GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Van de Voleinding

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van de Voleinding

18 minuten leestijd

CXCVIll.

ZESDE REEKS.

XXI.

Zie, op de bergen de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die vrede doet hooren. Vier uwe vierdagen, o Juda, betaal uwe geloften; want de Bélialsman zal voortaan niet meer door u doorgaan, hij is gansch uitgeroeid. Nahum 1 : 15.

Nahum's profetie .staat in het twaalftal der kleine profeten op zichzelve. Ze draagt toch dit eigenaardig karakter, dat ze in hoofdzaak niet ander.s-bedoelt dan den ondergang van Ninevé aan te kondigen, die dan ook, vermoedelijk onder Cyaxares, in 608/9 v. Chr. gevolgd is. Gelijksoortige profetieën vinden we alleszins talrijk, zoo met name in Jesaia XXI en volgende, en wel ondej den vorm van een last^ die van Godswege tegen één deriheldensche machten uitgaat. Zoo heet 't opschrift van Jesaia XXI : 1: De last der woestijn aan de zee"; in Jesaia XXIT : 1: De last van het dal des Gezichts»; . En in Jesaia XXIII : 1 : »De last van. Tyrus«. Op gelijke wijze nu staat boven Nahum I als opschrift: gt; De last van Xinevé*. Duidelijk blijkt hieruit zekere verwantschap tusschen Nahum en Jesaia, een verwantschap die ook in andere gelijksoortigheid van uitdrukking de aandacht trekt. Men mag dan ook aannemen, dat Nahum voor Jesaja ert Micha geen vreemdeling is geweest. Zijn optreden toch valt in de tweede helft van Hi.skia's regeering, na den inval van Sanherib, bij den uitgang van de 8e en den ingang der 7e eeuw voor Chris tus. Gemeenlijk plaatst men Nahum omstreeks 710—699, Dat tusschen deze drie profeten, Jesaja, Micha "en Nahum, niet alle gemeenschap zal ontbroken hebben, mag te eer gegist, daar bok Nahum'blijkbaar in Juda, en dan wel waarschijnlijk injerusadem optrad. Hij schijnt evenwel daarom toch niet uit Juda herkomstig te zijn geweest. De bijvoeging, dat hij een Elkosiet was, doet eer vermoeden dat zijn familie in het latere Galilea thuishoorde. Zelf schijnt hij daarentegen zijn woonplaats al spoedig naar Judea verplaatst te hebben. Hij voelde heimwee naar de landstreek, waar de dienst van Jehova nog vrij tot uitoefening kon komen, en juist dit was toentertijd in het gevvezen Koninkrijk van Israël zoo niet meer. In 722, en alzoo "ruim tien jaar vóór Nahum's optreden, was Salmanassar als overwinna.-ir in Samaria binnengetogen, en zoo was al wat binnen Israels noorderrijk lag, voor goed onder heidensche opperhoogheid gekomen.-Nu mag dit zeker niet aldus verstaan, alsof toentertijd al wat als Jacobs nakroost onder de Tien Stammen school, óf geheel van Jehova was afgevallen, óf naar Ass^'rië was weggevoerd. Gelijk we vroeger reeds opmerkten, toont de latere historie van Galilea en Samaria dit wel anders. Veel was in afgodische zijwegen afgegleden. Al wat aanzienlijk onder de geloovigen was, had men naar het Oosten weggevoerd. Maar ook zoo bleef er toch ten platten lande nog altoos een breede kring van gezinnen over, die tot de »zeven duizend« konden gerekend worden, en uit zulk een familie was blijkbaar ook Nahum afkomstig. Evenzoo is het waarschijnlijk, dat Nahum

