GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJK LEVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJK LEVEN

26 minuten leestijd

De scheuring in Amerika.

Tot mijn spijt moet het vervolgartikel over dit onder­

werp een week overstaan.

K. S.

Ds J. Donma over „zekeren kring" en nog wat.

Als ons blad kerkelijke vergaderingen „zekeren kring" zou noemen, zou het nummer, waarin we dit schreven, misschien bewaard worden door „zekeren kring", om dienst te doen bij gelegenheid. Ds J. Douma (van Britsum) behoeft op dit punt van mij niets te vreezen. We zeggen liever met dr v. Es, dat dat „gehaspel" over den toon nu maar eens uit moet zijn.

Wel wil ik om andere redenen letten op wat er volgt in „Friesch Kbl." van de hand van ds Douma:

Bizomder wordt in zekeren kring geroepen om publicatie van het Rapport inzake leergesohillen. 'OorsipTonkelijk waren voor de seunenstelling van dit rapport acht 'deputaten aangewezen, maar Prof. Greij'danus heeft zich al voor geruimen tijd aan deze commissie van acht 'onttrokken, , en hij! is daarin

gevolgd door de professoren Schilder en Vollenlioven. Het spijt me, dat ds Douma hier nu werkelijk jokt. Heel erg ook. Zoodat dan ook zijn volgend zinnetje op onwaarheid gegrond is, als het spreekt van „vijf op hun post gebleven broeders". Waarom spreekt hij over dingen, waar hij niets van afweet? Indien hem zulke „informaties" mochten gegeven zijn, dan zijn ze valsch, en belachelijk voor insiders.

Verder schrijft ds Douma:

Hoe gewichtig odk, het Rapport dezer vijf moge zijn, toch is miiin wensoh deze, dat de professoren Schilder en Volleinhoven hun rapport tijidig puhliceeren.

De uitspraak van dezen wensch van ds Douma is weer een typisch staal van de partijdigheid, die helaas in de laatste jaren bij hem meer naar voren kwam. Ds Douma stelt een vraag speciaal aan de twee commissieleden Vollenhoven en Schilder. Waarom niet aan de vijf andere commissieleden? Toen ik in Amerika was (aldus is mij verteld), schreef ds Douma: wij nemen aan, dat Schilder al wel klaar zal zijn in zijn qualiteit van commissielid. Thans is prof. Aalders in Amerika. De gulle vriendelijkheid van ds Douma zou dus thans weer moeten schrijven: wij nemen aan, dat Aalders klaar zal zijn in zijn qualiteit van commissielid.

Niettemin wordt ditmaal van Aalders deze onderstelling niet uitgesproken, en wordt van hem plus de vier met hem samenwerkenden geen publicatie gevraagd. Waarom zou de één rapporteeren als de ander het niet doet?

Als dat niet partijdig is, welken naam moet ik er dan voor kiezen? Ik weet geen anderen. Overigens, mocht ds Douma willen dienen als postbode, hij zal van mijn kant precies alle inlichtingen kunnen krijgen omtrent data etc. Van prof. Vollenhoven waarschijnlijk ook wel. Hij moest dan evenwel t e g e 1 ij k ook de andere commissieleden vragen. De antwoorden komen dan t e g e 1 ij k binnen. Nu, ds Douma?

K. S.

„Waarheid en vrede". (I.)

Prof. Dr J. Ridderbos heeft in qualiteit van rector verleden week op den Theologischen Schooldag een rede gehouden, waarop we hier gaarne terugkomen. De rector heeft zich niet angstvallig aan de fata der School gehouden, nu evenmin als in vroeger jaren, en we kunnen het uitnemend wel verstaan, indien hij, als de onderwerpen der School uitgeput zijn, zijn blik laat gaan over breeder terrein, en officieus spreekt.

In deze rede sprak prof. Ridderbos zeer veel, waarmee ieder het eens kan zijn. En feitelijk kan men in de détails met lalles het eens zijn, tenzij op een bepaald punt misverstand mocht zijn met betrekking tot het begrip van den „vrede".

Wij komen dan ook op deze rede terug, allereerst om hetgeen ons niet helder geworden is, en voorts omdat een kleine aanvulling op één punt ons niet overbodig lijkt.

