GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

VERLEGENHEIDS-„CULTUUR”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERLEGENHEIDS-„CULTUUR”

15 minuten leestijd

LITERATUUR EN KUNST

We zien in het boek van Dr Buitendijk „Op de keper beschouwd" een poging om inderdaad te komen tot, wat de uitgevers op het stofomslag aankondigen: „een nieuwe grondslag voor een nieuwe christelijke literatuurbeschouwing''.

• Daar hij het in dit werk niet alleen over de literatuur heeft, maar de cultuur in haar verschillende sectoren: bioscoop, film, toneel, dans enz. bespreekt, kunnen we, zonder bezwaar te worden tegengesproken, deze poging betrekken op het gehele culturele leven, waarbij hij dan het Kuyperse standpunt van de gemene gratie loslaat om over te stappen naar het uitgangspunt van Prof. Huizinga met diens „Homo Ludens"-theorie, waarbij de kunst de traditionele cultuuropvatting zou te buiten gaan, omdat kunst n.l. ten dele „spel" is, en spel is scheppingsfunctie, zegt Huizinga.

Nu vragen wij ons af: hoe komt men aan de behoefte deze nieuwe theorie, nota bene nog overgenomen van humanistische zijde, te nemen tot basis voor een „nieuwe christelijke beschouwing"?

Wij menen, dat het enige antwoord kan zijn: verlegenheid., de

Men staat immers voor de praktijk en die laat zich niet dwingen.

Die praktijk is, dat een groot deel van wat wij noemen , , het gereformeerde volk" naar de bioscoop en naar het toneel en naar de schouwburg loopt.

In het documentaire boekje van J. Das: , , Wij en de film" lezen we (bladz. 5): „Het pijnlijke van onze positie tegenover de bioscoop is, dat het onder ons geldende officiële standpunt hoe langer hoe minder te maken heeft met de onder ons gangbare praktijk". En op bladz. 51 lezen we: „Wie een indruk wil hebben van de stand van zaken, leze het enquête-verslag in het nr van 15 October 1948 van het weekblad „Trouw". Het leidt geen twijfel of in grote delen van ons land gaat het merendeel van onze jonge mensen naar de bioscoop, maar zij doen dat op hun manier heel verstandig".

Toen in 1947 de z.g. „christelijke bioscoop" in Den Haag geopend werd (een feit, waarvoor een gere-

formeerd predikant op een der kansels Zondags God dankte), constateerde men in een circulaire, waarop ook namen van bekende gereformeerde predikanten voorkwamen, dat vóór de oorlog de bioscoop voor de christen geen probleem was. Immers toen stond men er afwijzend tegenover. Na de oorlog werd dat echter geheel anders. Met onweerstaanbare drang kwam het verlangen naar de film naar voren. Deze „onweerstaanbare drang" werd dan verklaard uit de behoefte om het oorlogsgebeuren op de film te kunnen gaan zien. Dit laatste motief zullen deze heren er vandaag waarschijnlijk wel niet meer bij laten drukken.

Er verscheen in 1948 een , , verklaring", gepubliceerd in het dagblad „Trouw", ondertekend door mannen, w.o. zich bevonden Prof. Berkouwer, Dooyeweerd, Waterink e.a. en waarin werd geconstateerd en waarvan het uitgangspunt was het feit, dat méér dan de helft van de leden der Protestantse kerken in Amsterdam de bioscoop bezoekt, voor welke praktijk dan de noodzakelijkheid van „goede leiding" wordt geëist.

Men ziet, dat men uitgaat van het „verlegenheidsstandpunt". De praktijk is er eenmaal en nu moeten we trachten te vinden de beste oplossing, om die praktijk in goede banen te krijgen.

