GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Psalmen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Psalmen

6 minuten leestijd

Adriaan van Boven: „XV Psalmen" — „Heilige Gezangen". Kok, Kampen, 1951.

Nu ons de eer te beurt valt, dat wij naar „Reformatorische" gewoonte de twee bundels verzen mogen aankondigen, waarvan de inhoud bij stukjes en beetjes sinds 1947 In deze kolommen een plaats vond, willen we graag allereerst vaststellen, wat deze bundels niet zijn. Zulks om een voor de hand liggend misverstand bij voorbaat den gezwiuden pas af te snijden.

Want onze bedoeling was met om het aantal der onder ons gangbare, min of meer Christelijke dichtbundels met twee te vermeerderen. Mocht iemand de onderhavige Schrlftberljmlngen den naam van poëzie waardig keuren, dan zal dit ons uiteraard deugd doen. Maar naar zulk een beoordeelmg streefden we niet. Althans niet In de eerste plaats. Wat wij beoogden was het leveren van een kleine bijdrage tot de oplossing van het gewis brandende vraagstuk van den zajig der Kerke Gods. In welken zin — daarvan leggen we In een voorbericht in beide boekjes rekenschap af. En we willen de ons gegunde ruimte graag benutten om ook hier dienaangaande iets te zeggen.

In de eerste plaats omtrent de „XV Psalmen" —• een proeve van psalmberijming, geUjk deze naar onze bescheiden meentng dient te geschieden, namelijk zóó, dat zij — om het te formuleeren, gelijk het door de Synode van Amersfoort Is gedaan! — de gedachten van de oorspronkelijke psalmen zoo juist mogelijk weergeeft.

Voor dezen elsch hebben we in onze berijmingen alle andere verlangens, hoe gerechtvaardigd en goed ook, laten wijken. Al zijn we ons zeer wel bewust, dat we dusdoende gevaar loopeu de goodwill van vele poëtischaangelegde zielen reeds bij voorbaat te verliezen.

Maar wat wil men — zoo Davld, door den Geest gedreven, de Kerk van alle tijden en plaatsen een lied op de Uppen legt, past het ons dan niet deze Woorden Gods gehoorzaam na te spreken ? Hij, de HEERE, weet toch beter dan wij ooit zullen weten, wat recht en waarheid is? Hij vraagt van hen, die Hij uit vrije genade zich in Nederland tot een erfdeel heeft uitverkoren niet, dat eij In deze bedeeling den grondtekst zullen zingen. Maar wel, dat zij hun Uederen en lofzangen zullen verheffen naar Zijn Woord, In het Nederlandseh getrouwelijk overgebracht. En wanneer dan dus, om een man te noemen, die in dit opzicht — gelijk trouwens ook in vele andere! .— diametraal tegenover ons staat wanneer dan dus de dichter Muus Jacobse zegt: „De gedachten van het Hebreeuwse gedicht — o zeker! Doch, gemeente, zulks in poëtische taal, al sluit dat vrijere bewerking In" — dan zeggen wij, dat we onzentwege liever een schat van poëzie verliezen, dan dat we één der Woorden Gods In het Boek. der Psalmen ter aarde zouden laten vallen. Psalmzmgen is geen zingen óver Gods Woord of naar aanleiding van Gods Woord: het is een zingen van dat Woord zélf.

Zoo hebben we dan dus In onze berijmingen de gönsplreerde dichters der Oude Kerk, nauwkeurig gevolgd van w^oord tot woord, waar dit ook maar eenlgszlns mogelijk was. En als versvorm eru melodie tot vrijere bewerking dwongen, kozen we de woorden onzer paraphrase uit passende Schriftplaatsen. Want ook in het studeervertrek van den Psalmberijmer gaat de duivel brleschende rond, zoekende of hij niet de gelegenheid krij, gt om verderfelijke ketterijen bedektelijk In te voeren vla welluidende eigen vonden en aanvullingen, die evengenoemde berijmer voor zijn verzen niet missen kan.