De spreker handelde over „waarheid en vrede". Velen, aldus zijn betoog, beweren, dat er eerst waarheid moet komen, en dat pas daarna van vrede sprake kan zijn. Zij herinneren aan het woord (uit Zacharia): „hebt de waarheid en den vrede lief". Zijnerzijds stelde prof. Ridderbos daar evenwel naast de uitspraak van Jeremia: Ik zal... hun openbaren overvloed van vrede en waarheid. En hij betoogde dan, dat het eigenlijk hetzelfde is, of men de volgorde „vrede en waarheid", dan wel: „waarheid en vrede" neemt. De bijbel bedient zich immers óók van de ééne zoowel als de andere volgorde? Zacharia is toch niet beter profeet dan Jeremia? „Waarheid en vrede, vrede en waarheid, — wij behoeven niet te strijden over de vraag, welke van de twee den voorrang moet hebben. Zelf willen ze van een voorrang niet weten; het zijn tweelingzusters, die zich niet laten scheiden; als ge de eene wegjaagt, zijt ge de andere kwijt; het is een vergissing, dat ge tot de eene zoudt kunnen zeggen: blijf gij maar eerst een poosje buiten, we moeten eerst uw zuster hebben, om u den weg te bereiden; want als ge dan die zuster binnen noodigt, dan schudt ge het hoofd en zegt: samen of geen van beide; ze willen arm. in arm door de poort, en anders komen ze niet."

Nu zullen we hier niet twisten over de vraag, of een belofte (van Jeremia) en een e i s c h (van Zacharia) niet twee zeer verschillende dingen zijn. Waren de beide teksten de eenige in aanmerking komende, dan zouden we daarover breed moeten spre­

ken. Nu niet. Ik ben het met de hoofdgedachte eens, indien n.l. onder „zuster vrede" verstaan wordt: den „wil-tot-vrede"; het maken van vrede, vreedzame gezindheid (die zich uiten kan, en dikwijls uiten meet, in bestrijding van onwaarheid, of in de aanwijzing van niet-gave verhoudingen, opdat déze mogen worden weggenomen).

Wie evenwel van vrede een andere voorstelling hebben mocht, dien kan ik niet meer volgen, als h ij het beeld der tweelingzusters tot een parabel zou omwerken. En ik ben er niet zoo zeker van, dat de hoorders zich op een bepaald vredesbegrip hebben vastgelegd, om de eenvoudige reden, dat de spreker, die immers ditmaal een populair woord had te geven, ook zelf wel het woord „vrede" in onderscheiden beteekenissen gebruikt heeft, hetgeen in een dergelijke toespraak voor het volk begrijpelijk is.

En hier ligt dan ook de reden, waarom ik op de rede terugkom. Zeker, de waarheids liefde en de vredesliefde gaan tegelijk de poort in; of blijven beide buiten. Maar het genot van den vrede, de vreugdevolle erkenning van samen het eens te zijn, die moet dikwijls door strijd verkregen worden. Een strijd, waarin als 't goed is, door den gemeenschappelijken vredeswil, allen zich opmaken, en allen meewerken. Maar als niet allen dien strijd voeren, öf als velen hem voeren met schending van de regelen, die voor het verkeer in waarheid en vrede in onderling overleg opgesteld of samen aanvaard zijn, ökn wordt in den strijd voor de waarheid de vrede verstoord doordat de vredeswil niet bij allen aanwezig is, of ook bij die velen van de gestelde regelen geëmancipeerd wordt. De beide zusters (maar dan met de hierboven gegeven namen) moeten dan inderdaad tegelijk aan 't werk. Dan gaat wel niet de waarheidsliefde vóór de vredesliefde de poort binnen, maar gaan w è 1 de waarheids s t r ij d en de worsteling om den vrede aan de gemeenschappelijke vreugde om de waarheid en aan de blijdschap over het wederom samen op haar grondslag staan vooraf. Waarheidswil en vredeswil gaan inderdaad samen; maar arbeid en resultaat niet.

Natuurlijk is dit geen neusvrijze opmerking van een jongere aan het adres van een oudere, die ook zijn leermeester geweest is. Het is alleen maar een herinnering, die sommigen onder de hoorders behoeven voor 't geval zij te haastig hebben geoordeeld, en misschien de kerk voor een groot Ierland zouden aanzien.

Ierland?

Ja, dat zit zóó. Prof. Ridderbos zei o.m.:

Eén ding wil ik u noemen, en dat ééne is dit, dat ge erop uit moet zijn, den „Ier" te dooden.