Evenzoo is het waarschijnlijk, dat Nahum de meer oostelijk gelegen landen, en met name ook Assyrië, persoonlijk bereisd had. Hij geeft toch in zijn Godspraak het beeld van Ninevé zoo teekenachtig weder, dat hij wel in eigen persoon Ninevé moet bezocht hebben. Zulk bezoek aan Ninevé en Babyion was destijds volstrekt niets ongewoons. Al was toch het' reizen uit louter belang, stelling of om een afwis.seling te genieten, gelijk wij dat kennen, destijds nog niet algemeen, toch was het bezoek aan andere landen en steden ook destijds reeds zeer geliefd. Men mag dan ook aannemen, dat zoowel de Babyloniërs en de Ninevieten, waar de gelegenheid zich voor hen aanbood, naar Samaria en Jeruzalem togen, als omgekeerd dat de Joden de hoofdsteden der machtige Oostersche-rijken bezochten. Op zichzelf trok de religie tusscTien beide streken een scherpe grenslijn, en zoolang in het Heilige Land de trouw van het volk aan Jehovah verpand bleef, waren beide landstreken, eenerzijds de streek aan de Tigris en de Euphraat, en anderzijds de streek langs de Middellandsche zee, vrij scherp van elkander afgescheiden. Sinds echter de wereldsche zeden van Ninevé en Babyion zóó storend niet alleen in "Samaria, maar ook in Jeruzalem 'waren ingeslopen, kon het niet anders of uit beide streken voelde men zich tot elkander aangetrokken. l".n daar nu de wereldsche toon die Israel al meer ontzenuwde, in Ninevé en .Babylon thuis hoorde, 'en van daaruit naar het Westen toog, is het natuurlijk, datniéuwsgierigheid allicht tot een korten uitstap naar de steden van het Oosten deed besluiten. JJiet van Jeruzalem ging er invloed op het Oo.sten uit, maar daarentegen zeer sterk van het Oosten op Jeruzalem-. Ook geheel afgezien hiervan onderhield bovendien de karavaanhandel steeds een zeer levendig verkeer tusschen de Oostersche rijken en de Westkust. Vooral op Tj-rus liep een gewichtige karavaanweg uit, die midden door Galilea, langs de zee van Tiberias, ging. Het ontbrak daarom bijna nimmer aan een levendige gemeenschap tusschen beide groepen van landstreken. Daargelaten nu op wat wijs ook Nahum zich een enkel maal onder deze reizigers naar het Oosten schaarde, op zichzelf ligt éc niets onverklaarbaars in, dat ook hij, 'tzij wegens handels-en familie-aangelpgenheden, 'tzij uit louter nieuwsgierigheid en weetzucht, een enkel maal, of zelfs meermalen, zijn. schreden ook naar Ninevé gericht had.

Zijn korte God.sspraak, die in hoofdzaak eeniglijk op den val van Ninevé doelt, werd aan de bewoners van Juda en Jeruzalem ten beste gegeven op een ©ogenblik toen de weelderige stad nog in volle glorie schitterde, en er nog geen enkel teeken was, dat op haar naderenden ondergang wees. Nahum toch liet zijn profetie uitgaan omstreeks den ingang dèr achtste eeuw V. Chr., en Ninevé's val wordt gesteld op den ingang der zevende, omstreeks het jaar 606 v. Christus Lang na Nahum's vergezicht bleef alzoo Ninevé nog in haar jiracht: en weelde pronken; _=, e»'.-6t? '-Uigtijk was Nahum reeds lang ten grave gedaald, eer Ninevé ten slotte bezweek. Het gold bij Nahum alzoo in den meest eigenlijken zin voorzeg^mg van wat eerst vele jaren daarna zou plaats grijpen. Juist met het oog hierop nu is het zoo opmerkelijk, dat Nahum's teekening van Ninevé's bezwijking voor den lezer zoo aangrijpend plastisch is, dat het den indruk maakt, alsof hij zelf de inneming der stad had bijgewoond. En naar de teekening is het dan ook uitgekomen. Babj'lon lag aan de Eufraat, Ninevé aan de Tiger, èn beide steden waren door vestingbouwkundigen van eerste orde zoo machtig ommuurd en van versterkingen voorzien, dat ze eeuw na eeuw voor volstrekt onneembaar golden. Gelijk men weet, waren de muren zoo breed op getrokken, dat breede rijwegen er op in de hoogte waren aangelegd. Nu is Babel door list genomen. De IMegeraar kon Bab)-lon niet veroveren met geweld. Ten laat.ste nam hij toen zijn toevlucht tot een afdamming van de Eufraat op grooten afstand. Dit had tot uitkomst, dat onverwachts in het nachtelijk uur de Eufraat Bij Babel droog liep, zoo, dat de doortocht onder de muren in het stroombed van de rivier vrij kwahi; en zoo is Babel overrompeld. Doch niet alzoo ging het met Ninevé toe. Ninevé, hoe sterk 't dan ooli was aangelegd, is ten slotte met geweld van wapenen ingenomen. Triomfeerend is de veroveraar in de stad.langs haar prachtstraten binnengedrongen, en feitelijk 4s toen in de veroverde stad het indrukwekkend tafereel aanschouwd, gelijk Nahüm ons dit in zijn profetie teekende, en teekende tot zelfs in zulke bijzonderheden, dat het in zeer gestrengen zin profetische karakter van deze schildering aan geen den minsten twijfel onderhevig is. Niet uit menschelijke berekening, maar in zijn profetische helderziendheid heeft Nahum het feitelijk voor oogen gezien, zooals het een kleine eeuw daarna metterdaad een stuk historie werd.

