GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

ZELFSTANDIG OPTREDEN IN DE POLITIEK ?

Bekijk het origineel

ZELFSTANDIG OPTREDEN IN DE POLITIEK ?

48 minuten leestijd

XIII.

Een uitvoerige bespreking van het in ons vorig artikel genoemde rapport kan niet worden ondernomen hier; we blijven staan bij enkele hoofdzaken.

We zwijgen over de slordige wijze, waarop Calvijn's aan de weerlegging van Servet vastgeknoopt tractaat over de noodzaak van haeretici, d.w.z. ketters (of ook scheurmakers) met het zwaardrecht te straffen, wordt aangehaald, en weergegeven. We wijzen er alleen op, dat de titel niet juist wordt vertaald. Het Rapport geeft als onderdeel van den titel aan: „dat de ketters met het zwaard moeten gestraft worden". Maar er staat: dat de haeretici met het rechtvan-zwaard (het zwaardrecht) moeten bedwongen worden: iure gladii coercendos esse haeriticos. Ik geloof, dat de vertaling yan „haereticos" door , .ketter" niet volledig is, en niet doeltreffend; want er zit in het woord naast het element van „eigen" leer óók een element van groepsvorming, van scheurmakerij (een filosofische school heet soms een filosofische haeresis). En hier^) is 't Calvijn wel degelijk te doen om het scheurmakend element. Maar voorts is de titelvertaling van het Rapport misleidend. Het Rapport vertaalt den titel eerst onjuist (het tractaat van Calvijn zou volgens die vertaling handelen over het „s t r a f f e n"-met-het-„zwaard", waarbij wij aan DOODEN denken) en betoogt dan: maar 't valt ondanks dien barren titel nog al mee, want Calvijn wil tenslott e alleen, maar de zwaarste gevallen met de doodstraf afdoen. Op zoo'n manier gelezen, geeft Calvijn een verkeerden titel aan zijn boek of een verkeerd Boek bij zijn titel. Maar als men in den titel leest: niet het zwaard, doch het zwaard-r echt, wordt Calvijn beter verstaan. Het zwaardrecht heeft de overheid, en ze gebruikt dat zwaard-RECHT óók in veel gevallen waarin ze heelemaal niet met het beuls-ZWAARD werkt. Het „zwaard" der overheid is een ander dan dat van haar beul. Zooals de sleutel van de stad van 's burgemeesters inventaris een andere is dan van den poortwachter. Als we belasting betalen of ons straatje moeten schrobben om zooveel uur, en niet later, gebruikt de overheid haar zwaard-recht. Hier krijgt dus de overheid een positieve taak tegenover kerkscheuring en - verwoesting. (Je zou er haast jaloersch op worden, want je had dan tenminste kans op een behoorlijk protocol! Maar dit is slechts tusschen haakjes voor de A.R. synodocraten.)

Het tractaat van Calvijn is inderdaad leerzaam; bij Servet immers signaleert hij (C. R. VIII, 462, de nummering van het Rapport deugt niet) ook deze dwaling, dat Servet ontkende, dat in zaken der religie eenig gebruik van het zwaard was. Het is, alsof je een lid van de J.V. op G.G. hoort.

Ik constateer, dat het Rapport in dit kleinigheidje (waaraan toch weer veel hangt) den indruk wekt, alsof Calvijn zou bedoelen: met het zwaard uitroeien is hetzelfde als: de mitrailleur erop! Datisnietjuist. Zwaard is niet zwaardrecht. Haar zwaard recht gebruikt de overheid ook als ze den beul met rust laat. Ze gebruikt dat altijd, als ze haar gezag doet gelden om te bedwingen. „Geestelijke vrijheid eerbiedigen" KAN dus beteekenen: zwaardrecht prijsgeven. Bevoegdheid praetendeeren, maar geen politioneele macht willen of mogen oefenen om de exonsia te doen gelden. Ik geloof, dat de heer Schouten terecht daartegen opponeert, als 't gaat over Linggadjati. Ik meen óók, dat diezelfde kwestie om een hoek komt kijken als we Calvijn willen verstaan.

Geen kleinigheid, zeiden we, dit vertalingskwestietje. Neen, werkelijk niet. Het Rappoi; t, 290, in zijn tendenz om de vaderen een beetje naar vader A. Kuyper toe te halen, redeneert nu zóó: Calvijn was nog wel streng, maar de latere gereformeerden waren al veel gemakkei ij ker. Het strengere gevoelen is door hen „niet onbelangrijk verzacht". U voelt: dat is al een redeneeren* naar Abraham Kuyper toe. ^

Maar nu het bewijs?

Wel, men haalt de Synopsis aan (het bekende leer-, boek der Leidsche professoren „uit den bloeitijd"). Daar wordt gezegd (volgens 't flapport) dat het beter is de kettersche leeraars af te zetten of te verbannen of op eene andere wijze te beteugelen, dan met den dood te straffen. Alleen voor èrg gevaarlijke haeretici wordt dan weer „eene uitzondering" gemaakt, zoo erkent het Rapport ten aanzien van de Synopsis.

Maar het is weer onjuist.

In stelling 65 toch spreekt de Synopsis n.l. over gevallen, waarin de overheid, zooals het in bepaalde perioden wel eens gebeuren kan, niet bij machte i s met haar machtsmiddelen naar believen op te treden. In zóó'n tijd moet ze wel veel tolereeren! Maar dan spreekt stelling 66 over die gevallen, waarin de overheid wel degel ij k in staat is, tegen heterodoxe leeraren en haeretische volksverleiders dwingend op te treden en hen met haar zwaard te b e d w i n g e n (weer dat woord van straks: „coercere"). In zóó'n geval zeggen — aldus de Synopsis — andere theologen: pas de doodstraf toe. Maar de Synopsis zelf wil, als er een andere manier (dan de doodstraf) bestaat, om hen met behoud van wat billijk en profijtelijk is te bedwingen (weer „coercere"), de meesten van die verleiders, na hun kerkelijke veroordeeling laten straffen met lichtere maatregelen, b.v. verbanning, zonder nog de doodstraf toe te passen. De meesten: de ergsten moeten toch nog sterven.

We hebben dus hier duidelijk overeenkomst met Calvijn en heelemaal geen „belangrijke verzachting". HIER is ook door de Synopsis een „coercere" (in toom houden, bedwingen) van de haeretici door de overheid, die in staat is (possit), d.w.z. de dwang-kracht, de dynamis heeft, hen te bedwingen (weer „coercere") met het zwaard. Dat IS haar bevoegheid (exousia); u kan die bevoegdheid ook gebruiken. Met andere woorden: een overheid die de dood straf 'toepast, gebruikt EEN manier van oefening van haar zwaard-recht; en een overheid, die de haeretici op andere wijze aanpakt, gebruikt haar zwaard-recht op een tweede manier. Maar BEIDE roeren „met het 2waard" (de ééne mét, de andere zonder „mitrailleur") ketterij uit. Het is dus hetzelfde als wat Calvijn zegt. Ook die wil tusschen verschillende g r o e p e in van haeretici onderscheiden hebben, en zegt dan: alleen de ergsten met de doodstraf, maar ALLEN met het zwaard-r echt bedwingen.

De onjuiste, we zullen aannemen: onbewust tendentieuze vertaling van Calvijn heeft 'n brugje geslagen voor de tot nu toe in het Rapport slechts imaginaire bewering: de vaderen hebben al gauw Calvijn een beetje gecorrigeerd. De afstand tusschen „art. 36" volgens de vaderen en „art. 36" volgens A. Kuyper werd verkleind. Maar het gebeurde kunstmatig.

Een tweede bezwaar tegen de redeneerrnethode van het Rapport dringt zich aan ons op, als we letten op de manier, waarop „gewerkt" wordt met het argument, dat (óók al volgens Calvijn; die mag nü ineens weer als grondlegger meehelpen) „de r o e p i n g van s t a a t en kerk wordt onderscheiden".

O neen, wij denken er niet aan te loochenen, dat Calvijn deze eenvoudige wijsheid gekend en onderwezen heeft.

Maar wij hebben er wél bezwaar tegen, dat het Rapport nu van deze eenvoudige wijsheid een ietwat gammele springplank maakt, om uit te komen daar, waar Calvijn zelf nooit heeft willen komen.

