Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

9 minuten leestijd

Waarom „Inschakeling" zoo moeilijk is.

In een vorige serie artikelen over de mechanisatie, is een enkele maal betoogd, dat de techniek in haar tegenwoordige phase uiterst gevoelig geworden is, en dat daardoor groote gevaren het oeconomische leven bedreigen. Alle beschouwingen over de (inderdaad bestaande) zegenrijke werking der techniek kunnen de kwalen, waaraan het bedrijfsleven mede door haar invloed, tegenwoordig lijdt, niet wegnemen.

Merkwaardig is het, dat hier en daar in het bedrijfsleven stemmen gehoord worden, die idle nadeelen der rationalisatie en mechanisatie met groote scherpte tot uitdrukking brengen. Zoo. onlangs in de kringen der Nederl. blikindustrie (Avondblad N.R.Crt. 13 Sept.). Een gedeelte der uitgesproken oordeelen is zeker waard overgenomen te worden. Het is de bekentenis, dat de kleinere, minder „goed" geoutilleerde bedrijven met sommige artikelen veel beter kunnen concurreeren dan de groote met hun perfecte installaties.

„Wat nu de onderlinge concurrentie betreft", zoo luidt het, „ondervinden de groote fabrieken thans vooral de mededinging van tal van kleine blikbedrjjven, welke blijkbaar als paddenstoelen uit den grond verrijzen. Er zouden thans reeds 42 van deze kleine bedrijven werkzaam zijn en nu is het wel merkwaardig, hoe deze bedrijven er in slagen, de gi'ooten telkens te onderbieden. Dat geldt niet zoozeer voor conservenbussen en andere groote massa-producten, welke slechts in modern geoutilleerde fabrieken goed en goedkoop kunnen worden gemaakt, als wel voor het ordinaire goed, als verfbussen en dergelijke, waarbij de kwaliteitseischen een minder groote rol spelen. Met halfautomatische machines weet de kleine ondernemer zich al heel gauw te redden en hij heeft dan onmiskenbaar' een voorsprong op de groote bedrijven, welke voortdurend rekening moeten houden met den factor der algemeene kosten, sociale regelingen, niet te vergeten-ook groote kapitaallasten — h o oge afschrijvingen op dure machines — en tenslotte met een zekere verstarring van het loonpeil. De kleine ondernemer is niet aan bepaalde eischen van vakvereenigingen gebonden. Hij werkt zelf mede, dikwijls met de hulp van eigen familie of met jeugdige arbeidskrachten, die met hun loonen versbeneden het gangbare peil blijven.

Zoo ziet, alles bijeengenomen, de toekomst van de blikindustrie er weinig rooskleurig uit en men mag wel zeggen, dat de gang van zaken bij deze industrie een nauwkeurige afspiegeling vormt van den toestand in de Nederlandsche industrie in het algemeen."

Enkele zinnen vallen bijzonder op. In de eerste plaats de gespatiëerde. Want daaruit blijkt, hoe groot de last is, waarmede de z.g. arbeidsbesparende machines op het bedrijfsleven drukken. Soms merkt men die bezwaren nog niet bij de investatie zelf, ook niet in de eerste maanden waarin de nieuwe installaties werken. De volle zwaarte wordt gevoeld wanneer uit de bedrijfsinkomsten het bedrag der afschrijvingen, aflossingen en rentes betaald moet worden. Vooral wanneer blijkt dat de afzet beneden de „minimumwaarde" van de productie-capaciteit der machines daalt, en wanneer het oeconomisch slijtage-proces sneller verloopt dan, verwacht werd. Dan wordt vaak de prijs sterk verlaagd om toch maar de markt te kunnen behouden en de productie aanzienlijk te kunnen uitbreiden. Met al de kwade gevolgen van dien. Dan zucht het bedrijf inderdaad onder de zware sociale lasten en de hooge loonen. Ook de klacht daaromtrent is belangwekkend. Dikwijls hooren we, dat het gemechaniseerde bedrijf met zijn naar verhouding geringe iaantal arbeiders, gemakkelijker hooge loonen kan betalen dan de „arbeidsintensieve" industrieën, en ook beter de sociale kosten kan dragen. Behalve de opmerking, dat in verschillende dier industrieën (niet alleen de textielindustrie) de loonen nog vrij laag zijn, mag toch ook de tegenwerping gemaakt worden, dat (men zie het citaat) de ho'Oge loonen soms niet dan met zeer veel moeite opgebracht kunnen worden. En wel omdat de vaste lasten zulke groote sommen verslinden.

