GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

PERSSCHOUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

PERSSCHOUW

17 minuten leestijd

Spaarzaam druppelen nog in onze kerkelijke pers de beschouwingen over de Synode van Arnhem.

Het besluit der Synode om te Kampen het admissieexamen af te schaffen, wordt door Dr W. H. Gispen Jr in de „Geref. Kb. van Delft" aldus toegejuicht:

De eerste week van de Synode te Arnhem bracht het besluit tot afschaffing (binnen afzienbaren tijd) van het admissie-examen aan de Theologische.School te Kampen.

Voortaan zal dus, wil men daar in de Theologie gaan studeeren, noodig zijn, dat men öf eindexamen van het Gymnasium óf staatsexamen te Utrecht doet. De Vrije Universiteit zal voor haar theologische faculteit nu wel dit voorbeeld volgen en dan zijn we met 1931 van het toelatingsexamen af.

We hebben door dat toelatingsexamen ongetwijfeld goede, zelfs beste domino's in onze kerken gekregen. Maar het wil er bij ons niet in, dat die goede krachten er ook niet komen langs den weg van het staatsexamen. En het was toch eigenlijk beneden de waardigheid van de kerken, zich met den lichtsten eiscii tevreden te stellen. Want de voorbeelden zijn er, dat iemand, die voor het staatsexamen zakte, in hetzelfde jaar voor het toelatingsexamen slaagde.

God vraagt het beste. Dat is de regel en moet gehandhaafd blijven.

En heeft men in 't geheel geen gelegenheid tot studeeren gehad en toch genialen aanleg, dan is daar nog art. 8, dat nooit zal worden afgeschaft.

Wij juichen het besluit van de Synode van Arnhem toe en gelooven, dat onze kerken er mee gebaat zullen zijn.

God en de deftigheid.

Dezelfde hand schreef in hetzelfde blad:

In de advertentie-rubriek der Christelijke bladen kan men zich 'n merkwaardig proces zien ontwikkelen.

De deftigheid is daar bezig Gods naam te verdrijven uit de aankondigingen van geboorten.

Vroeger was het regel, om „met dank aan God" kennis te geven van de geboorte van 'n zoon of dochter. En er zal wel weinig gevaar geweest zijn, dat op zoo'n moment een dergelijke uitspraak niet oprecht gemeend was.

Tegenwoordig (het trof mij de laatste maanden) vinden we zelfs van vooraanstaande GerefoiTneerden de mededeeling: „Geboren..." en dan volgt de naam van het kind en de namen der ouders. Natuurlijk ook andere formuleeringen maar God wordt niet genoemd. De reden van dit niet noemen, dat op zoo'n moment toch wel een opzettelijk verzwijgen moet zijn, is, naar ik hoorde, dat dat niet meer mode, niet deftig meer is.

Wat worden we geweldig deftig! Wie weet, misschien wel zoo deftig als de liberalen! In het noemen zit het niet! Nee, maar hier is het noemen een daad.

Zoo moeilijk is het, in veel gevallen als Christenen ook in onze manieren en omgangsvormen het Christendom te doen uitkomen. Welnu, hier is een gelegenheid, die we niet moeten verzuimen. Ons niet schamen, te uiten wat er leeft in het hart.

Onnoodig, hoewel misschien niet overbodig, te zeggen, dat ik niet bepaalde personen met dit stukje onaangenaam wil zijn. Ik wilde alleen uitdrukking geven aan mijn meening: „als dat deftig is, dan beware ons God voor zoo'n deftigheid!"

Deze God-looze deftigheid is een tegenhangster van de deftigheid van de witte das, welke vroeger in advertenties weleens tot uiting kwam. Maakte een weduwnaar niet eens per advertentie bekend, dat hij het betwijfelde of zijn vrouw wel in den hemel was? De advertenties leken soms korte preeken. Men achtte zich dit aan zijn vroomheid verplicht.

Worden we voor beide uiterste deftigheden bewaard!

Natuur en waarheid passen ook hier.