Vanzelf behoeft allerminst te worden aangenomen, dat Nahum's profetisch optreden zich tot het uitspreken en later te boek stellen van de drie hoofdstukken, die thans voor ons liggen, zou bepaald hebben. Ook van den apostel Paulus bezitten we slechts enkele brieven, al spreekt 't toch wel vanzelf, dat de apostolische correspondentie van dezen Gezant des Heeren, én wat de door hem gestichte kerken, én wat zijn vrienden, geestverwanten en leerlingen betreft, veel uitgebreider moet ge-, weest zijn. Er heerschte in dit alles een hooger bestel. Elia is een der machtigste profeten geweest, wiens vele reden tot het volk als met koperen stem van jaar tot iaar, en van plaats tot plaats, moeten geklonken hebben ; waarom is ons nu van Elia en Eliza en van zoo menig ander bekend profeet niets schriftelijk overgeleverd, en van Nahum wel? ]'; en geheel natuurlijke vraag, waaraan dan weer als vanzelf deze andere aanleunt: Waarom is uit geheel Nahum's optreden, dat toch zeer stellig tot bet uitspreken van meerdere Godsspraken aanleiding gaü-jlechts dit céne stuk ons overgekomen? \'*ki toeval mag hierbij niet gesproken word(? f" Toch lijkt het zoo onbeduidend, niet anders dan een zeer klein geschrift van ten hoogste drie bladzijden te ontvangen uit de nalatenschap van een zoo mach tig. door God verkoren, door den Heiligen Geest bezield schrijver. In den gewonen gang der historie zou dit ons dan ook onverklaarbaar zijn. In ons eigen midden' zou 't zich niet laten aannemen, ' dat een, zoo rijk ontwikkeld man, wiens taal met zulk een tinteling van toon van hem uitging, zich, alles saamgenomen, tot zoo uiterst geringen arbeid zou bepaald hebben. Daarom is het dan ook alleen in verband met de geheele samenstelling van de H. Schrift, dat zulk een optreden als van Nahum op schriftelijk terrein te verklaren is. Nahum's beteekenis in de dagen van Hiskia is ongetwijfeld een veel rijkere geweest. Een man die z.óó sprak, en zóó schreef, moet wel in Jerusalem een geheelen kring van hoorders en volgelingen om zich verzameld hebben. Hij moet de trooster der geplaagde geloovigen geweest zijn. En dat desniettemin uit een zoo fel bewogen en rijk. geestelijk leven, niet anders dan deze kleine Godspraak in drie korte kapittelen werd overgeleverd, is alleen verklaarbaar, zoo ge rekent met het bestel Gods over geheel zijn Woord, dat in afgepasten vorm, naar .hoog bestel, tot één geheel saamgevat, .straks de wereld zou ingaan, om den Raad Gods te openbaren en aan de wereld op 't hart te binden. Dat nu onder de stukken van dat heilig Woord ook êén stukske van Nahum is opgenomen, blijft voor-dezen Ziener een onvergankelijke eere, ook al heeft wat op zijn nkam staat, zich tot deze drie hoofdstukken bepaald.

