GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJKLEVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKLEVEN

23 minuten leestijd

„Het verbond Gods". (X.)

Door bemiddeling van een lezer kreeg ik inzage van een noot in „Calv. Wkbl.", waarin wordt gewezen op „De Rel" van 9 Aug. 1929; ik haal daar een citaat uit „De Wekker" aan, waarin ontkend wordt, dat liet genadeverbond een hoofd heeft, alsmede ontkent, dat in dat verbond één voor allen handelt, gelijk dit het geval is in het verbond der verlossing en in het werkverbond. Ik leg dan in mijn ondersclirift den vinger bij „niet één voor allen" en bij „geen hoofd", en noem dat een afbuiging van de oude gereformeerde theologie.

Onze lezers begrijpen nu wel, waar de schrijver in „Calv. Wkbl." heen wil. Hij legt dit citaat uit z.g. tegenover onze artikelen van. '38 en '39 contra dr Thijs en prof. Aalders, vindt tegenspraak en, trekt conclusies.

Het is mij niet duidelijk, waarom hij dit laatste doet, althans, indien ik hem nog goed begrijp. In mijn inleidende opmerkingen wees ik er op, dat in „De Wekker" van dienzelfden tijd „ongeveer vijf voorgangers" over het genadeverbond schrijven, en dat ieder dat weer anders doet. Nu heb ili van die vier andere (Jongeleen, Wisse, het clir. geref. vragenboekje, en, als ik me wei herinner De Bruijn) in „De Bazuin" trouw kennis genomen. Ik liet ook uitkomen, waarin ik van hen verschilde. En dat laatste heb ik zelf voor een deel weer verwerkt in mijn jongste „Reformatie"artikelen; want de historie speelde zich af in de jaren '27 en '28 (zooals onze lezers nog pas hebben kunnen lezen). Men moet dus wat ik in „De Bazuin" schreel in rekening brengen bij de lezing van mijn uitlating in „De Ref." van 1939.

En dan zal men kunnen weten, dat ik de conclusies, waartoe de sclirijver in „De Wekker" kwam, en waarin hij blijkbaar na de debatten der „vijf voorgangers" van daareven conclusie nemen wil, in hun formuleering onjuist vond en nog vind. Want ze stellen de kwestie niet, en deze formule verheldert niet. „In" het genadeverbond (ajs 'ter eenmaal is) treedt n.l. wèl één vooi allen op, n.l. de Middelaar. En wederom; „in" het genadeverbond (als 'ter eenmaal is) is wel een hoofd' n.l. de Middelaar. De vraag echter, waarovei het ditmaal loopt, en ik gaf dit verschil in mijn jongste artikelen duidelijk aan, is deze; of het genadeverbond is opgericht IN dan wel MET Christus als Hoofd, of het in de eeuwigheid dan wel in den tijd is opgericht, of verbond en verkiezing quantitatief gelijli zijn; ja dan neen. Niet of er een Hoofd is, doch of het Hoofd repraesentatief (a la Comrie) optreedt in de v e r b o n d s- sluiting (en of de uitverkorenen daarbij „dood kapitaal" zijn) is de kwestie. De andere groep, die dooi prof. Aalders als ongereformeerd op zij werd gezet, heeft zich gevrijwaard van al te felle consequenties. Wel degelijk treedt „in het verbond" één voor allen op Maar begrijpt men dan nog de kwestie niet? Ze is deze, of die ééne voor allen optreedt niet „in het verbond" (als het er eenmaal is, als Middelaar DES VERBONDS immers), doch op den weg naar het verbond, in de sluiting des verbonds. Voor de zooveelste maal maak ik verschil tusschen „aoristus" (het „moment" der oprichting) en „imperfectum" (de doorloopende lijn, die daarna volgt). Legt men het genadeverbond uit den tijd in de eeuwigheid, dan vervalt die „aoristus", dan is er geen oogenblik meer der verbondsoprichting.

