GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJK LEVEN

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

KERKELIJK LEVEN

19 minuten leestijd

Prof. Hepp over de zieL (I.)

Bij de N.V. Uitg.-Mij J. H. Kok te Kampen verscheen van de brochurenreeks van Prof. Dr V. Hepp nr 2, handelende over „het voortbestaan, de onsterfelijkheid en de substantialiteit van de ziel".

Dadelijk na verschijning der eerste brochure spraken we onze meening uit. Wijl evenwel deze eerste-in-de-rij niet bewees, doch alleen beweerde, en bepaalde personen zonder nadere aanduiding uit de hoogte veroordeelde, met name door den niet „in het latijn" vertaalden term van „oorspronkelijkheidsziekte" op hen toe te passen, konden we met een kort woord volstaan. Hoewel Dr Colijn voor een deel geciteerd werd (toen hij het had over een vergrootglas, dat zelfs niet in staat was, het gewicht van sommige kwesties te doen zien), werd voor een ander deel diens pium votum inzake in het lat ij n elkaar bekampende broeders niet overgenomen; al komt het elders nog al eens voor, als men een „diagnose" stelt. Het harde woord „oorspronkelijkheidsziekte" schijnt me althans Nederlandsch te zijn.

Nu, men weet het: ik voel ook voor dat latijn niet. We zullen dus Prof. Hepps brochure ietwat van nabij gaan bezien. Want er staat nog ander echt Hollandsch in: afwijking van de belijdenis. Het ééne lid der „commissie van acht" is al klaar met zijn oordeel, en met de publicatie ervan voor wat dit bepaalde punt betreft. We hebben 't trouwens niet anders verwacht.

Verdienste heeft deze brochure ongetwijfeld. Niet daarin, dat ze nog steeds geen namen noemt. Dat acht ik een zeer stellig gebrek. Maar op één punt heeft ze boven haar voorgangster verdienste; ze is een heel klein tikje duidelijker in de aanwijzing van personen. Al wordt blijkbaar de heer A. Janse fel aangevallen (ik noem wèl namen, de heer Janse heeft het trouwens zelf gedaan), toch heeft de auteur zich niet tot hem beperkt. Hij spreekt herhaaldelijk over een „richting", die het met een door hem dan geciteerd schrijver eens is. En een enkele maal is hij zelfs vrij duidelijk. Zoo op bl. 70. Daar lezen we — en dat zou me tot vóór de verschijning der eerste brochure nog verwonderd hebben, thans helaas doet het dat niet meer—, dat volgens Prof. Hepp „bij het afwijkend gevoelen" „scherpe onderscheiding" „wordt gemist", „ook wat de Grieksche filosofie betreft". „Een enkele" — zoo wordt dan daaraan toegevoegd — „moge het in deze zaken uiteraard niet verder dan tot dilettant hebben kunnen brengen" (Prof. Hepp schrijft „in den geest der zachtmoedigheid", daaruit verklaar ik dit „kunnen"), anderen zijn in de filosofie zeer bedreven". „Doch... ook Homerus knapt wel' eens een uiltje."

We zien dus ook Homerussen onder schot komen. En dat wordt ernstig.

Want als 't alleen liep over filosofische termen, dan zouden we 't niet zoo ontroerend vinden, dat Prof. Hepp onder de Homerussen een geknapt uiltje aanwijst. We hebben ze ook herhaaldelijk, in philosophieën, in zijn eigen vroegere publicaties getroffen, en gelooven, dat men in de onze ze ook vinden kan.

Maar ach, daarover loopt het niet. Het gaat volgens Prof. Hepp over af wij king de belijdenis. van

En d a t interesseert ons allen. Ook ondergeteekende. Want al heeft hij geen enkel citaat van zijn eigen hand kunnen ontdekken in deze brochure (in de vorige misschien*) één), toch gaat aperte afwijking van de belijdenis ons allen aan. De vraag komt op, of, als het waar is, er niet groote schuld ligt bij de diverse kerkeraden der op te sporen auteurs, en of — want Homerussen zijn 'n zeldzaam artikel — de kring der Homerussen, waartoe Prof. Hepp zelf behoort — wel trouw is geweest. Zoo ja, dan veroordeelt hij schijnbaar Prof. Hepps disqualificaties. Zoo neen, dan... is Prof. Hepp aan 't verkeerde adres begonnen; en moet hij bij een slapend Homerussengetal aankloppen.

