GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

GROEN VAN PRINSTERER OVER BISMARCK¹

39 minuten leestijd

De voorgeschiedenis van deze bijdrage tot het Réveilnummer van DNK is te merkwaardig om niet kort vermeld te worden. Mij was voorgesteld, een overzicht te geven van de contacten die het Réveil met Frankrijk onderhield, en gedachtig aan het vele Frans, in Réveilkring geschreven, ging ik er grif op in. De teleurstelling kwam spoedig: het aantal brieven van en aan Fransen in het Réveilarchief bleek zo gering dat zelfs toevoeging van Frans-Zwitserse correspondenten niet voldoende stof opleverde. 2 Toen bedacht ik dat twee Franse brochures van Groen zo'n indruk op mij gemaakt hadden dat ik er, nadat ze nog maar kort in mijn bezit waren gekomen, college over gegeven had aan een groep Marburgse studenten die in 1981 Groningen bezocht. Die brochures waren trouwens gericht 'è mes Amis de Berlin', hetgeen ik toen voor mijn auditorium vertalen moest en nu toelicht: deze Berlijnse vrienden waren de Pruisische conservatieven die Groen, daar Stahl tot zijn overlijden in 1861 een van hun voormannen was geweest, voor zijn betrouwbaarste godsdienstige en politieke bondgenoten hield, zodat een nadere bespreking van deze geschriften toch internationale relaties van het Réveil ter sprake brengt. Hier komt bij dat Groen in deze brochures flitsend, geestig, vlijmscherp en glashelder is. Het is dus de moeite waard er bij stil te staan, en dit temeer daar ze in 1867 verschenen zijn onder de titel: La Prusse et les Pays-Bas en, dreigender, L'Empire Prussien et l'Apocafypse. De omvang ervan is respectievelijk 26 en 67 bladzijden, de verkoper van beide is H. Höveker.

Om de inhoud van deze brochures goed te begrijpen dient men de politieke constellatie en vooral de razendsnelle veranderingen in het Europa van de zestiger jaren uit de vorige eeuw duidelijk voor ogen te hebben. Weliswaar bestaat hierover een uitgebreide literatuur waarvan men mag

veronderstellen dat de meeste lezers van dit blad die dicht bij de hand hebben, maar toch lijkt het beter er wat uitvoeriger bij stil te staan.

Het is immers hinderlijk zijn lectuur te moeten onderbreken voor het bladeren in overzichtswerken en bovendien is het goed te weten van welke visie de auteur uitgaat bij het benaderen van de stof. Daar kan men in gedachten meteen de eigen opvattingen tegenover stellen, hopend dat uit de botsing der meningen de waarheid weer wat duidelijker te voorschijn treedt.

Welnu, Otto von Bismarck (1 april 1815 - 3 juli 1898) was van 1851 tot 1859 opgetreden als Pruisisch afgevaardigde in de Bondsdag - van de Duitse Bond - te Frankfort aan de Main. Daarbij waren zijn politieke gevoelens steeds meer anti-Oostenrijks geworden, een gegeven dat voor het vervolg van belang zal blijken. In 1859 werd hij gezant te Petersburg, welke post hij in mei 1862 voor Parijs verwisselde. In de zomer van dit jaar had hij extra verlof nodig om een overspanning de baas te worden. Terug uit Biarritz werd hij in september 1862 naar Berlijn ontboden, waar hem het aanbod van Wilhelm I van Pruisen wachtte, eerste minister en minister van buitenlandse zaken te worden. De koning was hiertoe overgehaald door zijn minister van oorlog, Von Roon.

Zoals algemeen bekend begon de conservatief Bismarck zijn loopbaan als minister door samen met de socialisten onder Ferdinand Lasalle de liberale 'Fortschrittspartei' te bestrijden, maar spoedig drong het tot hem door dat tegenover het buitenland - het hem speciaal toegewezen jachtveld - meer te bereiken viel. Dit begon ermee dat hij zich reeds in 1863 liet misbruiken als 'jachthond van de tsaar' tegen de in opstand gekomen Polen, die dan ook neergeslagen werden. Dit volk heeft wel enige reden om zijn buren met achterdocht te bezien. Wie nu in een onwillekeurige reflex mocht denken dat dit 'maar' de Polen betrof, wordt door het vervolg hardhandig uit de droom geholpen: het volgende slachtoffer was namelijk Denemarken. Daar had de troonopvolging in 1863 ertoe geleid dat Sleeswijk, Holstein en Denemarken in een personele unie verenigd werden, waarop de Denen - wier nationaal gevoel in de vorige eeuw, als overal, zeer was aangezwollen - ondanks eerdere moeilijkheden en ondanks het verzet van het Duitssprekende deel van de bevolking van Sleeswijk, dit gebied annexeerden. Hoewel Holstein als lid van de Duitse Bond (en dus te vergelijken met Limburg en Luxemburg) hier buiten bleef, kon Bismarck van het oplaaiende Duitse nationalisme gebruik maken om zijn koning voor het blok te zetten en samen met Oostenrijk Denemarken aan te pakken, dat via een bezetting van Jutland gedwongen werd te aanvaarden dat Pruisen Sleeswijk annexeerde en Oostenrijk Holstein beheerde. Maar dit laatste kon uiteraard geen blijvende regeling vormen: een conflict tussen de twee bondgenoten van zoeven was bij wijze van spreken al ingecalculeerd.

Spoedig gaat Bismarek in deze richting verder werken; hij stelt begin 1866 in het kabinet voor, met het oog op een oorlog met de Oostenrijkers een bondgenootschap met Italië te sluiten; dit verdrag met het door de conservatieven toch niet voor niets als revolutionair bestempelde Italië komt in april tot stand. Prompt daarna lanceert Pruisen in de Bondsdag een plan tot hervorming van de Duitse Bond die een met algemeen kiesrecht (!) gekozen parlement zou moeten krijgen. Men zegt dat het humoristische blad Kladderadatsch naar aanleiding van dit voorstel aankondigde niet meer te zullen verschijnen omdat het toch niet op kon bieden tegen de 'Witze' van de minister-president. Hoe dit zij, voor Oostenrijk was deze grap totaal onaannemelijk (voor anderen trouwens evenzeer!), de sfeer werd er geheel door bedorven en het eind van het lied was dat Oostenrijk mobilisatie van de bondstroepen eiste. Maar daar was in Pruisen op gerekend en dus was men er met de voorbereidingen eerder klaar. Op 15 juni 1866 valt Pruisen Saksen en Hannover binnen en op 21 juni is het in oorlog met Oostenrijk. De Pruisische opperbevelhebber Helmuth von Moltke, die uiteraard uitgaat van 'Befehl ist Befehl', weet intussen uitstekend wat er gaande is: een kabinetsoorlog terwille van niets anders dan de naakte macht. Pruisen verwerft deze: na veertien dagen valt de mede door de Pruisische achterlaadgeweren besliste slag bij Königgratz/Sadowa aan de boven-Elbe in het Sudetenland (3 juli) en voor de maand voorbij is, is het vrede, niet al te ongunstig voor Oostenrijk, maar met Pruisische annexaties in het noorden: Hannover, Sleeswijk-Holstein, Keur-Hessen, Nassau en Frankfort worden ingelijfd, terwijl met wat onafhankelijk gelaten is de Noordduitse Bond wordt gesloten. Nu kan Bismarek, die het hele Oostenrijkse avontuur tegen het parlement en de publieke opinie in had doorgezet - eerst had men een nederlaag gevreesd, vervolgens de gevloerde tegenstander willen verpletteren - verkiezingen uitschrijven. Hij wint die glansrijk: van de meest impopulaire is hij de meest populaire man van Pruisen geworden. Maar Oostenrijk was voor Duitsland voortaan 'Ausland'; aldus (Ernst) Ludwig von Gerlach (1795-1877). Wij zullen hem nog tegenkomen.