Als men de liwestie tot den bodem herleidt, dan loopt het verschil over de verbondssluiting (in den tijd dan wel in de eeuwigheid). Alsmede over de kwestie, niet of het gesloten of opgericht is IN Christus, doch of dat geschied is MET Christus. De voorzetsels „in" en „met" zijn naast elkaar geplaatst door prof. Aalders, als hij zegt; HET (de cursiveering is van den schrijver zelf) genadeverbond is opgericht MET Christus en IN Hem MET al degenen, die in Hem begrepen zijn. Deze formuleering komt herhaaldelijk terug in het boek; ik noteer even inderhaast bl. 176 bovenaan, 185, 193. En op bl. 175 wordt beweerd, dat het oude strijdpunt aldus dient te worden beslist.

Hier had ik bezwaar tegen in '27, '28, en ook in '29. En nog in '39. In dat bezwaar ben ik voor wat het begrip HOOFD betreft, sinds versterkt, met name toen prof. Greijdanus' betoog over den toerekeningsgrond mij over Rom. 5 anders deed denken dan tot vóórdien. Maar het gaat niet aan, de verschillen, die ik tegen Jongeleen e.a. had, en nog in '39 duidelijk handhaafde, te negeeren, en de voorstelling te wekken, als ware de afwijzing van een passage uit „De Wekker" van 12 Juli 1929 identiel-. met aanvaarding van Aalders' standpunt, gelijk ver dedigd in 1939. Prof. Aalders loopt over de kwestie der voorzetsels („met" of „in") heen. En feitelijk liep hetgeen ik uit „De Wekker" naar voren bracht, daar óók over heen. De door mij genoemde groep van ouderen daarentegen kende penvoerders met scherper onder'scheiding.

Hoe men hier nu verder concludeeren wil, zij overgelaten aan elks consciëntie. Men kan gemakkelijker problemen vertroebelen, dan laten staan in hun scherpte

Zooeven liet ik uitkomen, dat ik voor wat het HOOFDschap van Christus betreft, door prof. Greijdanus' brochure scherper ben gaan zien. Maar dat was geen reden, noch voor hem, noch voor mij, om het Hoofd-zijn van Christus binnen het (eenmaal bestaande) verbond en over de konkrete verbondsgetrouwen te loochenen. We houden alleen maar den weg vrij voor het verschil tusschen eeuwigheid en tijd.

En dan is er nog het andere begrip van „Middelaar". Ik zou er bezwaar tegen hebben, te leeren, dat het genadeverbond is opgericlat MET den Middelaar, of dat ' in de verbondssluiting de Middelaar optrad als één voor allen. •

Dat is de ééne kant.

De andere is deze; indien iemand vandaag zou opmerken: het verbond „heeft" geen Middelaar, en „in" dat verbond handelt niet één voor allen, dan zou ik nèg zeggen: dat gaat niet goed.

En als het „Calv. Weekblad" dan weer zou zeggen: dat klopt niet, dan zou ik antwoorden; het klopt wèl; probeer gij eerst beter te onderscheiden en laten we dan nog eens nader overwegen,

K. S.

Indrukken van de Generale Synode. (III.)

Elders kerken.

Elders kerken!

„Elders", dezen keer niet in een ander kerkinstituut, doch in • een andere gereformeerde kerli dan waarvan men zelf lid is.

Naar aanleiding van een vraag uit een der kerken (den naam laat ik weg, al vrees ik, dat de pers hem wel wereldkundig zal maken) stelde één van de synodale commissies voor het volgende te besluiten:

De Generale Synode,

kennis genomen hebbende van de vraag van den kerkeraad der Gereformeerde Kerk van inzake toepassing der kerkelijke censuur op gemeenteleden, die ondanks alle vermaning zich nagenoeg aan alle samenkomsten der Gemeente onttrekken en regelmatig in de Gereformeerde Kerk te gaan kerken, bewerende daar meer zegen onder de prediking te genieten,

is van oordeel, dat het hier geldt een zonde van eigenwilligen godsdienst van op den duur ernstigen aard,

keurt goed het Advies van de Particuliere Synode van om na lankmoedig en veelvuldig vermaan tenslotte bij hardnekkige weigei'ing de censuur toe te passen zonder evenwel tot de uiterste remedie over te gaan,