Tenzij ik zou moeten aannemen, dat Prof. Hepp de Homerussen alleen te pas brengt in „ongevaarlijke", en de „dilettanten" alleen in „gevaarlijker" verbanden. Hetgeen ik niet aannemen wil.

Overigens laat ik dien dilettant voor rekening van Prof. Hepp.

Eén van de eerste indrukken, die de kennismaking met Prof. Hepps brochure bij me wekte, is deze, dat we wèl achteruitgaan in het weten-schappelijk geduld.

bij de overweging van e 1 k a a r s gevoelen. Prof. Hepp waarschuwt — volkomen terecht — tegen elk citatenspel. „Men drijve met Kuyper geen citaten spel, gelijk wij dat in de dagen van Assen hebben beleefd. Men neme" — zoo roept hij uit — „den vollen Kuyper".

Ik ben 'ter mee ééns; zóó erg, dat juist dat één van de sterkste oorzaken is, die mij met méér dan wrevel hebben vervuld onder het hooren (ter synode) en nu weer lézen van Prof. I-Iepps aantijgingen van broeders, ook „Homerussen". Er zijn er onder hen, die ik hoog respecteer om hun wetenschappelijk vermogen, aan wie we zeer veel belangrijk materiaal danken, die het gereformeerde denken hebben gediend op een wijze, die — gelet op hun jaren — bewondering afdwingt, die de idee der Vrije Universiteit hebben gegrepen als weinigen en die aan ons Christelijk leven, thetisch en apologetisch zeer gewichtige diensten hebben gedaan. Ik kan het niet goed hebben, dat men niet die volle „Homerussen" bespreekt, doch hen vermoeit met citaten, uit niet nader aangeduide bron, citaten misschien van anderen, die op een afstand trachten in hun voetspoor te gaan.

Maar —• 't is zoo, 't doet er weinig toe wat ik al of niet goed hebben kan. Ik wil 't over de zaak hebben. En dan neem ik eens één puntje voor ditmaal onder de loupe: het substantie-begrip. Dat is 'n kwestie van beteekenis; bovendien is 't geen afgeleid puntje, doch 't raakt rechtstreeks de meening van voor het minst twee „Homerussen", naar wie ons volk met - goede reden opziet, die voor ons christelijk-sociale en politieke leven reeds zeer veel deden, en om hun wijsgeerige grondconcepten herhaaldelijk ook door professoren van Kampen, en door leerlingen van Amsterdam, met dank zijn vermeld en beoordeeld. Het zal dus de moeite loonen, op dit punt na te gaan, of de wetenschappelijke discussie bij Prof. Hepp voor de „Homerussen" van 1937 even geduldig wordt gevolgd, als in de dagen van olim. De dagen b.v. van Prof. Dr Jan Woltjer.

Hoe ik zoo op den naam van Prof. Dr J. Woltjer, den onder ons zoo hooggeachten hoogleeraar van een voorgaande generatie kom? Ik dacht aan hem, toen ik Prof. Hepp hoorde spreken over de kwestie der „substantialiteit" van de ziel. Is de ziel „substantie" te noemen, ja dan neen?

Prof. Hepp brengt die aangelegenheid herhaaldelijk ter sprake. Op bl. 24 constateert hij, dat het „afwijkend" gevoelen o.m. poneert, dat „de ziel geen substantieel bestaan heeft"; en op bl. 71, dat „het afwijkend gevoelen" „geen goed woord over heeft voor den term en het begrip 'substantie'." Hij constateert, dat men niet het recht heeft, elk substantiebegrip overboord te werpen (71), en rekent op bl. 74, v., uit, „in welk gezelschap men geraakt door de ontkenning" (ook) „van de substantialiteit... der ziel". Het gezelschap is niet bepaald aanlokkend: de meest verbasterde pseudo-religies, Spinoza, de vader van het modernisme, iemand, die tot den linkervleugel der ethischen behoort, en wat dies meer zij.