In tegenstelling tot Frankrijk waar hij weinig correspondenten en geen vrienden in de nauwere betekenis van het woord bezat, had Guillaume Groen van Prinsterer (21 augustus 1801 - 19 mei 1876; zijn voornaam dankte hij aan zijn doop in de Waalse kerk, maar voor zijn vrouw Betsy van der Hoop was hij gewoon Willem) in Duitsland wel intimi. Ook met Nederlandse diplomaten te Berlijn had hij, soms zelfs frequent, contact. Eén van zijn forums was de kerk, want hij placht overal te kerken waar een goed woord te beluisteren viel. Zo ook bij Rudolf Kögel (1829-1896) die van 1857 tot 1862 de Duitse gemeente aan het Bleijenburg in Den Haag diende alvorens in Berlijn op te stijgen van vierde tot "Ober'hofprediger'. Maar zelfs los van persoonlijke contacten was de geestelijke

band met de Duitse geloofsgenoten uit de Erweckung sterk. Zij en hij waren onafhankelijk van elkaar een gelijke weg gegaan: met het piëtistisch verstane Evangelie de politiek in. Zowel in Nederland als bij de Duitsers valt er namelijk in die tijd een bijzonder boeiende ontwikkeling waar te nemen, die leidde van een afwijzen van 'de wereld' naar een sterk theocratisch besef dat de aarde alom als Gods rijksdomein opvat en bestuurd wil zien. Da Costa is op dit punt, juist omdat hij poütiek niet zo op de voorgrond trad, in zekere zin paradigmatisch. Zijn eerste klaroenstoot heet niet voor niets Bezwaren tegen den geest der eeuw (1823). Tot heden heeft hem dit in ons anti-apartheidsland het odium opgeleverd van goedprater van de slavernij, 3 doch geheel ten onrechte.

In een later stadium is hij - zeer kenmerkend - volstrekt probleemloos lid geworden van de 'Maatschappij ter bevordering van de afschaffing der slavernij' waar Groen - natuurlijk - voorzitter van was. 4 De eenvoudigste schets die men van deze ontwikkeling kan geven, is dat het Réveil met het vroege Piëtisme de overtuiging deelde dat Gods Rijk (spoedig) komt, maar aan dit geloofsstuk, in plaats van de aanvankelijke afwijzing van alle wereldlijke activiteiten, meer en meer de gedachte leerde verbinden dat het, met name op staatkundig terrein, consequenties behoort te krijgen. Gods wet zal op deze wereld eens volledig tot gelding komen. Dit dienen de aardse wetten evenwel thans reeds uit te stralen, daar de koninkrijken dezer wereld het Godsrijk moeten afspiege-

len. Wat daér tegenin gaat is 'revolutie', ongeloof, en derhalve moet 'tegen 'de' Revolutie 'het' Evangelie' beleden worden. Als Groen in 1847 met zijn Ongeloof en Revolutie komt, is de verwantschap met Friedrich Julius Stahl (1802-1861) reeds vastgesteld. 5 Het gevaar van deze visie is dat zij gemakkelijk leidt tot idealiseren van de staat, gepersonifieerd in de vorst, tot hiërarchisch denken en afkeer van democratie, kortom tot, eventueel zelfs zeer reactionair, conservatisme. Intussen springt ook de keerzijde in het oog: het bestaande is niet als zodanig heilig, doch kan onder kritiek gesteld worden.

Men verwondere zich dus niet over Groens afkeer van de Nederlandse conservatieven. Deze werd hem ingegeven door gegrond wantrouwen: zijn landgenoten waren niet echt behoudend ten aanzien van wat in zijn ogen nimmer kon worden prijsgegeven, terwijl zij bovendien onvoldoende besef hadden van de noden van het volk. Hiertegenover voelde hij zich wel thuis bij de Duitse conservatieven, die - naar hij meende - onverkort Gods wetten voor het staatsleven wilden laten gelden en er de consequenties uit trekken. Hier valt weer te denken aan Stahl, die bijvoorbeeld tijdens de Krimoorlog op neutraliteit, ja op een actieve vredespolitiek uit was. 6 In dit milieu ontdekte Groen zijn vrienden. Vanuit deze achtergrond is het dan ook volkomen verklaarbaar waarom hij als door een angel gestoken reageerde op een voor Nederland hoogst bedenkelijk artikel, gepubliceerd in het nummer van 14 februari van de nog wel door Stahl en Gerlach gestichte Neue Preussische Zeitung - vaak vanwege een groot kruis in de titel aangeduid als Kreuzzeitung - . Hij had zich al scherp gekeerd tegen degenen die van het Pruisen van Bismarck in de zomer van 1866 een soort protestantse Jehu maakten die het huis van Achab - de r.k. Habsburgers met hun verleden - van de troon stootte 7 en voelde zich nu gedrongen, in te gaan op het artikel uit zijn Duitse lijfblad. Dit deed hij in zijn tweede moedertaal, het Frans, in zijn al genoemde 'Pruisen en de Nederlanden' dat, gedateerd 30 maart 1867, de deur uitvloog en dit niet alleen omdat de auteur het met kwistige hand rondstuurde: er kwamen drie drukken van Hövekers persen. Intussen was Groen niet de enige Nederlander die het artikel had opgemerkt. Hij vertelt namelijk zelf dat 'La Gazettte de Harlem du 19 février en a

donné une traduction qui ne laisse rien è désirer' en geeft die vertaling in een noot die dus hier ongewijzigd kan worden overgenomen 8 :

De Nederlanders zijn ontegenzeggelijk Onzen Lieven Heers zonderlingste kostgangers op aarde. Van nature verstandig en bekwaam, hebben zij van lieverlede iets aangenomen van het vreemde der volken, tusschen welke en die van Europa hunne zeevaarders gedurende zoo lange tijd de eenige tusschenpersonen geweest zijn. Men treft in hun wezen een menigte van trekken aan, welke aan China en Japan, aan Semarang en Buitenzorg herinneren. Onverklaarbaar is dat niet, doch te bejammeren is het, dat de Nederlanders die trekken in hun karakter, waarmede men als bijkomende omstandigheden des noods vrede zou kunnen hebben, vaak tot den rang van hoofdtrekken verheffen en daarin iets schijnen te zien wat zij boven andere menschen vooruit hebben. Het constitutionele partijwezen, dat reeds in zich zelf voor eene bedenkelijke zaak gelden mag, is in Nederland, op zijn Chineesch of Japansch, geheel en al verhaarzakt en verstaartpruikt. Het nederlandsche liberalismus trommelt, als een klokkenist, het repertorium van zijne wals-melodien af en begint dan weder van voren af aan.