en besluit van deze uitspraak mededeeling te doen aan den kerkeraad van

Begrijpelijkerwijze kwam er een uitvoerige discussie. Er was reeds in de commissie zelf een minderheid, die anders concludeerde. Haar meening vond ook in de vergadering zelf verdedigers, evenals de meerderheid. Allerlei vragen trouwens rijzen hier. Is men censurabel, als men vlak over de grens van eigen woonplaats (of burgerlijke wijk) kerkt, maar niet, als men binnen de wijkgrenzen van eigen woonplaats onderscheiden predikanten passeert? Is hier een algemeene regel te stellen, of moet ook hier worden vastgehouden aan het beginsel van gereformeerde zielszorg en tucht, dat „elk geval speciaal te bezien is"?

Het debat was zóó uitvoei'ig, dat het, hoe interessant ook, hier niet in den breede kan worden vermeld. Wat mijn eigen meening betreft, diene het volgende.

Voorop plaats ik — en onze lezers van oudsher kunnen dat weten — dat het hier gaat over een kwaad. 0e orde van elke gemeenschap, en niet in het minst die van de kerkelijke, brengt mee, dat men kerkt daar waar zijn eigen kerkeraad samenroept (nader gezegd: in zijn wijk-kerk). Het „loopen", in het algemeen genomen, lijkt me nog steeds ongeoorloofd. Hoeveel ook daarin verklaarbaar is, men vergeet maar al te vaak, dat de dienst des Woords niet een particuliere aangelegenheid van den dominee (als „spreker") is, doch dat hij alle leden der kerk aangaat en aller medewerking eischt. Het ambt der geloovigen heeft hier evenzeer op te treden als het bizondere ambt van den dienaar des Woords. Wie zal zeggen, hoeveel moeilijkheden èn bij den prediker èn bij de wel aanwezige hoorders rijzen, als er in het kerkgebouw leege plaatsen zijn. De prediker zal heel wat moeten „wegslikken", om op gang te komen. En de hoorders moeten eveneens door heel wat sombere gedachten zich heenwerken, zullen ze met blijdschap bidden en zingen; de weg van den H. Geest tot het hart dergenen, die aanwezig zijn, wordt vrijwel „geblokkeerd", voorzoover dat van menschelijke zijde mogelijk is (men zal me hier wel niet misverstaan).

Daarmee hangt een tweede overweging samen. Het gaan kerken bij een ander predikant, met opzettelijken en langdurigen voorbijgang van den eigen dienaar des Woords, is in den regel althans óók een zonde van nalatigheid. Is er de voorliefde voor een mooie stem, een redenaars„talent", dogmatische praeciseering en uitbeelding, gemoedelijke „ligging" in het spel, dan zijn èf de bezwaren tegen den eigen predikant lichtvaardig (hoe moet het met gemeenten, die in wijden omtrek geen man naar den smaak van malcontente hoorders kunnen bereiken? ) óf ze zijn ernstig van aard. Reeds in dat laatste geval kan men aan de wegloopers verwijten, dat ze hun bezwaren niet langs kerkelijken weg in behandeling geven. Hetzelfde geldt in nog sterkere mate, indien tegen een bepaald predikant serieuze bezwaren bestaan voor wat zijn preekmetKode betreft. Indien deze methode niet deugt, moet men niet zijn recht tot critiek .en tot reformatie prijsgeven voor zijn gemak of ten gerieve van een dominee, dien men „als persoon wel lijden mag", doch dan dient de bezwaarde zoo lang mogelijk te trachten, verbetering te krijgen. Wat voor hem niet deugt, dat is voor de gemeente in haar geheel niet goed.