Dat zult ge zóó wel niet begrijpen; maar ik zal het u verklaren. Voor jaren ben ik eens, in opdracht onzer kerken, met collega Aalders van Amsterdam, naar Schotland geweest. Op den terugweg reisden we een poosje samen met een Ier. We knoopten een gesprek met hem aan; en een van ons — ik weet niet meer wie — bracht in het midden, dat de Ieren bekend staan als een twistziek volk. 't Was nu juist niet zoo'n handige manier van converseeren — dus ik denk, dat ik het wel geweest zal zijn, die dit punt ter sprake bracht. Maar onze vriend nam het niet kwalijk. Hij zei: ja, dat is waar; en wij Ieren weten dit zelf ook wel; wij hebben een spreekwoord, dat aldus luidt: als een Ier twee menschen op straat ziet vechten, dan gaat hij erop af, en dan vraagt hij: is het een particuliere aangelegenheid of mag iedereen meedoen? ...

Collega Aalders en ik hebben hartelijk gelachen. Maar mij dunkt: met dat lachen is het niet uit. Die twistzieke Ier, die als anderen vechten, graag mee wil doen, zit ook in ons aller hart. En daarom: als wij soms klagen over twist en tweedracht in de kerk des Heeren, laten we ons er niet toe bepalen, op de voorgangers te zien, maar laten we allereerst acht geven op dien boozen Ier in ons eigen binnenste, die toch eigenlijk daarin medeleeft, en meedoet, zoo niet in geschrifte, dan in gesprekken, en anders in de gedachten van het hart. Laten we dien „Ier" kruisigen, dooden en begraven.

Ik ben het alweer volkomen met den spreker eens, maar dan op één conditie: dat ik dien Ier halveeren mag. Dat ééne stuk van den man, dat daar vraagt; „mag ik ook meedoen? " en dat den vechtlust verraadt, dat moet inderdaad onder den grond. Maar dat andere, dat voorzichtig informeert of 't een particuliere aangelegenheid is, dan wel een niet-particuliere, dat wou ik toch wel graag in leven houden. Want anders kwam er van den vreedzamen waarheidsdienst of van het in waarheidsgemeenschap gefundeerde vredesverkeer niets meer terecht. Zoo is 'took vandaag onder ons. Het gaat niet om A of B of C, doch om de kerken (en hoogescholen), waarin zij werken. Tot de voor waarheids- en vredesverkeer gestelde regelen behoort o.m. óók, dat zij hun plaats willen weten als die van een dienaar. Dat zij het dus goed willen uitgezocht hebben, of de zaken der kerk (en der School) bij hen veilig zijn, ja dan neen. Zouden ze wat dat betreft, in den schemer willen blijven, voor hun gemak, of voor het gemak van anderen, die aanklachten niet konden bewijzen, dan komt de waarheid niet aan 't licht. En volgens den spreker blijft de vrede dan ook weg.

In den grond der zaak is 't dus een kwestie van langer of korter duur. Wie meent, gelijk ondergeteekende, dat op allerlei wijze van de gestelde omgangsnormen afgeweken is, en b 1 ij f t, en dat rechts- en waarheidsvragen door wie ze zelfs eerst luide en ontijdig en m verkeerde verbanden aan de orde stelden, nadien (als ze beantwoord zijn) veelszins worden onderdrukt, terwijl in 't zelfde tijdsgewricht door sommige van die „onderdrukkers" om vrede geroepen wordt, die moet met den korteren, doch den langeren weg „tot de uiterlijke rust" volgen. Anders blijft de kwaal, en daarmee het

factorencomplex, dat waarheid en vrede samen tegenhoudt. Paulus deed God en menschen een dienst, toen hij er stichtelijk voor bedankte, de met hem aan het romeinsche recht gebonden overheid de kans te geven, zich stilletjes af te maken van een vergrijp, tegen hem als romeinsch burger gepleegd. Officieel de gevangenis in? Goed, maar dan ook officieel er uit! Langs de voordeur er in? Goed, maar dan ook langs de voordeur er uit, en met een wettig bewijs van ontslag!

Er moeten dan ook veel meer begrafenissen plaats hebben, dan van dien halven Ier. Wij moeten begraven den ouden mensch in Broeder Diplomaat, en in Broeder Humorist. Die doet veel goeds, hij brengt vaak ontspanning, dewelke een weldaad is, als God den tijd ons er voor gunt. Maar helaas, deze broeder heeft ook een ouden m.ensch. En soms rekent hij daardoor te weinig met den ouden mensch van anderen. Zoodoende brengt hij dikwijls ontspanning daar, waar het beter geweest ware, dat de spanning nog wat gebleven was, terwille van den ernst der kwestie- in-geding. Hij is dan onbewust de oorzaak, dat gemakzuchtigenj ondanks het goede advies van prof. Ridderbos, zuster Vrede inviteeren het eerst de poort in te gaan; zuster Waarheid krijgt dan later wel eens een boodschapje. Bij beide Broeders moet de oude mensch begraven worden, net als van onzen Ier alleen maar de oude mensch weg moet.