Doch dit is de zaak der Nederlanders. Scheppen zij behagen in het met bonte kleuren verlakte constitutionalismus; hooren zij het liberalismus gaarne zijne liederen spelen op de klok, - het buitenland heeft daarmede niets te maken.

Anders evenwel hebben wij te oordeelen, wanneer Oud-Nederland met het buitenland in aanraking komt. Wanneer zich thans, bij voorbeeld, ten aanzien van Pruissen in Nederland een haat ontwikkelt, die aan de blinde woede der maleische amokmakers herinnert, dan heeft ook het buitenland het regt, een woord mede te spreken.

Herhaaldelijk heeft men den wrevel der Nederlanders tegen Pruissen op rekening gesteld der groote menigte oostenrijksche schuldbrieven, waarvan zij bezitters zijn. Die verklaring is niet valsch, doch zij is onvolledig. De ware reden van den ten aanzien van Pruissen gekoesterden wrok ligt dieper. Nederland heeft namelijk opgehouden in het staatkundige iets te beteekenen; de tijd is voorbij, dat men bij elke schrede op het gebied der staatkunde angstvallig vroeg: Wat zullen de zee-mogendheden daarvan zeggen? Ook op het handelsgebied staat Nederland tegenwoordig oneindig ver beneden het standpunt, hetwelk dat Rijk in de 17de eeuw innam, en waarop het zich, voor het minst in schijn, tot aan den slag van Doggersbank toe met groote krachtsinspanning heeft weten te handhaven. Er bestaat intusschen nog

altijd een nederlandsche handel; en nu trilt in al de aderen van het nederlandsche volk het gevoel, dat binnen korter of langer tijd de pruissisch-noordduitsche handel en handelsmarine de nederlandsche verdringen zullen, en Nederland op alle zeeën overvleugeld zal worden. Dit is de dieper liggende grond der antipathie, welke in Nederland ten opzigte van Pruissen heerscht. Zoo lang die antipathie zich lucht blijft geven in den vorm van weemoed of droefheid, erkennen wij tot op zekere hoogte hare regtmatigheid; doch, waar zij in woede ontaardt en tot feitelijke vijandschap tegen Pruissen drijft en aanzet, daar wordt zij gevaarlijk en moet zij bestreden worden. Laat ons hopen, dat het nederlandsche volk weldra tot bezinning komen zal; dat het zal inzien, hoe eene naauwe® aansluiting aan Pruissen voor Nederland het eenige middel is om het niet te versmaden overschot zijner nationale eigenaardigheden te redden.

Hoewel reeds 65 en zich blijkens herhaalde klachten niet meer geheel fit voelend, vatte Groen dus vlam. 'Engster Anschlufl' aan Pruisen? Dit is toch minstens 'la subordination' maar betekent tegenwoordig, volgens een woord dat sinds 1859 opgeld doet, nog eerder 'Pannexion'. 'On voudrait nous sauver en nous dévorant', 10 al zal dit volgens de Duitse scribent dan niet zozeer van Pruisen uitgaan dan wel van onszelf door aansluiting bij de Noordduitse Bond, waarbij deze op de koop toe 'gratis' koloniën verwerft.

Na deze uitval gaat Groen het stuk meer van dichtbij bekijken, pakt de opmerking over de constitutionele gewoonten in Nederland op, riposteert dat de Pruisische regering nu niet bepaald model met de volksvertegenwoordiging omgaat 11 en valt daarbij over de aan de KJadderadatsch herinnerende toon van het artikel in de Kreuzzeitung. Dan gaat hij de Nederlandse gevoelens schetsen die van oudsher jegens Pruisen bestaan hebben. Hij stelt vast dat de sympathie overweegt. Er zijn immers in de loop van de tijd vele banden gelegd. De vorstenhuizen zijn verzwagerd, in de nood van 1672, toen ons land reddeloos scheen, had de Grote Keurvorst onze partij gekozen tegen Lodewijk XIV, in 1813 kon de spontane volksbeweging die zich verhief op 't woord van Hogendorp - 'notre Stein néerlandais' - slechts slagen omdat Pruisen ons was voorgegaan en in 1815 stonden wij schouder aan schouder te Quatre-Bras en Waterloo. Hier voegt Groen een noot van meer dan een bladzijde - 9, 10

- aan toe om een opmerking van Pertz in zijn Leven van Stein te rectificeren volgens welke de Nederlanders en de Belgen er in Waterloo zonder slag of stoot vandoor zouden zijn gegaan. Dan gaat hij verder en stelt dat hij en zijn vrienden in Pruisen tesamen met Engeland, Hannover en Nederland, altijd de natuurlijke bondgenoten hebben gezien tegen de vrijwel periodieke oprispingen van het revolutionaire Frankrijk. 12 Hier komt nog bij dat de Pruisen, als wij, 'de race germanique' zijn en een echt protestantse staat vormen, die principieel gekeerd is tegen het ultramontanisme. Voorts is het een gegeven dat de Nederlanders altijd beducht zijn geweest voor een oppermachtig Frankrijk, of dat nu onder Lodewijk XIV was of onder de in één persoon gecentraliseerde revolutie.

Vandaar dat men hier thans over het algemeen dolblij is dat Pruisen in zo weinig tijd Oostenrijk - waarop 'le neveu de Bonaparte' zijn kaarten gezet had, en dat zelf trouwens alle middeleeuwse misbruiken in stand hield - wist te verslaan. Waar het ultramontanisme zo zwaar gehavend werd, vinden juist mijn orthodoxe landgenoten het kinderachtig nog lang na te praten over de manier waarop. Zij zeggen met de oude Scipio: 'rendons graces et montons au Capitole'. Natuurlijk waren de middelen van Bismarck gewelddadig, maar laten wij toch vooral door het onrecht der mensen heen opmerken hoe Gods gerechtigheid ('justice') zegeviert.