Een opmerkelijk ding is, dat we reeds in het begin der twintiger jaren in de pers klachten lezen over het toenemend bioscoopbezoek in christelijke kring. Het kwaad is heus niet van de laatste tien jaren, en èr is geen enkele reden om hier over het „probleem der jongeren" te spreken. Het zou zijn nut gehad kunnen hebben, wanneer men toch „enquêtes" aan het Instellen ging, eens een onderzoek in te stellen naar wat de ouders van de bioscoop-bezoekende jeugd in hun tijd gedaan hebben. Ik heb een sterk vermoeden, dat we tot de ontdekking zouden komen, dat het bioscoopbezoek een kwaad geworden is, dat met zijn diepste wortels in het gezinsleven zijn voedingsbodem heeft gehad. Hoe zijn of waren de gezinnen? Hoe stonden de ouders er tegenover in hun eigen jeugd? Waar komt hun slappe houding vandaan? Er zijn ook vandaag gelukkig nog jonge mensen, die geen voet in de bioscoop zetten. Maar uit welke gezinnen komen dezen ?

Wanneer we dit vraagstuk eens gingen ontleden, zouden we waarschijnlijk nog bij andere „problemen" terecht komen dan bij , , cultuur"-problemen en waarschijnlijk de oorzaak van onze „verlegenheid" beter peilen, dan met al ons filosofisch gewroet om tot een „nieuwe christelijke cultuurbeschouwing" te komen.

Een ander opmerkelijk ding is, wanneer we zo eens de gang van zaken in de loop der laatste dertig jaren nagaan, de langzaamaan gewijzigde opinie onder ons ten aanzien van dit kwaad.

Wie in het bezit is van de jaargangen „Cijfers en Feiten", moet dat zelf maar eens controleren. Deze jaargangen bevatten wat zoal in de pers gestaan heeft over allerlei belangrijke onderwerpen. Daarbij behoort ook het bioscoopbezoek.

In de eerste jaargangen vindt men algemeen een sterk afwijzende houding tegenover dit kwaad. Fel wordt er gefulmineerd tegen de ouders, die hun kinderen maar laten gaan. Er wordt gewezen op het slechte catechisatiebezoek tengevolge van het bioscoopbezoek enz. Maar allengs verandert dat. Op de duur begint het een „probleem" te worden en tenslotte komen we terecht bij de poging te geraken tot een nieuwe „oultuur"-beschouwing.

Dit proces lijkt wel wat op wat we kennen uit de historie van de terugkeer van Keizer Napoleon uit Elba naar Parijs. Toen hij pas ontvlucht was, schre-ven de Parijse bladen over het „monster" dat ontvlucht was, maar dat wel weer spoedig zou zijn gekooid. Toen Napoleon vaste TJ-oet. aan wal zette heette het, dat de „tyran" Frankrijk bereikt had, maar wel weer gevangen zou worden genomen. Een legercorps was reeds uitgerust om hem tegemoet te treden. Toen hij zijn bekende „route de Napoleon" maakte, veranderde de toon van de Parijse pers. Het heette, dat Napoleon nog steeds nader kwam; daarna dat de „gewezen keizer" naar het Noorden optrok met een klein gevolg en weldra de legers van Parijs tegenover zich zou vinden. Toen die , , legers" hem bereikten en zich zonder slag of stoot aan de zijde des keizers schaarden, vertelden de Parijse bladen, dat de „Keizer" op weg was naar de hoofdstad. En tenslotte werd de lezers bericht, dat „zijn Keizerlijke Majesteit spoedig in de hoofdstad zou aankomen om zijn rechtmatige plaats op de troon te hernemen".

Welnu, zo is het ook een beetje met de pers ten aanzien van de bioscoop gegaan. Men is op zoek naar verlegenheids-argumenten. En men kan daar zware enquêtes over samenstellen en de namen van gewichtige heren onder plaatsen, dikke boeken vol culturele geleerdheid over uitgeven en congressen over beleggen. Het brengt ons allemaal geen steek verder, eenvoudig omdat het vraagstuk niet aangepakt wordt waar het behoort aangepakt te worden. Men zwicht voor de praktijk, zoals Parijs voor Napoleon gezwicht is.

En waar men dan tenslotte blijft?