Maar weet ge, wie heelemaal in 't graf moet? Met huid en haar? Dat is: Laat-je-geest-niet-uit, vóórdatde-ander-'t-heeft-gedaan. Want als dat de regel wordt, wordt een synode nooit op gang gebracht. En is 't niet ondankbaar, hen, die haar op gang brachten, daarvoor te „beloonen" met achterhoudendheid? Ik weet wat: allemaal tegelijk met de volle waarheid door de poort. Dan heb je zóó — den vrede.

Het is dus maar goed, dat prof. Ridderbos over die begrafenis gesproken heeft. Begrijp ik het goed, dan wil hij eigenlijk zeggen, dat de twee zusters nooit met z'n tweeën binnenkomen. Altijd verlangen ze, dat haar groote broer, die permanent begraven moet, bij haar blijft. Men krijgt haar niet binnen zonder hem.

Zoo is de oproep van prof. Ridderbos tegelijkertijd een oproep geweest tot blijvenden strijd, tot permanente begrafenisacte. En waar wij het daarmede zeer eens zijn, hopen we volgende week nog iets over die begrafenisnoodzaak te schrijven.

K. S.

ZeUstaudigbeid der Theologische Faculteit en der Theologische Hoogeschool. (II.) (Slot.)

We zouden nog spreken over de vraag, of de vergelijking tusschen Kampen en Amsterdam (Theol. Fac.) voor wat betreft beider zelfstandigheid goeden zin heeft. Dr v. Es betwijfelt dat, ik niet.

Volkomen terecht merkt dr v. Es op, wat ik ook zelf trouwens gedaan had, dat het verband der Theol. Fac. met de Geref. Kerken contractueel is. Het kan dus worden opgezegd, aldus dr v. Es. Alweer heelt dr V. Es gelijk. Maar we hebben het nu over den bestaanden toestand, waarin de contractueele binding bestaat.

Binnen dezen toestand nu is het onderwijs van Kampen zoowel als van Amsterdam zelfstandig. Beide instellingen toch recruteeren haar professoren uit leden der Geref. Kerken. En dit is niet op verzoek der kerken, doch op dat der Universiteit alzoo afgesproken.

Mijns inziens nu brengt èn het respect voor de Universiteit, èn dat voor haar Theol. Faculteit, èn dat voor haar theologische professoren mee, dat men deze afspraak met de Geref. Kerken ziet liggen in de 1 ij n der wetenschappelijke zelfstandigheid. Het is geen schande voor een universiteit, dat ze graag haar discipelen (de door haar opgeleide predikanten en opgeleide doctoren) „kwijt wil" in beroepen, ambten, bedrijven. Ze helpt daarmee haar leerlingen, en ook zichzelf. Want inrichtingen, wier leerlingen geen „plaats" kunnen krijgen, verliezen haar aantrekkelijkheid voor 99 % der aanstaande studenten, die immers „voor het leven" studeeren, d.w.z. voor een werkzaamheid in het volle menschenleven. Het zou echter wèl een schande, en dan een wetenschappelijke en ook ethische blamage zijn, indien een universiteit of seminarie, teneinde dit profijt voor haar (zijn) leerlingen en voor zichzelf te bekomen, zich voor het te geven onderwijs ging verbinden, hetzij aan den staat, hetzij aan maatschappelijke instellingen (een handelskamer, h.v.) of een vereeniging van paedagogen, of een lichaam van barmhartigheidsbetoon, hetzij ook aan een kerk, aldus, dat terwille van dien contractueelen band de vrijheid tot het doceeren van wat de universiteit voor Waarheid houdt, werd beknot. In zulk een geval zou, op het standpunt der universiteit zelf gesproken, de waarheid door haar verkocht, de wetenschappelijke adelbrief versjacherd zijn. In vrije wetenschappelijke beoordeeling spreekt een zich respecteerende universiteit uit, dat de binding aan lichamen als hierboven bedoeld, Voorzoover zij n.l. principieel is, strookt met de Wetenschappelijke oordeelen, die zij velt, of met de vóór-oordeelen, waarvan zij (zooals in het geval der V.u.) uitgegaan is, en wil geacht worden uit te gaan. Laat men hier voorzichtig zijn met uitspraken, die in andere richting voeren. Als b.v. voor onze stichtingen van barmhartigheid, of voor middelbare scholen bepleit wordt, dat ze zich zullen baseeren op de drie formulieren, gelijk ze door de Geref. Kerken (b.v. in Assen 1926) gehandhaafd zijn, dan is dat niet een brengen van die vereenigingen onder eenig kerkelijk lik, doch een vrije achteraf komende uitspraak, binnen naar organisatie, over een probleem van waarheid en confessie. Wie het anders zou zeggen, ook voor wat betreft de V.U., die werkt onderscheiden betoogen van „Hersteld-verbanders" in de hand. En, zou het waar zijn, dat een contractueele binding naar buiten ipso facto een teen of voet in de klem brengt, dan staat het er met de V.U. niet best voor. Want zij heeft na Kuyper's Haarlemsche rede zich nèg wel eens gebonden; denk maar aan den leerstoel van prof. Waterink, b.v. De V.U. heeft zelfstandig voor zichzelf beslist, dat een partiëele, maar dan ook confessioneele binding aan de Geref. Kerken strookte met haar grondslag en haar doel. Ik zie geen kans dit te ontkennen, zonder de V.U. te kwetsen. Zelfs de jongste band der duitsche universiteiten aan den staat zou op zichzelf nog geen schending van haar zelfstandigheid behoeven te zijn. Ze i s dat in feite wel, maar dit is dan zoo krachtens de nadere bepaaldheden dezer binding (niet krachtens vrije beoordeeling der universiteit, doch door pressie van boven al, en met verwijdering van vwe niet den staat en diens ideologie naar den mond spreekt, en onder vernietiging van het instituut der laculteits- en senaatszittingen, die immers zijn prijsgegeven ten gunste van het „Führer-principe": de rector plus van elke faculteit de decaan bedisselen de zaken).