Zij zien in Bismarck - zoals gezegd - een nieuwe Jehu tegenover het huis Habsburg waarvan de handen bevlekt zijn met het bloed der martelaren uit Bohemen en Hongarije. 13

Maar dit is protestantse intolerantie die ik, zegt Groen, evenals Guizot en Stahl nadrukkelijk afkeur. En met Stahl vervolgt hij dat het niet zo mag zijn dat men, door het Pausdom te beschouwen als de Antichrist, daartegenover de revolutie als iets neutraals, ja als een bruikbaar wapen voor Christus' rijk opvat. En dan merkt hij op: Indiqüer les arrêts de Dieu dans 1'histoire est une oeuvre hardie et périlleuse'. 14 Volgens Groen kan men dus niet zomaar de hand van Gods voorzienigheid in de geschiedenis aanwijzen en zeggen wie daarvoor het instrument en wie de erdoor getroffene is. Men denke dan liever aan het woord: Indien gij u niet bekeert zult gij evenzo vergaan' (Lucas 13:5). Dit is een andere Groen dan die van het altijd onder ons geciteerde: daar staat geschreven, daar is geschied'. Maar, vervolgt hij, het is nauwelijks gelukt de mensen, door hen hierop te wijzen, tot grotere onpartijdigheid te brengen. Slechts enkelen zijn wat kritischer jegens het Pruisische optreden

geworden, maar ook na Sadowa bleef dit groepje klein. Laat de Kreuzzeitung dus voortaan eerst de werkelijkheid van een verschijnsel vaststellen alvorens met een verklaring ervoor te komen. En voor zover er tegenstand gegroeid is, niet tegen Pruisen maar tegen zijn politieke leider, is deze niet uit laag bij de grondse maar uit edele motieven voortgesproten. Weet ge niet welke dat zijn? 'Demandez les & la Saxe, au Hanovre, au Schleswig. Interrogez PEurope. On vous repondra'."

Hiermee gaat Groen, zo blijkt uit de typografie, naar het tweede deel van zijn betoog over. Overal in Europa, en niet alleen in Nederland, is onrust ontstaan, en het centrum daarvan is Pruisen. Het wordt bewonderd om zijn militaire organisatie, maar gevreesd om het gebruik dat het er van maakt. Dit blijkt tot in Pruisen zelf, waar de edele veteraan van 1813, 'M. de Gerlach', met de territoriale ingrepen uit de Franse tijd nog voor ogen zijn verontwaardiging over wat nu gebeurt laconiek heeft samengevat in de uitspraak: 'Annexionen - Besitznahme fremder Lander ohne Abtretung - sind, seit der erste Napoleon sie im Grossen volzog, in Deutschland nicht vorgekommen'. Maar, zegt Groen, wat in 1866 plaatsgreep was de vrucht van een al eerder ingetreden crisis; het bracht aan het licht 'l'effroyable réalité', die Bismarck doorzag en waarvan hij profiteerde. En dan citeert hij Guizot:

Le 'chacun pour soi, ' le 'laissez faire, ' le mépris des traités, les promesses solennelles aujourd'hui et violées demain, le système des faits accomplis, 1'insolence qui abuse de la force et la bassesse qui s'incline devant elle, nous ont conduit et nous mènent de plus en plus è un état de choses oü, le respect de la parole humaine et de la foi jurée disparaissant, on n'a confiance en personne, on se défie de tout le monde. Nous revenons è la guerre de tous contre tous; nous retournons è la confusion du moyen-age; nous introduisons une nouvelle espèce de brigandage au milieu du monde civilisé. 'Hors du droit des gens il n'y a que 1'état révolutionnaire, qui est la barbarie jetée au travers de la civilisation.' 16

Vandaar dat de troonrede vorig jaar september terecht zei, dat Nederland 'in dezen veelbewogen en ernstigen tijd voor ons volksbestaan, naast God, in zichzelven zijn hechtsten steun (behoort) te zoeken'. 17 Nu

zich zulke reusachtige politieke agglomeraties vormen dienen de kleinere staten op alles voorbereid te zijn. Daarom zijn Thorbecke en ik het volmaakt met elkaar eens dat wij ons ter verdediging van onze neutraliteit thans hebben te bewapenen. Over deze opvatting van de antirevolutionaire partij mag, gegeven de wetteloosheid die in Europa de boventoon voert, geen enkele twijfel bestaan. Zoals eens Maurits toen hij zich door Engeland en Frankrijk in de steek gelaten voelde verklaarde dat wij onze huid duur zullen verkopen, zo zal ook het nageslacht weigeren zich het juk van de vreemdeling te laten opleggen. En hierna kan Groen zijn protest besluiten met een verwijzing naar zijn grootste held, Willem van Oranje:

Le souvenir n'est pas encore effacé de eet illustre témoin de la vérité évangélique, qui, abandonné de tous, et se confiant en Dieu, saevis tranquillus in undis, jeta les fondements d'une République, longtemps, malgré sa petitesse, une des grandes Puissances de 1'Europe. Ce profond politique, ce fidéle Chrétien, gloire et modèle de son peuple et de sa dynastie, s'adressant è des négociateurs habiles, dont, è travers leurs belles paroles, il pénétrait les secrets, résumait brièvement le cöté au fond purement défensif de sa généreuse politique et de la notre: 'Pour vous dire la vérité, nous voyons que vous voulez nos extirper et nous ne voulons pas être extirpés'.

Mutatis mutandis. II n'y a qu'un seul mot k changer. Nous ne voulons pas être ANNEXÉS. 18

Nadat de brochure van de pers was gekomen zond Groen haar toe aan velerlei relaties in binnen-en buitenland, zodat de reacties in groten

getale binnenstroomden. Zij zijn te vinden in zijn Briefwisseling ls> en daarom hier met het in deel 4 van de uitgave aangebrachte nummer geciteerd.

George Willem Vreede (1809-1880), hoogleraar in de rechten te Utrecht, betuigt, naar te verwachten viel, zijn volledige instemming en meent dat de uitgever van de Archives de la Maison d'Orange-Nassau in Berlijn wel gehoor zal vinden - Brief 126.

Truitje Bosboom-Toussaint (1812-1886) schrijft dat 'wat ze hoog noodig hebben te weten zoo te Parijs als te Berlijn, ... ons allen gansch niet overbodig (is) te hooren' en dat het tekort aan 'achterlaadgeweren' door 'weerbare pennen' wordt goedgemaakt. Zeer verheugd is zij dat Groen het werk niet 'aan den Heer Bosscha [de Amsterdamse hoogleraar in de geschiedenis] overliet - die nog al erg è faire wordt genomen door Douwes Dekker en Busken Huet. 20 Vreesselijke mannen, tegenover zulk een beschaafd en fijn auteur als Bosscha; maar ze zijn populair...' - Brief 127.

F. van Bylandt (1841-1924), legatie-secretaris te Berlijn, laat weten dat volgens Berlijn Groen en heel Nederland, op grond van wat een paar journalisten beweren, te hard oordelen. Zover ik zie is hij de eerste en een van de weinigen (met Daniël Chantepie de la Saussaye, wiens Duitse sympathie in Brief 170 opvalt) die daarbij de Luxemburgse kwestie aansnijdt waarmee Willem III op dat meest ongelukkige ogenblik in de internationale schijnwerpers getreden was. - Brief 132.