Natuurlijk valt er over die dingen veel te praten. Ik ontken geen oogenblik, dat er gewichtige vraagstukken aan de orde zijn. Maar als „buitenstaander", die de eenheid der gereformeerde werkers naar binnen niet gaarne gebroken zie, houdt mij de vraag bezig: wordt hier ook te gauw veroordeeld; veroordeeld, zonder praeciese weergave van de laatste gronden der meening van wie men bestrijdt? Ik althans dacht aan wijlen Prof. Jan Woltjer. Deze heeft in de eerste wetenschappelijke samenkomst der Vrije Universiteit een verhandeling gehouden op 1 Juli 1914, later opgenomen in de uitgave van het Woltjer-comité („Verzamelde Redevoeringen en Verhandelingen", 1931). Prof. Woltjer behandelt de vraag, of het noodig is, te spreken over een „substraat" van „het begrip materie". Wat dit is, ga ik hier voorbij; het raakt mijn onderwerp niet. (De rede handelde over: „Het Wezen der Materie".) Dan zegt Prof. Woltjer (spatiëering van mij):

„Men heeft goeden grond om... het bestaan van zulk een substraat te ontkennen. Immers, meent men, dat men het niet missen kan, omdat men anders de duurzaamheid, het volhardende en blijvende in de verschijnselen niet kan verklaren, dan moge dat waar zijn op het standpunt van de heidensche philosophen, die in de materie eene ongeschapene, eeuwige zelfstandigheid zien, op Christelijk standpunt geldt dat postulaat niet; dan is er slechts ééne ware substantie. God, die eeuwige kracht bezit en alle dingen draagt door het woord Z ij n e r kracht. De krachten, die Hij door de schepping heeft daargesteld, zijn eeuwig, omdat en zooverre Hij het wil. Meent men voor het construeeren van het begrip materie het begrip van substantie niet te kuimen missen, dan acht ik, dat het op Christelijk standpunt geen bezwaar kan opleveren, den term krachtsubstantie te gebruiken, daar de factoren van het begrip substantie, waar ik boven op wees: objectief bestaan en duurzaamheid, ook voor het begrip kracht kunnen gelden."

Deze uitspraak van wijlen Prof. Woltjer was één der eerste, waarin de Vrije Universiteit naar buiten trad in een wetenschappelijke bijeenkomst naar het nog steeds gebruikelijke concept. Ze is daarom dubbel de aandacht waard.

Waarom? Omdat ze juist is?

Dat zou ik niet willen beweren, Ik zelf geloof niet, dat deze uitspraak juist is, vooral niet als ik let op wat daaromheen staat. Als b.v.:

„dat het wezen der materie kracht is" (256); of,

„dat de stoffelijke dingen in hun wezen en grondslag blijven bestaan" (254).

Maar dergelijke uitspraken uit den mond van Woltjer Sr hebben een andere beteekenis. Zij sporen aan tot bedachtzaamheid. Ze bewijzen, dat er een tijd was, waarin iemand zonder aangeklaagd te worden, de these kon opwerpen, dat op Christelijk standpunt alleen God een ware substantie heeten kon. Iets wat, bedrieg ik me niet al te zeer, nog wel eens beweerd wordt in de kringen, die thans door Prof. Hepp worden beschuldigd van ongereformeerdheid. Prof. Woltjer beslist in dezen niet; hij dringt althans aan anderen z ij n wetenschappelijk substantie-begrip niet op; desverlangd wil hij anderen toelaten, van krachtsubstanties te spreken en „geen bezwaar" er in te zien, als onder bepaalde voorwaarden (afhangende van den opbouw van het substantiebegrip) de materie substantie genoemd wordt (251). En hij geeft voor den opbouw van het substantiebegrip enkele richtlijnen in vriendelijke overweging. Zelf blijft hij van meening, dat het „inderdaad groote bezwaren meebrengt", het begrip substantie, als „te weinig b e 1 ij n d ", „te bezigen bij de behandeling van het door hem ter spi'ake gebrachte onderwerp" (248). En hoewel hij, evengoed als Prof. Hepp, weet, dat men in verkeerd gezelschap kan geraken, als men n.l. (op een bepaalde manier!) het substantiebegrip bestrijdt, — Woltjer noemt zelf den naam van Leibniz, volgens wien z.i. „God de ware en eenige substantie is" (250) — niettemin rekent Prof. Woltjer op het wetenschappelijke onderscheidingsvermogen zijner lezers, en schrijft daarom onvervaard, dat op Christelijk standpunt er slechts één ware substantie is: God (256). Zelf oordeelt hij, dat „ten opzichte van de stoffelijke wereld, de Schrift in de eerste plaats spreekt van de krachten, waardoor zij is en werkt", en constateert, dat het zeer waarschijnlijk is, dat de schrijvers der Bijbelboeken, ook der latere, van deze vraagstukken (Democritus etc.) nooit hebben gehoord, althans er geene aandacht aan hebben gewijd en geene aanleiding hebben gehad om er zich over uit te laten (253).