Nahum zag in Ninevé niet de stad der verlokkende weelde, maar de bloedstad. Aanvankelijk had veel meer nog dan Babyion het rijk van Assyrië het op den algeheelen ondergang van het volk Gods in het heilige land toegelegd. Het was As.syrië niet genoeg, dat het Samaria vernietigd had, en het Tienstammenrijk had omver geworpen; het wilde ook de geheele breedte van Palestina doortrekken tot aan de Middellandsche zee. Rusteloos deed Assyrië daarom, ook na Samaria's val, zijn sterke, zware hand op Jeruzalem drukken. Zelfs scheen het een tijd lang, alsof Babj'lon alnieer den tweeden rang zou innemen, zoodat Assyrië's oppermacht ook over Jeruzalem het oordeel Gods zou voltrekken. Babel was er 'wel eerst geweest, en zelfs nog anderhalve eeuw na Hammurabi's bloeitijd, de eerste macht bij Euphraat en Tigris gebleven, en zelfs drie eeuwen daarna had het rijk van Babel zich nog als evenknie naast het rijk van Assyrië weten staande te houden, maar juist in Hiskia's dagen kwam hierin kentering en van omstreeks 700 V. Ch. tot 650 V. Ch. was het aan Ass)Tië gelukt, zich zekere oppermacht ook over Babel aan te matigen; een stand van zaken die toen door Nabopolossar, en meer nog onder Nebucadnezar, wel weer omging, maar die dan toch tot gevolg had, dat in Nahum's dagen vooral van de zijde van Ass)-rië het kwaad tegen Palestina dreigde. Zoo zag Nahum in het profetisch gezicht, dat de ondergang van het heilige land daarmede beginnen zou, dat uit Ninevé de aanslag voortkwam, en daarom roept hij 't dan ook in III : 1 en v.v. op zoo aangrijpenden toon tegen Ninevé uit: Wee de bloedstad, die gansch vol leugen en verscheuring is! De roof houdt niet op. Er is het geklap der zweep en het geluid van het bulderen der raderen, en de paarden stampen en de wagens springen op. De ruiter steekt omhoog, zoo het vlammend zwaard als de bliksemende spies, en er zal veelheid der verslagenen zijn, en een zware menigte der doode lichamen. Er zal geen einde zijn der lijken. Men zal over de lijken striiikelen«. Zoo zou 't eens toegaan, als de vijand Ninevé zou hebben ingenomen, en zijn overwinnende troepen in de bloedstad binnentrokken, om voor altoos aan haar bloedheerschappij een einde te maken.