Een kerkeraad dus, tegen wiens predikant dergelijke bezwaren worden ingebracht, dient met beide factoren te rekenen. Hij moet eenerzij ds de zonde van nalatigheid en bedrijf als zonde behandelen en beginnen bij het begin (d.w.z. niet het elders kerken, maar het niet bedienen van het ambt aller geloovigen in eigen kerk als kernkwestie behandelen), en mag daarin niet toegeven, evenmin als dat hij den indruk zou mogen wekken, dat we hier voor een soort van lichtere zonden staan, die men wel wil bestraffen met afhouding van het Avondmaal, doch die in geen geval tot „erger" maatregelen zullen nopen. Aan den anderen kant zal de kerkeraad zoo voorzichtig mogelijk moeten zijn. Het gaat immers ten deele ook om zijn eigen werk. Men heeft bezwaar tegen de prediking, die niet buiten de bemoeiingen van den kerkeraad staat. Wie de sleutelmacht ontvangen heeft, zal, als de oefening dier macht in geding gebracht is, des te meer voorzichtig zijn.

Nog steeds ben ik van meening, dat de oude regel „elk geval op zichzelf bezien" hier het abc der wijsheid moet blijven. Willekeur wordt daardoor aan beide zijden bemoeilijkt. De „looper" zal met argumenten moeten komen, en ze indienen waar het behoort, en de kerkeraad zal geen gemakkelijk wapen in handen krijgen om „lastige" stemmen tot zwijgen te brengen. Juist omgekeerd: de nalatigheidszonde (alleen maar wegloopen, maar verder zwijgen) wordt dan juist bestraft. Eenerzij ds worde gewaakt tegen alle tuchtoefening, die niet ten volle recht doet aan werkelijke bezwaren, anderzijds blijve niemand staan bij een tuchtmaatregel, waarvan in elk geval van te voren vaststaat, dat zij niet tot het eindpunt verkiest te komen.

Het komt niet maar op de uiterlijke daad, doch allereerst op motief en drijfveer aan en op de wijze, waarop gereageerd wordt op kerkelijk vermaan.

In dezen geest is gelukkig ook tenslotte besloten; daarvoor zij verwezen naar het verslag.

Kerken en synode.

Van meer dan één kant is de synode gevraagd, op een of andere wijze in betrekking tot aangelegenheden van gewicht meerder meeleven van de kerken mogelijk te maken, hetzij door het vergaderen in comité tot het uiterste te beperken, hetzij door van het in comité beslotene aan de kerken zooveel mogelijk mededeeling: te doen, hetzij door rapporten over principiëele aangelegenheden tijdig aan de kerken te doen toezenden. De tongen kwamen spoedig los. Eenerzij ds werd opgemerkt, dat de synode een vergadering van kerken door afgevaardigden is en dat het daarom niet aangaat een tegenstelling te maken tusschen de kerken en haar synode. Anderzijds werd opgemerkt, dat tusschen synode en kerken wel geen tegenstelling, doch; wel degelijk een onderscheiding bestaat. De kerken toch moeten deputeeren; zij moeten kunnen mee^ leven en meebidden; de zaken zijn door haar zelf op het agendum geplaatst, en zooveel mogelijk moeten de beslissingen in de kerken zelf weerklank vinden.

De groote kunst is nu, zóó te sturen, dat naar beide kanten wordt recht gedaan, en dat met beide elementen wordt gerekend.

Een tikje puntiger nog werd door onderscheiden sprekers de kwestie gesteld, toen het puntje van het in comité vergaderen werd onder de oogen gezien. Ook hierbij werden in de redeneeringen twee lijnen naar voren gebracht. De ééne lijn werd door hen gevolgd, ) die hier vertrouwen in de synode vroegen. Ze wezen' er op, dat publicatie vaak onmogelijk is, en ongewenscht; ze zou in veel gevallen meer schade doen dan nut. Hetgeen wel ieder zal toegeven. De andere lijn daarentegen werd aangewezen door hen, die op^ merkten, dat het op goede wijze in comité vergaderen een gi'oote kunst is en dat men nog geen recht heeft, alle daartegen ingebrachte bezwaren toe te schrijven aan wantrouwen of te qualificeeren als verdachtmaking.

