GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Dr Kuypers Rhythmiek.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Dr Kuypers Rhythmiek.

19 minuten leestijd

Het electriseerende, alles meesleepende van Kuypers optreden vjrordt ongenoegzaam verstaan, zoolang men zijn stijl buiten, beschouwing laat.

En dan natuurlijk niet zoo, alsof hij een door den Geest gedrevene was, en daarbenevens of daar buiten om taaivirtuoos door aanleg, maar geheel anders: de God die in Zijne erbarming Kuyper riep om Zijn volk in ons land uit ingezonkenheid en vernedering op te beuren en een leger Zich te bereiden, zeer gewillig tot den dag Zijner heirkracht, die God „formeerde" hem, zooals de Schrift dat noemt, en rustte hem toe met al de talenten, welke dienstig waren vooï dezen levensarbeid. Eén dier talenten is zijn majestueus beheerschen van de taal. Zóó gezien, is in deze kolommen plaats voor stilistische beschouwing van Kuypers schriftelijke nalatenschap.

We willen in dit artikel kort de aandacht vragen, scherpen zoo mogelijk, voor Kuypers rhythmiek. Niet, alsof tsalmusiek het edelste en diepste vertegenwoordigt van zijn stilistische kunst of- van den litterairen stijl in het algemeen. Het is er ver vandaan. De in het woord tot klare bewustheid zich verhelderende gedachte wordt door trilling van muziek begeleid, gesteund, gekleurd; niet omgekeerd. Althans, als het goed is.

De dwaling van '80, welke in muziek het innerlijkste wezen der poëzie letterlijk vergoodt ^), moge bij het pantheïstisch belijden van een Algeest passen, het Christelijk geloof buigt zich voor den Logos als het uitgedrukte beeld van 's Vaders zelfstandigheid.

Wel behoort het rhythme, de beweging, tot de meest subtiele qualiteiten van den stijl. De drijving van Gods Geest trilt er in na. Van dien Geest, wiens verhouding tot den Vader en den Zoon de Schrift bij voorkeur met behulp van werkwoorden omschrijft. ^)

In de rhythmische beweging klopt, en registreert zich voor wie luistert, de polsslag van het innerlijke leven. Evenzeer is 't het rhythme, dat de ziel van den 65 hoorder mee doet deinen op golven van taalmuziek. Als waar is wat Augustinus ergens zegt over de wondere kracht van den zang, waardoor woorden van heiligen inhoud ons hart in laaien brand zetten '), dan geldt, zij het ook in zwakker graad, iets overeenkomstigs van taalmuziek.

Daar komt iets bij. Ook Kuypers veelbesproken „duidelijkheid" is mede te danken aan de elasticiteit van zijn rhythme, dat de gedachte strak en soepel omsluit en zonder weerstand overglijden doet in het hart van den hoorder.

Wat is rhythme? Geordende beweging. Evenals het begrip beweging zelf, laat het zich toepassen in velerlei zin. In zijn Tractaat van den Sabbath spreekt Kuyper b.v. over den goddelijken rhythmus in het scheppingswerk, welke door onze weekindeeling wordt weerspiegeld, (p. 16)

Hier waar we gaan spreken over het rhythme in de taal, willen we er onder verstaan: de groepeering van klanken naar accent, *) tempo en pattzeering, gezien in verband met hun inhoud.

Een viertal opmerkingen, voordat we Kuyper zelf laten spreken.

In de eerste plaats moeten rhythme en metrum (versmaat) worden onderscheiden. Reeds Aristoteles formuleerde het zoo, dat het proza rhythme, maar geen metrum hebben moest.

In de tweede plaats: als we hier en daar den text van Kuyper gaan accentueeren, dan bedoelen we daarmede volstrekt niet altijd, dat o.i. zoo en niet anders gelezen worden moet.

Ten derde: onze accenten wijzen slechts aan eenige hoogtepunten in een zeer rijk geschakeerde krachtenspel.

Ten slotte wil dit artikel volstrekt geen studie bieden (die zou nauwkeurige vergelijking, uit meer dan één gezichtspunt, vragen van een uitgebreide statistisch bewerkte materiaalverzameling), het is slechts een vingerwijzing naar Kuypers rhythmische kunst, aan de hand van weinige, betrekkelijk willekeurig gekozen voorbeelden.

In De Standaard verschenen, te beginnen 24 Augustus 1872, bij het derde eeuwgetij van de Bloedbruiloft, eenige artikelen, welke later als brochure werden uitgegeven onder den titel De Bartholomeusnacht. ') „Een dag op de graven! Een dag van rouwe! Héél de kerk der Hervormden aan alle plaatse der aarde treurt."

