GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

GRONINGER Brieven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GRONINGER Brieven

6 minuten leestijd

Amice frater.

Prof. Schilder, onze hoofdredacteur overleden.

Welk een ontstellende tijding, die ons allen een wijle beduusd deed staan. K. S. is weggerukt van ons. Wie zou niet wenen?

Een paar dagen voor zijn plotseling heengaan, vertelde mij een vriend: weet ge, dat Schilder zeer ziek is? Dat dit sterke hart zich dreigt te begeven?

Van dat ogenblik af vreesde ik het ergste.

Maar des Vrijdags kwam „De Reformatie" en kon die de vrees niet verdrijven. Hoe had de krachtige geest getriumfeerd over het verzwakte hart.

Die als steeds wakkere polemiek, met wie de geieformeerde belijdenis niet meer verstaan.

Die rustige bespreking met broeders, die met hem van mening omtrent enig kerkrecht ietwat verschilden.

Die kinderlijke blijdschap, waarmee hij de ingekomen gelden telde voor het orgel, dat in de aula der geliefde hogeschool, door hem als mee gebouwd, zou staan.

Het orgel, dat hij zou mogen bespelen, als zijn geest waarlijk ontspanning wilde vinden? 'Want wat was zulk orgelspel voor hem een vreugd.

Dat grappig raadseltje van Frederik de Grote. Bewijs van zijn ook speelse geest, die zoveel registers hem ter beschikking gaf, om ons te leren, wat hem het meest bewoog.

Zo bleef de hoop, dat na enige rust alles weer goed zou gaan. Maar de Heere onze God wilde het zo niet. Hij nam hem weg en deed hem ingaan in Zijn heerlijkheid.

Zijn werk, dachten wij, was nog niet gereed. Nog bij lange niet. De strijd der kerk zou nog veel van zijn krachten vragen.

Nu wachtten wij al maar weer met spanning op een stuk van zijn arbeid voor de toelichting op de Heidelbergse Catechismus.

Kon er niet ook komen nog een Dogmatiek van zijn hand?

O, daar moest nog zoveel gebeuren. Daar stond ook nog zoveel op de eigen kalender.

Maar de Heere, de Koning der kerk, die alle ding regeert en Wiens raad alleen bestaat, zei: toch is het nu genoeg. En wij wenen, maar niet als opstandige kinderen, maar die mogen 'treuren, zoals God de Heere het ons veroorlooft.

Wij zullen echter veel meer danken. De Heere danken, dat Hij ons volk, de kerk. deze geweldige strijder schonk in deze dagen, waarin de valse profetie gevaarlijker werkt dan ooit.

In een tijd, waarin de volken van West-Europa en ook ons volk tot in zijn zich nog noemende christelijke kringen afglijdt; snelle afloop als der wateren. Dagen, waarin de kerk weer klein werd en als tot niet gekomen in de ogen der mensen.

Maar ook dagen, waarin God de Heere nog weer een wederkeer gaf, een reformatie der kerk, en een reformator, die heel een wereld van valse profeten en vervallen calvinisten kon weerstaan, zó, dat zij geen wezenlijk antwoord hadden, en daarom te meer boosheid toonden.

Dat gaf ons allen levensvreugd.

Want wat is er schoner in ons leven, dan zo te zien strijden voor de kerk des Heeren?

En daardoor gesterkt, zelf, naar ons vermogen, daarin ook mee te mogen doen? Alles ter ere van onze Heer en Koning.

Want K. S. zocht geen eer van mensen.

Wat men ook kwaad van hem zeggen wilde, en dat was zeker niet gering, dit niet. Hij stond altijd aan de kant der kleinen en verdrukten. En hij stond altijd, waar het gevaar het grootst was en het offer het zwaarst. Hij gaf zich altijd zelf, geheel en al.