Ik geloof, dat met beide lijnen dient gerekend te worden. En dat men onderscheiden moet tusschen de bedoelingen, waarmede het moderamen eener vergadering kan besluiten, een zaak in comité te houden, en de gevolgen, die zoodanig besluit in de kerken hebben kan. Een praeses heeft de sprekers niet in zijn hand. Er kunnen sprekers zijn, die in een comité-vergadering vergeten, althans schijnen te vergeten, dat ze in comité zijn. Zij brengen dan bepaalde punten naar voren, die beter publiek konden besproken worden. En indien zulke punten van het gesprek dan personen, in of buiten de vergadering, betreffen, die gaarne in het openbaar bescheid zouden willen geven op gemaakte opmerkingen, dan staan zij machteloos. Indien de leden der besloten vergadering de besprekingen geheim hielden, zouden — afgedacht van de vraag, of het geheim noodig was geweest — de gevolgen vaak niet zoo ernstig zijn. Maar de ervaring bewijst, dat de leden eener vergadering niet allen zwijgen, óók niet over wat in comité werd afgehandeld. Allerlei geruchten vormen zich dan, de één kleurt zijn mededeelingen zóó, de ander aldus, en degenen, die het aangaat, kunnen er niets tegen doen. Want zij zien in veel gevallen geen kans, op bepaalde beweringen in 't openbaar te antwoorden, zonder meteen publiek te maken wat de ander hem niet toestond publiek te maken. Dat is de groote zwarigheid; en ik weet, dat dergelijke gevallen zich hebben voorgedaan.

Het is een kunst, te spreken in comité-vergaderingen.

Gelijk het ook een kunst is, te schrijven onder pseudoniem of zonder onderteekening. Wie zich daaraan waagt, mag wel bizonder waken tegen het gevaar, dat hij iets meer zou schrijven, dan hij met zijn naam zou durven dekken.

Indien met beide lijnen gerekend wordt in de toekomst, zal de vraag van al of niet elkaar vertrouwen geven, haar actualiteit grootendeels verliezen.

Met 36 tegen 15 stemmen besloot de synode op nog nader te bepalen wijze een onderrichtend woord tot de kerken te doen uitgaan, waarin op- enkele vragen, met een en ander samenhangende, wordt ingegaan, opdat geen wantrouwen ontsta of bestaand wantrouwen worde tegengegaan.

„Inheemsche" kerken.

Breede aandacht had de kwestie der „zendingsordening". Deze werd aan een herziening onderworpen, en daarbij kwam naar voren een verschil van inzicht betreffende de wijze, waarop de vrijheid der inheemsche kerken ter eener, en die der nederlandsche kerken ter anderer zijde zich tot elkander zouden verhouden. Zoodra het zendingswerk zoodanige afgebeden vrucht heeft afgeworpen, dat er een kerk van inlanders kan worden geïnstitueerd, treedt voor de zendingsdienaren in dit opzicht een nieuw stadium in. Vóórdien waren de geloovigen nog niet mondig, thans zijn ze het wel. En het beginsel der vrijheid van de plaatselijke kerken heeft natuurlijk aanstonds ook voor deze kerken leiding te geven.

Aan den anderen kant evenwel kunnen deze kerken het nog niet stellen zonder de hulp van de dienaren des Woords, afgezonden door de nederlandsche kerken. Niet alleen, dat zij dit niet kunnen, ze zullen het ook niet willen. Ze zullen aansluiting willen zoeken aan de kerken, die het Evangelie haar hebben gebracht.

Zoo komt dus vanzelf de vraag op, hoe men te denken heeft over de onderlinge verhouding der vrijheid ter eener en die ter anderer zijde. Met name op één punt kan dit vraagpunt tot bepaalde moeilijkheden aanleiding worden: de kwestie van de officiëele formulieren etc. Krachtens de verschillen in aard, karakter, cultuur, voorstellings- en denkwijze, taal en historie kunnen onze nederlandsche formulieren niet zoo maar worden overgeplant naar de inheemsche kerken. Ze moeten zelf zich uiten; wie haar van boven af iets zou willen opleggen, zou het vrij opkomende leven der' kerken beknotten en onderdrukken.

Dit ter eener zijde.

Aan den anderen kant zouden natuurlijk de vertegenwoordigers van onze eigen kerken in moeilijkheden kunnen komen, bijaldien de inheemsche kerken in' haar officiëele stukken, liederen, etc. ongewenschte of zelfs bedenkelijke elementen zouden opnemen.

