GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

PERSSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PERSSCHOUW

45 minuten leestijd

Er zijn nog synodocraten met herinnering.

In „Provinciaile Kb'. Utrecht" (synodocratisch) schrijft ds A. Zwaan van Breukelen over het blad der bezwaarden binnen de synodocratie. We lezen o.m.:

De verschijning van dit blad op zichzelf heeft mij verbaasd. En het inleidend woord van de hoofdredacteur heeft mijn verbazing ten top gevoerd.

Vloeiden deze woorden inderdaad uit de pen van een onzer predikanten, die onze kerken In volle rechten dienen ?

Meent Dr Schelhaas de waarheid te dienen als hij schrijft, dat hij de gelegenheid miste zijn eigen kijk en opvatting, kortom zijn bezwaren uiting te kunnen geven ?

Waar was zijn kerkeraad dan? En zijn beroep op < Je Classis en de andere meerdere vergaderingen?

Staat niet de kerkelijke weg voor een leder open?

Waarom zich dan met zijn bezwaren niet In die kerkelijke weg gesteld?

Ds Zwaan vraagt naar den bekenden weg: alle revisieverzoeken zijn immers aan den kant gelegd? Bij herhaling? Niet beantwoord, dodh op zij geschoven (verandering van wet). Maar ds Zwaan zelf heeft tegen deze manoeuvre (eerst de menschen opwekken: vraag revisie en dan hun vraag wegwerken) geen bezwaar: hij zegt „fiat”.

Zelf heb Ik nooit behoefte gehad aan een nieuwe Verklaring, de vroegere uitspraken onzer kerken waren mij duidelijk genoeg.

Maar indien het voor sommigen nodig was, fiat. In wezen bleef toch de waarheid zoals deze vroeger door onze kerken beleden was, gehandhaafd.

Wie zijn „fiat" geeft, moet niet meer vragen: waarom gaat u niet den kerkelijken weg? Intusschen is de schrijver zijn memorie nog niet kwijt.

Hoe kan Dr Schelhaas zich openlijk tegenover die leerultspraken stellen en toch door zijn kerkeraad worden gehandhaafd?

Laat hem telegrafeeren! Dan:

Hoe kan Dr Schelhaas schrijven, dat hij zich niet kan neerleggen bij de schorsingen door de Generale •Synodes uitgesproken en toch die kerken blijven dienen? Of spraken op de Generale Synodes onze kerken niet? Heeft hij die uitspraken indertijd soms niet van de kansel afgekondigd?

En nu is het wachten op de daden van ds Zwaan. Model: Haagsche Heeren 1944.

K. S.

Algemeene genade.

Prof. Van der Schuit zegt in De Wekker:

De term „algemeene genade" behoeft een correctie, maar deze correctie is door niemand anders dan door dr Kuyper zelf aangebracht.

Indien prof. v. d. Schuit ons zou - willen zeggen, welke plaats hij bedoelt uit Kuyper's werken, zullen wij nagaan, welke correctie, die een werkehjke behoefte is, door Kuyper zelf aangebracht is. Wig weten, wat dr Hepp dienaangaande zeide, en bespraken het al. Maar dezen keer - willen - wij graag prof. v. d. S. hooren.

Intusschen schijnt die correctie van Kuyper door zijn volgelingen niet opgemerkt of ter harte genomen te zijn. En zoo deed de heer P. Jongeüng geen monnikenwerk, toen ihij in Gron. Kbl. de gemeene gratie besprak, eindigende met den oproep „Keert weder". Hij citeert, via ds Bremmer, dr Kuyper, Gem. Gr. H, 49/50:

Kuyper heeft het daar over Zondag 3 van de Heidelbergse Catechismus, welke zegt, dat de mens is ganse-Ujk onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad, tenzij hij door de Geest Gods wedergeboren wordt.

Dit krasse vonnis - over de gevallen mens wordt dan door Kuyper met de volgende redenering van zijn dodelijke kracht beroofd.

Vergelijk hiermee mijn eigen opmerkingen in de 'verschijnende Catechismusbewerking („vergiftigd"). De passage, waarop Sch. doelt, en waarover we de meening van De Wekker graag zouden hooren, luidt bij Kuyper:

„Het geneigd tot alle kwaad en onbekwaam tot enig goed" spreekt dan uit, hoe elk mens zich, buiten wedergeboorte, openbaren zou als de gemene gratie zijn boze aandrift niet in toom hield; en de ervaring toont ons dan, hoe de mogendheid des Heeren „de boze natuur" achter de tralies der gemene gratie grotendeels onschadelijk maakt. Het „onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad" is dan niet de uitdrukking van hetgeen we in „de wedergeborene" vinden, noch ook van hetgeen we in het gemene leven bij alle niet wedergeborenen opmerken; maar de erkentenis van wat in de aandrift onzer bedorven natuur ligt, en van hetgeen er onmiddellijk uit zou voortkomen, zodra God ophield door de gemene gratie die boze aandrift te temperen”.

Wat mij betreft: ik geloof, dat dit beeld van tralies v, an gemeene gratie een correctie behoeft, die Kuyper niet aangebracht heeft.

K. S.

Levende bronnen van christendom en humanisme.

Nog steeds sprekende over de „gemeene gratie", merkt dhr P. Jongeling in Gron. Kbl. op:

Dr Bruins Slot hield in November van het vorige jaar een radiorede over de U.N.O. Deze organisatie

zwijgt in haar statuut in alle talen over Christus, de Koning der koningen, noemt zelfs Gods naam niet, negeert de Schrift, maar spreekt wel, in humanistische hoogmoed, haar vertrouwen uit „in de waardigheid en de waarheid van de menselijke persoon". Met opzet, dat bleek bij allerlei gelegenheden, heel duidelijk, heeft men alles, wat naar positief christendom zweemt, uit deze organisatie geweerd. De gevolgen zijn er dan ook naar.