Maar dan een geloovige natuur en een geloovige waarheid. De geloovige natuur is beslist, doch sober.

HEPP.

De catechisatie.

Gelukkig heeft nog steeds het catechetisch onderwijs de volle aandacht in onze kerken. En thans, bij het begin van het nieuwe „catechisatie-seizoen" schrijven verschillende kerkbodes over dit onderwerp. Zoo lezen we in het „Noord-HoUandsch Kerkblad" een stukske van de hand van (Ds C.) L (indeboom) onder den titel: „Staden dorp":

In 't algemeen kan gezegd, dat in de dorpen het kerkelijk leven krachtiger is dan in de steden. In de dorpen wordt 't meer gedragen door historie en traditie. Ook zijn daar de gevaren minder. Vanzelf gaat dit niet overal door. Er zijn groote dorpen, waar het kerkelijk leven door vele bezwaren wordt gedrukt, en kleinere steden, waar het in zijn goeden gang weinig stoornis ondervindt. Dit zijn echter uitzonderingen. In den regel zal het voor de dorpskerk minder moeilijk zijn, te beantwoorden aan hare heilige roeping, dan voor die in de groote stad.

In één opzicht echter wint de groote stadskerk het, niet van alle, maar wel van vele kerken ten plattelande. We denken hier aan de catechisatie. En dan niet zoozeer aan de deugdelijkheid van het onderwijs. Ook niet aan de trouw, waarmee zij wordt bijgewoond, of aan den ijver, waarmee men zich voorbereidt. Maar aan den t ij d, gedurende welken er gecatechiseerd wordt.

In de steden wordt hoogstens twee maanden zomervacantie gegeven. En voorts een paar weken met Kerstmis, en ook met Paschen. Zoodat men zeggen kan, dat de catechisaties gehouden worden gedurende negen maanden per jaar.

Maar kom nu eens op de dorpen. En dan vooral op die, waar de bevolking in landbouw of veeteelt haar bestaan vindt. Hoevele zijn er, waar de catechisaties eerst beginnen na den dankdag of het dankuur voor den oogst (den Isten Woensdag in November) en reeds eindigen vóór den biddag of het biduur voor het ge was (den 2den Woensdag in Maart). De tijd, voor catechiseeren bestemd, omvat dus nauwelijks vier maanden. Waar dan nog de kerstvacantie-weken afgaan!

Er is reeds herhaaldelijk op aangedrongen, in de kerkelijke vergaderingen en ook in de pers, dat hierin verbetering mocht komen. Maar bijna altoos vergeefs. Hier zien we, dat vasthouden aan de traditie niet altijd valt te prijzen. Er zijn gewoonten, die het eene geslacht overneemt van het andere, terwijl er radicaal mee diende te worden gebroken.

Of wij dan meenen, dat hier willekeur in het spel is? Of we niet weten, dat 't het werk is, waardoor de zonen en dochters van boeren en boerenarbeiders verhinderd worden, vroeger dan November en later dan Maart te catechiseeren?

Dat met een beroep op het werk de catechisatie wordt teruggebracht tot een minimum-periode weten we zeer wel. Maar dat dit beroep geldigheid heeft voor het aangezicht des Heeren betwijfelen we.

Zelf hebben we nooit een z.g. boerengemeente gediend. Maar dertig jaar geleden hebben we gezien, wat in dit opzicht volharding en trouw vermag. In een zeer groote gemeente, niet ver van de mijne, waar de bovenomschreven misstand heerschte, kwam een predikant, die van stonde aan met heiligen ernst daartegen inging. Zijn pogen scheen vruchteloos. Maar hij liet niet af. Hij trachtte de ouders te overtuigen. Hij wist de jonge menschen te winnen. En onder Gods zegen heeft hij mogen bereiken, dat de catechisatieperiode, wel niet den duur verkreeg van die in de stad, maar toch met eenige maanden werd verlengd. En nog steeds is het in die gemeente zoo. Wat deze predikant tot stand mocht brengen, is nu traditie geworden. En nu weet men niet anders of 't hoort zoo.