De moeilijkheden, waarvan de weergegeven stemmen getuigen, verhinderen ook de tewerkstelling der (tengevolge van de rationaUsatie) uitgestooten arbeiders.

We erkennen, dat de eisch tot rationalisatie in tijden van laag-conjunctuur dikwijls gesteld moet worden. Maar waarvan getuigt die eisch? Van het feit, dat de afzet der goederen groote bezwaren ondervindt! En verder zegt zij ons dat een belangrijke hoeveelheid kapitaal noodig is om den kostprijs zoodanig te verlagen, dat- zij weer ooncurreerend geleverd kunnen worden.

Nu is het zonder meer duidelijk, dat dat kapitaal liever den weg naar bestaande industrieën van goede reputatie zoekt, dan zijn leven waagt bij het ondernemen van experimenten op het gebied der voortbrenging. Maar... een belangrijk gedeelte der „uitgestooten" arbeiders zal alleen dan weer werk kunnen vinden, wanneer nieuwe industrieën in ons land gevestigd kunnen worden, dlw.z. industrieën, die zich met het maken van nieuwe of van tot dusver geïmporteerde artikelen bezig houden. En nu zijn bijna alle industrieën, die daarvoor in aanmerking komen (vooral die van nieuwe artikelen) kapitaalintensief, d.w.z. er is veel kapitaal noodig om de fabrieken met hun 'installaties te bouwen. Bovendien is juist dat kapitaal in hooge mate aan oeconomische slijtage onderhevig, d.w.z. de machines verouderen (door nieuwe vindingen) snel. Bovendien is het eigenlijke fabricageproces vaak duur. (Dergelijke industrieën hebben (zooals alle, die kapitaalintensief zijn) ook een relatief geringe arbeidersbezetting; het aantal werknemers, dat daar arbeid kan vinden is dus naar verhouding gering).

Nu zien wij in tijden van laagconjunctuur, vooral ook in deze tijden, dat het kapitaal reeds aarzelU den weg naar gevestigde industrieën in te slaan. Hoeveel te meer zal het zich bezinnen, voordat het zich in nieuwe ondernemingen waagt. De eisch tot rationalisatie moge gelden, de kans op werkelijke compensatie is echter gering. Daar komt nog het een en ander bij-

In de eerste plaats is in gemechaniseerde bedrijven de verhouding tusschen .den eigenUjken kostprijs en den verkoopsprijs soms ongunstig.

Deze laatste zou eigenlijk hooger moeten zijn; hij zou volkomen den last der vaste kosten moeten dtagen. Dat gebeurt niet altijd; het effect der rationalisatie is dikwerf geringer dan de verkoopsprijs aangeeft. Ook is het percentage der werkelijke kostprijsverlaging niet evenredig met de hoeveelheid nieuw geïnvesteerd kapitaal. Voor een eerste verlaging, zeg met dertig procent, is dikwijls minder noodig, dan voor een volgende met tien. Er zal op den duur (althans tijdelijk) een soort evenwichtstoestand intreden: verdere mechanisatie geeft geen belangrijke besparingen meer. Zou toch prijsverlaging plaats vinden (om de markt te behouden of te veroveren) dan beteekent dit kapitaalintering.

Die minder gunstige verhouding nu tusscheai kostprijs en verkoopsprijs is helaas dikwijls het lot van nieuwe industrieën. Hun artikelen moeten zeker de markt veroveren. De prijs moet dus zoo laag mogelijk zijn. Maar een kostbare reclamecampagne vermeerdert (vooral in het begin) de productiekosten aanzienlijk. De kans is dus riiet gering, dat voorloopig met verlies gewerkt wordt. Men mag aannemen, dat de nieuwe fabrieken op die meest rationeele wijze produceeren, zoodat verdere verlaging der kosten voorloopig niet mogelijk is. (Zij „verkeeren" in den bovenbedoelden evenwichtstoestand). Al deze factoren maken het kapitaal des te meer huiverig.