We kunnen het niet beter zeggen dan Professor Greijdanus het eens in ons blad gezegd heeft, nu vijf jaar geleden. Hij heeft het in het nr van De Ref. van 19 Nov. 1947 over het argument, dat wordt aangewend om alles een „christelijke" kleur te geven en waarvoor men filosofische gronden zoekt in het bekende adagium: „Geen duimbreed grond waarvan Christus niet zegt „Mijn"; en waarvoor teksten dienst moeten doen als: „Alles is Uwe". Het citaat is wat lang, maar toch wel waard nog eens voor de aandacht van onze jonge mensen gebracht te worden. Hij schrijft:

Alles Is uwe, n.l. voor u, geloovigen in Ohristus Jezus. Wat kunnen wfl dan genieten en een. leventje van pleizler leiden. Denk u eens In. Dan is het bier van ons, en de jenever, en < Je brandewijn, en de cognac, en de chajnpagne. Wel, dan kirnnen we drinkgezelschappen oprichten.

Natuurlijk christelijke. Christelijke blerclubs, christelijke brandewijn- en jeneververeenigingen, christelijke champagne-sociëteiten. Want natuurlijk, wij moeten belijdenis doen van ons Christelijk geloof. Dat alles Is niet het onze om onzentwil, door ons eigen werk, maar ons geschonken om Christus' verdienste en door Hem ons genadig gegeven. Het is alles eigenlijk het Zijne. Maar omdat wij van Hem zijn en in Hem gelooven, daarom is het ook van ons. En daarom moeten wij dat ook doen uitkomen, openlijk a.h.w. proclameren. En daarom bij alles er bij: christelijk, en dat voorop. Op die wijze belijden wij dan voor allen, dat het alles m waarheid van Christus is, en dat het het onze slechts is in Zijne gemeenschap, om en door Hem, zonder eenlge verdienste onzerzijds, uit loutere genade.

Derhalve: christelijke drink- en drankgezelschappen, christelijke bier- en jenever- en brandewijngroepen, christelijke champagnegelagen.

Maar daar kan het natuurlijk niet bij blijven. Alles is immers het uwe, d.w.z. den geloovigen in Christus Jezus. Dus ook voetbalspel en bridge- en kaartspel. . Want die voetballen en die kaarten behooren toch ook tot alles. Dat Is dus ook het uwe, het onze. En dus mogen we daarmee ook spelen. Natuurlijk christelijk. Dat spreekt. Christelijk voetbalspel, christelijk kaarten bridgespel. Evenals christelijk bier- en jenever- en cognac- en champagnedrinlten. Natuurlijk, het moet alles in mate en wijze christelijk toegaan. We zetten dan voor alles ook het woord christelijk.

En dan is daar nog meer.

Daar is de dans. Daar is de bioscoop en chineac. Daar is het tooneel en de schouwburg. Daar is de film. Alles is uwe. Dus christelijke dansvereeniglngeu en christelijke dansen. Christelijke cineac en bioscoop. Christelijk tooneel. Christelijke schouwburg. Christelijke film. Alles is uwe, want alles is van Ohristus. En dus aan het werk. TTegenwoordige, zoowel als toekomende dingen, zijn de uwe, de geheele wereld, alles. Daar is geen duimbreed op heel het erf van ons menschelijk leven, waarvan de Christus niet zegt: Mijn! Welnu dan, opgestaan, de handen uit de mouwen, fluks aan het werk, jongen en ouden, vereeniglngen opgericht, , verbonden gemaakt, organisaties m elkander gezet. Daar moet door u gedanst worden. Gij moet naar de cineac en naar de bioscoop. Gij moet toonelspelen en naar den schouwburg. Gij moet zien filmen te krijgen en te laten draaien.

Natuurlijk, alles christelijk. Daarom begint ge alvast met bij al die vereenigingen voor die onderscheiden doeleinden het woord christelijke te zetten. Dat geeft richting aan. Daarmee bekent gij kleur. Daaruit spreekt een twee- of drievoudige belijdenis: alles is eigenlijk alleen van Christus; van mij is als zoodanig niets; het is alleen het onze slechts voor en door Christus. En dan danst - gij, maar natuurlijk, christelijk, evenals gij christelijk bier drinkt, of cognac, of champagne, of brandewijn en jenever. En gij gaat christelijk naar de bioscoop. En gij speelt christelijk tooneel. Dat spreekt aJles als vanzelf. En zoo natuurlijk ook een christelijke schouwburg.