Ook koningin Louise van Zweden (1828-1871), dochter van prins Frederik, reageert. Kennelijk stuurde Groen haar al zijn werken. Zij laat weten zich Nederlandse te voelen en zeer getroffen te zijn door het slot van de brochure. - Brief 142.

De enige Zwitserse reactie die in de Briefwisseling werd opgenomen is die van F.C. de Rougemont. Deze blijft onverdroten de opvatting huldigen dat, wat de tegenpartij ook gedaan mocht hebben, Oostenrijk, dat immers streed onder de banier van de maagd Maria, terecht getuchtigd was. En dan volgt een voor althans een deel van het Réveil kenmerkend trekje: hij had deze gang van zaken al eerder uit de Openbaring van Johannes afgelezen. - Brief 144.

Hoogst interessant zijn uiteraard de Duitse reacties. Allereerst is daar K.I.B. von Hodenberg (1826-1890), de gezant van Hannover in Den Haag en voor sommigen in deze kwestie Groens boze geest. Hierop heeft H.

Smitskamp wat te veel nadruk gelegd. Wellicht is het toch niet geheel zonder invloed gebleven dat toen Smitskamp schreef 'de sterke man' ook bij ons hoog aangeschreven stond, vooral als deze het aureool van 'bevriend staatshoofd' droeg. Hoe dan ook, Hodenberg betuigt zijn hartelijke instemming en geeft zijn impressies, zéér leerrijk, uit bezet gebied.

- Brief 130.

M.A. von Bethmann-Hollweg (1795-1877), een wat op een zijspoor gerangeerde voormalige 'Cultusminister' in Berlijn, is het eigenlijk ook wel met Groen eens maar bekent eerlijk heel blij te zijn dat het voor Pruisen allemaal zo goed is afgelopen. - Brief 128.

Waarlijk eensgeestes met Groen is de door hem geciteerde opperrechter (Ernst) Ludwig von Gerlach (1795-1877). Hij zendt Groen een uitnodiging bij hem te komen logeren die door Groen later aanvaard is zodat hij zelfs gelegenheid gekregen heeft, vanaf de publieke tribune in het Huis van Afgevaardigden Bismarck zelf te horen! Gerlach, de veteraan, is blijven staan op de basis van de onaantastbaarheid van het goddeüjk recht waaraan ook de aardse staten zich behoren te onderwerpen, iets wat Pruisen dus in de laatste tijd niet meer had gedaan. Zijn Duitse geestverwanten zagen hem meer en meer als een Cassandra, waarop hij, toen men hem dit ook zei, geantwoord moet hebben: 'Maar het is toch bekend dat haar voorspellingen echt zijn uitgekomen'. 21 - Brief 131.

Hoezeer deze geestverwanten verder allen het nieuwe licht aanbaden ziet men aan de overige reacties uit Duitsland en bovendien bij H.J.

Koenen die op het kompas van zijn verre neef Von Koenen zeilde. Steeds is de toon: wel waren de middelen wat, of zelfs al te grof, maar de uitkomst is voortreffelijk en geheel overeenkomstig Gods wil. Het is duidelijk: bij deze mensen, die toch als 'Erweckten' beter zouden moeten weten, komt een zekere 'Vorsehung' al aanwandelen. Het is hun een godslastering te denken - zoals Hodenberg deed - dat Pruisen de antichrist zou zijn. De antichrist, dat waren de revolutionairen en de atheïsten!

Het zijn deze antwoorden die men voor ogen moet houden bij het peilen van Groens volgende brochure. Dan bemerkt men dat Smitskamp ten onrechte van oordeel is dat Groen zich op een meer 'geestelijke' verklaring

heeft teruggetrokken in L'Empire Prussien et l'Apocafypse. 22 'L'impérialisme moderne', dat hij op bladzijde iii hekelt, is voor Groen - daarin op zijn manier duidelijk 'issu du Réveil' - apocalyptisch van aard. Immers, zegt Groen, terecht stelt mijn zegsman - Hodenberg dus - dat de antichrist zich voor zijn anti-goddelijke doeleinden bedient van 'les choses les plus excellentes'. Hij gebruikt deze om ons van de onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan God af te leiden en dat doet hij (bladzijde 8 en 9) door ze tot afgoden te maken. Zo kan het vaderland een idool worden, of de Kerk (zoals we bij 'le jésuitisme' zien), of het koningschap, de vrijheid, de orde. Men merke op dat de neo-conservatieve hypostasering van 'Law and Order' bij Groen op afweer stuit. Zijn 'godsdienstige gevoelens' isoleren en hem dan tot een conservatief verklaren, doet hem onrecht. In deze tijd, gaat Groen voort, zijn de gangbare afgoden de 'nationalité', 23 de vooruitgang, het materiële gewin. Daaraan offert men eer en geweten en dat is nu precies wat anno 1866 in Pruisen plaatsvond: daar heerste 'un patriotisme idolatre', ook, zo onderstreept hij, bij de conservatieven. Onder verwijzing naar een citaat van Gerlach vermeldt hij dat Bismarck, volgens een bitter ironische opmerking van een vooraanstaand liberaal, de conservatieve partij heeft vernietigd 'par une irrémédiable apostasie'. 24 Deze laatste woorden zijn een interpretatie van Groen zelf. Zó zag hij het toegeven aan wat voor hem zo goed als voor zijn overleden vriend Da Costa 'de goden dezer eeuw* waren, en zo scherp was hij in zijn - mogen wij wel zeggen - profetische visie.

Maar hij beroept zich niet alleen op een reeds in een vroeg stadium, april 1866, helderziend geworden tegenstander. Ook conservatieven zelf zijn over de ommezwaai van hun partij - bij al hun 'extréme indulgence' jegens Bismarck - verontrust. Neem de Barmer zendingsman Friedrich Fabri. 25 Deze verwijt zijn partij dat zij van de oorlog tegen hetzelfde Oostenrijk dat vroeger principieel als bondgenoot bij uitnemendheid gold, een heilige oorlog heeft gemaakt: 'peu s'en est fallu - heet het op bladzijde 15 - qu'on ne saluat dans la landwehr le peuple d'Israël allant exterminer les Amalécites'! Gesteund door dit getuigenis verklaart Groen

dat zijn Pruisische geestverwanten, toen alles zo volgens hun diepste verlangens verliep zodat hun vaderland de leiding van een nieuwe Bond op zich kon nemen, hun geweten het zwijgen hadden opgelegd, en nu zichzelf en iedereen in Europa probeerden wijs te maken dat God gesproken had. En: Europa had geluisterd, 'mais 1'Europe est incrédule', want het merkte te scherp op dat thans werd geprezen wat voorheen scherp was afgewezen, zodat gij, zo houdt hij zijn geloofsgenoten met een woord van Montalembert voor, zijt geworden tot 'les pontifes de la force et les chantres du succès'. 26