Op voortreffelijke wijze symboliseert en wekt deze aanhef de stemming, waarin het eerste der artikeleör, reeks wil worden gelezen. Twee korte, sterk bewogen'"' uitroepen, zwaar van klank (expressief is de e van rouwe) worden gevolgd door een forscheren zin, omsloten door geaccentueerde monosyllaben en vooral in zijn tweede helft {aan alle plaatse, der aarde) schoon van klank door assonance en regelmatige accentverdeeling.

Het over 't algemeen sterk oratorisch gekleurd geschrift biedt uit rhythmisch oogpunt tal van treffende ' en bestudeering verdienende passages. Merkwaardig is b.v. dat Kuyper ook hier de Statenvertaling, blijkbaar ter wille der klankexpressie, in licht gewijzigden vorm citeert: „Diezelve dag zij duisternis. Dat God naar hem niet vrage en dat geen glans hem beschijne! (pag. 6; vgl. Job 3:4.)

Een ander staal: We gedenken onzer dooden! Onzer broederen! uu-U I UU-U I UU-UU ")

Ze hadden aan den avonddisch Gods Woord gelezen, en in het slaapvertrek op de knieën gebeden. Zoó vleiden ze zich ter ruste. Naast de sponde de wieg, en om hm legerstee de slaapsteê hunner hinders. Ze sliepen m, eést in eén vertrek. Men was genoóde ter Bruiloft, gast te Parijs.

Plotseling kraakt het met woest gedreun! De deur springt uit haar hengsels. De man vliegt óp Te laat! Een hellebaard vlijmt door zijn Ingewand. Daar spat het bloed zijner vrouw hem op de bleèke lippen. Nog stervend hóórt hij een gil — nóg een, nog een. (pag. 7.)

We wijzen slechts op eenige details. Eerst de stilplechtige inleiding, zoo geheel anders dan de vorige; dan de rustig-zakelijk klinkende mededeeling omtrent Schriftlectuur en gebed (2 X 13 lettergrepen); het ingehouden rhythme, dat het ter ruste gaan schetst; dan worden we in korte zinnen, even eenvoudig van bouw als vlot van beweging, in de rustige sfeer verplaatst van het slaapvertrek, der geen kwaad duchtende gezinnen (let op stee en kinders; omzetting van legerstee en slaapsteê zou het rhythme schaden). Te sterker (of moet ik zeggen: te ruwer? ) wordt het effect van de schril klinkende moordpassage.

In dezelfde brochure hooren we andere tonen.

In alle dapper krijgsheer pleegt te zijn een held der helden. En oók. Onder alle legerschaar van 's Heéren bloedgetuigen is een koninklijke martelaar. Die

66 vorstelijke gestalte op den Bdrtelsdag is de admiraal en veldheer, heer van Chatillón, de beste uit Frdnkrijks góéde zonen, de dapperste der dapperen, vroom onder alle knechten Gods, Gaspdrd de Coligny." (p. 11)

Let op den tweeden „zin", meer merkwaardig dan gelukkig; op den bijzonderen nadruk van het statelijke koninklijke martelaar; op het regelmatig rhythme van het eerste drietal zinnen; op het woord Bartelsdag, dat hier zoo goed den vollen vorm vervangt; maar vooral op de bewonderenswaardige introductie van de Coligny's heroïeke figuur: zes betitelingen, met sterke overeenkomst in sylbental en accentverdeeling, uitloopend op den naam zelf, die klinkt als een bazuinstoot.

In 1879 geeft Kuyper Ons Program uit, in welks Inleiding hij zich inspant zoo scherp mogelijk het onderscheid uit te werken tusschen een stembus- en een regeeringsprogramma.

Van het eerste geldt: Moét het zijn, dan een volzin. Desnoods een zins n e ê. Kan het niet anders dan een trits van zinsneden. Maar ook dan nog, élk woord scherp geteèkend; élke volzin, streng gekozen; élke zlnsneè doorzichtig als glas.... Om een klank die weerklinken, om een kreet die door merg én been kan dringen, is het te doen.

Hier is alles gespannen energie; de commandotoon van den generaal. Meer dan twee op de drie woorden zijn eenlettergrepig.