Zoo werd een voorstel ingediend, dat aldus luidt:

"^aar de inheemsche kerken tot samenleving in een volledig synodaal verband zijn gekomen, gebruiken de missionaire predikanten en hun helpers in taaiverwante kerkelijke samenkomsten, die door hen. geleid worden, de Bijbelvertalingen, belijdenisschriften, leerboeken voor catechetisch onderwijs, zangboeken en liturgische formulieren, welke door de inheemsche kerken gebruikt worden, tenzij die kerken Bijbelvertalingen, belijdenisschriften, leerboeken, ' zangboeken of formulieren invoeren, tegen wier inhoud

de Bizondere Vergadering van missionaire predikanten bezwaar lieeft, waarvan zij dan kennis geeft aan de generale synode, terwijl in dat geval voorloopig gebruikt wordt, wat daarvoor door de Bizondere Vergadering geschikt zal worden geacht, totdat de genei-ale synode te dezer zake zal hebben beslist.

Waar de inheemsche kerken nog niet gekomen zijn tot samenleving in volledig kerkverband, wordt in alle kerkelijke samenkomsten één en ander gebruikt zooals dit vooraf door de Bizondere Vergadering der missionaire predikanten van het betreffende zendingsterrein, na, voor zooveel dit mogelijk is, de inheemsche kerken te hebben gehoord, zal zijn beoordeeld en aan de goedkeuring der generale synode zal zijn onderworpen.

Tegen dit voorstel rezen bezwaren, vooral van de zijde van prof. Greijdanus. Zijn bedenkingen kwamen hierop neer, dat de synode, indien zij dit voorstel ongewijzigd aannam, feitelijk de uiterst belangrijke zaak van leerboeken, liederenboeken, formulieren van liturgie of belijdenis uit eigen handen zou geven. En dat mocht z.i. tot geen prijs geschieden. Ook volgens den gedachtengang van het voorstel zelf immers hadden onze kerken wel degelijk een bepaalde roeping ten aanzien van de formulieren etc, bij de inheemsche kerken in gebruik. Welnu, indien eenmaal vaststaat, dat de nedei'landsche kerken zich niet buiten een en ander kunnen of mogen houden, dan moet de synode zelf de zaak in handen houden. Niemand, zoo zei prof. Greijdanus, niemand zou er aan denken, dergelijke belangrijke zaken over te laten aan de Theologische Faculteit der Vrije Universiteit, of aan het college van Hoogleeraren der Theol. Hoogeschool, of aan een of andere classis. Welnu, volgens den gedachtengang van wat aanvankelijk werd voorgesteld, zou feitelijk de beslissing berusten bij de „Bizondere Vergadering", een wel respectabel lichaam, maar dat toch geenszins als kerkelijke vergadering kan gelden. Volgens dezen gedachtengang zou het van déze vergadering afhangen, óf. de generale synode in deze zoo belangrijke aangelegenheid worde gemengd ja dan neen.

En waar gesproken werd van practische bezwaren (men denke aan de afstanden van plaats en tijd), daar wilde prof. Greijdanus aan deze practische bezwaren wel zooveel mogelijk tegemoet komen, doch de principiëele beslissing vooraf in veilige haven zien gesteld. Aan deze bezwaren is — men kan het aan de definitieve beslissing bemerken — tegemoet gekomen. Verschillende opgeworpen gedachten aangaande de beste wijze van tegemoetkoming^.aan het bezwaar, vonden tenslotte belichaming in een gemeenschappelijk voorstel, dat tenslotte werd aangenomen. Dat iedere bedenking geheel en al is weggenomen, is niet gebleken. Maar een eindweegs is men elkander wel tegemoet gekomen.

- . N.S.B, en C.D.U

In 1936 nam de synode van Amsterdam een belang rijke beslissing inzake de behandeling van leden, die bij N.S.B, en C.D.U. waren aangesloten.

