstelling, die geheel uit het oog verliest de gansch _ veranderde positie van de Overheid na de - scheiding van Staat, en Kerk. Gesteld zelfs, des neen, 'dat de Overheid in de dagen der Republiek, toen de Gereformeerde Kerk in zekeren zin Staatskerk was, een dergelijk jus in sacra had uitgeoefend en de Kerk dit lijdelijk had geduld, dan nog zou dit aan. den Koning nooit de bevoegdheid hebben gegeven om na 1814 zich een dergelijk recht aan te matigen. De bevoegdheid van den Koning was door de nieuwe Grondwet vastgesteld en deze wist van een jus in sacra niets af. En wat het laatste argument JDetreft, dat slechts enkele predikanten hunne bezwaren 'uitspraken, maar dat verreweg het grootste meerendeel ten zeerste was ingenomen met het gewraakte , , Synodaal dwangbuis", zoo • ontbreekt voor deze bewering elk bewijs. Men kan alleen zeggen, dat de groote meerderheid, zonder uitdrukkelijk protest zich bij de beslissing van den Koning heeft neergelegd. Wanneer men echter weet — of weet Ds. van Bemmel dit soms niet ? — dat de Koning elk verzet tegen de opgelegde organisade onmogelijk maakte dooide classis-vergaderingen, die geprotesteerd hadden, ontbonden te verklaren en alleen aan de individueele leden de vrijheid te gunnen bij de Sj-node hun klachten in te dienen, dus nadat de nieuwe organisatie reeds ingevoerd was, dan is de lijdelijke houding van de predikanten niet onverklaarba.ir. Alen wist, wat er op stond, wanneer men tegen den wil van den Koning zich verzette. Daarom boog men het hoofd

onder het juk. Maar dat het Synodale juk door Koning Willem I op, de Kerken gelegd met groote ingenomenheid zou ontvangen zijn, is evengoed een bakersprookje als de bewering, dat de Kerk destijds machteloos was om zich zelf weer te reorgani-seeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 januari 1916

De Heraut | 4 Pagina's

Vergeten ?

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 januari 1916

De Heraut | 4 Pagina's

Bladeren