Dat wisten de kinderen der kerk. Dat leerde ook ons volk een moment verstaan, toen het, overvallen door een verraderlijke vijand, gans verslagen ter neer lag, maar toen hoorde de stem van Schilder: uit de schuilhoek uit. Het gevaar is niet maar het Duitse wapen, maar veel meer de boze geest, die ons volk Wil vatten in zijn dodelijke greep.

Toen zeide mij een socialistisch wethouder in de Groningse raad: ik lees nu „De Reformatie". Ik zie thans maar één man, die ons werkelijk weer moed en kracht geeft en dat is Prof. Schilder.

Hij heeft daarvoor geen dank gevraagd, geen eerbetoon ook gekregen. Hij dacht er ook niet aan, of klaagde er niet over.

En — wie werd er in die bange dagen wreder getroffen en dat door de mensen van zijn eigen kerk? Hij die toen gans alleen de kamp tegen de dwaling moest voeren en zijn leven wilde geven, waardoor hij het naar 's Heeren gunst voor zichzelf en mede als

instrument in 'sHeeren werk, ook voor de kerk der reformatie hier te lande mocht behouden?

Nu zal men hem prijzen. Nu veel goede dingen van hem zeggen. Zo gaat het nu eenmaal in de wereld, die voor de getrouwe strijder van Gods kerk en de goede getuige voor Gods ere in zijn leven niet dan vijandschap heeft.

Wee, als zij wèl van Gods kinderen gaat spreken. Ik heb, zo zei Groen van Prinsterer het, soms behoefte aan haar tegenspraak en smaad.

Die tegenspraak deerde ook onze Schilder niet. Men meende soms wel, dat hij haar met vreugde begroette om haar met zijn scherpe polemiek te lijf te kunnen gaan.

Alsof hij de polemiek voerde om haar zelfs wil.

Was Calvijn geen forse strijder? Was zijn woord niet vlijmscherp; kon het, als het godvrezend hart gekrenkt werd door het brutaal verzet tegen de waarheid des Heeren, soms zelfs niet grof zijn?

Was zijn strijd ook niet altijd weer juist bouw?

Zo was het ook met prof. Schilder. Zoon van Calvijn. Het was hem nimmer om de persoon, altijd om de zaak te doen. Die wilde hij zien en doen zien, zoals zij naar waarheid is. En dat is het juist, wat de meeste mensen niet verdragen. Om dan te klagen, dat hun dierbare persoon werd geraakt, toen slechts hun hoogmoed en hun waan in het volle licht werd gesteld.

Wat wij in prof. Schilder verloren, kan niemand thans nog goed overzien. Maar wij mogen des Heeren daden niet alleen maar niet bedillen, wij moeten Hem altijd loven om Zijn grote gunst over ons. Hij nam, zeker, maar Hij was het, die gaf. En hoeveel mochten wij ontvangen! En hoe blijft dit alles toch bij ons. Om ons te sterken in de strijd des Heeren, voor Zijn waarheid en Zijn recht.

Want geve God de Heere ons dat wij allen de nagedachtenis van deze grote onder ons die zo kinderlijk klein was voor God, hierin waarlijk mogen eren, dat wij elk op zijn plaats, hoe klein die in de ogen der wereld ook moge zijn, getrouw blijven aan de goede belijdenis welker heerlijkheid ons door prof. Schilders werk zo nabij werd gebracht en ons met hem dankbaar doet zeggen: hoe rijk is het toch waarlijk gereformeerd te zijn. Hoe grote genade: de mens niets te achten opdat de Drie-enige God door ons geloofd „ en van harte gediend mag worden, en alleen van ons de ere ontvange.

Hij blijft het ons toeroepen: versaag niet, gij kleine schaar, want wat de wereld en een verdwaasd christendom ook moge roepen: d a t is het fundament van ons volksbestaan, en d a t is waarlijk cultuur.

Met hartelijke groeten en heilbede uw toegenegen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 29 maart 1952

De Reformatie | 20 Pagina's

GRONINGER Brieven

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 29 maart 1952

De Reformatie | 20 Pagina's