Dat onze predikanten graag catechiseeren is bekend. Voor velen is het, na het preeken, 't liefste werk. Laten onze kerkeraden ten plattelande hen dan steunen, indien ze er op aandringen, den catechiseertijd èn naar voren èn naar achteren te verlengen. Men ga niet aanstonds voor allerlei bezwaren op zijde. Men ontmoedige vooral de jonge dominees niet, die met ijver en idealisme zijn bezield. Maar men neme de proef. Onder biddend opzien tot den Heere der gemeente. Onder inwachting van Zijn zegen. En de uitkomst zal verrassend zijn.

't Geldt hier zoo hoog belang, 't Belang van het zaad der kerk, en daarin en daarmee 't belang van de kerk zelve.

Wie zijn weg wèl aanstelt, dien zal God Zijn lieil doen zien.

Maar intusschen is het de vraag of het „Dorp" het iet wint van de „Stad" in getrouwheid. Ik denk hier vooral aan de zeer groote stad. Al wordt daar negen aanden van 't jaar gecatechiseerd, ik vrees, dat het 375 aantal jaren, dat de jonge menschen er op catechisatie gaan, en de ijver, die ze betoonen, niet altijd evenredig is aan den langen duur van den catechisatiecursus. Behartigenswaardig is, wat „De Amsterdamsche Kerkbode" over deze materie schrijft:

Een woord om onze ouders op te wekken, dat zij hun kinderen, die daarvoor in aanmerking komen, geregeld ter catechisatie zenden, moest eigenlijk niet noodig zijn.

Het is ook niet noodig voor die vaders en moeders, die ernst maken met de belofte, die zij bij den Doop voor het aangezicht des Heei'en in het midden der gemeente ten aanzien van de opvoeding van hun kleinen hebben afgelegd. Ouders, die iets beseffen van het groote voorrecht, dat God hun de verzorging van gedoopte kinderen heeft toevertrouwd, beschouwen de catechisatie vanzelf als een zaak van hoog belang, waarmee zij hoogen ernst maken. Zij laten dat ook aan hun kinderen voelen, door zich niet alleen op de hoogte te stellen van hun vorderingen in de voor het maatschappelijk leven noodige kennis, maar door ook met belangstelling de vruchten van dit geestelijk onderricht bij hen te volgen. Zij achten het catechisatie-uur een van de voornaamste van heel de week en laten niet dan bij hooge en dringende uitzondering toe, dat hun jongen of meisje het verzuimt. En bovenal brengt de vurige begeerte, dat dit onderwijs in de leer der waarheid voor die jonge zielen waarlijk tot zegen moge zijn, hen voortdurend op de knieën. Het kan ook bij zulke ernstige ouders nog wel gebeuren, dat later een zoon of dochter afdwaalt en de wereld gaat dienen. Dat is wel in-droevig, maar in zekeren zin staan vader en moeder dan toch vrij, omdat zij gedaan hebben wat de hand vond om te doen.

Maar niet al onze ouders voelen even sterk het gewicht van deze zaak. Er zijn soms wel-meenende vaders, maar die te veel aan het hoofd hebben, om op dat catechetisch onderwijs te letten. Er zijn soms vrome moeders, die er wel last van hebben, als zij merken, dat hun kind laksch is in het bezoeken van dit onderwijs, maar die, vooral wanneer vader ook al niet flink meewerkt, de kracht missen om er achterheen te zitten. Er zijn soms beste ouders, die overigens heel goed voor hun kinderen zorgen, maar die öf uit gemakzucht, öf uit onnadenkendheid, toe laten, dat dit ééne uurtje in de week dikwijls om de onbeteekenendste redenen wordt verzuimd — om een verjaardag hier, een pretje daar. Dat de catechisant dan verhinderd is om te gaan, wordt beschouwd als de natuurlijkste zaak van de wereld. En zoo werken dan, al bedoelen zij het niet, dergelijke ouders er onwillekeurig toe mee, dat de waardeering van de catechisatie bij hun jongens en meisjes zienderoogen afneemt. Maar als straks hun ziel gepijnigd wordt, omdat een of meer van hun kinderen onverschillig en koud aan den dienst des Heeren den rug toekeert, dan voelen zulke ouders zich niet vrij, en worden zij gekweld door een knagend zelfverwijt.