Er gebeuren n.l. enkele ongelukjes.

Het eerste ongeluk is al weer, dat men slordig Calvijn weergeeft. Ons wordt verzekerd (wat waar is), dat Calvijn (Institutie IV, 11, 1) uitspreekt, dat de Durgerlijke regeering (politia) en de geestelijke regeering (politia) van de kerk totaal onderscheiden zijn.

Vooraf stelt het Rapport in onlosmakelijk verband hier mee evenwel de bewering, dat volgens Calvijn „er tweeërlei regeering is: de eerste, die in de ziel of in den inwendigen mensch gelegen is en het eeuwige leven betreft, en de tweede die, alleen-1 ij k tot onderwijzing van de burgerlijke en uitwendige rechtvaardigheid behoort". (IV, 20, 1).

Tweeërlei regeering!

Wie krijgt niet den indruk, dat het Rapport hier in dit redebeleid Calvijn zelf laat spreken, en dat hij, Calvijn, het hier in de zooeven geciteerde woorden heeft over regeering van kerk en van s t a a t ? Men moet wel dien indruk krijgen, omdat straks „geconcludeerd" wordt: de kerk mag daarom (omdat het voorgaande gesprokene waar bevonden is) op het gebied der overheid zich niet begeve n". Klaar is Kees..

„Tweieërlei regeering!" Tweeërlei regeering OVER den mensch! Maar nu ik eindelijk eens nasla, wat Calvijn zelf zegt, verbaas ik me weer over dit synodale stuk met de namen van H. H. Kuyper en H. Bavinck er onder (ook van A. F. de Savornin Lohman). Calvijn zegt namelijk niet: „er is tweeërlei regeering", doch: er is een tweevoudige regeering IN DEN MENSCH (in homine)". Hoe kan men doorweglatingvan die duidelijke woorden den zin zóó verdraaien? Waarom rekent de ééne deputaat den ander niet na?

Tweeërlei regeering dus IN DEN MENSCH, zegt Calvijn.

Dat moet wel terugslaan op Institutie III, 19, 15. Hij spreekt daar (§ 14) over de vrijheid van den christen; deze dankt haar aan Christus' kruisdood (Gal. 5:1, 4). Daarom mogen wij ons niet weder tot slavernij laten verleiden, zoo hoort Calvijn Paulus zeggen.

Maar, zoo merkt Calvijn op, nu zijn er dadelijk heel wat praatjesmakers, en muiters, en revolutionairen, die komen beweren: prachtig: we zijn door Christus vrijgemaakt en hebben dus geen enkelen band meer, die óns kan binden: het is gedaan met menschelijke instellingen, geen binding meer! (v.g.l. het slot van art. 36, b.v. tegen de Wederdoopers). O neen, o neen, roept Calvijn in § 15 uit: opdat niemand zich aan dezen steen, dezen sta-in-de-weg, s t o o t e, moeten we opmerken, dat er tweeërlei regeering in den menschis: de ééne geestelijk, waardoor deconsciëntie tot vroomheid en tot den dienst Gods wordt onderricht, de andere burgerlijk, waardoor de mensch wordt opgevoed tot de plichten van mensehelijkheid en burgerlijkheid, welke plichten onder de menschen in acht te nemen zijn. Ze heeten wel eens geestelijke en tijdelijke jurisdictie. Want er zijn IN DEN MENSCH als het ware twee werelden, waarover ook verschillende wetten en verschillende koningen kimnen regeeren, aldus Calvijn.

En omdat Calvijn dit laatste meent, gaat hij nu eerst over het ééne handelen, waarbij hij ons wil waarschuwen tegen het gevaar, dat men wat het evangelie leert over de geestelijke vrijheid betrekt op de burgerlijke orde. En later (en dit wel in IV, 20), begint hij over deze burgerlijke orde zelf te handelen.

We hebben dus n i e f te meenen, dat die tweeërlei regeering IN den mensch hetzelfde is als de tweeerlei regeering OVER den mensch, zooals het Rapport ons en zichzelf wil doen gelooven. Ze hangen wel samen, maar zijn niet hetzelfde. Calvijn zelf (III, 19, 15) zegt: de kwestie is vrij eenvoudig, maar heel wat menschen maken haar ingewikkeld, omdat ze niet precies genoeg onderscheiden tusschen de uiterlijke rechtspleging (forum) en de rechtspleging (het forum) der consciëntie. D e consciëntie, voegt Calvijn er dadelijk aan toe, is ook gebonden aan de burgerlijke wetten. -

Daarmee VERVALT heel het betoog van het Rapport met zijn tendenz: die twee regeeringen (OVER den mensch) hebben met eikaars terrein niets te maken: de eene mag op dat der andere niet komen.

Hier, in die laatste woorden van het synodale Rapport van 1905, ligt een angelpunt van gereformeerde en A. R. leerwijze. Ik kom tot de pijnlijke ontdekking, dat er in 1905 in Rapporten nog meer ongelukken gebeurd zijn dan ik wist.

K. S.

PRATEN OF EERST SCHRIJVEN ? VI.

We komen meent: langzamerhand tot het eind. Inzender

In het eerste accoord der kerkelijke samenspreking moet de tedere grondtoon der liefdevolle vergevensgezindheid doorklinken.

Ik ben bang, dat vergevensgezindheid, zoodra ze zich^als gehoorzaamheidsgezindheid in deze concrete situatie zou b e 1 ij den (en een deugd moet zich toch niet vermommen als ondeugd, en ook niet verzwijgen wat Filipp. 3:17 spreekt) zou werken als de roode lap 'op den stier; en inzender is daar juist zoo bang voor. We staan immers voor 't feit, dat, men ginds openlijk zegt: r is niets (aan ons) te vergeven? We hebben immers goed gehandeld? 1905—1942 was naar de Schrift; de binding goed; de schorsingen ook! Juist door te zeggen: ij willen de argumenten over en weer ter toetsing overgeven, hebben w ij deze pijnlijke veroordeeling van den tegenstander niet als axioma willen voorop plaatsen in ons eventueel gesprek met hem. Bovendien: iet maar een synode, doch de kerken zijn te zoeken. Tegenover haar past niet de oefening van één deugd, doch van alle. Niet alleen dus vergevensgeziudheid, stel, er zou noodzaak van te vergeven blijken, doch óók waarheidsliefde ; rechtsbesef, klare profetie, anti-hiërarchie, en wat dies meer zij.

Inzender ziet schoone mogelijkheden. We zullen ze nagaan. Eerst:

Als U zich eens tot Uw synodale broederen wendde met een bloedend hart (en dat hebt U) en met deze woorden: Broeders, wat spijt het me, dat we niet meer samen avondmaal kunnen vieren, het is mij tot een dagelüks verdriet. Moet dat nu zo blijven?

Wel, dan zouden ze ginds tot mij zeggen: Ie. man, we hebben niet met u, doch met duizenden anderen te doen, u bent toch geen repraesentant, doch slechts één onder uw medegenooten, we hebben toch geen Schilder-zaak ? ; 2e. we hebben den Heere openlijk gebeden om Zijn zegen over de door u geoefende tucht; 3e. we hebben niet voor niets verklaard, dat u secten en muiterij WILDET aanrichten, in kerken, en we houden niet van wolven in schaapskleeren; 4e. we hebben, ondanks uw schriftelijk verbod, afgekondigd van den kansel van Kampen (voorzitter Impeta en scriba Van den Oever en adviseurs natuurlijk anderen), dat u aan de gemeenschap „der" gereformeerde kerk van Kampen \! onttrokken hebt; 5e., 6e., 7e enz. En een niet vergeetachtig „hoorder" zou ginds opmerken: de man valt in herhaling, hij komt nu nóg eens aandragen met zijn vredesvoorstel van 13 Dec. 1943, en daar heeft de synode zich immers van afgewend, toen het door het synodelid, ds D. van Dijk, was ingediend als zijn eigen voorstel?

Inzender heeft nóg een perspectief. Ik zou tot „mijn synodale broederen" vervolgens kunnen zeggen:

Door praten kunnen we nooit weer tot elkander komen, om Gods wU, hier is mijn hand, ik van mijn kant ben bereid een streep te halen door aUes wat ik gezegd heb, doe Gij van Uw kant het zelfde en laten we alle noodlottige acta de weg van het prae-advies doen volgen, naar de papiermand.