En nu de diplomatieke reserve {het uiterste der voorzichtigheid!) van wie een regeeringsprogram ontwerpt. Het aantal meerlettergrepige woorden neemt toe; de infinitieven in de tweede alinea maken de beweging slepend; het rhythme daalt. Men luistere:

Voorzichtigheid, het uiterste der voorzichtigheid, om schijnbaar veel en toch, welbezien, niet dan een minim, um van het mogelijke te beloven, is daarom, bij het opmaken van deze ministerieéle agenda de hachelijkheid.

Immers, zulk een agenda behoeft geen luidklinkende woorden of kreten voor het hart in te houden, maar wél een juist afgebakende, scherpbelijnde oplossing aan te bieden voor de quaestïcn, die men oelooft aan te zullen vatten en tegelijk het onderling wel accordeeren van deze oplossingen te doen uitkomen.

Lezen we de zinnen, waarmede Kuyper 20 October 1880 zijn beroemde rede Souvereiniteit in eigen Kring aanvangt.

Zij, in wier handen de hoogheid over deze Stichting rust, droegen mij de taak der eére op, om hun school voor hoóger onderwijs in te wij d e n, door ze op het publieke lévensterrein in te leiden bij overheid en volk. Ik hidde U, mij in ónbekróm, pene mate daarbij het stilzwijgend profijt te gunnen, van en welwillend oor en een inschikkelijk oordeel.

Met de voorname woordkeus is de statige beweging der zinnen in harmonie. Een enkele niet té speelsche woordspeling'') (inwijden-inleiden; oor-oordeel) doet aan den ernst geen afbreuk. Het aantal meerletter- . grepige woorden (waaronder cere, hidde., onbekrompene) is heel wat grooter dan in den aanvang van het zooeven besproken stuk; de woorden waarop nadruk valt zijn daaronder vooral te zoeken; haast niet één draagt het accent op de laatste lettergreep.

Zijn captatio benevolentiae steunt Kuyper door verwijzing naar den aard van deze zijn taak, die hem naar dat terrein van het publieke leven dringt waar nétels aan alle heggen branden \ en doornen U wonden bij ilken tred (2 X 10 lettergrepen). Ge voelt in zijn stem het toenemen der spanning. Aldus gaat hij voort: Immers het valt niet te verbergen, en verbloemen wil geen onzer het, niet liefde voor afgetrokken wetenschap dreef ons als Maecenaten tot dit werk aan; m, aar uitdreef tot dit gewaagde, zoo niet overmoedige pogen, was het diep ingeprente plichtsbesef, dat, hetgeen we deden, gedaan móést worden, om Christus' wil: voor den naam des Hebren; in het hoóger, heiliger belang van ons volk en ons land (uu-UU-).

Een bewogen, maar volmaakt beheerschte belijdenis is het, die Kuyper hier aflegt. Het is zeer belangwekkend den fraaien bouw der periode te bestudeeren. Eerst stijgt de lijn (tot verbergen); het aangrenzende synoniem (verbloemen) ontvangt evenzeer sterken nadruk, waarna de lijn weer daalt. Dan begint het plotseling hoog met niet liefde voor afgetrokken wetenschap; weer gaat het naar beneden. Dan verheft zich de lijn bij maar wat uitdreef om geleidelijk te klimmen tot de hoogte, waarop ze zich eenigen tijd zegevierend handhaaft. De negatieve, de afgewezen gedachte doet aldus den toon dalen. De positieve wint allengs in kracht van klankexpressie. Een kracht, welke verhoogd wordt door het aanvoeren van drieërlei motief in steeds breeder ontplooiing. *) Om nog een enkele bijzonderheid te noemen: indringend door klemmenden nadruk zijn de woorden het diep ingeprente plichtsbesef. Harmonisch loopt de periode uit in breede anapaesten. Om het contrast vergelijke men de woorden der volgende bladzijde, waarin de redenaar zijn program voor deze rede ontvouwt. Om der kortheid wil onthouden we ons van commentaar. Gij wacht daarbij, dat ik van de in te leidene School U zégge, ivat ze in Neêrlands tuin komt doen; wadrom se de muts der vrijheid op de speer zwaait; en wat ze zoo ingespannen tuurt op het boek van Gereformeerde religie.

Alvorens van deze, stilistisch zeer bijzondere, rede afscheid te nemen veroorloven we ons nog één citaat: Is dan toch dat Christendom ook in Uw oog, historisch, niet een te imposant, een te majestueus, een te heilig verschijnsel geweest, om smadelijk inéén te zinken I en óm te vallen zónder eer? (p. 37.)