Bedenken we verder, dat voor loonende productie ruime afzet voorwaarde is. De binnenlandsche markt heeft echter vrij geringen omvang; ons land is nu eenmaal klein. Het zou dus zeker gewenscht zijn, dat voor de nieuwe artikelen export plaats kon vinden. Maar de kans daarop is vrij gering. Verschillende landen (o.a. Duitschland, en de Vereenigde Staten niet te vergeten) hebben bij den afzet der in aanmerking komende artikelen een groolen voorsprong.

Wij willen allerminst betoogen, dat op het gebied der industrialisatie in ons land niet veel te doen is. De vroegere minister Prof. Gelissen heeft indertijd een indrukwekkende reeks van stoffen genoemd, die eventueel in ons land zouden gemaakt kunnen worden. De gfoote moeilijkheid is echter hoe aan kapitaal te komen, gezien de gevaren, waaraan het zich blootstelt.

Vandaar den roep om hulp der Overheid.

Wellie ook de oorzaken mogen zijn, die de tewerkstelling der uitgeschakelde arbeiders belemmeren, het feit der uitstooting zelf kan niet ontkend worden. Het aantal dergenen, die gelooven, dat de rationalisatie vanzelf de voorwaarden in het leven zal roepen om die mehschelijke krachten weer in te schakelen, neemt af; de meening van ben dat alleen het „krachtig ingrijpen" der overheid redding lean brengen, groeit met den dag.

Van een belangrijk deel der laatsten, maakt zich in een artikel van het Katholieke maandblad „Economie" — een zeer lezenswaardig tijdschrift — Drs Ch. L. H. Truyen tolk. (Aug.nummer.)

Dat artikel is zeer leerzaam.

De schrijver meent, dat het duurzaam kaï-akter der rationalisatie-werkloosheid zijn oorzaak vindt in het „onvermogen der maatschappij om het evenwicht tusschen den technischen en den oeoonomischen vooruitgang blijvend te handhaven". De productie, zegt hij. Is te groot geworden voor de 'koopkrachtige vraag en de rationalisatie-werkloosheid heerscht daarom allerwegen. „Indien", luidt zijn conclusie, „de blijvende verstoring van het evenwicht tusschen productie en afzet in hoofdzaak is te wijten aan het verschil in tempo! van den technischen en den oecono'mischen vooruitgang, dan zal opheffing van deze divergentia in tempo derhalve beteekenen een definitieve bestrijding van de rationalisatie-werkloosheid. Het vraagstuk van het voorkomen der rationalisatie-werkloosheid is daarmede geworden een kwestie van lemporègeling van het economisch leven".

De eisch tot ingrijpen door de redering woirdt hier dus duidelijk gesteld. Het oeoonomisch leven mag niet aan zichzelf worden overgelaten; zijn ontwikkeling moet geleid, zijn structuur veranderd worden.

Ook deze schrijver wijst erop, dat de voorwaarde voor de ontwiklieling van het oeoonomisch leven in den tegenwoordigen tijd geheel verschillen van die in het verleden. „De afzetmogelijkheden waren schier onbegrensd door een sterk groeiende bevolking, en steeds nieuw te ontsluiten gebieden. Er bestond een stabiele toestand van automatisch evenwicht... daarin is geleidelijk verandering gekomen... Het oeconomisch leven is door de overheersching van het vast kapitaal weinig beweeglijk èn de oeoonomische en maatschappelijke verhoudingen zijn zeer ingewikkeld geworden. Het ondememersinitiatief is daardoor belemmerd. De monopolistische prijsvorming, en de stroeve loonpolitiek werken anti-prijsverlagend.

Industrialiseering van Overzeesche gebieden en reagrariseering van sommige Europeesche landen hebben de afzetverhondingen totaal gewijzigd. De veralgemeening der techniek heeft de voordeelen van gunstige ligging doen verloren gaan... Automatische aanpassing van de techniek aan d'e oeconamie heeft niet meer plaats; een zekere labiliteit in 't evenwicht is daarvoor in de plaats getreden".

Veel van hetgeen deze analyse geeft, is juist. In de vorige serie artikelen werd reeds de aandacht op een aantal der nu genoemde factoren gevestigd. Zien wij den volgenden keer, welke conclusies de heer Truyen uit zijn analyse trekt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 september 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 september 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken