GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

De Gezangenquaestie ter Synode.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Gezangenquaestie ter Synode.

11 minuten leestijd

De Gezangenquaestie kan alleen' dan tot oplossing komen, wanneer gematigd en voorzichtig wordt opgetreden. Derhalve besloot de Synode van Leeuwarden op bet verzoekschrift, dat te krasse taal sprak, niet in te gaan; en evenmin aanvaardde zij de haar aangeboden , , Proe, ve" van den kring lot verrijking van ons Kerkgezang. Beide middelen, bedoeld om de zaak te baten, waren meer geschikt om haai' te schaden.

III

Nu d.eze beide goed bedoelde maar slecht gekozen miid'delen om-tot .uitbreiding van onze kerkliederen te komen wanen uit 'den weg geruimd, was voor de Synoide de weg gebaand om onbevMi^n^n in volle vrijheid te oordeelen over de principieele zijde dezer zaald

Zooals men zich zal herinneren, hadden de Particuliere Synoidies van N. Holland en Gelderland i) den wenis'ch uitgesproken, dat eenige berijinide Schriftgedeelten mochten woiiden toegevoegd aan den bun'del „Eieaiige Gezangen", dien we reeds lang als een aanllalngsel van onzen Psalmbundel bezitten en gebruiken. De raad der Gerei. Kerk vaü .Amsterdam-Zuid wilde verder gaan en wens^dhte; in 't algemeen dezen bundel uit te breiden met Gereformeerde fcerkliedeiien, welke hét 'den plaatselijk'en kerken vrij zou staan, nevens 'de Psalmen in dön eerédienst te gebruiken.

Over het ©igenlij'ke principe is niet eens gestreden. In Den Haag (1914) kon een voorstel om ©ene commissie te benoem'on, om te onderzoeken of het vermeerderen vaai kerkliederen in de Gereformeerde Kerken geoorloofd en gewenisdit-js, en, iu'dien zij achtte daartoe te kunu'cn adviseeren, 'bij haar rapport, als proeve, ©enige kerkliederen te voegen, die aan haar bedoeling zouden b-eantwoorden en die .zij achtte conform de GerefO'rmeerde belijdenis te zijn, geen m'eeriderheid halen, 'doch werd , mèt 36^egen 12 stelmmen besloten, lihans op die quaestie niet nader in te gaan. De tijdsonlstandigheden werden toen niet "gesdhilct geacht om deze zaak aan de orde te stellen. Over het beginsel als zoodanig sprak de Synode zich niet uit.

Thans, in Leeuwarden, biestonden die tijdsomstandigheden van 1914 niet meer, en kon de praeadviseerende öOimmisaie zonder tegenspraak te h o oren als .haar gevoelen uitspreken, dat het wenschelijk was; „aan den steeds sterker zich ppenb arenden dramg tot uitbreiding van onze kerkhederen toe te geven, daar het beginsel reeds vo'orlang door onze Kerk'en is aanvaard, 'dat nevens de Psalmen S chrif tuurlij^ke liederen, in d'e samenkomsten der gemeente mogen worden aangeheven". 2) Met een zinspeling op Col. 3:16 zeide 'de .coimmissle: Het v^'oord van Chr, istus moge rijkelijk onder ons woneai; en de gemeente zinge daarbij' den Heere met Psalmen en lofzang'en en geestelijke liederen, met aangenaaamheid in haar hart".

Het was dus nu alleen de vraag: hoever zon de Synode gaan in het to'egeven aan 'dezen drang?

Naar het inzicht der commissie mioest die vraag aldus beantwoord worden: ga zóó ver als N. Holland, met adhaesiebetuiging van Gelderland, u voorstelt.

Deze Particuliere Synode toch wilde niet verder gaan, dan dat eenige berij'mide Schriftgedeelten aan den reeds in gebruik zijtoden bundel worden toegevoegd. Met het oog op het boven gezegde gaf 'dit voorstel niet Ie weiniig. Maar het gaf ook niet te veel. „Moge PRINCIPIEEL geen bedenking te maken zijn t©g.ien kerkliedleflrlen, die niet een berijming van Gods Wooird doch ; een vrije V'ert'Olking van wat het gemoed des Christens beweegt moeten heeten, voorzoover d'ez'e m'Ct Gods Woord naar O'nze bel'ij'denis overeenfcom'en ^), — pr a et is oh isi er groot bezwaar tegen." Zoo 'staat er, dus nogi duidelijker en krasser 'dan straks, letterlijk in het rapport, en ook deze p'assage weïd 'door niemand aangevo-chten. Docli vervolgens kwamen; enkele practisch© bezwaren aan de orde, die het wenschelijk maken, binnen de 'door N. Holland getrokken grenaen te blijiven.