En dan zijn er ook nog vaders en moeders, die, nu ja, al houden zij den uitwendigeia vorm nog aan, zelf innerlijk al zóó zijn verarmd en verkoeld, dat er geen geestelijke invloed hoegenaamd meer van hen op hun kinderen uitgaat. Wat laden die een ontstellende verantwoordelijkheid op zich!

Om nu maar te eindigen —heel veel ouders beschouwen de catechisatie als een zaak van de kerk en van den predikant. Tot zekere hoogte is ze dat. Tot zekere hoogte, want zwaar schuldig staat elke prediker, die niet heel zijn ziel legt in het moeilijk, maar heerlijk werk van de onderrichting der jeugd in de kennis der waarheid. Maar dat ge den prediker daartoe in staat stelt door niet alleen uw kinderen geregeld te zenden, maar ook op hun werk voor de catechisatie voortdurend toe te zien — dat is, ouders uw zaak! Daarvoor zijt gij aansprakelijk tegenover den God, die ze u schonk.

De adeldom van liet Verbond der Genade geeft dure verplichtingen.

Koord....

Onder den titel: „de moord op de kinderziel" gaf het „Tijdschrift voor R.-K. Ouders en Opvoeders" een uitnemend stukske, dat we, enkele uitdrukkingen daargelaten, geheel kunnen onderschrijven:

't Gevaar is niet denkbeeldig, dat bij de huidige economische crisis de aandacht van hen, die met gezag bekleed zijn, dermate in beslag wordt genomen door de zorg, hoe aan de moeilijkheden 't hoofd te bieden, hoe er 'n eind aan te maken, dat 't hun ontgaat, dat er allerwege krachten werken, die 't begrepen hebben op de vernietiging van de christelijke lectuur. En zoo ze dan al dat sloopingswerk, vooral geleid door Sovjet-Rusland, mee aanzien: de economische ontwrichting dreigt met 'n wereldcatastrophe, die aan de propagandisten van communisme en atheïsme niet onwelkom kan wezen, en dus lijkt de zorg voor de stoffelijke belangen der volkeren twee vliegen in één klap te slaan. Echter: ondertusschen gaan de vijanden van de Christus hun gang en treden met de dag driester op. Nog onlangs brachten de bladen opnieuw bijzonderheden over de methoden, door de Amsterdamsche communisten toegepast, om de jeugd voor hun idealen te winnen en te vormen tot vinnige strijders voor de communistische gedachte. Oogenschijnlijk hebben die pogingen echter slechts 'n matig succes: curiositeitshalve worden ze gesignaleerd en de brave provinciaal, zelfs de stadgenoot schudt z'n hoofd bedenkelijk, maar beseft niet, dat 't gevaar dichterbij is, dan hij vermoedt. Wanneer we in de Limburgsche mijnstreek wandelen, dan zijn we er ons zelden van bewust, dat onder onze voeten de grond in alle richtingen is doorboord, dat daar dag en nacht menschen werken, die voortgaan 'n ondergrondsche stad te bouwen... Zoo weinig ook dringt 't tot ons door, dat 'tmollenwerk der communisten rusteloos bezig is, onder de fundamenten der hedendaagsche maat-

schappij springpatronen te plaatsen en 'n weloverwogen plan van gangen en pijpen tot werkelijkheid te maken...