Maar als ik dat zei, dan zou men ginds mij antwoorden: Ie., 2e., 3e., 4e., 5e., 6e., 7e.. (zie boven), 8e. dat eerste zinnetje meent u niet (daar zouden zij geüjk in hebben, ik meen, dat het zwaard des G e e s t e s heel veel kan).; 9e. die hand van u interesseert ons niet, zie onder Ie., we hebben de hand b.v. van de Noordeloozenaren noodig, die vreemd zouden opkijken, als we hun een candidaat zóó maar weer praesenteerden, dien ze om 's Heeren wil en op ons bevel (ja, een synode beveelt!) het beroep hebben opgezegd, wijl hij niet zuiver in de leer was! 10e. een streep halen door uw antwoorden op onze vijf vragen? Maar man, dan zijt ge brutaal, we hebben die vijf vragen gesteld omdat een kategorisch ant-

woord noódig was, want de kerk „stond toch in brand" ? en woudt gij die vr a g e n nu bagatelliseeren, door het antwoord van de tafel te nemen? 11e. en zouden w ij een streep halen door ons verzoek aan de kerken, om voor uw bekeering den Heere te bidden? Of door de noodlottige Acta, die evenwel de leiding des Heiligen Geestes d|n volke concreet doen zien? ; 12e. bovendien liggen die Acta eenmaal in de kast, en we hebben al catechisatieboekjes en leidraden op grond daarvan opgesteld, hoe durft ge?

Maar' inzender wil me nóg iets laten zeggen:

Alle schorsingen worden weer ongedaan gemaakt en ten bewijze, dat ik geen valse eenheid wil, stel ik voor, dat er na hereniging door de geret. kerken in Nederland commissies worden ingesteld, die de geschilpunten grondig, in het openbaar bespreken, in een apart Generaal Synodaal blad.

Maar als ik dat zei, zou men van ginds mij antwoorden: Ie., 2e., 3e 11e., 12e. (zie boven); 13e. schorsingen ongedaan maken? ze hebben immers Gods recht bediend? ; 14e.-commissies instellen? Weineen, , — we meenen met br. Miedema, dat de wereld de geschreven stukken niet zou kunnen bevatten; bovendien hebben we al in 1942 (of '43) geschreven aan ds J. S. Post, dat de zaken nu wel haar beslag hebben gekregen; 15e. man, gij komt weer terug op uw vredesvoorstel van 13 Dec. 1943, overgenomen door ds D. van Dijk, maar dat heeft de synode afgewezen, en — kijk het maar na in onze stukken: wat de synode afgewezen heeft, dat hebben de kerken afgewezen; 16e., 17e., 18e enz.

En nu houd ik op met te construeeren wat de synodocraten in synode mij zouden antwoorden. Want ik wil zelf óók wel eens wat zeggen. Ik wil inzender graag zeggen, dat ik er niet aan denk, mijn papieren in de kachel te stoppen. Ik geloof, dat men ginds ze veel te hard n o o d i g heeft. Laat hen maar lachen of meesmuilen, u kunt direct eenige broeders-van-dengrijns om u heen krijgen, stel, dat u er op gesteld zoudt zijn, wat ik van u niet wil gelooven. Ik geloof, dat men ginds mijn antwoord op de nonsens-broehure-Van Dijk (maar geteekend door het moderamen-Berkouwer) over de continueering der synode noódig heeft; anders krijgen we den onzin en de hiërarchie dadelijk weer; ik geloof, dat men ginds mijn vijf antwoorden op de vijf vragen n o o d i g heeft, anders komt , er geen genezing; en als ik niet geloofde, dat men ze ginds noodig had, en dat al die afvallige en met Ridderbos-Grosheide- Nauta meê-draaiende volgelingen-voorgangers genezen zouden zijn als ze eens God beloofden, te doen naar al wat ze daarin vinden zouden het te kunnen weerleggen, wel, dan had ik ze niet geschreven, doch me in mijn duikverblijf op mijn gemak gehouden. En wat dat „apart Generaal Sjmodaal blad" betreft: daarvoor beware ons de Geest, die de kerken vrij maakt! Een synode is afgeloopen, als ze klaar is, en een Generaal Synodaal blad is niets anders dan een onverteerbaar brok hiëi'archie. Voorloopig kijk ik uit mijn eigen oqgen, en - een Generaal Synodaal Blad, dat nèt zoo doet als de , , synode" van ginds, wel, dat zou juist de stukken, waar 't op aankomt, verdoezelen! Ze hebben ginds in de Acta niet eens vermeld, wat publiek gebeurd is (b.v. inzake Bergschenhoek); dat heb ik destijds bewezen. Ze hebben de stukken, die de behandeling van de heele chose hebben ingeleid, onder de tafel gewerkt; alleen , , De Reformatie" heeft later 't gebrek helpen aanvullen, zoover het mogelijk was. En nu zoo'n blad van den Oppersten Clerus? Geen sprake van! We waren dan, heelemaal verkocht aan de oligarchie, die» de zaken in de war gebracht heeft. Inzender wil mij omtrent dit blad laten voorstellen:

Dat blad zal een commissi^' van redactie hebben, die verantwoordelijk is voor de broederlijke toon der polemieken.

Antwoord: nergens voor noodig. Voor den „toon" is tenslotte de kerkeraad verantwoordelijk, de kerkeraad, die opzicht en tucht heeft over den schrijver. En geen mensch anders. Die moet eventueel een schrijver, die draait, of onwaarheid spreekt, aan zijn jas trekken, of censureeren. Ook als hij zulks doet in Generaal-Synodale stukken. En als inzender mij wil laten profeteeren over dit Blad:

Dat blad zal een zeer lang leven hebben en een zeer lange weg hebben af te leggen; thans geeft het niet meer, de kerk is weer kerk, want zij zoekt met ingespannen krachten de eenheid in de waarheid. En tot op de dag der unanieme eindbeslissing, die misschien wel nooit komt, zullen we eikaars verbondsbeschouwing eerbiedigen en verdragen, bedenkende dat iedere dogmatische visie door haar menselijke inslag aan dwaling onderhevig kan zijn.

dan antwoord ik: zoo'n blad mag geen dag leven hebben; en als 'tooit leven zou krijgen, zou 't net zoo dood wezen als het officiëele blad der Herv. Kerk uit de dagen, toen men De Cock schorste en zoo.

En wat die verbonds beschouwing betreft: die heeft van ONS niemand in geding gebracht; laat Ridderbos daar maar over schrijven, tot geen mensch 't meer leest. Het is maar afleidingsmanoeuvre, daarover kerkelijk door te zagen. Het gaat over de besluiten van '42 en '44: de binding aan formules, die wij niet accepteeren. En natuurlijk nu óók al om '40, welks nieuwe formulier van eenigheid we evenmin accepteeren. Want wij hebben de belijdenis; Ridderbos ontkent, dat we die werkelijk „hebben" als we zijn formules niet aanvaarden. En dus moet inzender dr Ridderbos bewerken voor zijn idee, om zoo'n speech af te steken, en dr Grosheide, en dr Dijk, en zoo maar niet ondergeteekende.

(Volgende week slot.)

K. S.

HEEREN OF BROEDERS?

III.

In het vorige artikel bleek voldoende, dat de Synode, toen ze bij ons de zonde van openbare scheurmaking constateerde, daarmee toch werkelijk een vonnis uitsprak omtrent onzen staat voor God. Terwille van de duidelijkheid heb ik alleen uit de officiëele stukken die qualificaties gehaald, die de Synode welbewust in de procedure t§gen prof. Schilder bezigde. We zouden precies zoo.de stukken kunnen laten spreken, die betrekking hebben op prof. Greijdanus. Doch noodig is het niet. Ieder kan gemakkelijk zelf constateeren, dat de kwestie hier wezenlijk gelijk staat.

Toch willen we nog even ingaan op de-Zwolsche repliek met betrekking tot de klacht van Groningen, dat men van gindschen kant durfde verzekeren, dat in de schorsing en afzetting naar art. 79 en 80 K.O. ons geenerlei vonnis had getroffen. omtrent onzen staat voor God.