Eerst ging in het eerste kapittel de aankondiging van Gods Raad vooraf, waarin Ninevé's val en Assyrië's ondergang besloten was. D^ volgt in het tweede hoofdstuk de jubelzang, dat eindelijk dan toch •de verdrukker van Israel zelf in de verdrukking, ondergaat. En in het derde kapittel wordt dan Ninevé's doem bevestigd en in zijn niet te vergeten schuld het' motief voor dit oordeel Gods omschreven. Tot 's Heeren volk gaat dan de boodschap des heils uit: Alzoo zegt de Heere, nu zal ik het juk van Ass> -rië van u-breken, en zal de banden die u omklemmen, verscheuren. Tegen u, o Ninev^, heeft de Heere bevolen, dat er van uw natim niemand meer gezaaid zal worden. Uit het huis van uw afgod zal Ik uitroeien de gesneden beelden, en Ik zal u daarvan een graf maken, als ge veracht zult zijn geworden. Wat daarentegen Gods volk aangaat, »ziet op de.bergen de voeten desgenen die het goede boodschapt, die vrede doet hooren. Vier dan uw vierdagen, o, Juda, en betaal uw geloften, want de kindei-en Belials zullen niet meer door uw land gaan. Ze zijn ganschelijk uitgeroeid!« (I:1.S—15). En hierop nu volgt in Hoofdstuk II de teekening van de inneming der stad: De wagenen van den vijand razen door de stad, zij rennen ginds en weder door de straten. Hun gedaanten zijn vuurrood als de fakkelen, en ze rennen over elkander heen als de bliksem. Zelfs zijn voortreffelijksten zullen struikelen en ze zullen, om redding te vinden, haasten naar den muur.. Maar niets zal baten. Eindelijk zullen de poorten van den Tiger geopend worden, en het paleis van Ninevé's Vorst zal versmelten«. Ninevé scheen wel stérk door zijn wateren, maar zijn mannen zullen nu vluchten. En of men dan al roepen zal om het vluchtend leger nog tot staan te brengen, niemand der mannen zal op dit roepen ook maar omzien. En dan' zal 't op een rooven gaan, dat de binnengedrongen vijand zilver rooft, en 't goud rooft en dat er geen einde des voorraads aan zal wezen, zoo groot lag de heerlijkheid van al Ninevé's schatten opgetast. En dit alles zal aan Ninevé overkomen, doordien Jehovah, Israels God, aan Ninevé vergelden zal, wat Ninevé aan zijn volk misdaan heeft. »Ziet, Ik wil aan u, betuigt Jehovah, Ik ben de Heere der heirscharen. Ik zal Ninevé's wagens in rook verbranden, en al zijn uw krijgers pis jonge leeuwen zoo dapper, het zwaard zal uw jonge leeuwen vertereu. Ik zal uw roof van de aarde uitroeien, en de stem uwer gezanten zal niet meer gehoord worden" (II : 4, 5, 6, 8, 13).

Geheel deze Godsspraak van Nahum keert zich alzoo tegen de Heidensche overmacht, die het volk des Heeren bedreigd en gekweld en ten deele reeds ten onder gebracht had. Voor Ninevé blijft niet één enkele lichtstraal over. »Er is, zoo besluit het hooger oordeel, dat over Ninevé aiaat, er is geen saamtrekken van uw breuk, uw plage is smartelijk. Allen, die het gericht over u hooren, zullen in de handen over u klappen, want, en hiermee reeds vangt des Heeren oordeel aan, want over wien is uw boosheid niet geduriglijk gegaan. Bang zou 't lot zijn, dat de bloedstad trof. »Ziet, zoo. heet het, uw volk zal in het midden van u tot vrouwen worden De poorten uws lands zullen uw vijand wijd geopend worden. Het vuur zal uw grendelen verteren. En aP poogt ge u nog te redden, al schept ge u water ter belegering, al versterkt ge uw vastigheden, al gaat ge in de klei en verbetert uw tichelovens, niets zal 't u baten. Immers toch zal het vuur _u verteren, en het zwaard zal u uitroeien, ja afeten. Allen vluchten ten slotte. »Als de zon opgaat, zoo vluchten ze weg, alzoo dat hun plaats onbekend is, waar ze geweest zijn.« (III : 13—15), Stond nu hiernaast en hiertegenover een scherp bestraffen van de zonde van Israël, zoo zou dit scherp optreden en het oordeel tegen Ninevé niets ongewoons hebben. Door alle overige profetieën gaat toch bestendig het dubbele oordeel uit, eenerzijds tegen Israël omdat het den Heere verliet en hierdoor het oordeel over zich inriep, en anderzijds tegen de Heidensche volken, die wel als in.strument in 's Heeren dienst het oordeel over Israël voltrekken, maar toch zich hiertoe leenden, niet uit gehoorzaamheid aan den last des Heeren, maar juist omgekeerd om in Israels ondergang de eei'e van Jehovah met alle macht die te hunner beschikking staat, te bestrijden. Vandaar dus steeds het tweezijdig oordeel des Heeren: egen Israël omdat het den dienst van zijn God verzaakte, en daarom door den Heere moest gekastijd worden, maar dan ook even beslist'Tegen Ninevé en Babel, omdat ze in Israël de mogendheid van Jehovah poogden te treffen. Maar hier, bij Nahum, staat 't zoo geheel anders. Hier richt zich het niets ontziende en niets sparende oordeel des Heeren eeniglijk tegen de macht van het Paganisme, en Israel ontvangt bij Nahum niet anders dan den vredegroet der komende verlossing.