Wellicht kunnen bijzonderheden over 't geen door de Christushaters in Duitschland wordt gedaan ter vernietiging van de christelijke grondslagen eener geordende maatschappij ons de oogen openen, ons, die 't ernstig meenen vooral met de opvoeding van onze kinderen. In Duitschland staan de verkiezingen voor de Rijksdag in 't teeken van de strijd voor 'n gezondere sociale politiek, maar dat absorbeert blijkbaar zoo . volkomen de aandacht der politieke leiders en hun volgelingen, dat velen blind zijn voor de ontstellende dreiging: „de christelijke cultuur is ernstig in gevaar!" Er zijn onder onze oostelijke buren ook menschen genoeg, die, als bij ons, zorgeloos de schouders ophalen en meenen, dat russische toestanden, zooals de onderdrukking van de godsdienst, de onderneming der christelijke moraal, de verwaarloozing van 't kind, bij hun niet mogelijk zijn. Maar ook: zooals bij ons berichten verklappen, dat achter de coulissen niet stil gezeten wordt, zoo-moet 't betergezinde deel van 't duitsche volk toch met schrik wakker worden bij 't vernemen van de schandelijke aanslagen, door de trawanten van de duivel gepleegd op wat den christenmensch dierbaar is. In Berlijn worden herhaaldelijk de kerken door vrijdenkers bevuild en bezoedeld, ze verstoren de godsdienst-oefeningen op Zondag, in de hoofdstad, in Saksen en elders. Ze maken de avondbijeenkomsten onmogelijk... En ze gaan daarbij systematisch te werk: elke Zondag trekken heele troepen van zulke „godloozen" door de duitsche landen, vallen priesters en geloovigen lastig, wanneer dezen ter kerke gaan, verspreiden bij duizenden vlugschriften en pamfletten, waarin de H. Kerk op de meest-onteerende wijze wordt belasterd en beschimpt, waarin wordt aangedrongen op afval. Karikaturen van Christus on de Paus worden op transparanten rondgedragen. Neen, niet alleen in Rusland gebeurt dat, maar ook bij onze onmiddellijke buren.

't Zijn vooral de communisten en de socialisten, die er debet aan zijn en die practisch 'n afdeeling uitmaken van de schandelijke bolsjewistische organisatie: De Bond der Godloozen. Ze vormen reeds 'n macht, die men niet achteloos negeeren kan en mag: zeventien honderd afdeelingen met zeven honderdduizend leden!

En ze zitten niet stil: voor geen middel wordt teruggeschrikt, als 't maar dienen kan om 't Christendom te treffen. De radio, de bioscoop, de schouwburg worden in dienst gesteld van deze satanische strijd. Zelfs de school is niet veilig voor hun aanslagen.

Onder de kinderen van zes tot veertien jaar wordt 'n onvermoeide propaganda gevoerd en heiaas: niet zonder verbijsterende resultaten.

Men schat dat nu reeds in Duitschland 'n honderd vij ftig duizend kinderen onder de in-vloed staan der vrij denkersorganisatie, geregeld door die organisatie worden voorgelicht. Dagelijks neemt dat aantal toe, zoodat 'n generatie van menschen zonder godsdienst en zonder moraal bezig is op te groeien, die al weer 't leven zal geven aan nieuwe geslachten met dezelfde opvattingen.

Op 1 Augustus 1.1. werd in Berlijn 'n anti-oorlogsmeeting gehouden. Daar zongen socialistische kinderen liederen als b.v. dit:

„Zum Teufel Iher Pack, jetzt kommen in Schrift, tm Gleichschritt und Tritt, die roten Fahnen der Aufruhrs mit. In die Knie, in den Dreck, Ausbeuter verreck!"

Door de jeugdvereenigingen werden transparanten meegedragen in de optocht: zoowel bij de Socialisten als bij de communisten waren opschriften te lezen als: „Weg met de Kerk", „Godsdienst is opium voor 't volk"... Aan de toeschouwers werden vliegende blaadjes uitgereikt, waarop stond aangegeven, hoe men zich 't vlugste en 't gemakkelijkst kan losmaken uit 't verband van 'n kerkelijke organisatie.

De moord op de kinderziel!

