GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

HE pp.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HE pp.

9 minuten leestijd

~~ GEESTELIJKE ADVIEZEN. „Hangt de segen van de bediening des Woords voor die haar ontvangen samen met den persoon van den Dienaar, met zijn voordracht en m.et de kwaliteit van de preek f"

Zoo luidt — met eenige wijziging, maar die, ook naar Tiet oordeel van den inzender zelf, naar 'k vertrouw, zijn bedoeling nog te beter uitdrukt — een vraag van een onzer lezers.

Hij licht haar volgenderwijs toe: „Dikwijls wordt mijn stemming onder 't luisteren van meet aan bedorven door 't zich aan mij opdringende gevoel van conventialisms, het uitsluitend letten op voordracht, verstandelijkheicl van den predikant, enz. IjCï'l^fc-

Ik heb hier veel over nagedacht.

Moet ik me losmaken van die gevoelens, ze verwerpen, en uitsluitend letten op de goddelijke waarheid, die in de meest gebrekkige, mogelijk onzuiver en onwaarachtig uitgesproken preek ligt?

ik wil het graag, maar kan het niet. Evenmin als ik in 't dagelijksche leven het gesprokene los kan maken van den sprekenden persoon.

Ik weet niet, - hoe hieruit te komen."

Hier hebben we een bij uitstek praktische vraag.

Ze raakt een' conflict met' de persoonlijkheid en het optreden van den Dienaar des Woords, en met inhoud, vorm en voordracht van de preek, waarmee heel wat 'ernstige hoorders, ook zonder dat ze er zich zoo belder van bewust werden, als onze inzender, zullen te worstelen hebben, en — waarvan de duivel en ons eigen arglistig hart ijverig gebruik maken om de kracht van de bediening des Woords bij ons te breken.

't Zal me daarom verblijden, als ik er iets toe zal kunnen bijdragen, dat conflict op te lossen of althans iets te verzachten.

De kern van de vraag is dan, of er verband js tusschen den zegeir van de bediening des Woords voor'-die haar ontvangen en de persoonlijkheid van den Dienaar, zijn voordracht en de kwaliteit naar vorm en inhoud van zijn preek.

Deze vraag nu, moet m.i., zonder eenigen twijfel, bevestigend worden beantwoord.

Dit volgt met noodzaak uit het, feit, dat onze God Zijn Woord niet rechtstreeks, , niet op een onmiddellijke wijze, maar middellijk tot ons doet komen.

Tusschen ons eri het Woord ligt, ook al komt die bij bet rechte, bij het geloovige hooren niet in ons bewustzijn, omdat bet geloof allen afstand doet wegvallen — inderdaad een lange weg.

Buiten ons: want het Woord Gods moest eerst te boek gesteld, toen de eeuwen door bewaard, vervolgens vertaald, toen door den prediker bestudeerd en ingedacht, in zijn predikatie verklaard en toegepast, en ten slotte door hem uitgesproken worden, vóór het in den vorm van de preek ons kon bereiken.

Doch dan bovendien ook nog in ons; want als de preek uitgesproken wordt, moet het door het intermediair van de stem van den prediker en van ons eigen gehoor onder ons bereik komen.

En ook daarmee trof het nog niet zijn doel.

Om tot zijn doel te komen, vraagt het den dienst van onze aandacht, van ons verstand, van de kennis der waarheid, die het bij ons veronderstelt, on daarmee van ons geheugen en ons nadenken, ook van onze verbeelding, i. e. w. van heel het apparaat van onzen geest. En dan eindelijk — wat hier overigens buiten beschouM'ing blijft — moet er nog zijn het geestelijk contact, dat de .Heilige. . Geest, bewerkt in den weg des geloofs. - -ê^.'ji> 4i.v: i!; : dvS: !¥X'xMim

Het Woord Gods, benadèit ons derhaïve — en daar wilde ik nadruk op leggen., — niet onmiddellijk en, ook niet werktuigelijk, maar middellijk en langs zielkundigen weg.