Van hieruit wordt nu ook duidelijk waarom de zellstandigheid der theol. fac. precies dezellde is als die van Kampen. Zoolang n.l. de professoren van beide instituten leden van dezelfde kerken zijn. Al die hoogleeraren hebben reeds jaren vóór hun inauguratie, als leden eener plaatselijke kerk zich verplicht niets te leeren, dat tegen de belijdenis inging. Die belofte was er al. En ze was bekend bij de benoemende colleges. Is zij nu een belemmering voor de zelfstandigheid der besturende colleges (dr v. Es denkt daaraan speciaal in het geval van Kampen; hij mag er evengoed aan denken, en dan ook er over schrijven in verband met de V.U.)? Geenszins is zij een belemmering van de zelfstandigheid dier benoemende colleges; want dezen hebben 't zelf zoo gewild. Eerst indien de benoemde professoren hun persoonlijke vrijheid anders mochten gebruiken dan op de bij hun benoeming daarvoor onderstelde, en over en we.er begeerd geachte wijze, zou de vrijheid van curatoren in geding komen (zooals bij een hervormden kerkeraad, welks predikant van overtuiging veranderd blijkt na de beroeping).

Ook voor de professoren zelf is de kerkelijke belofte, afgelegd bij de geloofsbelijdenis, geen hinderpaal voor zellstandig wetenschappelijk onderzoek. Wie ze wèl tot een hinderpaal verklaart, spreekt in den geest van den vrijzinnigen Protestantenbond, of zoo, maar niet in gereformeerden geest. Geloofsbelijdenis onder aanvaarding van den eisch, eventueel opkomende van de confessie afwijkende inzichten niet dadelijk publiek te maken, doch eerst „in den kerkelijken weg" in bespreking te geven, doodt de Christelijke vrijheid, de „libertas prophetandi" geenszins.

Welnu, wat is dan het verschil in zelfstandigheid tusschen V.U. (theol. fac.) en Kampen? De professoren der V.U. zijn allen, voorzoover leden eener Gereformeerde Kerk, gebonden eerst aan hun kerkeraad, en daarna aan de V.U., die bewust van deze binding in vrijheid profijt verwacht. En de professoren van Kampen zijn eveneens eerst als kerkleden en daarna aan de School, en de kerken als haar eigenaressen, gebonden. Dat vinden ze allen een zegen, als 't goed is. En op den dag, waarop ze onverhoopt zouden ophouden zulks een zegen te vinden, zouden ze onmiddellijk hun werk moeten neerleggen, als eerlijke menschen, willen ze niet op de zelfstandigheid en vrijheid van de kerken of van hun School inbreuk maken.