Het drietal eerenamen voor het Christendom vormt naar de gedachte een climax, waaraan het stijgend sylbental beantwoordt. Maar verreweg het merkwaardigst is het chiastisch gebouwde slot (9 en 8 lettergrepen), waarvan het rhythme nauwlijks meer van metrum is te onderkennen. °)

Een proeve uit De Twaalf Patriarchen: i") de eerste schets, die over Ruben, vangt aan met de teekening van den hachelijken toestand der „kerke Gods" ^^) tijdens Jabin en Sisera.

„Maar God hielp, toen Israël alles verdorven had. En tóén stond er een vrouw op. Deborah was haar naam. En uit die vrouw sprak opeens een ivóndere kracht. En die kracht van die vrouw greep Barak aan. En Barak redeneerde niet, maar blies op de bazuin. En op het hooren van dat bazuingeschal kwamen toen Gods kinderen uit hun vlekken en dorpen en holen en stille hoeken saam. En zoó stond men opeens met een hóóp van Gods volk tegen de Idbins en de Sisera's ever. En de slag kwam. En Gód gaf het Barak om de Idbins te slaan, en niet aan Deborah, maar aan Jd'él, oók en vrouw, om Sisera den woésten kóp te verpletteren. Verlossing, vrijmaking, wonderbaar en heerlijk; en Jdbin had niets meer te zéggen, en 's Heéren volk leefde in héérlijken jubel óp, en de kerke vertoonde haar gelaat weer, en van Hebron tot aan Kades toè was er één toon des löfs voor wat de Heère HEERE gedaan had.

Maar Ruben had niét meegedaan."

Een prachtig staal van rhythmische kunst. Hoor, hoe in enkele besliste monosyllaben het opstaan eener vrouw wordt verklankt. Weer een korte zin om die vrouw te introduceeren; het tempo versnelt zich een weinig; het rhythme is stijgend. Dan in twee, iets minder korte zinnen met veerend, soms anapaestisch, rhythme Deborah's overweldigende geestdrift. Een eveneens korte zin, maar lichter van bouw, vertolkt Barak's onverwijlde activiteit. Van alle kanten stroomen de strijders Gods toe; breeder is de zin die het bedrijft; aandacht verdient het herhaalde en, het regelmatig rhythme van het laatste zinsgedeelte; het saam, welgekozen in plaats van den hier mat-klinkenden vollen woordvorm. Met een vaart schiet de volgende zin vooruit: en zoó stond met opeens met een hóóp van Gods volk In vier monosyllaben de botsing der legers, nadreunend in het opeenbotsen der laatste woorden. (Hetzelfde effect van op elkaar stootende lettergrepen keert terug in het volgende opstel: Want Simeon is de man onder het volk, die diep voelt dat Gods volk gehaat is, en nu daartegen in wil; en nu geloof met heiligen toorn mengt; en zoo opvlamt )

Sisera is verslagen. Alles is anders geworden. Vier „zware" woorden, niet één met slotaccent, bevatten het overstelpende van dezen zegen. Het besluit vormt een viertal zinnen, toenemend in lengte, de laatste vooral met geprononceerd rhythme, eerst vol lichten jubel, daarna statig bij het vermelden van 's Heeren daden. Maar hoor dan het contrast met zijn dalend en dralend rhythme, als Ruben wordt vermeld!

Van de in 1898 gehouden Stone-lectures slaan we de vijfde op, in de Nederlandsche vertaling:

In deze vijfde, d.i. op één na mijne laatste lezing, bespreek ik het Calvinisme en de Kunst.

Niet de heerschende m, ode noopt mij daartoe. Kniebuiging voor een dweepzieke kunstvereering, als thans ingang vindt, zou niet strooken met den hoogen levensernst, die het Calvinisme steeds kenmerkte, en dien het met beter dan penseel en beitel, dien het op het slagveld m, et zijn zwaard, op het schavot met het kostelijkst bloed bezegeld heeft.

Rustig vloeit de openende zin, met vijf tweelettergrepige woorden, waarvan telkens de eerste is geaccentueerd (deze, vijfde, m, ijne, laatste, lezing). Karakteristiek is hier mijne.

We willen hier even naast leggen de eerste regels der volgende lezing: De taak, die ik óp mij n& m, spoedt ten einde. Ik ben aan mijn laatste lezing toè (tot drie malen toe - u-). Van de zeventien woorden zijn er niet minder dan veertien eenlettergrepig. Het rhythme doet gevoelen, dat de arbeid afgesloten wordt; mijne is hier ondenkbaar.