Nahum maakt in zooverre een uitzondering, die recht van bestaan had. Ongetwijfeld moest aan Israel, en in Israel ook aan de geloovigen, steeds opnieuw hun zonden voor God worden aangezegd. P'.nkel uitwendige vrijmaking van den Israelietischen volksstaat zou geen béterschap hebben aangebracht. Dan toch zou, na zekere bekeerjng voor een oogenblik, straks weer het oude zondige wereldleven ook in Israel, en zelfs te Jeruzalem, hervat zijn. De geestelijke inzinking van Israel was zoo jammerlijk ver voortgegaan, dat alleen een radicale genezing het volk redden kop ; en op zoo radicale genezing kon alleen door het uitgaan in de ballingschap van het beste deel des volks hope komen. Zoo moest zich het oordeel voor een oogenblik althans schijnbaar van de Heidenen af, en tegen Israel keeren, en moest Israel wel den indruk ontvangen, alsof Jehova aan de zijde van Nebucadnezar het tegen zijn eigen volk opnam. Het is dan ook die indruk, die, toen ze eenmaal diep in 't volk was ingedrongen, het volk gered heeft van zijn geestelijken ondergang. Eerst toen Israel ophield zich te verweren, en zich als de diepschuldige dienstknecht des Heeren onderwierp aan den wreker dien God zelf over zijn volk besteld had, eerst toen kon de eerste ritseling van het weer opleven beluisterd worden. Juist daarom echter was het zoo noodzakelijk, dat er toch voor 't minst één profeet optrad, die het straks nakomend oordeel Gods over wie nu Israel verdrukte en ter neder wierp, op sick zelf kwam aankondigen. Er was niets harder voor het geloovige Israel, dan ook in Salmanassar en Nebucadnezar dienstknechten Gods te moeten zien, die Gods Raad aan Israel ten uitvoer legden. En juist daarom was* het zoo gewenscht niet alleen, maar zelfs noodzakelijk, dat er ten slotte dan toch één enkel profeet verscheen, die als uitsluitenden last de roeping ontving, om op aangrijpende wijze niet anders aan te kondigen dan de straks naderende volkomen verdelging van 's Heeren vijanden, als van de verdrukkers van zijn volk, en zulks gepaard gaande met zijn aankondiging aan Israël van het Evangelie dat in den Messias uit zou gci«ii. En juiot dit nu brengt Nahum, zoo ge slechts deze beide uitspraken van den Ziener naast elkander legt. Van de ééne zijde heet 't tot Ninevé: gt; Ninevé is geledigd, ja uitgeledigd, uitgeput en haar kracht vernield !« II : 10. Maar dan ook tot het volk des Heeren: Ziet, op de bergen zijn de voeten desgenen, die het goede boodschapt, en die vrede doet hooren. Viert dan uw vierdagen, o Juda!« (I : 15). Hiermede hangt dan ook saam, dat noch de Messiaansche verwachting, noch het Kruis, noch de Parousie, noch de Voleinding uit Nahum's Godsspraken nader licht ontvangt. Zijn profetie was een steun aan het destijds schier bezwijkende volk des Heeren geboden, en juist daarom een woord van troost en belofte voor 's-Heeren volk, alle eeuwen door, voor zoover de wereld, om 's Heeren wille, zijn volk met smaad en druk poogt terneder te werpen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 februari 1916

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Voleinding

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 februari 1916

De Heraut | 4 Pagina's