Het was te begrijpen, dat daartegen in '39 bezwaren komen zouden. Het verwondert me zelfs, dat er niet meer ingediend zijn. Gelijkluidende bezwaarschriften zijn ingediend.

Wat den inhoud der bezwaren betreft, ze hadden betrekking o.m. op het bindend karakter van kerkelijke uitspraken in dezen. Volgens bezwaarden werden de gewetons er door geknecht. Tegen de tuchtmaatregelen, die genomen werden, hadden ze ook hun bedenkingen; er waren toch leden, die van harte begeerden naai Gods Woord te leven, en zou men die kunnen weren van het Avondmaal? Men moest liever eigen zekerheid laten varen, en heil zoeken in „heilzame onzekerheid"! De Barthiaansche aap kwam hier even uit de mouw. Do besluiten van '36 moesten worden herzien, liefst teruggenomen, — aldus bezwaarden.

De rapporteerende commissie meende op de bezwaren breed te moeten antwoorden. De kerken zijn wel niet geroepen over alle vraagstukken van maatschappelijli of staatkundig leven zich rechtstreeks uit te spreken, maar ze kunnen of mogen zich niet steeds er buiten houden. Want er zijn vaak beginselen mee gemoeid, waaraan Christus Zijn kerk bindt. Zoo heeft art. 36 der belijdenis een uitspraak over de verdeeling van goederen. De eenheid der kerk wordt juist gevonden in de zuivere leer der waarheid; wie daarvoor staat, maakt zich niet aan kerkscheuring of sectevorming schuldig, doch gaat daar juist tegen in, bewarende de eenheid der kerk. Het zijn vaak geen „afgeleide beginselen", die in geding zijn, doch beginselen van den eersten rang, waarover Schrift en belijdenis zich terdege uitspreken.

En zulke beginselen zijn ook hier in geding. Trouwens, de bezwaarden behooren tot organisaties, die zelve in haar beginselverklaring zich refereeren aan beginselen van uiterste importantie, b.v. als zij zelf de eerste tafel der wet in geding brengen. Maar dan staat daartegenover de vaste overtuiging der kerk, als zij zich houdt aan de beginselen van Gods Woord.

Wie den oorlog in elk geval tót zonde maakt, veroordeelt de Schrift, die duidelijk toont, vele oorlogen geoorloofd, en geboden te achten. Eveneens spreekt de Schrift zich onbewimpeld uit over de verhouding tusschen overheid en onderdaan. En zoo voort.

Een beroep op de goede bedoelingen der personen in kwestie is niet ter zake. Wanneer men de besluiten van Amsterdam '36 zorgvuldig naleest, zal men zien, dat elk geval op zich zelf dient te worden bezien. Er is geen sprake van, dat een kerkelijke behandeling, die werkelijk trouw zou blijven aan de besluiten van '36, automatisch een domme tuchtmachine in beweging zou zetten, zonder op de conscientie van ieder persoon­ lijk te letten. Tusschen haakjes zij hier opgemerkt, dat hiertegen niet bepaald gunstig afsteekt de houding van hen, die met gemeenschappelijke bezwaarschriften zich wenden tot de synode.

De rapporteerende commissie stelde voor:

De Synode, kennis genomen hebbende van de bezwaarschriften van enkele leden der „Gereformeerde Vereeniging voor Daadwerkelijke Vredesactie" inhoudende:

1. bezwaren tegen de conclusies door de synode van Amsterdam 1936 aangenomen inzake N.S.B, en C.D.U. en „verdere niet genoemde organisaties, die den oorlog in eiken vorm anti-militaix'istisch verwerpen";

2. een verzoek om deze conclusies met aanbevolen rapport terug te nemen; constateerende, dat door hen niet eenig bezwaar is ingebracht, dat op Schrift en belijdenis gegrond is; besluit:

a. het verzoek tot intrekking der conclusies (art. 272 synode van Amsterdam) als niet gemotiveerd af te wijzen en deze conclusies onverzwakt te handhaven;

b. de bezwaarde broeders ernstig te vermanen zich te onderwerpen aan de kerkelijke vermaning en tucht en te leven naar de besluiten, die de synode lieeft genomen ten aanzien van de organisaties, die op het standpunt staan van anti-militairistische verwerping van den oorlog in eiken vorm;

c. als antwoord op hun bezwaarschriften ieder hunner toe te zenden het tweede gedeelte van het rapport, dat door de commissie van de Synode van Sneek is opgesteld.