Alvorens dezie bezwaren te noemen, vestigen wij ide aandacht C'ropi, dat in het Synodaal rapport geen letter voorkomt van 'de door sommigen aangeheven leuze: „In Gods 'huis alleen Gods Woord". Evenmin komt er een letter in voor van hbt door Ds HuismanB ons toegedichte: „tn het kerklied alleen Gods Woond". Het is jammer, dat deze ijverige propaganiddBt voor uitbreiiding onzer kerkliederen zijn fcradhten bes'teeidt aan het vechten tegen windmblelnls en ons dingen in de schoenen schuift, waarmede wij niets te maken hebben. Zijn persoonlijke en kwetsende wijzte van betoogen daargelaten, zou'dlen we hem vriënidelijk willen vragen: schrijf toch ten minste niet zonider behoorlijk' kennis genomien te hebben van wat 'degene, dien ge bestrijdt, beweert I

Alleen om praotische reden'en rieden wij de Synode, niet verder te gaan dan het opnemen van berijmidie gedeelten van 'Gods Woord'.

Ten eerste omdat d© geschiedenis 'der Gezangenquaestie in Nederland onbevangen beoordeeling dezer zaak tot nog tO'O onmogelijk heeft gemaakt. Werd er nu een Gezangenbumdel ingevoerd, die zou, naast heftige voorstanidere, oO'k tal van verwoede tegenstanders vinden en daardoor tot een twi'stap'pel tusSchien de broeders en zuslers worden. Maar indien alleen berij'mde gedeelten van Gods Woord woiiden ingevoerd, kan 'iriemahd bezwaar maken, 'dat die de ge'meente op de lippen worden gelegd. Zoo zou een niet onbelangrijke verruiming mogelij'k zijn zon'dér dat iemand zich, erteg'eri" kan verzetten, en werld pok walt fiet verzoekschrift vroeg mogelijk, n.l. om van de heilsfeiten des Nieuwen .Verbonds te zingen in de taal der vervulling.

Ten tweede, omdat de gescihieidenis der kerken, niet het minst in het bnitenland, bewezen heeft', dat een «enigszins belangrijke uitbreiding' van de gezangen telkens dbor nieuwe wondt gjevolgd, waaxdioor ten slotte onwilleikburig de Psahnbundel naar den achtei^rond geraak, ! En dat zou Loch zeer te bejammeren zijn. Ooifc zouden we dan weer Ihet oude-getwist krijigen over d© meerdeiie of mindere rejchtzinniigheid, waaüvan we tegenwoordig toch ^ genoeg ellende beleven. Er zouden dominees, zijn, die géén gezangien, die één, die twéé, ja misschien die , niet anders dan gezangen lieten zingen. Ze ZiOudien wordeai verketterd of toegjejuicht enz. enz. Men kan in zoo iets de kerken niet dwingen, moet het in haar vrijheid laten; en dez© zouden zonder twijfel velen gebruiken , tot een oorzaak voor hetvleesch.

Wiet uit beginsel, maar omdezeod.krachtigepracK tisch© redenen wenschte de Commissie niet verder ibei gaan dan N. Holland wilde, en d© Synode vereenigde zich na kort debat met haai-vooirstel. Zij' benoemde Pïoff. Aalders, Bouwman en Hoekstra, met de predikanten Van Minnen en De Moor, benevens Mr Van Beeck Calfcoen (den. eersten onderleekenaal' < v0: a. het besproken verzoekschrift) tot deputateto voor deize zaak, met opdracht om „te trachten den bundel „Eenige {gezangen" uit te breiden met eenige andere berijmde of onberijmde gedeelten der H. Schrift, welk© het den Klerken Arrij' zal staan, nevens da Psalmen in den eeredienst t'e gjebruifcen".

De M.