Ook te Kampen is men vrij ten aanzien van de kerken, oorzoover deze geen leeruitspraken doen, die als forulier van eenigheid gelden (doen ze dat, dan geldt e binding automatisch ook voor de V.U.-professoren). Niemand zal van Kampen vorderen, dat men daar b.v. alle synodale beslissingen zal napraten. Prof. Bouwman eeft indertijd het bekende, en thans wederom gecritiseerde besluit, dat destijds genomen is inzake doopleden, die vóór hun 30ste jaar niet tot geloofsbelijdenis kwamen, ook op zijn colleges veroordeeld. De gronden, aarop hij dat deed, blijven hier onbesproken; die waren en deele andere, dan thans in een rapport over Bavinck— Rutgers worden aangevoerd. Deze zijn vrijheid is dan ook bij mijn weten nimmer betwist, ze is „recht gebruikt geweest". Trouwens, ook de professoren der V.U. hebben eer dan eens critiek geoefend op synodale besluiten. In de pers; maar hun colleges zullen wel geen ander eluid hebben doen hooren.

Wij hebben hiermee dr v. Es antwoord gegeven, hoewel we ons niet goed vereenigen konden met zijn redeneering, die op Kampen de aandacht vestigt, hoewel de kwesties der V.U. hem, óók als curator, evenzeer zullen hebben bezig te houden. We hebben overigens geen spijt van deze gedachtenwisseling. Ze geeft me aanleiding, nogmaals de aandacht te vragen voor de artikelen, die ik April '38 schreef over de regeling van het toezicht der Gereformeerde Kerken op het onderwijs aan de V.U. Ik wees er op, dat het onderwijs aan de aanstaande predikanten, dus te beginnen met het eerste jaar (vóór het propaedeutisch examen) nadere regeling behoeft, ook wat het toezicht der kerken betreft. Dat onderwijs wordt door andere dan theologische professoren gegeven. Ten deele zijn deze leden van Gereformeerde Kerken, ten deele van een z.g. „Hersteld Verband"-gemeente. Hierdoor wordt tweeërlei geaccentueerd: a. dat het noodig is, zich over de opleiding der predikanten aan de V.U. nader te bezinnen, voor wat het eerste jaar betreft; b. dat men niet meenen moet, prof. Vollenhoven k e r k e 1 ij k te kunnen rubriceeren onder degenen, wier opinies „nader onderzocht moeten worden", en intusschen daaraan geen consequenties te verbinden voor de V.U. Men zij voorzichtiger dan dr v. Es in 't geval der aanklachten van prof. Hepp geweest is, óók in het belang der V.U. Afwijzing der methode Kuyper—Hepp is een dienst óók aan de V.U.

En opdat niemand gif zuige uit den staart van dit artikel, herinner ik er aan, reeds jaren geleden te hebben geschreven, dat men wel genoegen diende te nemen met de verklaring der „hersteld-verbanders" onder de V.U.-professoren, dat hun bezwaren tegen „Assen" niet dogmatisch, doch kerkrechtelijk waren (welke geruststellende opmerking door de V.U.-bladen is overgenomen; zóó iets wordt tenminste wèl doorgegeven...); en voorts in den laatsten tijd te hebben beweerd, dat ook prof. Vollenhoven zeer onrechtvaardig, ja, unfair, wordt bejegend. I k mag dus vrijelijk schrijven

over die kwestie der V.U.-propaedeuse, omdat geen nuchter mensch daai-uit na deze dubbele herinnering tot een in troebel water visschen concludeeren kan.

K. S.

Dr F. L. Rutgers en Jbr Kt A. F. de Savomin Lohman over het oude. Gereformeerde, kerkrecht. (IV.)

Men heeft in den jongsten tijd van den kant van hen, die het nieuwe kerkrecht propageeren, gezegd: art. 85 (vroeger 84) K.O. zegt wel, dat geen kerk over andere kerken... eenige heerschappij voeren zal, maar dat geldt van de eene kerk of dienaar ten aanzien van de eene of den andere, doch niet van eene vergadering van kerken als classisvergadering of synode. De kerken in classis of synode vergaderd, hebben te zamen wel over eene kerk en hare dienaren en leden oppermacht van beschikken, bevelen, schorsen, afzetten.