Met welwillendheid werden rapport en conclusies ontvangen; om het gewicht der zaak werd besloten het tweede gedeelte van het rapport vooraf nog even te vermenigvuldigen, wat wenschelijk was, indien men het wilde gebruiken ter beantwoording van bezwaarden. Daarom is de zaak nog even aangehouden.

In verband met 't bovenstaande werd nog naar aanleiding van een konkrete vraag uit een der kerken volgend voorstel ingediend:

De synode spreekt viit:

1. dat voor de kerkelijke vermaning en tucht, bedoeld in het besluit der synode van Amsterdam • 1936 (art. 272) niet alleen zij in aanmerking komen, die lid zijn van de C.D.U, maar ook zij, die buiten het lidmaatschap dezer organisatie om, er blijk van geven de beginselen van de C.D.U. te zijn toegedaan;

2. dat het karakter van deze tuchtoefening zal afhangen van den ernst der dwaling, die in elk bepaald geval ter beoordeeling van den kerkeraad staat;

3. dat de afhouding van het Heilig Avondmaal niet in alle gevallen moet leiden tot excommunicatie;

4. dat de synode het niet noodzakelijk acht bij het rapport van de commissie ad hoc (bijlage LXIV Acta 1936) nog een nadrukkelijk getuigenis van harentwege te laten uitgaan tegen hen, die de beginselen van de C.D.U. voorstaan.

De behandeling kon vóór het verzenden van deze copie niet worden afgewerkt.

K. S.

Rectificatie.

Ds J. Douma (Britsum) schreef in „Friesch Kerkblad", gelijk we reeds meldden, dat door ondergeteekende het verband tusschen verbond en verkiezing zou worden losgelaten (preciese formuleering weet ik op 'toogenblik niet meer, maar 't kwam daarop neer). Hij „grondde" daarop allerlei conclusies, tot zelfs over mijn dogmatisch onderwijs te Kampen toe. „De Wachter" heeft in een artikel van ds Rietberg daarover breed en zeer juist geschreven, waarvoor ik het blad dankbaar ben. Merkwaardig was, dat ds Douma zijn grootmoeder er bij in het geding bracht, maar ds Kreulen, wiens boekje kerkelijk goedgekeurd was, als autoriteit zoo ongeveer van niet zoo groote waarde voorstelde. Intusschen heeft ds Douma verleden week inzake de bovengemelde bewering een rectificatie gegeven, en, als ik me wel herinner, ook zijn conclusies daarmee teruggenomen. Daar ben ik blij mee. Spoedige terugneming van wat onjuist gebleken is, ligt in de lijn van wat ons blad meer dan eens inzake de polemiek heeft

verdedigd, en komt den vrede ten goede.

K. S.

Verbetering.

Kerkelijk leven op blz. 395, Ie kolom, regel 47 van boven, leze men inplaats van „zuchten": dachten.

De Kleine Catechismus van Zacharias Ursinus. (XVI.)

78. Welke zijn de vruchten der bekeering?

De goede werken.

79. Wat gijn de goede werken?

Die God ons in de tien geboden bevolen heeft.

80. Welke zijn de tien geboden?

Het eerste gebod. Hoor Israël: Ik ben de Heere Uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb. Gij zult geen vreemde goden voor Mijn aangezicht hebben. Enz.

81. Hoe wordt de Wet des Heeren verdeeld?

In twee tafelen; van welke de eerste met vier geboden de plichten der godzaligheid jegens God bevat; de tweede met zes geboden omvat, wat •wij onzen naaste schuldig zijn.

82. Wat eischt het eerste gebod?

Dat wij alle afgoderij met ons gansche hart verfoeien en met de grootste inspanning vlieden. • ••-.-rj-ï'ijj; -

G. B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 september 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJKLEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 september 1939

De Reformatie | 8 Pagina's