En uit deze verbinding van het middeUijke en het 'Zielkundige in den weg, dien het neemt, volgt noodzakelijk, dat de persoonlijkheid van den prediker, en 61 dat ook inhoud; vorm en voordracht van de preek voor onze stichting niet zonder beteekenis kunnen zijn.

Is de persoonlijkheid van den prediker ons sympathiek en boezemt ze ons vertrouwen in, is de inhoud van zijn preek rijk genoeg om onze belangstelling te wekken en onze aandacht gespannen te houden, is de vorm boeiend en de voordracht natuurlijk en levendig, dan helpt en steunt ons dat alles in Avat onzerzijds eerste voorwaarde is, om met vrucht voor onze ziel te hooren.

Is er, omgekeerd, bij ons geen vertrouwen in den persoon van den prediker, of is hij ons om ge'breken, die we in hem ontdekten niet sympathiek, maakt zijn optreden den indruk, dat hij meer aan zichzelf denkt dan aan zijn hoorders en aan de boodschap, dia hij hun beeft fe brengen; is zijn preek arm, zijn gedachtengang onordelijk, * zijn stijl slordig, zijn voordracht onverzorgd, of opgeschroefd — dan staat dit alles onze eigene werkzaamheid tot recht hooren en daarmee den zegen van de prediking bij ons in den weg.

In zoover is er dus wel terdege verband tusschen den persoon door wien en de wijze waarop het Woord verkondigd wordt, en den zegen van de prediking bij de hoorders.

de hoorders. Dit legt ons, predikers, een ontzaglijke verantwoordelijkheid op. En het is goed, en we mogen er dankbaar voor zijn, dat vragen als die we nu bespreken, er ons aan herinneren. Ze maken er ons opmerkzaam op, dat, als de prediking niet de vrucht draagt, die we begeeren, er minstens zooveel reden is om er ons zelven op aan te zien, als de schuld ervan op onze hoorders te werpen.

Wie de waarheid zóó verpakt, dat de geadresseerde in de verzoeking komt, haar als een monster-zonderwaarde af te wijzen, zal het zwaar te verantwoorden hebben btj die hem de doorzending toevertrouwde.

Doch hier moet nu dadelijk aan toegevoegd, dat de geadresseerden hebben toe te zien, dat ze niet om gebreken in de verpakking de waarheid zelve afwijzen. Er is hier doorgever en afzender.

Precies, als bij een cadeau, dat 'Vader of Moeder hun kind, op zijn verjaardag, door bemiddeling van een derde doen toekomen.

Beter gezegd: precies als bij een boodschap, die onze Koningin door middel van een barer hofbeambten, tot ons zond.

Om de slordige verpakking van den winkelier, zullen we Vaders of Moeders cadeau niet weigeren in ontvangst te nemen.

En om den persoon van den hofbeambte onzer Koningin of om zijn onhandig optreden tegenover ons, zullen we H. M.'s boodschap niet afwijzen.

Over den tusschenpersoon en zijn wijze van doen heen zullen we de eigenlijke afzenders in het oog houden; en om hunnentwil zullen .we aannemen, wat we anders zouden weigeren.

M. a. w. bij het hoeren van de prediking moeten we ons niet door de gebreken van prediker en preek laten verleiden om te vergeten, dat we in de waarheid die ons gepredikt wordt, met onzen God te doen hebben. We moeten ernstig pogen ons boven den persoon, door wien en den vorm waarin ons het Woord verkondigd wordt uit te heffen, om met de boodschap, die ons wordt gebracht te staan voor 't aangezicht van Hem, die ze tot ons deed uitgaan.