Maar gelukkig, Gerlach denkt dat er nog herstel mogelijk is daar er nog een kern bestaat waaromheen zich een hernieuwd lichaam kan ontwikkelen. Groen wil deze hoop graag delen, maar dan dienen twee axioma's vast te staan (blz. 19):

I. La loi divine est obligatoire, 1'intérêt national quand-même est donc une idole, une fausse divinité.

II. L'Antéchrist de notre époque est Pidolatrie du Moi, systématisée dans le rationalisme et la révolution. 27

Over het eerste punt zou onder christenen geen verschil van mening moeten bestaan, zegt Groen, maar is dat ook zo? Geenszins, want onze geloofsgenoten zeggen glashard dat deze schijnbaar zo eenvoudige stelling leidt tot begripsverwarring. Zij menen namelijk dat het gebied van de politiek een afzonderlijk domein is waarop de geopenbaarde godsdienst geen toegang heeft. De reeds aangehaalde Fabri drukt dit zo uit (blz. 20): 'Unser Staats-und Völkerleben ist seinem Grundwesen nach national und damit schon egoïstisch bedingt'. En de vrome redacteuren van de Neue Evangelische Zeitung hebben zich aan het begin van dit jaar verstout tot de stelling dat een zogenaamd evangelische politiek in strijd is met de natuur zelf van de staat. Er bestaat Russische, Oostenrijkse, Pruisische politiek (en de Pruisische is 'offen, ehrlich, mannlich, ja, in ihrer Sphare sittlich') maar men kan noch mag van 'evangelische politiek' spreken. Groen - een goed ruiter - steigert en onder beroep op Victor Cousin en Julius Stahl laat hij de consequenties zien. Dit zal onherroepelijk uitlopen op de dienst aan de staatsraison, aan de, als het nodig is zelfs bloedige en wild om zich heen slaande eredienst van het veronderstelde algemeen welzijn (salut public). Voortaan zal de wet van

de politieke noodzaak onschendbaar blijken. Hij zet daarom in twee woorden het revolutionaire en het christelijke standpunt - hij spreekt zelfs van 'système' (blz. 21) - tegenover elkaar:

Oü la raison d'Etat dit: il le faut, le chrétien répond: je ne puis. 2S

Weer roept Groen een wolk van Duitse getuigen aan die dit laatste ook gezegd hebben. Als eerste is daar opnieuw Gerlach, maar bovendien citeert hij de reeds vermelde Rudolf Kogel en Hengstenberg. Zo stelt hij vast dat over de beginselen, in tegenstelling tot wat de eerder genoemden hadden verkondigd, geen meningsverschil loopt. Maar dan wordt het onderzoek naar de toepassing of niet-toepassing ervan eenvoudig, te weten zuiver historisch. Dan luidt de vraag namelijk heel simpel (!): heeft men zich in een gegeven situatie al dan niet aan de geboden Gods gehouden en dus bijvoorbeeld al dan niet allereerst het Koninkrijk van God gezocht? De geschiedenis der Nederlanden loopt voor Groen uiteraard van positieve voorbeelden over. Voor negatieve hoeft hij ook niet ver te zoeken want Hengstenberg reikt hem er een aan: Oostenrijk heeft zijn lot thans zeker ook te danken aan zijn ongeremde aanvaarding van het nationale eigenbelang als politiek richtsnoer. Laat Pruisen niet vergeten dat het voor eenzelfde houding eens even duur zal moeten betalen.

Abrupt springt Groen dan over naar de tweede stelling die hij nu zo weergeeft dat alle vrienden van Stahl, ook die naar Bismarck overhellen, ermee kunnen instemmen: 'L'Antéchrist de nos jours c'est 1'esprit de rationalisme et de révolution', en hij beroept zich op Vinet om de (begrijpelijke) opvatting van de reformatoren, dat het pausdom de antichrist zou zijn, af te schudden: heden staan alle christenen schouder aan schouder tegen de nieuwe, zeer oude, vijand die fluistert: 'eritis sicuti Deus', gij zult als God zijn. 'C'est Phumanité qui s'adore' - de mensheid aanbidt zichzelf, zo licht hij met een citaat van Renan toe. Hieraan weerstand te bieden is, zegt Groen (blz. 30), de leidraad van zijn politiek. Hij betreurt het, niet meer tijd te hebben voor de overweging van hedendaagse geschriften die '1'accomplissement prochain des prophéties de 1'Apocalypse' aantonen, waarbij hij in een noot naar de in 1866 verschenen uitleg van La Révélation de St. Jean van de bovenvermelde F.

de Rougemont verwijst. 29 De universele opstand tegen de Eeuwige, die vooraf zal gaan aan de komst van de Zoon des Mensen, is alom zichtbaar.

En zo zijn wij als geestverwanten het, in theorie althans, ook wel eens over het tweede axioma, zij het helaas niet over de toepassing ervan.

Zie de verschillende antwoorden op de vraag of niet de wijze van optreden van Pruisen overeenkomst vertoont met de geest der revolutie. Voor een positieve beantwoording benut Groen een rhetorische kunstgreep door een artikel uit de Edinburgh Review te citeren dat volgens hem in Berlijn merkwaardigerwijze onopgemerkt zou zijn gebleven. In dat artikel staat dat Bismarck de revolutionaire invloeden vanuit Frankrijk pareert met nog revolutionairder handelingen, waar overigens 'the Imperial power of France' wel niet lang bij achter zal blijven (noot 1 op blz. 32). Het is deze gedachte die Groen de kans biedt, rekenschap af te leggen van zijn principiële standpunt. Nu kan hij namelijk laten zien waarom hij, na in de titel van zijn eerste brochure nog neutraal van La Prusse gesproken te hebben, aan deze tweede de titel L'Empire Prussien et l'Apocalypse heeft meegegeven. Dat Pruisenrijk is niet het vroegere Duitse Rijk, maar een echt empire op de manier van de Caesaren en de Bonapartes.

Zó ziet die Noordduitse Bond eruit. Het is, om met Thiersch en - opnieuw - Fabri te spreken 'eine Copie des bonapartischen Kaiserthums'.

Men overwege - wat Smitskamp nauwelijks doet - dat dit vóór 1870 is geschreven en dat Groen en zijn naaste geestverwanten het 'Cesarisme' ook in Pruisen dus tijdig onderkend hebben. Volgens Groen is Thiersch zelfs nog verder gegaan en heeft hij in het hedendaagse imperialisme frappante analogieën met de in de Openbaring van'Johannes genoemde antichristelijke strevingen aangewezen. Hiermee heeft Groen ook het tweede deel van zijn titel gerechtvaardigd. Nu gaat het hem erom, een en ander zorgvuldig uit te werken. Zo moet hij er wel over spreken, vroeger zijn vaderland een bondgenootschap met Pruisen aangeraden te hebben. Dat is juist, zegt hij, want toen gelijk nu waren wij te zwak tegenover Frankrijk. Alleen: wat toen een getrouwe steun was is nu verworden tot een hoogst onbetrouwbaar evenbeeld van datzelfde Frankrijk, dat het volkenrecht doet wijken voor de proclamatie van het recht

van de sterkste.