Hier zou nog veel meer te noemen zijn. Alles omvat toch zooveel. Maar op ééne zaak zij nu nog gewezen. Daar ginds staat een gebouw. Het is ^ zooveel meter breed, en zooveel meter diep of lang, en zooveel meter hoog. Sprak dr A. Kuyper dus van een duimbreed, hier zijn vele en vele duimbreedten. Dit gebouw is ingedeeld en bevat een aantal grootere en kleinere vertrekken, kamers, kamertjes. Alle zijn gemeubileerd, hetzij rijker, hetzij soberder. Er bevinden zich mensohen in, jongere en oudere meisjes en vrouwen. Men noemt dit gebouw met zijn inwonenden 'n bordeel. Dat gebouw met meubilair is van den Heere Ohristus, en die menschen zijn van Hem. Dat alles heeft de wereld dus ook al weer gestolen. Nu kunnen wij tegen dergelijken diefstal weinig doen. Maar moeten wij de wereld niet voor Ohristus veroveren? Is daar eenig „terrein", dat niet van Hem is? En moeten wij nu niet, gelijk we immers bioscoop, film tooneel enz. voor Hem veroveren moeten, en dus christelijke bioscopen, christelijke films, een christelijk tooneel, moeten zoeken te verkrijgen, ook het „terrein" van het bordeel voor hem zoeken te veroveren? Is dus onze roeping niet, om een christelijk bordeel op- en in te richten? Goed verstaan natuurlijk: christelijk. Evenals wij christelijk moeten bier- en champagnedrinken, en christelijk moeten tooneelspelen, zoo zullen we ook christelijk moeten hoereeren. Hoe dat kan en moet, is misschien nu nog niet voor allen volkomen duidelijk. Maar dan kunnen daar christelijke vereenigingen voor opgericht warden, die in dezen de noodige inlichtingen verschaffen.

Want alles is alles. Geen , .terrein" mag hier uitgezonderd worden. Elke duimbreedte van het menschelijk leven is des Heeren.

En dus

Wat zijn wij, christenen, geloovigen in Christus Jezus toch rijk: alles is uwe. Wat kunnen we genoeglijk leven: eten, drinken, cognac, champagne, dansen, tooneelspelen, enz. enz., maar natuurlijk, alles christelijk, dat niet vergeten, en daarom bij alles duidelijk er vóór zetten: christelijk.

Ja, dat hebben we nu samen alles zoo prachtig logisch uit de Heilige Schrift afgeleid: alles is uwe, in Christus. Wat een leventje naar ons vleesch mogen

we leiden. Natuurlijk n3, ar ons christelijk vleesch. En om dat steeds goed te doen uitkomen, moeten we voor alles het woord christelijk zetten. Dat is eene openlijke belijdenis.

Ja. maar, ik weet niet of het u gaat als mij, maar, ik ben toch niet heelemaal gerust. Ik vrees, dat wij in onze zoo mooi sluitende redeneering ergens een fout gemaakt hebben, zoodat wellicht ons gansche betoog één groote waanredeneering is. Waarom ik dit vrees? Zie, diezelfde apostel Paulus, wiens woord wij bespraken, en die schreef: alles is uwe, die schreef ook, en in denzelfden brief, en zelfs nog later in dien brief: Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zoo zijn wij de ellendigste van alle menschen, I Cor. 15 : 19. Hoe nu? Alles het onze, en desniettemin de ellendigste van alle menschen, als we alleen in dit leven op Christus zijn hopende? Alles het onze, en dus eten en drinken en spelen naar onzen lust, en dan nog de ellendigsten van alle menschen? Hoe zit dat?

Ja, daar zal wel heel wat achter en aan vast zitten. Maar ge zult kunnen begrijpen, dat mij dat woord wel doet twijfelen, of onze mooie redeneering wel zoo zuiver is. Zou zij misschien een gansche misleiding kunnen wezen?