Zwolle antwoordde daarop: „Een verwijzen naar art. 79 en 80 van onze kerkenordening houdt niet in, dat al de daar gebruikte qualificaties op ieder geval •toepasselijk zijn". Dat had men ons niet behoeven te zeggen, want een kind begrijpt dat wel. Maar men redeneert om de zaak heen. Want art. 80 zegt: „Voorts onder de „grove zonden, die waardig zijn met opschorting of afstelling van den dienst gestraft te worden, zijn deze de voornaamste: valsohe leer of ketterij, openbare scheurmaking etc. etc.: korte-1 ij k, alle zonden en grove feiten, die den bedrijver voor de wereld eerloos maken, en in een ander gemeen lidmaat der Kerk der afsnijding waardig zouden gerekend worden". M.a.w. de openbare scheurmaking is een grove zonde; en in de korte opsomming van de voornaamste grove zonden krijgt scheurmaking de tweede plaats. , , Natuurlijk zijn hier niet alle tuchtwaardige zonden aangewezen, zoodat een dienaar, die een ergerlijke zonde bedreef, maar die hier niet genoemd wordt, daarom vrij zou uitgaan. Dit blijkt wel duidelijk uit het slot van het artikel: , , kortelijk alle de zonden en grove feiten etc." (Jansen, Korte Verklaring, 2e dr. 332). De K.O. zegt dus dit: we noemen hier slechts de belangrijkste grove zonden; en na enkele genoemd te hebben, eindigt ze: kortom alle zonden, die in een ander gewoon lid der afsnijding waardig gerekend worden. De zin is niet, zooals ik onlangs in een particulieren brief van een synodocratisch predikant las, dat eerst een aantal schorsingswaardige zonden genoemd worden, en aan die lijst nog worden t o e g e v o e g d alle afsnijding s waardige zonden. De zin met „kortelijk" beginnend zegt: schorsing verdienen alle tuchtwaardige zonden; wat in een gewoon lid der afsnijding waardig gerekend zou worden, verdient als het een ambtsdrager betreft, met schorsing en afzetting gestraft te worden. Blijkbaar redeneert evenwel Zwolle net als bedoelde predikant. Want wanneer dezezin ons protest wil ontzenuwen, dan moet de beteekenis wel deze zijn: niet alle zonden die met schorsing en afzetting worden gestraft, vallen onder de qualif icatie: in-een-ander-gemeen-lid-der-af snijding-waardig. Zoo probeert men ons en heel het toeziende volk wijs te maken, dat scheurmaking wèl schorsingswaardig, doch niét afsnijdenswaardig is.

Doch men kon beter weten. Want art. 76 van de K.O. had reeds vastgelegd: , , Zoo wie hardnekkiglijk de vermaning des Kerkeraads verwerpt, en desgelijks wie eene openbare of anderszins grove zonde gedaan heeft, zal van het Avondmaal des Heereh afgehouden word 6 n". M.a.w. elke openbare en grove zonde moet gestraft worden met afhouding van het avondmaal. En art. 76 vervolgt: , , En indien hij, afgehouden zijnde, na verscheiden vermaningen geen teeken der boetvaardigheid bewijst, zoo zal men ten laatste tot de uiterste remedie, namelijk de a f s n ij d i n g, komen, volgens de forme naar den Woorde Gods daartoe gesteld". Niemand kan ontkennen, dat art. 76 heeft gezegd: elke openbare grove zonde, verdient afhouding en, bij gebleken onboetvaardigheid, tenslotte de afsnijding. Als nu art. 80 d a a r n a de voornaamste grove zonden noemt, en op de tweede plaats reeds „openbare scheurmaking" stelt, dan ontkomt ook de Zwolsche synode niet aan de conclusie: de door Utrecht bij K. S. en vele anderen geconstateerde en gevonniste en met schorsing etc. gestrafte 'zonde, is één van die openbare grove zonden, die ook afhouding van het avondmaal en tenslotte afsnijding uit de gemeente verdienen. Het doet er niet toe, hoeveel tijd in elk geval verstrijkt tusschen het begin der schorsing en het slot der afsnijding, z o o d r a men een zonde als „openbare grove zonde" betitelt, heeft men al dadel ij k in den aanvang, bij de allereerste acte, gezegd: deze zonde is ten­ slotte afsnijdingswaardig. Men heeft daarmee onmiddellijk een oordeel omtrent den staat voor God geveld.

En nu mag men uit oude acta een aantal bepalingen puren omtrent lastige gevallen, waarbij men aarzelde om tot de uiterste remedie voort te varen, vanwege het ingewil^kelde en gecompliceerde van het geval, het interesseert me niét. Want het gfeval-Schilder was (zie vorige artikel) voor de synode eeü zeer duidelijk en uitermate ergerlijk geval: hij wist wat hij deed; hij volhardde in zijn zonde; ja, hij organiseerde de zonde en sleepte velen mee in de brutale verachting der kerkelijke orde. Als Zwolle die feiten voor oogen heeft, dan is het een laffe uitvl u c h t om in dit uitzonderlijk ernstige en brutale en hardn e k k i g e geval te zeggen: niet in èlk geval behoefde afzetting door afsnijding gevolgd te worden. Wanneer ooit in de historie afzetting op zéér korten termijn door openlijke afsnijding gevolgd had moeten worden, dan was het ongetwijfeld in het geval-Schilder, altijd natuurlijk volgens het oordeel der Utrechtsche heeren en wie zich door hen en door Zwolle laten gezeggen.

Ik vind dergelijke uitvluchten altijd laf; maar wel zeer bizonder, wanneer een synode daartoe haar toevlucht neemt.

Bovendien, waarom verzwijgt men weer het evidente feit, dat Utrecht op Schilder het avondmaalsformulier toepasselijk verklaarde? Het was toch Utrecht 1944, waar tot hem werd gezegd: wij constateeren bij U de openlijke verachting der kerkelijke orde; en wij bedoelen daarmee de zonde, die in het avondmaalsformulier wordt omschreven als het begeeren om in kerken tweedracht, secten en muiterij aan te richten? Het was. toch Utrecht 1944, waar deze qualificatie werd gehandhaafd, toen K. S. protesteerde? Door déze qualificatie te hanteeren en te handhaven, heeft Utrecht ipso facto gezegd: wij vermanen U, K. Schilder, die U met de ergerlijke zonde van „tweedracht, secten en muiterij in de kerken begeeren aan te richten" besmet weet, dat Gij U van de tafel des Heeren onthoudt, en wij verkondigen U, dat Gij g e e n deel in het rijk van Christus hebt. Gij zult U van deze spijze, welke Christus alléén voor zijn g e 1 o o - V i g e n verordineerd heeft, onthouden, zoolang gij in zulke zonde blijft, opdat Uw gericht en v e r d o e m e n i s niet des te zwaarder worde. En men riep alle kerken op tot het gebed, om den zegen des Heeren over deze tuchtoefening af te smeeken (bidbrief van 5 Juni 1944, naar de bedoeling der synode op den eerstvolgenden Zondag af te lezen van alle kansels). Het was toch wel een zeer openbare en een zeer grove zonde; anders was er geen algemeene en publieke bidstond uitgeschreven.

Nu kan Zwolle jeremiëeren over allerlei uitdrukkingen in het Groningsche rapport, die de synode ontsteld hebben, nu mag prof. Ridderbos breed spreken over de vraag, of wij hen nog wel als geloovigen zien, — ik blijf het leugen noemen en afleiden van de aandacht. Laten zij, vóór ze klagen gaan over ontstellende uitdrukkingen bij ons, eens klagen over eigen zonde. Heeft Utrecht bij K. S. een openbare grove zonde geconstateerd of niet? Heeft men die zonde gequalificeérd naar het avondmaalsformulier of niet? Heeft men in die qualificatie hem vermaand van de tafel des Heeren zich te onthouden of niet? Heeft men daarmee gezegd, dat hij geen deel in het rijk van Christus had of niet? Heeft men hem zijn gericht en verdoemenis verkondigd of niet? Heeft men hem, toen men zei: U begeert secten aan te richten in de kerken; en wij gebruiken het avondmaalsformulier tegen U, hetwelk zegt dat allen, die dit doen, ook K. Schilder, zich hebben te onthouden van de spijze welke Christus alléén voor zijn gelóóvigen verordineerd heeft, — heeft men hem daarmee p u - bliek als ongeloovige aan de kaak gesteld of niet?