Om tot de vijfde voordracht terug te keeren: de redenaar begint met een mogelijke veronderstelling ver weg te werpen: niet de heerschende mode noopt mij daartoe. De negatieve strekking remt het fraaie rhythme met samengebalde kracht.

Intusschen, de korte uitspraak vergt rustige motiveering. Deze volgt in een nog steeds ingehouden, dalend rhythme. Woorden als kniebuiging, dweepzieke (kunstvereeringf), levensernst, kenmerkte, op de eerste syllabe het sterkst geaccentueerd, typeeren de ernstig afwijzende houding van den Calvinist. Maar diezelfde Calvinist leeft niet van negatie alleen: en dien het met beter dan penseel en beitel Hoor nu de plotselinge verandering van toon. In deze tweede zinshelft, die ongeveer evenveel ruimte druks beslaat als de eerste, vennenigvuldigen zich de monosyllaben, belangrijke woorden als penseel, zwaard, schavot, bloed, ontvangen het accent op de laatste of eenige lettergreep.

Het Calvinisme is „en marche"

Thans het schoone slot der lezing: Dat in de latere periode het Protestantisme dezen schoonen aanloop afbrak, moet toegegeven.

De trochee overheerscht, althans in de tweede helft: de stemming welke de gedachte begeleidt, is meer negatief.

Een ongezond spiritualisme is uit de anabaptistische kringen ten leste ook onder ons ingeslapen, waartegen thans eerst weer de ban zich richt. Zoo zwaar het rhythme blijft, terwijl de pijnlijke diagnose wordt gesteld, zoo energiek en fier spant het zich, zoodra er sprake is van den (immers met succes) aangebonden strijd.

Bij analyse vinden we bijna uitsluitend jambisch geordende monosyllaben.

Maar als van Roomsche zijde, met algeheele miskenning van dit ons schoon verleden ook op muzikaal gebied, het Calvinisme van aesthétische botheid wordt beschiildigd, dient tóch herinnerd, hoe de geniale Goudimel, in den Bartholomeusnacht, juist door Roómsch fanatisme is vermoord geworden; iets wat van zélf tot de vraag leidt, of niet het récht verbeurde om over de stilheid in het woud te klagen, wie met eigen hand den nachtegaal ving en vermoord had. < -uu-uu-u). ^^)

Ook nu, als in de brochure van 1872, wordt Rome de grijwel van den Bartholomeus-nacht verweten. Maar welk een verschil in toonaard! Ginds de kwalijk bedwongen hartstocht van een jeugdig en onstuimig journalist; hier de bedachtzame en gerijpte beslistheid van één, wiens woord tot in de nieuwe wereld reikt en gezag heeft.

De periode is lang, doch allesbehalve log of ondoorzichtig; haar drie geledingen vertoonen aan het einde even zoovele stijgingen: het Calvinisme van aesthétische botheid wordt beschuldigd — juist door Roomsch fanatisme is vermoord geworden — wie met eigen hand den nachtegaal ving en vermoord had.

Na het zware rhythme, waarin de Roomsche aanklacht is uitgesproken, volgt kort en rustig: dient tóch herinnerd

Maar in de tegenaanklacht aan Rome's adres is de vorm vermoord zonder gezvorden te licht.

Zeer merkwaardig is in het slotgedeelte de tegenstelling tusschen den rustigen aanhef en het veerkrachtig forsche rhythme van den laatsten zin. De grammatica wordt hier het zwijgen opgelegd: gevangen voor ving zou een veel te sterk jambisch effect hebben gegeven. ^^) Maar waarom niet vermoordde? Vermoedelijk, omdat de voorafgaande dactylen zwaarder slotsylbe verlangden. Een Kuyper kon zich zooiets veroorloven.

We beëindigen onze bloemlezing met een kort citaat uit Nog in den Band van voorheen, door den tachtigjarige geschreven ten dank voor een hem door leerlingen en oud-leerlingen der Vrije Universiteit gebrachte hulde. Nog altoos is de stijl meesterlijk, het rhythme vloeiend en rijk. Maar er is niet meer de stuwende kracht van vroeger dagen. Een enkel voorbeeld :

Zoo durf ik dan ook de hope koesteren, dat deze verwdkkering van onze universitaire existentie, waartoe mijn tachtigjarig feest thans aanleiding mocht geven, weer het bestand van ons universitaire léven bevestigen zal

De verfomfaaiing van ons principieéle optreden, waarin de tegenstander reeds genieten ging, bleek zelfbedrog te zijn. (p. 38.)