Daar komt nog iets bij. Dat die Noordduitse Bond een federatie zou zijn, is boerenbedrog. Het is ermee als met de federaties waarmee Napoleon zich omringde en die telkens weer werden opgeslokt door zijn centralisme. Wee dan ook de kleine staten in Europa: zij zullen te zijner tijd alle bij de grote ingelijfd worden. Concreter: men heeft het in Sans-Souci al voor elkaar: België bij Frankrijk, en in de loop van de tijd zal 'tót ou tard une réunion spontanée de la Hollande a 1'Allemagne' tot stand komen. Trouwens, er is in de laatste jaren in Europa al het een en ander gebeurd - zie Polen, zie Denemarken - dat stof tot denken geeft. Hopelijk wordt Engeland weer eens wakker.

Groen komt op Engeland via een bespreking van zijn eerste brochure in een Engelse krant. Daarmee kan hij overgaan tot het weerleggen van wat de hem minder welgezinde Duitse kranten van zijn publicatie hebben gezegd. Niet veel goeds dus, en zo gaat hij eerst in op wat er over zijn vrees voor annexatie is opgemerkt - dat niemand daar in de verste verte aan denkt - en kan hij onderstrepen dat hij ook niet aan onmiddellijk gevaar heeft gedacht. Wel brengt hij in dit verband de profetische woorden in herinnering die zijn betreurde vriend Da Costa in zijn 'Wachter'-lied van 1847 aan Duitsland wijdde (waaruit de volgende regel ons heden ten dage, 1990, wel bijzonder treft: 'Eén Duitsche Vaderland, één Duitsche Lichtregeering!' ..., blz. 49 noot 1).

Het andere punt waarover uiteraard eindeloos te praten valt, is hoe wijlen Julius Stahl wel gereageerd zou hebben. Velen beweren, zegt Groen, dat hij heel anders geoordeeld zou hebben dan Groen zelf nu doet, maar zij blijven hem daarbij in de bewijsvoering te vaag. Dus toont hij uitvoerig aan, ten eerste dat het werkelijk niet zo'n kunst is te weten wat overledenen van hedendaagse ontwikkelingen zouden hebben gezegd en ten tweede dat het - gegeven Stahls oordeel over allerlei gebeurtenissen uit zijn dagen - op grond van de analogie niet voor twijfel vatbaar is dat Stahl werkelijk aan zijn kant zou hebben gestaan.

Het laatste woord uit deze brochure is dan ook een welgekozen citaat van deze grote voorganger: 'Die grösste diplomatische Klugheit ist es darum, mit einem guten Gewissett in die Verwicklungen hineinzutreten', onderstreept door Groens eigen: '(Bravo!)', op bladzijde 62.

Een postscriptum van vijf bladzijden gaat dan nog in op een geschrift dat de Bonner hoogleraar Erwin Nasse, verzwagerd aan de Van Hogendorps, heeft uitgegeven ten antwoord op La Prusse, waarin ook weer Stahls mogelijke reacties aan de orde komen. Interessant is hier vooral dat Groen het directe gevaar van een oorlog tussen Frankrijk en Duitsland aan de orde stelt - één vonk is genoeg, blz. 66 - en daar tevens de schuldvraag bij betrekt. Hij is er duidelijk over: allerlei onheil zal voortkomen uit de pogingen 'quovis modo un semblant d'unité germanique' te bereiken. 30

Aan deze gedachte is Groen trouw gebleven, zoals zijn brieven en de tweede serie Nederlandsche Gedachten van na juli 1870 bewijzen. Voor hem stond in die dagen niet het gezagsgetrouwe Duitsland tegenover het onbetrouwbare, chaotische want revolutionaire Frankrijk, maar revolutie tegenover revolutie. Natuurlijk, die Bonaparte, Napoleon III, was een onvervalste bonapartist, en vandaar dat ook Groen zich een ogenblik heeft laten misleiden door de 'Emser Depesche', doch dat was snel voorbij. Toen besefte hij opnieuw, wat hij steeds helderder was gaan zien, dat Bismarck een even grote bonapartist was, omdat de door hem nagestreefde orde niet op Gods ordeningen, maar op menselijke berekeningen gebaseerd was en met tegen Gods wet ingaande middelen bereikt moest worden. Napoleon I was niet de overwinnaar, maar hoogtepunt en voltooier van de Grote Revolutie geweest. Zo was Bismarck niet tegenstander, maar voltrekker geworden van de Revolutie die hij voorgaf af te wijzen. Dit tegenover de overgrote meerderheid van zijn geloofsgenoten, ook in ons-land, doorzien en vastgehouden te hebben, is de onvergankelijke eer van Guillaume Groen van Prinsterer.


1. Deze bijdrage werd op verschillende vergaderingen ais lezing voorgedragen. Allen die bij deze gelegenheden in de discussies nieuwe gezichtspunten aanreikten wil ik hier oprecht voor danken.

2. Van nut bleek de Catalogus der Stichting Réveil-Archief 1930-1955, z.a., p. of j. en het nagaan van de correspondenten in de delen uit de Rijks Geschiedkundige Publicatiën die betrekking hebben op G. Groen van Prinsterer, Schriftelijke Nalatenschap. - De verderop aangeduide uitgebreide literatuur rondom het onderwerp omvat mede de eerste hoofdstukken van A. Doedens, Nederland en de Frans-Duitse oorlog, Enige aspecten van de buitenlandse politiek en de binnenlandse verhoudingen van ons land omstreeks het jaar 1870 (diss. V.U. Amsterdam) Zeist 1973, die in hun beknoptheid een helder overzicht bieden.

3. Men zie Tim Dowley en (voor Nederland) Auke J. Jelsma, Handboek van de geschiedenis van het Christendom, Den Haag 1979, 537, alwaar het relaas over de Amerikaanse burgeroorlog - die na zijn dood (28 april 1860) gevoerd werd - wordt verlucht met het portret van Isaac da Costa waarbij hij op grond van 'één van zijn bekendste werken, Bezwaren ...' als tegenstander van de afschaffing van de slavernij wordt opgevoerd, onder verwijzing naar het op p. 533 daaruit gelichte citaat. In geen van beide gevallen acht het handboek het nodig een jaar van uitgave mee te delen. Zie ook volgende noot.