Ik heb gevraagd, vanwaar zij die macht hadden. En ik heb dat ook uitgedrukt op deze wijze: wanneer en hoe 10 of 25 X O meer werd dan 1X0. Dat is echter eigenlijk geene wijsheid van mij. Dr F. L. Rutgers drukt diezelfde gedachte in negatieven vorm met het oog op de regeling van de emeriti-verzorging uit, als hij schrijft: „Een rechtsgrond, waarop steunen zou, dat eenige kerk voor de finantiëele verplichtingen eener andere kerk mede aansprakelijk zijn zou, op zichzelf niet bestaande, kan ook niet worden in het leven geroepen door een eventueel besluit eener Generale Synode. Deze toch is bij de Gereformeerde Kerken geenszins een bestuurscollege, dat als zoodanig eene eigene macht over de kerken zou hebben, maar alleen eene vergadering van de kerken zelve, waarin deze haar eigene macht, althans voor een bepaald gedeelte, bijeenbrengen; en wanneer nu ieder van die kerken op zichzelven niets te zeggen heeft over de geldmiddelen eener andere kerk, kunnen zij gezamenlijk te dien aanzien evenmin eenig zeggenschap hebben". Acta van de Synode te Utrecht, 1905, blz. 214.

Dus: bij de Gereformeerde Kerken is eene Generale Synode geenszins een bestuurscollege.

En zij heeft geene eigene macht over de kerken. En: „wanneer nu ieder van die kerken op zichzelven niets te zeggen heeft over de geldmiddelen eener andere kerk, kunnen zij te zamen evenmin eenig zeggenschap hebben".

En wat van de geldmiddelen geldt, geldt toch evenzeer van al het andere van eene of van elke kerk eener classicale of synodale vereeniging van kerken.

Zoo heeft Dr F. L. Rutgers het uiteengezet en geleerd in het rapport betreffende art. 13 K.O. Want hij was de steller van dat rapport. En de Synode van 1905 heeft dat rapport met zijn voorstellen na enkele kleine wijzigingen aangebracht te hebben, aangenomen; welke wijzigingen geene betrekking hebben op het hier aangehaalde. „Deze Synode besluit derhalve, 1. het rapport van de deputaten der Synode, nadat de navolgende wijzigingen en aanvullingen zijn aangebracht, in zijn geheel over te nemen". Acta, blz. 72, art. 131. En de Commissie, die prae-advies over dit rapport had uit te brengen, zeide, dat „daarin zoo schoon de beginselen zijn ontwikkeld, die aan Art. 13 K.O. ten grondslag liggen". Acta, blz. 2190.

Wij hebben hier dus uitspraken van Dr F. L. Rutgers uit 1905, en door de Synode te Utrecht overgenomen. Toen was het reeds een 20 jaar na den aanvang der Doleantie. Mocht Dr Rutgers dus in 1886 in de hitte van den strijd soms over de zelfstandigheid der plaatselijke kerken en het vrijwillig, hoewel van Godswege verplicht, confoederatief verband onzer Gereformeerde Kerken iets gezegd of geschreven hebben, dat minder juist moest heeten, nu, in 1905, was die strijd reeds een kleine 20 jaar achter den rug. Toch leerde hij nog evengoed:

eene Generale Synode is geenszins een bestuurscollege; zij heeft als zoodanig geene eigene macht over de kerken;

heeft de eene kerk op zichzelve niets te zeggen over hetgeen van eene andere kerk is, dan hebben de kerken te zamen dat evenmin.

En dat heeft toen, 20 jaar na den aanvang der Doleantie, niet alleen Dr F. L. Rutgers geleerd, maar ook zijne mede-deputaten.

Ja, dat is overgenomen als haar overtuiging en besluit door de Synode te Utrecht in 1905.

In 1905. Door de Synode te Utrecht.

Maar dat was in dezen niets anders, dan het Convent te Wezel reeds aannam: „Nochtans staan wij de Classicale Vergaderingen hier in geen regt toe over eenige Kerke ofte hare diensten; ten zij dezelve dat van zelfs zullen toestemmen; opdat de kerke niet tegens haar dank berooft werde van haar recht ende gezag". Zie vorig nummer van „De Reformatie".

En nu gaat men beweren: art. 85 heeft geene betrekking op de meerdere vergaderingen. De gezamenlijke kerken mogen wel heerschappij voeren over de plaatselijke kerken en hare dienaren. Dat wordt door Art. 85 K.O. niet uitgesloten!

Dat zou dan geen nieuw kerkrecht zijn, noch verloochening van de beschouwingen van Dr F. L. Rutgers en Dr A. Kuyper, en van de kerkrechtelijke beginselen der Doleantie.