„Ik wil het graag", zegt onze vrager, „maar ik kan het niet. Evenmin als ik in 't dagelijksche leven het gesprokene los kan maken van dqn sprekenden persoon."

hl do laatste woorden zegt hij zelf ons wat de oorzaak is van zijn niet-kunnen. 't Is deze, dat hij, evenals hij in het dagelijksche leven de waarheid en de waarde van een woord laat afhangen van den persoon, die het spreekt, ook de beteekenis van een preek laat bepalen door den persoon van, den prediker.

Nu is deze wijze van doen in 't dagelijksche leven reeds onjuist. Doch ze is het nog veel meer ten opzichte van de bediening des Woords.

Na wat ik boven zei, zal hem dit ook duidelijk pijn.

Het moge hem helpen zich op te werken tot het standpunt .waartoe hij zelf reeds trachtte te komen. Een lichte taak is dit niet.

Ze vraagt offers van ons.

Doch vergeten we daarbij niet, dat er ook offers gevraagd worden — de eerste en 'de zwaarste — van die ons het Woord heeft te bedienen; en dat prediker en hoorder elkander nooit vinden zullen in Gods waarheid, tenzij de offers beiderzijds gewillig om 'der waarheid wille worden gebracht.

En daarbij zijn aan de zijde der hoorders de offers die velen, vooral onder onze jonge menschen, tegenwoordig het zwaarst vallen, dan welbeschouwd het lichtst.

Ik bedoel die in aesthetisch opzicht.

Ook het gevoel voor 't schoone heeft zonder twijfel zijn rechten. Gelukkig, de prediker, die het zonder jacht te maken op effect of lof, en zonder schade voor den inhoud, kan bevredigen en in dienst der waarheid trekken.

Doch alles heeft zijn eigen plaats; en de schoonheid moet goed vinden, dat ze, in gezelschap yan het ware en het goede, de derde krijgt.

Hoe dit met name voor het bedienen en het hooren van het Woord geldt, zegt ons wel de vorm waarin God zélf Zijn Woord ons gaf.

Want al heeft de H. Schrift méér schoons dan we licht vermoeden, — een „Boek van Schoonheid" in den zin, dat ze zich in den dienst van 't schoone zou stellen, is ze allerminst. Model is b.v. de stijl der meeste bijbelschrijvers waarlijk niet.

Het geschreven "Woord deelt, ten opzichte van wat de zinnen bekoort, het lot van het vleeschgeworden Woord. Het mist zelfs de rok zonder naad, die het laatste droeg.

Het offer, dat het geschreven Woord ook in dit opzicht — en niet zonder bedoeling — vail ons eischt, als het • ons zijn dienst zal bewijzen, mogen we ten opzichte van het gepredikte Woord niet terugvorderen.

Moeilijker wordt het, als dé persoon van den Dienaar des Woords ons onder de preek in den weg gaat slaan. Vooral als zijn ernst en zijn waarachtigheid bij ons in verdenking kwamen.

Maar wat zullen we zeggen, als het Christus belieft, menschen met allerlei gebreken in Zijn dienst te nemen? Zullen w ij dan afkeuren die H ij aannam, en weigeren te ontvangen, die H ij zond?

Eens zond Hij ook een Judas uit om in Zijnen Naam het Evangelie des Koninkrijks te prediken.

Wat zou Zijn oordeel zijn geweest, zoo de .Joden op grond van twijfel aan Judas' oprechtheid, en op grond van de geldzucht die ze bij hem wel eens ontdekt zullen hebben, geweigerd hadden uit z ij n mond het Woord des Koninkrijks te ontvangen?

Het antwoord ligt in het woord, waarmee Jezus Zijn knechten uitzond: „Die u ontvangt, die ontvangt Mij; wie u verwerpt, die verwerpt Mij".

Kort gezegd, als het Woord ons bediend wordt, zullen de majesteit en de liefde van Hem, van Wien het uitgaat, ons gelden voor zóó aanbiddelijk-groot, dat we ze niet laten verduisteren door het gebrek in Zijn boodschappers.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 november 1928

De Reformatie | 8 Pagina's

HE pp.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 november 1928

De Reformatie | 8 Pagina's