Ik weet dat.er, óók onder hen, die zich vandaag nog gereformeerd noemen, geglimlacht wordt over dit „rechtUjnig denken" van deze Kamper Professor. Ik weet ook, dat er zijn, die zullen zeggen: , , deze man was volkomen weltfremd" en er de schouders meewarig over ophalen. Er zullen er ook zijn, die het een „verouderd en bekrompen standpunt" zullen vinden, waarmee vandaag nog onmogelijk , , geopereerd kan worden", nu de praktijk om heroriëntering" roept.

Maar hiertegenover merken wij op, dat onze gereformeerde vaderen nooit een ander standpunt hebben ingenomen; dat zij toneel, dans en kaartspel in gereformeerde kring contrabande achtten en dat dit lange tijd als een goede traditie in onze kringen gegolden heeft. Waren die vaderen „bekrompen" ? " Ze hadden breder blik dan menige bioscooploper en toneelklant van tegenwoordig. Waren ze dompers? Sombere calvinistische zwartkijkers, kerels met hoge rouwhoeden en lange lamfers en bleke tronies, cultuurhaters, zoals de moderne romanschrijvers bij voorkeur de Calvinisten tekenen? Wie dat denkt kent de historie niet. Ze hebben méér levensvreugde en gezonde blijmoedigheid van geest gekend, dan de verlepte en verbleekt-nerveuze bioscoopmaniakken van vandaag.

Niet „kultur-fahig", maar , , kultur-feindlich", het standpunt van de oude Greijdanus? We schreven reeds eer: laat men liever van „genotsproblemen" van van „cultuurproblemen" spreien. We denken aan het slot van het boekje van Prof. Schilder: C h r i s t u s en C u l t u u r : j, Gezegend mijn verstandige wijkouderling, die goed huisbezoek doet: een cultuur kracht, al weet hij 't waarschijnlijk zelf niet. Laat ze maar om hem lachen: ze weten niet wat zij doen — die cultuurslampampers van de overkant."

En we herinneren tevens aan wat hij in deze studie zegt op bladz. 67: , , Vandaar, dat, toen de wereld topzwaar was van een verziekte, d.w.z. God niet als Eigenaar van de kosmos erkennende, de dingen uiteenrukkende schijncultuur, en dus van cultuur-verwording, een handjevol eenvoudige gildewerkers in klein-aziatische stadjes, werklui, die door de prediking van Christus' evangelie weer geleerd hadden, God te dienen in hun handwerk, zo vaak zij een stuk leer gelooid, een tent gebouwd, een gilde-taak volbracht hadden naar hun plicht, met het oog op God, meer betekende, óók, juist, voor de cultuur, dan heel de hofstoet van de caesar in Rome, die zijn paleizen had, en zijn danseressen, en lauwerkransen, en maecenassen, en een wereldstad. Vandaar dat, als op zekere dag een escorte van gevangenen Rome binnen geleid wordt, onder wie ook een zekere Paulus, deze Paulus dan óók, juist, voor de cultuur, meer betekent dan heel het toenmalige cultuur-dronken Rome; dat hij een omkeer betekent, in onderscheiding van al de groten, die daar aan te touwtjes trokken. Hij, die zichzelf een „miskraam" noemt. O, ja, zegt iemand, dat is waar; want Paulus zou later in zijn „volgelingen" cultuur scheppen. Neen, zeggen de engelen, hij schiep tóén, op datzelfde ogenblik, cultuur ; 'n gave mens kwam daar binnen, 'n mens Gods in dat verlepte, corrupte Rome, een tentenmaker en een filosoof, een theoloog en missionair; één die de keizer in de ogen durfde zien, ook als déze het hém niet meer zou durven doen ".

We moeten vandaag over deze woorden maar eens

goed gaan nadenken. -

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 juni 1952

De Reformatie | 8 Pagina's

VERLEGENHEIDS-„CULTUUR”

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 juni 1952

De Reformatie | 8 Pagina's