Tweeërlel Schriftheschouwing.

IV (Slot)

Inhoud van de vorige arü'celen: Prof. O b bink erkent in „Bergopwaarts'', dat lifl' op den preekstoel andere dingen zegt (en ze ook a, aders zegt) daai op den katheder, en vindt het een fout van Dr. C r a m e r. dat hi]' indertijd zijn befaamde , , kritische preeken" heeft gehouden.

Toegestemd dient te worden, dat Prof. O., van ethisch standpunt gezien., konsekvventer is dan Dr. C. Immers is voor den Ethische de Sclu-ift bovenal ervaring, terwtjl ze voor den Gereformeerde openbaring is. in de ethische prediking is de ervaring van het oogenblik de hoofdzaak, maar over wat de Schrift objectief is behoort op den kansol gezwegen.

Dat standpunt is in de practijk het eenige, waarop de Ethisclieu zich lamgeren tijd kunnen h-iadhaven. De ethische richting om: sluit tal van schakeeringen. Sommigen harer leden ztja zóu behoudend, dat zij practiscii vrijwel de geheele Schrift voor hun rekening nemen. Anderen zijn het in hun Scliriftbeschouwing vrywel met de Modernen eens. In het objectieve zijn ze zeer verdeeld. In het subjectieve, de ervaring, ligt hun vereenigingspuut. Toch mogen zij de ervaring niet teveel preciseeren, obejctiveeren. Anders werkt ook dit verdeeldheid uit. Het noodzakelijke gevolg is, dat men zijn heil moet zoeken in het algemeene, het onbelijnde.

Is het dus konsekwent van den Ethische, dat hij op den preekstoel niet objectief de Schrift wil hooren spreken, maar naar de ervaring van den prediker wenscht te luisteren, in de hoop dat dit kloppen zal op wat hijzelf heeft ervaren, voor den Gereformeerde zou dit al heel inkonsekwent zijn.

Zijn uitgangspunt ligt niet in de ervaring, maar in de openbaring.

In de Schrift beluistert hij' de stem Gods. En of hij zich' nu in zijn studeerkamer bevindt, dan of hij in d© eenzaamheid over zijn bijbel gebogen zit of dat hij! opi den kansel staat, d© Schrift blijft voor hem dezelfde.

De wetenschappelijke beginselen put hij uit de Schrift.

Zijn ervaring toetst hij aan d© Schrift. De prediking heeft tot strekking h©t openen van d© Schrift en het toepassen van haar woorden op het leven.

Tweeërlei Schriftbeschouwing is bij' hem uitgesloten.

Indien eenig prediker in zijn studeervertrek wezenlijk anders over d© Schrift dacht dan hij' op den kansel deed voorkomen, zou hij' de gemeente misleiden.

Er zouden geen termen te kras zijn om zijn oneerlijkheid te brandmerken.

Tot de gemeente komt hij: met ©en: „Daar staat geschreven" en j, Alzoo zegt de Heer©".

Daarmee geeft hijl t© kennen, dat de Schrift onfeilbare Godsopenbaring is.

En zou hij; dan in anderen kring of alleen voor eigen b©v/ustzijh het beginsel der Schriftkritiek huldigen, zoo zou dit ni©t minder dau bedrog zijn.

Ook in deze moet konsekwentie gevraagd.

Natuurlijk is het iets! anders of de Gereformeerd© theoloog al wat hijl uit d© Schrift in dei studeerkamer opdiepte nu op den kansel moet breng©n.

Indien hiji dat deed, zou bij' zijn roeping niet verstaan. ' /

In een minimum' van t^jd zou zijn gehoor verloopen.

Hij zou zijn kerk doodpreeken.

De preekstoel is niet d© plaats voor geleerdte verhandelingen.

De gemeente moet daar uit het Woord iets' ontvangen voor het volla leven, voor het persoonlijk en 'het gemeenschapipelijk' leven.

De prediker behoort zich af te vragen, ho© hij' het Woord zoo diep .mogelijk in de ziel kan In­ brengen met de bede, dat de Heilige Geest aansluiting geve. Doch hij' brengt dan niet eigen ervaring, maar het Woord.

Er bestaat een zeikere term, die langzamerhand tot een cliché is geworden, maar die toch karakteristiek is: do prediker moet wegvallen.