Is het niet, alsof het accent zich heeft teruggetrokken, alsof de polsslag van het rhythme trager gaat?

Het Neoplatonisme had, door scheiding te brengen tusschen symmetrie en maat aan de eene en schoonheid aan de andere zijde, het aanzijn geschonken aan een aesthetiek die alleen in het geestelijke een object van genieting vond barer waardig. Dit was niet met de Schrift te rijmen. Augustinus, zelf rhythmischschrijvend taalkunstenaar van hoogen rang, heeft dien Heidensch-mystieken geest ook op dit gebied teruggedrongen.

Calvijn ^''), wiens geestelijke physionomie zoo hardnekkig door de kwaadwillige legende is misteekend als alle kunstontplooiing gram, Calvijn toont bijzondere voorliefde voor de grootmeesters van den periodenbouw : Demosthenes en Cicero. In overeenstemming daarmede verlangt hij voor de Geneefsche studenten onderricht in de rhetorica en stilistische training. Wars van alle ongebondenheid in den stijl, laat hij bij het

schrijven zich leiden door een fijn gevoel voor evenwicht en harmonie.

Kuyper, dien we onwillekeurig zien als derde in de rij, toont in lederen zin souvereine taalbeheersching, ook, zooals we poogden te illustreeren, ten aanzien van die kunst, waarbij het „maat"-begrip al heel nauw is betrokken: de kunst van de rhythmiek. Als Calvinist zag hij de beteekenis en de waarde van den „vorm", in den ruimsten zin des woords genomen, helder in. Aanzie den Vader der lichten! zoo roept hij zijn studenten toe ^^). Is in zijn schepping dan ooit de vorm, afwezig, en is niet bij het kleinste blad en het nietigste insect die vorm, op het kunstigst afgewerkt? . ..

De vorm is de hydraulische boor, waarmee hetgeen ge de maatschappij straks te zeggen hebt, er bij haar in moet.... Ge kunt er niet buiten, daar hangt Uw opgang. Uw toekomst. Uw invloed aan. Die zal over de vraag beslissen, of ge in de wereld der wetenschap kracht verspillen of kracht tot haar doel brengen zult; dat wil zeggen, of ge aan uw van God gegeven roeping zult beantwoorden, of die roeping zult verzaken.


1) Zie b.v. Albert Verwey, Inleiding enz. blz. 10 en 109.

2) Bavinck, Ger. Dogm. II*, 322.

3) Conf. X ii.

4) We bedoelen het z.g.n. drukaccent, waarmede in onze taal het muzikale veelal op en neer gaat. Op het uiteenbuigen van beider lijnen gaan we hier niet in. Of de „klankvorm" in de definitie van 'het rhythme moet worden opgenomen, achten we te betwijfelen. Verder verwijzen we gaarne naar de leerzame studiën over rhythme van Dr G. S. Overdiep in zijn Beknopte Nederlandsche Versleer, Onze Taaltuin en Stilistische Grammatica.

5) Amsterdam, De Hoogh & Co., 1872.

6) Deze teekens hier en later niet ter aanduiding van den tijdsduur der lettergrepen.

7) Ook zeer geliefd bij de Klassieken van Hellas en Rome.

8) Dit toenemen in breedte is welbekend uit de rhetorische praktijk en theorie der klassieken. Zie b.v. Cicero, De Or. 3, 48, 186.

9) Het is haast alsof men den socialistischen dichter Adama van Scheltema hoort:

„Die voor een nieuwe wereld vechten en sterven voor 't 'beloofde land !"

10) Amsterdam, Wormser, z.j. (verschenen Nov. 1887, zie RuUmann, Kuyper-bibliogr., II, p. 199). Het citaat is ontleend aan pag. 2.

11) Een veelgeliefde uitdrukking van Kuyper, vermoedelijk evenzeer om haar rhythme als om haar ardhaischen klank.

12) Volgens Cicero {De Or. 3, 47, 182) zijn twee achtereenvolgende dactylen in proza geoorloofd, of zelfs iets meer.

13) De Engelsche uitgave heeft (who with his own hand) has caught and killed the nightingale.

14) L. Wenceliiis, L'Esthétique de Calvin, Paris (z.j.) p. 344 en volgende.

15) Scolastica I (1889), p. 28/9.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 oktober 1937

De Reformatie | 48 Pagina's

Dr Kuypers Rhythmiek.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 oktober 1937

De Reformatie | 48 Pagina's