Het was een collega, die mij (terzake van die opvatting der materie als kracht) dezer dagen op deze rede van Woltjer wees. Ik ben er dankbaar voor; want ze bewijst ten overvloede, dat men elkaar over déze dingen (van het substantiebegrip n.l.) niet veroordeelen mag, eer men precies weet, wat het substantiebegrip is van den opponent, en wat daarom in z ij n terminologie de woorden beteekenen. Men moet geen academische kwesties uitvechten (stel, dat dat kon!) op den rug der kerk. En meent men, dat iemands terminologie met die der belijdenis kwalijk te verbinden is, dan is er wel een kwestie van taalgebruik, maar niet van ongereformeerdheid, die voor het gereformeerde volk te brengen is.

Dit laatste springt te meer in het oog, omdat over dat substantiebegrip, èn zijn al of niet gerechtvaardigde aanwending in de belijdenis èn in haar of de theologisch-wetenschappelijke terminologie, al veel eerder iets te doen geweest is. Ik noem slechts twee voorbeelden.

Allereerst is er de oude kwestie van het al of niet gevoed worden door de substantie van Christus' vleesch en de substantie van Zijn bloed in het Avondmaal. De Catechismus van Geneve had de geloovigen deelachtig aan Christus' substantie genoemd^), en de sterk onder Calvijns invloed staande Fransche belijdenis had nog concreter zich in dezen zin uitgedrukt^). De synode van La Roebelle evenwel had daartegen heel wat bezwaren hooren uitbrengen, en moeten overwegen; hetgeen ter wille van de eenheid met de buitenlandsche kerken wel noodig gebleken was *). En later is er nog weer eens over gepraat^). Zeker men hield het substantiebegrip vast. Maar geen mensch zal onder ons loochenen, dat het hanteeren ervan gevaarlijk was, en dat hier èf een fout in het substantiebegrip, öf in dat der „gemeenschap" (met Christus), èf in die beide in het spel is. Maar men verketterde elkander daarom niet; men liet de woorden eerst eens verklaren door wie ze bezigden. Ook al omdat men zelf filosofisch nog lang niet klaar was. Net zoo min als vsdjzelf.

Vervolgens denk ik aan den bekenden dogmaticus Bernhard de Moor (1761). In § 14 van zijn hoofdstuk IV over God handelt hij over Ditton, die zich uitsprak over het Spinozistisch gevoelen, dat het n.l. onvereenigbaar was met de idee eener absolute oneindigheid, te beweren, dat er niet-goddelijke substanties zouden zijn. Ditton bestrijdt die meening; maar dat voor een gereformeerde in 1937 daarmee het einde van alle tegenspraak nog heusch niet bereikt is, blijkt wel hieruit, dat Bernhard de Moor, dit vermeldende, tevens met groote ingenomenheid (I, 569), verwijst naar P. Bayle (en ook B. Pictet). Die broeder Bayle nu is iemand van wien men ook had kunnen vragen: in wat voor gezelschap geraakt hier Van Mastricht? Hoe ingewikkeld de zaak is, en hoezeer voor verdere discussie vatbaar, blijkt wel uit de omstandigheid, dat De Moor in zijn S u p p 1 e m e n t u m. bl. 34, er nog eens op terugkomt; hij heeft nu, behalve Bayle, ook nog Melchior Leydecker en Buddeus gevonden. En, als 't ware om de ingewikkeldheid van het probleem te doen zien, in zijn „Epimetron" op het Supplement, bl.

83, komt hij nog eens op de zaak terug, citeert Van Schoven, die beweert, dat het substantiebegrip van Spinoza'een ander is, dan het gewone, en laat Leydecker nog eens flink uitvaren tegen Spinoza's terminologie. Ruim twee bladzijden worden er nog aan gewijd.