De gemeente moet het mét het Woord te doen krijgen.

Maar daarom intefesseert het de gemeente nog niet te hooren, op hoeveel manieren een Hebreeuwsch woord wel vertaald kan worfen of welke argumenten voor en tegen d© Mijnstersche hypothese inzak© den Galaterbrief kunnen worden aangevoerd.

De Gereformeerd© hoogleeraa-r beziet op den katheder en pp den kansel de Schrift uit helzelfd© oogpunt, alleen het doel van zijn uitlegging verschilt. In het eene geval wil hij wetenschap' kwee^ ken, in het andere stichten.

Alle zweem van tweeslachtigheid is hier ver te zoeken.

Zijh wetenschappelijke en zijn practische Schriftbeschouwing harmonieeren. Zij zijn in den wortel één.

Of daarbij de Gereformeerde niet tot objeclivisme (voorwerpfelijkheidsrichting) vervalt gelijk de Ethische tot subjectivism©?

Allerminst.

De Gereformeerde staat juist naai' het subjectiveeren, het onderwerpelijk maken, het zieleleven van de openbaring, i)

Hij is van het ondervverpelijke niet ''aflceerig, maar acht het onmisbaar.

Hij waarschuwt er tegen, dat men de "Schrift niet objectief voor zich laat liggen, maar dat men zich zal beij'veren om onder de leiding des Geestes haar subjectief, haar tot een stuk van zichzelf zal maken.

Het voorwerpel'ijke en het onderwerpelijke moeten samengaan, anders is er geen zaligheid.

Iemand moet persoonlijk deel hebben aan Christus, anders gaat hij' ook' met d© rijkste kennis van de Schrift verloren.

Maar de Schrift doet ons Christus kennen. In de Schrift ligt d© objectieve grondslag.

De Ethische daarentegen blijft in het subjectieve hangen. Hij erkent het ijdele van het p'ogen om door het subjectieve toit het objectieve te komen. Daarom is hij' niet alleen subjectief, maar subjectivist.

De Gereformeerde is wars zoowel van subjectivisme als van objectivism©'.

Hij houdt vast aan beide waarheden: „Al de Schrift is van God ingegeven en is nuttig tot leering, 'tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwij'zing, die in d© rechtvaardigheid is" en: „Indien iemaad den Heere Jezus Christus niet liefheeft, di© ^ij' ©en vervloeking; Maranatha".

Gelijk ik: in het begin van dez© artikelenreeks reeds zeiide, was het mijn toeleg rechtvaardig óver de Ethischen t© oordeelen.

Ik nam hen dan 0|ok tegen onbillijke beoordeeling in bescherming.

Maar ik hield mij ook ver van al wat er op lij'ken zou, ©f ©r een brug viel t© slaan over den breeden str, 0(pm> die d© Gereformeerde van den Ethische scheidt.

Samenwerking met de Ethischen is op menig gebied z©er wel m; ogelijk.

Maar n.opit in het kerkelijke leven. Nooit op 'den grondslag der Schrift. ²).

HEPR


¹) Een. fout van de Agenda der Synode is, helaas, in ds Acta overgegaan. Op blz. 16 daarvan, sub 9, moet ni'-t staan, dat Gtelderland instemming betuigt met Amsterdam-Zuid, doch met Noord-Holland. 2) en S) Spatiëering vaia mij. De M.

¹) Niet elk deel der openbaring kan worden omgezet in ervaring. Ik werkte dit nit in mijn „De waarde van het dogma". Daarom liet ik het hier onbesproken.

²) De voorstelling, die weleens van Ethische zijde gegeven is, als zou volgais den Gereformeerde een EthiBchfi geen kind van God kunnen zgn, mocht ik, zoo ik mij wilde houden aan het bestek mijner artikelen, niet aanroeren. Om allo misverstand weg te nemen, wil ik echter verklaren, dat ik zulk een voorstelling verre van mij werp. Wie aan den Christus, niet zooals de verdichting Hem droomt, maar zooals de Schrift Hem uitbeeldt, zijn hart heeft verloren, begroet ik als reisgenoot naar het Jerusalem, dat boven is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1921

De Reformatie | 8 Pagina's

De Gezangenquaestie ter Synode.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1921

De Reformatie | 8 Pagina's