Het geldt niet alleen K. S. Men heeft van ons allen in dezen bepaalden ernstigen zin, verklaard, dat we , , scheurmaker8" waren; men wist toch wat men deed, toen men dit woord bezigde, nadat het was toegelicht uit avondmaalsformulier en K.O. ? Er is geen sprake van hereeniging, zoolang men blijft weigeren deze feiten te erkennen.

Want opnieuw: Zwolle mag zeggen: „voorzoover ons bekend, is op niemand in dit conflict de persoonlijke censuur toegepast" (wil men ons heusch wijs maken, dat niemand der leden van de Zwolsche vergadering ook maar iets afwist van één der tientallen gevallen, die ds Doekes noteert op zijn , , zwarte lijst"? ), prof. Ridderbos mag schrijven, dat zij nimmer hebben verklaard, dat wij geen deel in het-rijk van Christus hebben, — sinds wanneer hebben zij die c l a u s u l e betreffende „tweedracht, secten en muiterij in de kerken begeeren aan te ricliten" dan toch wel uit het avondmaalsformulier geschrapt? Verkondigt-men daar niet m e e r aan wie zich met deze zonde besmet weten, dat ze geen deel in het rijk van Christus hebben? Of richt men die verkondiging sinds kort ginds niet meer tot allen, die zich hiermee besmet weten? Is het ginds dan misschien al zoover gekomen, dat ook scheurmakers toegang hebben tot de spijze

welke Christus alleen vgor zijn geloovigen verordineerd heeft?

En als men het avondmaalsformulier ginds dan ook al niet meer serieus neemt, weke mogeijkheid van hereeniging is er dan nog?

Expres ga ik op deze dingen breed in, hoewel het me de keel uithangt. Want het blijkt telkens: vele bezwaarden „over", doch toch nog steeds levend „onder de synodocratie", spreken van een „gelukkige i n c o n s e q u e n t i e" bij de uitwerpers. Ze kwamen immers ginds niet van de A van van het vonnis tot de Z der afsnijding. En dit doodelijk vergif laten ze zich reiken ook door het Zwolsche antwoord, dat de Z der afsnijding ontkent, omdat inmiddels „de kerkelijke gemieenschap verbroken werd". En prof. Ridderbos is een specialist in het bereiden van dit verdoovingsmiddel: „De broeders hebben zich aan het opzicht en de tucht onzer kerken onttrokken, en sindsdien hebben onze kerken niet meer over hen te oordeelen; het door onze kerken uitgesproken oordeel gaat dus niet verder dan tot hun schorsing en ook afzetting als ambtsdragers". Hij is dan zoo vriendelijk toch nog even de vraag te bespreken, „wat er geschied zou zijn, indien de broeders niet waren heen gegaan en toch in hun verzet tegen de synode hadden volhard". Ik hoop daarop terug te komen. Maar wat hier staat is onzin. De uitvoering van het vonnis, de executie, ging niet verder in de meeste gevallen dan tot schorsing en afzetting. Doch het vonnis, het oordeel zélf, ging veel verder: het begon bij de qualificatie naar avondmaalsformulier en K.O. (zie boven). Maar afgezien hiervan: de bedoeling is klaarblijkelijk deze: wij hebben in het geval-Schilder alleen de A der schorsing en de B der afzetting besproken; A^erder konden we niet gaan, omdat de man inmiddels „heen ging"; doch ook als hij .gebleven was, zouden we misschien nog eens toegekomen zijn aan de X der afhouding, mogelijk ook nog eens een keertje aan de Y der openbare vermaningencyclus, doch stellig niet aan de Z der afsnijding en aan de verkondiging, dat hij geen deel in het rijk van Christus had.

Daarmee zet prof. Ridderbos de kwestie voor de zooveelste maal op den kop. Want voor hem schijnt de verkondiging, dat Schilder geen deel had in het rijk van Christus de laatste acte, de Z dus, te zijn. Doch de feiten liggen anders. Voor hem en de hem indertijd volgende synode was deze verkondiging de A, waarmee men begon. Men sprak toen een heel zware A: openbare scheurmaking, bewuste en openlijke verachting der kerkelijke orde, grove zonde tegen de duidelijke, bepalingen der K.O., alsmede tegen zijn onderteekenihgsformulier, secten en tweedracht naar luid van het avondmaalsformulier; geen deel in het rijk van Christus etc. Want de heele context van het avondmaalsformulier zit aan dat „secten en tweedracht" vast. Dit óórdeel van scheurmaking was impliciet de verkondiging, dat hij geen deel had in het rijk van Christus. Deze verkondiging was de A, w a a r-mee men begon. Toen ging men direct daarop (25 Febr. '44) over tot de B der vermaning en tot de C der categorische vragen. Op 25 Maart d.a.v. constateerde men reeds, dat hij in de zonde volhardde en dat de zaak een te ernstiger accent gekregen had; dat was de D. En men ging op denzelfden dag over tot de E van schorsing, en de F van het zenden van een deputatie al spoedig daarop. Vervolgens kwam de G der openbare vermaning van alle kansels, •en de H der voorbede van alle kerken. Daarna nog de I der Toelichting, de J der afwijzing van alle verzoeken tot opheffing der schorsing, de K der afzetting, de L der schorsing van prof. Greijdanus, de M der wegzending van ds van Dijk, de N-O-P-Q etc. van vele andere vonnissen, waarvoor het alfabeth geen letters genoeg biedt; daarop volgde Zwolle met de X der bekrachtiging, de Y der bagatelliseering en de Z van de herhaling van het verzoek tot samenspreking, en de begeerte naar hereeniging.

Wil iemand zeggen dat déze Z na genoemde X een „gelukkige inconsequentie" is? Ik acht het de allero n gelukkigste consequentie van bet geknoei. Men is . alom bezig den inhoud van de verschrikkelijke A weg te moffelen, onder de Z van de begeerde samenspreking met de „waarde broeders", hoewel we volgens de A de allerónwaardigste zondaren waren. Zulk een Z is een witgepleisterd graf: de A wordt clandestien begraven.

Want zéker in de kerk moet wie A zegt ook B zeggen. Wie begint met het óórdeel van bewuste openlijke verachting der kerkelijke orde, zal binnen heel afzienbaren tijd zich geplaatst zien voor de droeve noodzaak der allerlaatste acte, die der afsnijding. Tot Judas zei Christus: at ge doet, doe het haastig, en Hij dreef hem het pad der consequentie op. Maar na Pinksteren drijft Hij rechtvaardigen en onrechtvaardigen met haast tot de consequente vervulling (Openb. 22 : 11). en dus één van tweeën: e A' van het oordeel van openbare grove zonde etc. was juist; ga dan met haast voort tot de Z der afsnijding. Zeg dan niet: e menschen „gingen heen", wij konden de Z niet spreken; doch verklaar ronduit: ls ze „gebleven" waren, zouden we de Z reeds lang gesproken hébben. En indien men de Z der afsnijding niet aandurft, laat men dan terug nemen de A des oordeels, dat er hier openbare grove zonde was, een kwestie van den avondmaalscatalogus en van het uittreksel daaruit in de K.O.

Doch het verfoeilijke is, dat men de A niet terugneemt, doch wel ze wegradeer t, zoodat de menschen niet meer kunnen zien, hoe zwart die letter oorspronkelijk was. Het verfoeilijke is óók, dat Zwolle het heele alfabet der tucht dooreenwierp, ijverig gesecondeerd door prof. Ridderbos, zoodat de argelooze zielen geen A meer van een B weten te onderscheiden. Op deze wijze wordt elk gezicht als de woorden van een verzegeld boek. Niemand kan binnenkort ginds meer lezen. Doch dat is het oordeel over de kerk (Jes. 29).

B. HOLWERDA.

DR HOMMES EN GERODDEL.

In „Gereformeerd Weekblad" van 25 Juli komt een artikel voor van de hand van dr N. J. Hommes onder den titel: Reformatorische Stemmen — Rehabilitatie en Reconstructie der Waarheid, waarin hij reageert op een artikel van ondergeteekende in het Verspreidingsnummer van „De Vrije Kerk" van 12 Juni j.l. In dat artikel van ondergeteekende was, in verband met het tot de Ned. Herv. Synode gerichte verzoek om rehabilitatie voor ds Hendr. de Cock, gewezen op de verzoeken, die tot een „Geref." Synode gericht waren om rechts-en eerherstel voor prof. dr K. Schilder e.a., welke verzoeken slechts met een bot „neen" werden beantwoord.