Naast vrijdenkers en roode stormcolonnes zijn ook bij ons zekere obscure lieden in de weer, om weer op andere wijzen de moord op de kinderziel te voltrekken.

De vieze boekhandeltjes in onze steden: verleden , week wandelden we op de Korte Nieuwe Dijk in Amsterdam: 'nstuk of wat jochies hingen er tegen de pui de schunnige plaatjes te bekijken en de vieze titels te lezen, die 'n berucht boekhandelaar daar geregeld uitstalt. Dat staat niet alleen: de schrijver van 'tWeekpraatje in „De Maasbode" vertelde indertijd, na de opzienbarende kindennoord te Rotterdam, dat er in de buurt van 's schrijvers kantoor 'nstuk of wat van die stinkende riolen hun verpestende stank uit kunnen walmen. Bleekneuzige knapen en bloedarme meisjes staan er dagelijks met ingehouden adem voor te genieten van de meest-ongezonde en gevaarlijke emoties.

De moord op de kinderziel! Hoe moeten we 't nu opvatten? Zijn publiek en politie wakker geschud door de bijzonderheden omtrent de bovengenoemde kindermoord of zijn 't de gewetenlooze schurken? Hoe 't zij: opvallend is 't toch wel, dat we tegenwoordig, sinds de onopgehelderde lustmoord in de Blijdoi-ppolder veel vaker hooren van aanslagen op kinderen of van pogingen daartoe. Er is gegist naar de oorzaak, die er de sexueel-gebomeerde kerels toe brengt, om zich te vergrijpen aan 'nkind.

Behalve de psychologische motieven mogen we zeker niet verwaarloozen: de krachten die van buiten op die menschen werken.

Wij voor ons kunnen 't begrijpen, dat iemand, die 'n sterke neiging heeft tot 't sexueele, op 'n hevige manier geprikkeld wordt op 't strand b.v., waarbij we denken aan de mislukte aanranding dezer dagen op 't stille strand van Zandvoort. Natuurlijk niet direct door 't zien van 'n zevenjarig kindje in badcostuum, dat is abnormaal, maar de bodem wordt bereid voor zulke aberraties door 't geen volwassen vrouwen, door 't geen jonge meisjes zich aan 't strand veroorloven, door de brutaliteit van scharrelende jongelieden.

De moord op de kinderziel! Van vrijende paren gesproken: 't zal nog zóó ver komen, ook in de dorpen, dat we op Zondagmiddag niet meer met onze kinderen naar bosch en hei kunnen gaan, zonder dat we gedwongen worden te kijken naar de meer-of-mindergewaagde intimiteiten van minnekoozende jongelui. Wanneer ge op Zondagmiddag, in 'n zeer bekend boscli bij een der mooiste steden van Noord-Brabant, 'n meter van de groote straatweg 't bosch ingaat, dan stuit ge op erotische festijnen, die u 't bloed naar de wangen jagen. Zelfs in kleine dorpen zijn de land-en boschpaden niet veilig voor onze kinderen en wanneer gij, ouders, uw jongens en meisjes uit fietsen stuurt op zulke middagen, dan weet ge nog niet, wat ze onder de oogen krijgen... Ieder, die niet moedwillig de oogen sluit en van z'n ervaringen 'n verstandig gebruik maakt, weet zulke gevallen met man en paard te noemen. Kunnen de ouders op fiets-of wandeltochten zelf onmogelijk mee, laten ze dan hun kinderen op 't hart drukken, op Zondag niet van de algemeengebruikte wegen en paden af te gaan. In de week geldt dat gelukkig niet, of althans zoo goed als niet. Zoolang er lieden zijn, die 't landschap bevuilen, niet door „schillen en doozon", maar door hun onl)elioorlijk gedrag, zoolang zullen wij onze kinderen moeten bewaren voor zulke vuilnisbakken-in-"t-groot.

J. W.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 september 1930

De Reformatie | 6 Pagina's

PERSSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 september 1930

De Reformatie | 6 Pagina's

PDF Bekijken