Nu moge men denken, zoo men wil over de beteekenis van dergelijke debatten, — dit zal toch hoop ik, duidelijk zijn, dat men óók inzake de substantia^ 1 iteit van de materie, èn van de ziel, eerst geduldig vragen moet: wat bedoelt de ander met den term? Anders krijgt men strikt wetenschappelijk geharrewar, ontijdig geworpen in de kerkelijke samenwoning dergenen, die aan de kerkelijke papieren zich hebben gebonden vóór God, en wier handteekening ik voor weldoordachte gehandhaafde acte houd, totdat het tegendeel b 1 ij k t.

Dit b 1 ij k e n nu ontbreekt in de besproken plaatsen van Prof. Hepps brochure.

Aan twee bizonderheden wil ik dit nog nader, adstrueeren.

Allereerst let ik hier op wat hij schrijft op bl. 71. Daar belijdt Prof. Hepp, dat hij het substantiebegrip niet alleen van Cartesius, Spinoza en Kant verwerpt (ten deele hebben dat de gereformeerden uit de klassieke eeuw ook al gedaan), doch dat hij het substantiebegrip óók van Aristoteles en Thomas van Aquino verwerpt. Prachtig! Hot bestrijden daarvan behoort m.i. mede tot de best geslaagde diensten, die de door Prof. Hepp bestreden „richting" (incluis de „Homerussen") aan Kerk en theologie bewezen hebben. Maar nu verder? Prof. Hepp geeft toe, dat het substantiebegrip „in onzen kring" nog niet uitgewerkt is. Ook dat is juist. Men behoeft maar Woltjers rede van daareven naast Bavincks „Christelijke Wereldbeschouwing" te leggen, om dit een vertrouwde waarheid te vinden. Maar zie, nu heeft Prof. Hepp, gelijk hij meedeelt, zelf «en proeve van substantiebegrip gegeven (bl. 71). Deze proeve is nog niet gepubliceerd; we kunnen er dus niet meer van zeggen. Maar we vragen ons wèl af: als Prof. Hepp zelf zijn concept nog maar een proeve noemt, bewijst dit dan niet, dat de zaak ingewikkeld genoeg is, en dat men er thans zóó niet mee komen moet tot de kerken, die haar confessie hebben, als uitdrukking van geloof, en als formulier van eenigheid, óók dergenen, die een onderscheiden substantiebegrip hebben voorgedragen tot op den huldigen dag? Ik denk weer aan de zware termen: oorspronkelijkheidsziekte, deformatie, byblicisme; en ik reik onwillekeurig uit reactie de hand aan wie ik in zulke woorden onrechtvaardig bejegend acht. Niet om te zeggen: uw meening is de mijne. Wel om te zeggen: gij zijt te ernstige figuren, dan dat ge zóó moet worden „belicht" voor het gereformeerde volk. En wat Prof. Hepps eigen proeve van substantiebegrip betreft: best mogelijk, dat hij een belangstellend oor ook bij mij hebben zal, als hij ze gaat publiceeren — in een rustig-collegialen omgang met de „Homerussen", die in de filosofie wèl ter dege bedreven zijn (zie boven). Maar ik moet toch opmerken, dat z ij n substantiebegrip (anders behoefde 't geen proeve te heeten), toch ook niet in de belijdenis verwerkt is. Evenmin waarschijnlijk, als dat van de door hem bestreden Homerussen. En wat is dan daarin het onderscheid tusschen den éénen en den anderen „Homerus"? Het onderscheid ten aanzien van de confessioneele trouw in dezen? Dal zal, als er onderscheid is, eerst kunnen blijken uit den inhoud, de consequenties, de onderstellingen van het substantiebegrip, over en weer. Eerst daarna kan men over de confessie spreken.

En nu tenslotte: Prof. Hepp heeft op bl. 10 ons zeer teleurgesteld. Daar zou hij het bewijs leveren, dat het voortbestaan der ziel na den dood uitdrukkelijk geloochend wordt door de z.i. confessioneel-afwijkende richting. Natuurlijk spitst ieder hier de ooren, ieder, die den heer A. Janse heeft hooren verzekeren, dat er niemand is, die het voortbestaan der ziel in twijfel trekt, niemand onder hen, op wie Prof. Hepp blijkbaar het oog heeft. Zal — zoo vraagt men zich af — Prof. Hepp niet al zijn best doen.

vooral n a deze pertinente verklaring, om zijn bewering in dezen óf te herroepen, óf met vele stringente bewijzen te staven?

Ja, men vraagt het zich af. Maar het bewijs is m.i. niet geleverd. Ik schrijf dat, niet om eenige adhaesiebetuiging aan een zakelijke meening te geven, hetzij aan die van Prof. Hepp, hetzij aan de door hem bestredene. Ik schrijf het echter wèl, om nog eens te onderstreepen, dat het bekende synodale voorstel der acht (de zaak nog eens rustig bekijken), van achteren gerechtvaardigd wordt, en het trommelvuur, dat daartegen geopend is, nog steeds nalaat, zijn noodzaak te bewijzen, met name op dit zeer gewichtige punt.

Prof. Hepp voert ten bewijze van zijn stelling, dat „men" inderdaad het VOORTBESTAAN der ziel loochent, volgend citaat aan (van een ongenoemden! auteur):

„Wat de mensch ook achterlaat — hij kan een arm „missen, hij kan z'n bewustzijn verliezen, hij kan zijn „leven verliezen, hij kan dan heel zijn stoffelijke „organisatie en zijn bestaan als levende ziel kwijt- „raken en 'doode ziel' worden — nochtans blijft hij „voortbestaan, nochtans is hij bij Vader Abraham of „in de pijn, nochtans heeft hij vingers en dorst en „denkt hij aan z'n vroeger leven op aarde en aan „z'n broeders."

Prof. Hepp teekent dan zijnerzijds daarbij aan:

„Hier heeft men het dus. De mensch kan zijn leven „verliezen en dan heel zijn stoffel ij ke orga- „nisatie en zijn bestaan als levende ziel „kw ij tra ken en 'doode ziel' worden. Wie zijn bestaan als levende ziel kwijtraakt, bestaat „immers als 'levende ziel' — en in die beteekenis is „'ziel' volgens den auteur alleen acceptabel — niet

„meer voort. Misverstand is alzoo buitengesloten." Indien dit nu het bewijs is, dat het voortbestaan der ziel geloochend wordt, kan ik het bewijs niet overtuigend achten. Het substantiebegrip komt natuurlijk ook hier in geding. Bestaan als ziel is wat anders dan het bestaan v a n de ziel.

Maar ik heb reeds teveel ruimte in één nummer in beslag genomen. Ik hoop volgende week nog een en ander op te merken.


1) Zoo ja, dan haal ik mijn schouders er over op. (Zie vervolg op blz. 148.)

2) Quum Dominus noster Christus ipsa sit Veritas, minime dubiutn est, quin promissiones, quas dat illic nobis, simul etiam impleat, et figuris suam addat veritatem. Quamobrem non dubito, quin sicuti verbis ac signis testatur, ita etiam sitae nos substantiae participes faciat, quo in unam cum eo vitam coalescamus. (Catechismus van Geneve, 1545.)

3) Gr combien qu'il soit au ciel iusques a ce qu'il vienne pour iuger tout Ie monde, toutesfois nous croyons que par la vertu secrette et incompreiiensible de son Esprit il nous nourrist et vivifie de la substance de son corps et de son sang. (Confessie Gallicana, 1559.)

4) Le Synode aprouvant nótre Confession, rejette Topinion de ceux, qui ne veulent pas recevoir le mot de substance contenu au dit article: par leque! ledit Synode n'entend aucune conjonction, ni mélange, ni grossière, qui alt du raport a la matière des corps, mais une conjonction vraie, très-étroite et d'une fagon spirituelle, par laquelle Jesus-Christ lui-même est tellement fait nótre, et nous siens, qu'il n'y a aucune conjonction de corps, ni naturelle, ni artificielle, qui soit si ètroite; laquelle néanmoins n'aboutit point a faire que la substance, OU sa personne jointe avec nos personnes, en compose quelque troisième; mais seulement a faire que sa vertu et ce qui est en lui de salutaire pour les hommes, nous soit par ce moien étroitement donné et communiqué.

5) Die Nationalsynode von Nimes 1572 gestaltete diese Erklarung etwas milder : Au lieu de ces paroles que l'on a extrait des Actes de Synode National de la Roebelle temi l'an 1571 „nous rejettons ropinion de ceux qui ne veulent pas recevoir ce mot Substance", on mettra, sans prejudicier aux Eglises de dehors, qui ont des raisons pour ne se servir pas de ce mot Substance, „Nous retenons ce mot Substance dans le sens exprimé par ledit Article". (Muller, Bekenntnisschritte, 230/1.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJK LEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

Bladeren