Nu lelde men uit het bovenstaande niet af, dat we met de schoonheid der taal maar een loopje hebben genornen. Want zoo is het geenszins. We hebben er naar gestreefd ook to poëtisch opzicht te bereiken, wat bereikt kon worden. Alleen: dit nimmer ten koste van' een eerbiedig en gehoorzaam weergeven van het Woord der zaligheid. Terwijl we ons ook zoo nauw mogelijk hebben aangesloten bij de Nieuwe VertaUng van het N.B.G., wijl we het van groot belang achten, dat de gemeente de psalmen, welke zij leest herkent to de psalmen, welke zij ztogt. Reden waarom dan ook naar oude, helaas in onbruik geraakte, gewoonte de onberijmde telcst nauwgezet naast de be^ rijmingen is afgedrukt.

Wanneer we tenslotte nog vermelden, dat boven elk der vijftien psahnen de korte inhoud werd opgenomen, gelijk die door de Staten-Vertalers Is samengevat, hebben we naar wij meeneu gezegd, wat er gezegd diende te worden. Uit de kritiek, op deze onze proeve van berijmmg geoefend, hopen we leering te trekken.

De bundel „HeUlge Gezangen", die tegelijk met de , , XV Psahnen" verschijnt, verschilt daarvan eigenlijk maar In één opzicht; de Inhoud bestaat niet iiit berijnüngen van gedeelten van het Boek der Psalmen, maar uit berijmJngen van gedeelten van de Boeken Exodus, Deur

teronomiuin, I Sajnuël, Jesaja, Lukas, Romeinen, Judas en Openbaring-— van enkele Boeteen meer dus dan onze oude „Enige Gezangen", welke zich tot Exodus en Lukas bepalen. Verder geldt alles, wat we hierboven ten aanzien van de Psalmen opmerkten, onverminderd ook voor deze berijmingen.

Ea dit boekje „Heilige Gezangen" moge een nieuwigheid lijken — het is het toch allerminst. In 1595 verscheen namelijk in Geneve bij Matthleu Berjon een boekje met den titel: „LES SAINCTS CAJSTTIQVBS, recveilUs tant du Vieil que du Noweau Testament, mis en rime fran.-^oise par Theodore de Bèsze".

Een exemplaar van dit, vóór de publicatie van den Heer D. W. L. Milo in „Organist en Eredienst", d.d. Augustus .1946 onder ons onbekende, werkje is aanwezig in de Bibliotheek van de Theologische Hoogeschool der Gereformeerde Kerken, Broederweg, Kampen. De daarin door Beza opgenomen „Heilige Gezangen, uit het Oude, zoowel als uit het Nieuwe Testament verzameld en in het Fransch berijmd", laten heel duidelijk zien, welke liederen Calvijn voor den gemeentezang gebruiken wilde, toen hij in 1539 aan het slot van zijn eerste kerkelijk zangboekje schreef: „Psalme & chanson ie chanteray a vn «eul Dieu tant que seray" — Psalm en lied zal ik den eenigen God zingen, zoolang ik ben!

Dit werkje van Calvijn's trouwen vriend en rechterhand Beza is naar vorm en inhoud het voorbeeld voor onze „Heilige Gezangen" geweest. Zijn wensch is de onze: gezangen in den heiligen Keriiedlenst naar de Schrift. Mocht dit ons bimdeltje Schriftberljmlngen er iets toe bijdragen, dat het verlangen van Calvijn naar Bijbelsche gezangen ook weer onder ons gaat leven, althans de aandacht krijgt, welke het verdient — wij zullen ons rijk beloond achten.

[Wij hopen hierop terug te komen. Redactie.]

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 18 augustus 1951

De Reformatie | 4 Pagina's

Psalmen

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 18 augustus 1951

De Reformatie | 4 Pagina's