4. M. Kuitenbrouwer, 'De Nederlandse afschaffing van de slavernij in vergelijkend perspectief, Bijdragen en Mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden 93 (1978) 69-100, vermeldt, p. 76, dat er in 1841-1842 onder invloed van Engelse abolitionisten in Nederland adresbewegingen plaatsvonden, een meer liberale met Petrus Hofstede de Groot als een van de 125 ondertekenaars, en een uit de Réveilkring 'met 56 ondertekenaars, onder wie Groen van Prinsterer en Da CosUf (curs. Kn.), dat vanuit laatstgenoemde groep een 'Maatschappij ter bevordering van de afschaffing der slavernij' werd opgericht, op p. 78-79 hoe ijverig Groen in de Kamer was, en op p. 81 dat de 'Maatschappij' op intiatief van J.W. Gefken in 1853 tot nieuw leven gewekt was en zeer actief werd. In noot 50 (p. 81) blijkt dat zowel De Vereeniging: Christelijke Stemmen 5 en 7 als Ernst en Vrede 1 er in 1853 aandacht aan gaven. Daar vindt men dat Isaac da Costa lid was.

5. Voor Stahls invloed in ons land zij verwezen naar de Amsterdamse diss. van G. Fafié, Friedrich Julius Stahl, invloeden van zijn leven en werken in Nederland, 1847- 1880, Rotterdam 1975; speciaal over ons onderwerp blz. 140-147.

6. In dit verband is, als zijlicht, het vredeswerk van Henri Dunant interessant, daar het onmiskenbaar door zijn Réveilafkomst gestempeld is.

7. Parlementaire Studiën en Schetsen, II (9-7-1866) 195, tegen De Heraut; vervolgens, 196, memoreert hij dat 'Oostenrijk ... bijkans alleen ... tegen napoleontisch geweld stand hield'.

8. La Prvsse, 3-4.

9. Noot van Groen: 'Lees 'de naauwste".

10. La Prussc, 6: 'men wil ons redden door ons te verslinden'.

11. Ibid., 8; hij schrijft 'réprésentation nationale' en doelt op het brusqueren door ismarck van de volksvertegenwoordiging en op de dit optreden achteraf rechtvaardiende z.g. Indemnitatsgesetze.

12. Ibid., 11: '... une alliance naturelle contre les emportements éventuels et presque périodiques de la France révolutionaire'.

13. Ibid., 13: een noot verwijst naar het hierboven, noot 7, aangehaalde.

14. Ibid.: Het aanwijzen van Gods beslissingen in de geschiedenis is een overmoedig en gevaarlijk ondernemen.

15. Ibid., 15: Vraag ernaar bij Saksen, Hannover, Sleeswijk. Hoor Europa erover en u verneemt het antwoord.

16. Ibid., 19: Het 'ieder voor zich', het 'laat maar begaan', de geringschatting van verdragen, de plechtige beloften van heden die morgen geschonden worden, het stelsel van voldongen feiten, het onbeschaamde machtsmisbruik en het lage zich ervoor buigen, hebben ons gebracht en leiden ons steeds meer naar een stand van zaken waarin men, na het verdwijnen van de achting voor het menselijk woord en voor de bezworen trouw, in niemand meer vertrouwen stelt en allen wantrouwt. Wij komen weer uit bij de oorlog van allen tegen allen, wij keren terug tot de verwarring uit de

Middeleeuwen, wij voeren midden in de beschaafde wereld een nieuw soort struikroverij in. Buiten het volkenrecht bestaat slechts een revolutionaire toestand, d.w.z. de dwars door de beschaving gesmeten barbarij.

17. H. Smitskamp, 'Groen van Prinsterer en de politiek van Bismarck', Anti-revolutionaire Staatkunde, 10 (1936) 176.

18. La Prusse 25, 26: De gedachtenis is nog niet uitgewist aan die verheven getuige van de waarheid van het evangelie, die van allen verlaten maar vertrouwend op God, saevis tranquillus in undis (rustig te midden van de woedende golven) de grondslagen legde van een staat die ondanks zijn kleine omvang lang een der grootmachten van Europa was. Deze scherp ziende staatsman, deze gelovige Christen, trots en voorbeeld van zijn volk en zijn huis, vatte in een gesprek met geslepen onderhandelaars wier geheimen hij, dwars door hun mooie woorden heen, doorzag, de in wezen zuiver defensieve zijde van zijn en onze (groot)moedige politiek aldus kort samen: 'Om u de waarheid te zeggen, wij zien dat gij ons wilt uitroeien, en WIJ WILLEN NIET UITGE- ROEID WORDEN'. - Mutatis mutandis (met de nodige wijzigingen) valt er eigenlijk

maar een woord te veranderen. Wij willen niet GEANNEXEERD worden.

19. Briefwisseling, 4, (R.G.P. 123) Den Haag 1967.

20. Dit lezend is het een verrassing te ontdekken dat Groen op 7 januari 1868, Brief 223, Busken Huet schreef dat deze vooral in Nederland moest blijven en niet naar Indië gaan, omdat hij dit 'een groot verlies (zou) achten voor onze journalistiek'.

21. Over deze boeiende conservatief, cf. Fafié, Stahl, reg. s.v.

22. Smitskamp, 'Groen', 191 n. 43. De aldaar geciteerde blz. 8 van L'empire bevat niets dat deze mening steunt, maar ook blz. 3 (de 8 is waarschijnlijk een drukfout) heeft deze tendens geenszins.

23. Een goede vertaling zou zijn: het eigen volk.

24. Lempire, 13, met in een noot zijn bron, een citaat van Gerlach: 'Schon im April, als erst der kleinste Theil von dem geschehen war, was jetzt vor Augen liegt, erklSrte der Fortschrittsmann Stadtgerichtsrath Twesten ...: es sei die Zersetzung der conservativen Partei ein sehr grosses Verdienst des Grafen Bismarck; nach ihm werde es keine conservative Partei mehr geben, denn alle ihre Principien werfen sie jetzt über Bord'.

25. Over de polemiek tussen Groen en Fabri, cf. Fafié, Stahl, 144-147.

26. Ibid., 17: de priesters van de macht en de bezingers van het succes.

27. Ibid., 19: I. Gods wet is bindend, dus het nationaal belang op zichzelf beschouwd een afgod, een valse godheid.

II. De antichrist van onze tijd is de afgoderij van het Ik, tot systeem gemaakt in het rationalisme en de revolutie.

28. Ibid., 21: Waar het staatsbelang zegt: het moet, antwoordt de christen: Ik kan niet.

29. Ibid., 30: Een typische Réveilopvatting, maar met diepe wortels; men denke aan Pierre Jurieu's L'accomplissement des prophéties, 1686, als spil van diens politieke denken en handelen. Naar het voorbeeld van R.H. Popkin, The Third Force in Seventeenth Century Philosophy: Scepticism, Science and Biblical Prophecy", Nouvelles de la République des Lettres, 1 (1983) 35-63, en de daarin ondernomen opwaardering van de apocalyptici, zou ook het Réveil op dit punt, maar met name vanuit het gezichtspunt van de apocalyptiek als politiek dynamisch ferment, eens nader onderzocht dienen te worden.

30. L'empire, 67: hoe dan ook een schijn van germaanse eenheid (te bereiken).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1990

DNK | 169 Pagina's

GROEN VAN PRINSTERER OVER BISMARCK¹

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1990

DNK | 169 Pagina's

Bladeren