Zulk eene principiëele en algemeene verandering van kerkrechtelijke beschouwing, en dat in zoo betrekkelijk luttele jaren.

Trouwens, op het gebied van de principiën.. .beleeft men meer vreemde dingen. In 1905 was bovengenoemd rapport inzake de regeling van Art. 13 K.O. geprezen als „zoo schoon de beginselen" ontwikkelend, die aan dat artikel ten grondslag liggen. Maar reeds een paar jaar later begon men eene regeling in te voeren, waarvan men zeide, dat zij met het te Utrecht aangenomene in wezen overeenkwam, en waarvan nog onlangs gezegd werd, dat wij in dezen niet naar Prof. Rutgers terug moeten, omdat wij nooit van hem weg gegaan zijn, hoewel Dr Rutgers zelf in 1909 van een dergelijke regeling o.m. dit schreef: „Hoe is het dan nu mogelijk, dat thans, zoo kort daarna" — d.i. na 1905 — „eene regeling wordt voorgesteld en in eene Classicale Vergadering wordt aangenomen, althans voorloopig, welke zoowel principieel als practisch lijnrecht ingaat tegen dat rapport en dat Synodaal besluit, en dat zulke regeling dan nog bovendien voorgesteld wordt als daarmede geheel overeenkomende, en als eene goede uitvoering van dat besluit...", Kerkelijke adviezen, I, blz. 93 v.

Nu bracht Prof. M. A. Goossen tegen de aanvoering en bizondere drukwijze van bovengenoemde Wezelsche afspraak door Dr Rutgers en Jhr Mr de Savomin Lohman in, dat zij in geene enkele kerkenordening overgenomen was, blz. 193, noot 1. Daarop antwoordden deze Schrijvers: „Hetgeeii in de aangehaalde artikelen van het Wezelsche ontwerp werd uitgesproken, is een grondbeginsel van ons kerkrecht gebleven, al werd het later in de kerkenordeningen ook niet meer geformuleerd met bewoordingen, die voor eene handleiding (als het Wezelsche ontwerp wilde geven) passende waren", blz. 194 aan den voet der pagina.

S. GREIJDANUS.

De Kleine Catechismus van Zacharias Ursinus. (III.)

18. Wat gelooft gi} van den Zoon?

Dat de Zoon de tweede Persoon is van de Godheid; het Woord en het Beeld des Vaders, gelijk aan den Vader, met Hem eeuwig en hetzelfde wezen deelachtig, van eeuwigheid door den Vader gegenereerd, en gezonden, opdat Hij, de menschelijke natuur aangenomen hebbende, mij en allen, die in Hem gelooven, door Zijn verdienste en almacht van den eeuwigen dood zöü bevrijden en in 't eeuwige leven zou herstellen.

19. Waarom noemt gij. Hem Jesus, dat is Zaligmaker?

Omdat ik zeer vast overtuigd ben, dat Hij alléén door Zijn verdienste en macht de auteur (of oorzaak) is van de volmaakte en eeuwige zaligheid, voor mij en voor allen, die in Hem gelooven.

20. Waarom noemt giji Hem Christus, dat is Gezalfde?

Daarom, dat Hij van Zijn eeuwigen Vader is verordineerd en met den Heiligen Geest is gezalfd, opdat Hij voor mij en allen, die gelooven, de Hoogste Profeet zij, die ons den wil Gods openbaart; en onze Eenige Hoogepriester, die ons door Zijn tusschenkomst en door de eenige offerande van Zijn lichaam aan het kruis weer met God verzoend heeft; en onze Koning, die ons door Zijn Woord en Geest regeert, de voor ons verworven zaligheid handhaaft (bewaart) en het volkomen en eeuwig bezit ervan ons na dit leven overlevert.

21. Waarom noemt gi} Hem Gods Eeniggéboren Zoon,

daar toch ook mj. Gods kinderen zijn?

Omdat alléén Hij naar Zijn Godheid, van nature Gods Zoon, van den Vader van eeuwigheid gegenereerd en met den Vader en den Heiligen Geest één en eeuwig God is; maar mij en allen, die gelooven, heeft God uit genade Zich tot kinderen aangenomen.

22. Waarom noemt gij Hem, onzen Heere?

Omdat Hij door den Vader tot een Hoofd boven alle dingen in hemel en op aarde gesteld is, en ons met Zijn dierbaar bloed Zich verworven heeft.

G. B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juni 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJK LEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juni 1939

De Reformatie | 8 Pagina's