In dat artikel van ondergeteekende kwam deze zinsnede voor: , , hoewel men prof. dr H. H. Kuyper, al is hij nog geen jaar dood, al wel schoon weet te wasschen van z'n schuld aa, n de gevangenhouding van en het verbod om te schrijven, opgelegd door de S. D. aan prof. Schilder!"

Tegen deze opmerking richt zich de verontwaardiging en toorn van dr Hommes. Allerlei lieflijke kwalificaties worden mij naar m'n hoofd geslingei'd: „zoo maar klakkeloos neergeschreven grove beschuldigingen, zonder het minste bewijs"; „geroddel"; „het besmetten en vergiftigen van vele eenvoudigen met zulke zware beschuldigingen van „broederverraad"; " „achtelaps en liefdeloos neergeworpen onbewezen aanklachten van vuig verraad, die het bewustzijn van vele eenvoudigen vergiftigen", enz. Misschien is dit staalkaartje van dr Hommes' vocabulair iets voor den Heer Scheps om in z'n „Kerknieuws" over te nemen, zooals hij dat onlangs ook met zooveel smaak deed, toen een artikel van prof. Schilder door hem werd „verslagen"! Zulks om het evenwicht in z'n blad te houden!

Vanwaar de toorn van dr Hommes? Wel, hij heeft begin 1942 (men lette op het jaartal!) een bezoek gebracht bij prof. Kuyper en deze liet hem een brief lezen van prof. Schilder, waarin deze een dankbetuiging schreef op „een hartelijken brief, dien hij van prof. Kuyper had ontvangen" na zijn vrijlating. „In een voorgevoel, dat er in de nabije toekomst „something rotting" in onze kerken zou komen, schreef 'ik met toestemming van prof. Kuyper de dankbetuiging van prof. Schilder af. Het afschrift is nog steeds in mijn bezit", aldus dr Hommes. Hij wil, dat briefje wel laten publiceeren, is zelfs „gaarne bereid het aan prof. Schilder toe te zenden voor publicatie in „De Reformatie". Dan kan heel de broederschap van de Geref. Kerken naar art. 31 K.O. lezen met welk een dankbaarheid prof. Schilder na zijn bevrijding vervuld was voor wat Prof. Kuyper als deputaat voor de correspondentie met de Hooge Overheid te zijnen gunste heeft gedaan". Hetgeen echter onnoodig is, omdat die „broederschap" van het bestaan van dat briefje allang op de hoogte is, omdat prof. Schilder er zelf mededeeling van heeft gedaan!

Intusschen is het mij. wel heel duister, waarom prof. Kuyper alleen maar dien éénen brief van dankbetuiging aan dr H. heeft laten lezen en niet de correspondentie, die daarna gevolgd is in 1941 (dr H. was begin 1942 bij prof. K.!). Dan was hij meteen op de hoogte geweest van het feit, dat er niet „something rotting" in de nabije toekomst komen zou, maar dat er reeds „something rotting" was in de behandeling, die prof. Schilder had ondervonden. Of had dat „voorgevoel" van dat rotte soms betrekking op hetgeen in de jaren 1942—'46 is gepasseerd niet alleen met betrekking tot prof. Schilder, maar ook ten aanzien van honderden andere ambtsdragers? En waaraan dr H. zelf heeft meegewerkt op verschillende zittingen der Synodes?

Maar prof. K. zal dus dr Hommes die andere correspondentie niet hebben laten lezen. En deze zal zelf wel niet de moeite genomen hebben met ernst die volledige correspondentie te bestudeeren. Hij had dat anders kunnen en moeten doen, want hij is zelf op de Synodezitting geweest, waarop het „eerherstel" van prof. K. in verband met die correspondentie ter sprake kwam en verleend werd. Hij heeft toen ook dapper meegestemd! Maar een mensch kan nu eenmaal niet alles bijhouden, vooral niet als hij zooveel aandacht moet besteden aan het „inhalen van onze achterstand in het cultureele leven" als dr H. blijkbaar doet.

Er is nu echter misschien reden voor hem om die correspondentie nog eens door te nemen, nu hem deze zaak zoo hevig blijkt te interesseeren en hij naar bewijs vraagt voor mijn bewering. Hij leze dan de Bijlagen bij het Kerkelijk Handboek van „De Gereformeerde Kerken in Nederland", uitg. Oosterbaan en Le Cointre te Goes, 1946.

Ik kon toch niet heel die correspondentie aanhalen in m'n korte artikeltje ter nadere adstructie van hetgeen ik schreef?

Dr Hommes wil graag „bewijs". Voor zijn gemak en ter voorlichting van hen, die hem zouden willen volgen in het spreken van „geroddel" enz., worde hier in het kort weergegeven wat die correspondentie ons leert. Het is hoofdzakelijk uit de pen van prof. Schilder zelf. Zoodat blijken zal, dat dr Hommes er wel heelemaal naast is, als hij echrijft: „Prof. Schilder zwijgt en accepteert blijkbaar dit geschrijf van zijn vereerders, ofschoon hij in staat zou zijn een ander geluid te laten hooren en een ander licht te werpen op dit geroddel".

Vooraf nog iets over de voorgeschiedenis.

In Aug. 1940 werd prof. Schilder gearresteerd. Het bleek al spoedig, dat dit in 't bijzonder was een zinsnede uit een door hem in „De Reformatie" van 16 Aug. 1940 gepubliceerd artikel (ook te vinden in „Bezet Bezit", blz. 92'3): „Macht en bevoegdheid blijven gelukkig twee. Tenslotte zal de antichrist gene en de Kerk déze behouden. En daarna komt de dag van den grooten oogst. Kom, Heere Oogster, ja, kom haastiglijk, kom over het Kanaal en over den Brennerpas, kom via Malta en Japan, ja, kom van de einden der aarde, en breng Uw snoeimes mee, en wees genadig aan Uw volk; het is wel bevoegd, maar slechts door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen".

Dr H. W. van der Vaart Smit, die toen aspiraties koesterde voor een hoog ambt bij de bezetters (het gerucht ging, dat hij zooiets als minister of secretaris-generaal van een departement van eeredienst en onderwijs zou worden!) gaf in het blaadje , , Evangelie en Volk" deze argumentatie voor de gevangenneming van prof. Schilder: „Ieder weet en kan weten hoe fel prof. Schilder den politieken strijd voert, hoe scherp hij het politieke nationaal-sooialisme bestreed. Wij zouden wel eens willen weten, wie dergenen, die nu van „geloofsvervolging" bazelen, in staat is aan te toonen, op welke wijze , al die strijdkolommen van „De Reformatie" onder het hoofdstuk „geloofsgetuigenissen" zouden zijn onder te brengen. Het is ons bekend, dat de deur werd dicht gedaan, toen prof.' Schilder in „De Reformatie" de bede uitsprak, dat de Heere des Oogstes met het zwaard des gerichts mocht komen van over het Kanaal en vanaf Malta en van over den Brennerp a s. ^) Daar werd dus ronduit gebeden voor de overwinning van Engeland en de nederlaag van Duitschland".

Nu had prof. Kuyper op 9 Sept. 1940 aan ds H. Veldkamp, toen te Sneek, een brief geschreven, waarin deze woorden voorkwamen: „Vermoedelijk zijt ge niet op de hoogte met wat de gronden zijn, waarom de Duitsche overheid hem gevangen heeft genomen en ook niet met wat K. S. daarop verklaard heeft, want dan zoudt ge weten, dat dit met een belijden van Christus niets te maken heeft. Het is daarom een door en door valsche voorstelling, alsof hij als martelaar voor Christus' zaak zou lijden". Dus: eenzelfde redeneering als van dr v. d. V. S.!

Na zijn vrijlating en dus nadat prof. Schilder zijn dankbetuigingsbrief aan prof. H. H. K. geschreven had, kreeg hij inzage van dezen brief aan ds Veldkamp.

Prof. Schilder heeft toen op 18 Maart 1941 aan prof. K. een tweetal - vragen gesteld: a. wat hij op 9 Sept. 1940 omtrent die gronden der Duitsche autoriteiten weten kon; b. wat hij omtrent de verklaring van K. S., afgelegd tegenover die Duitsche autoriteiten weten kon.

Nadat prof. Schilder op 22 April 1941 nogmaals aangedrongen had op schriftelijke beantwoording van zijn vragen, kwam op 5 Mei 1941 antwoord van prof. K. Hij antwoordt, dat hij een onderhoud heeft gehad met „een der Duitsche autoriteiten', ', waarin hem gebleken is „dat de Duitsche overheid (in die bede, welke prof. K. weergeeft als: Kom, Heer des Oogstes van het Kanaal, Malta enz.) zag „een tehulp-roepen van Engeland om ons volk te bevrijden". Weer dezelfde opvatting als van v. d. V. S.! Met geen woord wordt door prof. K. ervan gerept, dat hij deze totaalverkeerde interpretatie, die een catechisant als onjuist kan weerleggen (immers het is een heel zuivere bede om de wederkomst^van Christus!) heeft bestreden en afgewezen. En dat was toch z'n plicht geweest als deputaat voor de correspondentie met de H.O. De Kamper Hoogleeraren hebben die onjuiste opvatting wél bestreden en de juiste interpretatie gegeven aan de Duitsche instanties, zulks in een stuk, opgesteld door prof. Greijdanus.

Het blijkt uit verdere correspondentie, dat die „Duitsche autoriteit" een zekere Husshahn is geweest. Deze heeft dus, met prof. K. over het geval-Schilder zitten praten, hoewel prof. K. bij hem gekomen was om over „De Heraut" te spreken.

Dat praten van prof. K. geschiedde „blijkbaar — en nu citeeren we den brief van prof. Schilder aan prof. K. letterlijk — zonder hem (Husshahn) het dwaze van de arrestatie, en zéker van het gevahgenhouden op dien grond onder het oog te brengen; nu blijft mij geen andere conclusie over dan deze: U hebt mijn gevangenistijd niet verkort, doch indirect, door dit zwijgen n.l. verlengd. U hebt de Kamper

1) De spatieering is van dr v. d. V. S. zelf. Men lette op de weergave van de gebedswoorden van K. S.!

collegas alleen laten staan; immers nog op 9 Sept., toen U wist, dat zij dat ééne zinnetje als grond voor arrestatie en gevangenhouding volkomen afwezen, hebt U aan ds Veldkamp een brief geschreven, „gegrond" (!) op mededeelingen des heeren Husshahn, en niet op die der Kamper collega's. En U hebt, tot mijn verbazing blijkt het uit Uw eigen brieven, zelf een tijdlang de meening gevoed, en dus bij de Duitsehers begunstigd, dat dit ééne zinnetje, uit het gebed, wèl grond voor suspicie was v. d. V. S. zegt dat het zinnetje wèl deutschfeindlich is. Inderdaad, dat had ik al begrepen.

Maar thans begrijp ik, dat ook U, die in de theologicis geen vreemde zijt, en die in de interpretatie van citaten de mogelijkheid van meer dan één exegese herhaalde malen getoond hebt wel degelijk te zien, toch ook voedsel hebt gegeven aan de dwaze gedachte, als ware dat zinnetje niet de normale christelijke gebedsinhoud. Aan den eenen kant staan dus de dominees en zelfs hulppredikers, die kalm schrijven, dat zelfs een catechisant het zinnetje onmiddellijk kan verstaan, waaraan ze m.i. gelijk hebben; aan den anderen kant staan dr v. d. V. S. en U zelf. 't Is me onbegrijpelijk; masir daarom des te smartelijker, dat ik nu wel moet concludeeren, dat U mijn gevangen houding hebt verlengd, en den invloed der Kamper collega's hebt verzwakt. Had men ook van U vernomen, dat die zin wel degelijk goed bedoeld moest zijn, dan had men mij na één dag moeten vrijlaten In stee daarvan laat men mij 3% maand in een huis van bewaring, en den eenigen grond, dien U als deputaat aanvoert vóór mijn vrijlating is, naar Uw eigen verzekering : het belang van. het theologisch onderwijs in Kampen. De r e c h t s k w e s t i e is bij U als deputaat niet in veilige handen geweest" (blz. 79/80 in de „Bijlagen").

Of dr Hommes dit alles als bewijs voor mijn bewering wil aanvaarden is zijn zaak. In elk geval is „het licht, dat prof. Schilder zélf op dit geroddel werpt" nu ook voor dr Hommes opgegaan! Ik ben overtuigd mij niet „klakkeloos, liefdeloos aan grove beschuldigingen" enz. schuldig gemaakt te hebben. Ook niet t.a.v. de bewering inzake het door de S.D. aan prof. Schilder opgelegde schrijfverbod. Want dat vloeide heel eenvoudig voort uit de totaal-verkeerde interpretatie van dat zinnetje, waarom K. S. werd gearresteerd en vastgehouden.

Overigens: ik heb niet geschreven, dat prof. H. H. K. schuldig zou zijn geweest aan de gevangen neming van prof. Schilder, doch slechts aan de gevangen houding en het schrijfverbod.

Dr Hommes schijnt niet te kunnen inzien, dat onze strijd voor waarheid, waarachtigheid en recht niet voortkomt uit „vereering" voor prof. Schilder. Wij zullen maar niet vragen of het geschrijf van dr Hommes opkomt uit een zekere adoratie voor prof. H. H. K., wiens particuliere correspondentie hij mocht inzien en copiëeren; en wiens medewerker hij mocht blijven in „De Heraut" gedurende den bezettingstijd. En hoe „prachtig" deutschfreundlich was dikwijls de inhoud van die Heraut! Men zie de bloemlezing in het geschrift van prof. Veenhof: „In de chaos"! Is zelfs dr Hommes, niet eens in „Vrij Nederland" gesignaleerd als schijver in dat door de Duitschers almaar gedulde blad?

Ik heb den term „broederverraad" in mijn artikel niet gebezigd. Maar als dr Hommes dan graag wil hooren hoe ik denk over de pogingen, die ^rof. H. H. K. bij dienzelfden Husshahn aanwendde om z'n eigen „Heraut" in stand te houden, maar niet protesteerde tegen die totaal-onjuiste beschuldiging aan 't adres van prof. Schilder, dan zij het ronduit gezegd: dit IS broederverraad en dus verraad aan de zaak van Christus.

Tenslotte: als dr Hommes in dat artikel nog opmerkt: „Prof. K. kan zichzelf niet meer verdedigen. Hij is uit de rabies theologorum, uit de hondsdolheid der theologen, zooals Melanchton verzuchtte, bevrijd" dan laten we deze beleediging aan het adres van prof. K. voor zijn rekening. W ij hebben nimmer beweerd, dat prof. K. aan die hondsdolheid geleden heeft.

H. V.

Naschrift. Bij het schrijven van mijn eigen korte artikeltje over deze zaak was me ontgaan, dat dr Hommes pas in 1942 het afschriftje „in handen kreeg". Maar mijn briefje is geschreven na terugkeer uit gevangenschap. Die was in 1940. Ik had in die periode natuurlijk „De Heraut" niet gelezen. Dat „voorrecht" (zoover noodig) had ik pas later. En ook pas later kreeg ik inzake van wat dr H. H. K. had verhandeld met de duitschers of geschreven had achter mijn rug aan ds H. Veldkamp. Merkwaardig, dat dr H. H. K. in '42 dat briefje aan dr H. toonde en niet de correspondentie die inmiddels gevolgd was. Of is die wel getoond? Dan is 't stuk van dr Hommes nóg wonderlijker.

K. S.

HET CONSUMENTENCREDIET en de nood voorziening-ouden-van-dagen.

Getuigenis van den Raad: der Geref. Kerk te Kampen.

Aan de Gemeente.

De Raad der'Gereformeerde Kerk te Kampen heeft zich op een drietal vergaderingen bezig gehouden met een verzoek om advies, aan hem gericht door de Diakonie betreffende het z.g.n. Consumentencrediet en de Noodvoorziening-ouden-van-dagen.

De kerkeraad hield zich bezig met een tweetal vragen. Hij onderzocht de vraag of hier al dan niet van staatsarmenzorg sprake is en-zoo ja, hoe de Diakonie dan tegenover zulk een staatsbemoeiing diende op te treden. En hij zag vervolgens de vraag onder het oog of hij den leden der gemeente de aanvaarding van deze staatszorg al dan niet ontraden moest.

Resultaat der besprekingen was, dat de kerkeraad besloot een getuigenis tot de Gemeente te doen uit­ gaan.

In dat getuigenis wordt als resultaat der besprekingen gezegd, dat de Algemeene Kerkeraad als zijn oordeel uitspreekt, „dat zoowel het Consumentencrediet als de Noodvoorziening-ouden-van-dagen anders niet zijndan een nieuwe — zij het verkapte — vorm van Staatsarmenzorg. En dathijdaaromdeDiaconie adviseeren moet in al die gevallen, waarin leden der Gemeente V a Ji dit Consumentencrediet of van deze Noodvoo, rziening gebruik maken te handelen zooals zij vroe^ger handelde in gevallen van z.g.n. dubbele bedeeling".

Ten aanzien van de vraag of de Algemeene Kerkeraad den leden der Gemeente, die voor dit Consumentencrediet in aanmerking komen, alsmede voor de Noodvoorziening-ouden-van-dagen, het gebruik maken van deze regelingen aan-of ont-raden moet of wel zich van eenige uitspraak in dezen onthouden, meent de Raad der Kerk dezen leden der Gemeente het aanvaarden van deze staatsarmenzorg ten stelligste te moeten ontraden.

In het getuigenis worden deze uitspraken van den kerkeraad breed geargumenteerd. De gemeente wordt er op gewezen, dat zij inplaats van deze staatszorg voor de behoeftigen te aanvaarden, den door Gods Woord gewezen weg heeft te bewandelen en zich in geval van armoede en nood bij onmacht en onwil van kinderen of familie (I Tim. 5 : 4, I Tim. 5 : 16), zich met vrijmoedigheid wende tot de Diakenen der Gemeente van Christus.

Wijzend op de gevaren £ian deze staatsarmenzorg verbonden, zegt het Getuigenis:

„Er ligt in het huidig staatsieven een tendenz van Staatsalbemoeüng, dat zeker op den duur een bedreiging vormt voor onze christelijke vrijheid. De Heilige Schrift wijst ons aan, dat eenmaal, de Antichrist de sleutelposities in het staatsieven zal bezetten — Openbaringen 13 — en dat het dan gedaan zal zijn met de vrijheid om als vrome christenen te leven. Het jongste verleden in Duitschland en Rusland toonde en toont ons dat gevaar op dringende wijze. En het is de roeping der geloovigen bij alle onderwerping aan de van God gestelde machten — Rom. 13 : 1—7; Titus 3 : 1; I Petrus 2 : 13 — niet alleen om der straf, maar ook om des gewetens wil, den geest, waaruit de Overheid regeert te beproeven — I Joh. 4:1 — en tegen dien geest, zoo noodig, bescheiden en met den eerbied, die tegenover de overheden, ook de kwade, past — Judas : 9 — te getuigen. Openb. 11 : 3 v.v. Aan dit getuigenis hangt mede de zegepraal der geloovigen. Openbaringen 12 : 11.

En nu dreigt het gevaar, dat in zulk een situatie, die-élk oogenblik intreden kan, vanwege Christus' haast om te komen — Openb. 22 : 20 — een tot dank verplichtende zilveren koorde aan den staat den geloovigen de vrijmoedigheid tegenover hun , , weldoener" rooven, hun christelijke vrijheid nemen en de kracht van hun getuigenis toetsen kan.

Het jongste verleden — het Nationaal-SociEilistische Duitschland — is er de illustratie en het waarschuwend voorbeeld van.

Ziet toe, dat ge niet zelve meebouwt aan een eigen gevangenis.

De wegen van het Staatssocialisme, „loopen hier naar de vernietiging van de vrijheid van het menschelijk leven door den despotieken staat, naar de vernietiging van de vrijheid der consciëntie" (J. C. Sikkel, Vrijmaking van den arbeid, pag. 149).

Voorts vermaant de kerkeraad de gemeente opnieuw mild en ruim te voorzien van de goede middelen tot verzorging der armen. En hij zegt aan het slot van het Getuigenis o.m.: „De verleiding om van het Consumentencrediet gebruik te .maken is voor de betreffende broeders en zusters niet gering. De gelden voor de Noodvoorziening-ouden-van-dagen te aanvaarden aanlokkelijk. Het moet hun strijd kosten hier te weigeren. Laten' wij hen in dien strijd niet alleen! En helpen wij hen hun vrijheid als christen, ook de vrijheid-van-de-zilveren-staatskoorde te behouden door zelve mede in hun nood te voorzien".

Het Getuigenis, dat als Bijlage bij de „Kamper Kerkbode" van 2 Augustus verschijnt en aan al de Diaconieën der (vrijgemaakte) Gereformeerde Kerken wordt toegezonden, is voor ieder belangstellende op aanvraag verkrijgbaar bij Peter Bos, Oudestraat, op aanvraag verkrijgbaar bij Pet Kampen.

er Bos, Oudestraat, D. E. C.

KUYPER EN KUYPER5.

De heer G. Kuypers beweert in een onder redactie van dr F. W. Grosheide staande periodiek (G.T.T.), dat de meening van ondergeteekende, dat Kuyper de leer der veronderstelde wedergeboorte naar voren heeft gebracht om zijn sacramentstheorie sluitend te maken, onhoudbaar' „wordt" (!)

Laat Kuyper zelf dan maar weer spreken. „De sacramentsquaestie" zegt hij, „had allengs vasteren vorm aangenomen in de tegen.'jtelüng van tweeërlei opvatting inzake den kinderdoop. In verreweg den breedsten kring braobt men den kinderdoop schier uitsluitend in verband met zekere, , niet nader gedefinieerde Verbondsheiligheid; maar in kleine kring won allengs de overtuiging veld, dat men bij deze uitwendige opvatting niet wel kon blijven staan, zonder het mysterie in het Sacrament gevaar te doen loopen" (voorwoord dissertatie G. Kramer).

Dit citaat is van 1897. En in „De Reformatie" van 6 October 1945 hebben we in den vorm van een dialoogje Kuyper zelf doen spreken uit 1891. Daar zegt hij eveneens duidelijk, dat de onderstelde wedergeboorte dienen, moet om de sacramentsleer te doen zijn wat ze wezen moet: harmonisch.

Dr Grosheide met zijn mederedacteuren moeten maar weten hoe ze ook in genoemde tendenzschriftenverzameling laten argumenteeren.

K. S.

DRINGEND VERZOEK BIBLIOTHEEK THEOL. HOOGESCHOOL.

Voor de Bibliotheek der Hoogeschool missen we nog volgende synodale Handelingen of acta van de synodes:

Handelingen Amsterdam 1836; Utrecht 1837; Verslag Amsterdam 1840; Handelingen besluiten Groningen 1846; Verslag Amsterdam 1851; Handelingen Zwolle 1854; Hoogeveen 1860; Franeker 1863; Amsterdam 1866; Middelburg 1869; Handelingen Chr. Geref. Kerk Groningen 1872; 's-Hertogenbosch 1875; Utrecht 1877; Dordrecht 1879; Zwolle 1882; Rotterdam 1885; Acta voorl. syn. Nederd. Geref. Kerken Utrecht 1888 en 1889; 's-Gravenhage 1891; Amsterdam 1892; Acta Geref. Kerken Dordrecht 1893; Groningen 1927; Arnhem 1930.

Wij hebben van elk der hier genoemde werken twee exemplaren noodig. Zijn er ook personen of instanties, die de Bibliotheek hieraan kunnen helpen? Laat ieder zijn voorraden nazien (ook eventueel kerkeraadsarchieven). Men zou de Bibliotheek een zeer grooten archieven). Men zou de Biblioth dienst er mee bewijzen.

K. SCHILDER, bibliothecaris.


1) In het algemeen ziet hij trouwens , , haeresis" (in den zin van valsche leer) als wortel èn begin van schisma (49, 481).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 9 augustus 1947

De Reformatie | 8 Pagina's

ZELFSTANDIG OPTREDEN IN DE POLITIEK ?

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 9 augustus 1947

De Reformatie | 8 Pagina's