Dr Bruins Slot echter verklaarde in zijn rede voor de N.G.R.V.:

„Wanneer we de fouten van de U.N.O. zien, moeten we maar denken aan het woord van Paulus over de ellendige mens die het goede wel wil, maar het kwade ligt hem telkens weer bij”.

Nu zegt Paulus helemaal niet „de ellendige mens", maar: Ik, ellendig mens", wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? " Én hij voegt er het antwoord bij: Ik dank God door Jezus Christus, onze Heere". Hier, in Romeinen 7 : 14—26, spreekt een mens, die door de Geest Gods is wedergeboren, over zichzelf en over de „allerhande zwakheid en ellendigheid" welke hij nog in zichzelven vindt.

In Romeinen 1 : 18—32, dtór spreekt de apostel over de onwedergeborenen, de vijanden Gods, en dan komt hij tot heel andere uitspraken.

We hebben gezien dat Kuyper door zijn „Gemene Gratie"-theorie de dodelijke kracht van het vonnis, dat daar geveld wordt, in feite geducht verzwakte. Maar sommige tegenwoordige sprekers en schrijvers zijn al weer veel verder. Zij namen niet alleen onvoldoende notitie van Romeinen 1, maar passen zelfs Romeinen 7, waar het over gelovigen gaat, met behulp van diezelfde Gemene Gratie-ideologie, toe op het handelen van mensen die met hun bruto ongeloof te koop lopen!

Later:

Wat Kuyper, wanneer hij in zijn dagen om zich heen blikte, vaak versleet voor „natuurlijk licht", voor een gevolg van de werking ener „Gemene Gratie", was in werkelijkheid een taaie rest van christelijke traditie, waar immers het leven in Europa, en dat in Nederland in 't bijzonder, zo sterk door het christendom was gestempeld geweest.

Maar in onze dagen is ook deze rafelige band der christeUjke traditie afgeknapt. De Europese volken, die eens door het Woord verlicht zijn geweest, dreigen weg te zinken beneden het heidendom.

Wie nu nog Kuyper in zijn vergissing blijft navolgen, haalt over zijn eigen arbeid en die onzer christelijke organisaties steeds meer de vloek der onvruchtbaarheid en werkt mee, al is het misschien onbedoeld, aan de grote synthese van „kerk" en wereld, die in de dagen van de anti-christ haar voltooiing zal bereiken.

Steeds maar weer vind ik de uitglijdingen van Kuyper in dit opzicht een tragisch fenomeen. Destijds was het boek een studie-object voor de jongelingsvereenigingen. De J.V.-ers leerden 'het schema van buiten. Een élite ging er mee den politieken en socialen boer op. Ze meenden het allemaal prachtig, en waren warme, bezielde menschen. Later kwam. men in de posities, die het gevaar van concessies meebrachten: men deed de concessies, en de laatste instructeurs dezer élite dekte hen en zich met de fouten' van Kuyper's werk. Nu studeeren de J.V.'s niet meer, en de élite bekommert zich om de critiek niet meer, en draait zich een rad voor de oogen door zich wijs te maken, dat, wie nog een bedenkehjk gezicht zet, eigenlijk een niet in het zwart gekleede kersteniaan is.

K. S.

Vraag en antwoord in de Zaanstreek,

In het Kerkblad voor de Zaanstreek (redacteur ds P. V. Dijk, synodocratisch, en gansch ijverig tegen ons) vraagt, bl. 2, kolom 3 „v. d. Wolf”:

Mogen we die jeugdopbouw aan de communisten overlaten? Zullen we de-communisten gelegenheid geven hun klndertreinen te laten vermenigvuldigen, zoals dat reeds in de Balkan gebeurt? Mogen wij toelaten, dat zij de kinderen laten Instappen om de duistere tunnel in te rijden naar de hel?

En op bl. 2, kolom 2, antwoordt „Guus Bakker": Nog eens:

’T WERELD JEUGD APPèL 28 AUGUSTUS 't Programma Is nu definitief vastgesteld. De vijf onderwerpen, die In 't kort behandeld zullen worden, zijn de volgende:

De Wereldkerk van Christus door Alex. Schmemanu, de jeugdige zeer bekwame professor van het Russisch-Orthodoxe Theologisch Instituut te Parijs en lid van het Jeugddepartement van de Wereldraad van Kerken.

Het getuigenis der Kerk door John Karefa Smart van Sierra Leone, West-Afrikaans predikant en medisch doctor.

De sociale vragen en de Kerk door Philip Alford Potter, Methodist van Jamaica, die waarschijnlijk Internationaal secretaris wordt van de Britse Christen Studenten Beweging.

De intemationaie vragen en de Kerk door K. H. Tlng, een zeer bereisde jonge Chinees, die zich bekendheid verwierf In de Wereld Christen Studenten Federatie.

De jeugd en de Kerk door Barbara Deltz, een veelbelovend Amerikaans jeugdleldster In de W.C.A. De sprekers worden vertaald!

Verder zal dr Martin JViemöller, als vertegenwoordiger van de hele Wereldconferentie, een woord tot ons richten.

Wat de muzikale omlijsting betreft: het Conferentiekoor, bestaande uit leden van de Internationale Jeugddelegatle, verleent o.m. zijn medewerking.

’t Appèl begint om haU 3 in de ApoUohal (per tram te bereiken met de Ujuen 3, 24, 25).

Zo mogen we ons die middag vereend weten met de duizenden jongeren van allerlei rassen, talen en volkeren, die door deze Jeugddelegatie vertegenwoordigd worden.

GUUS BAKKER.

„De sprekers worden vertaald ; u kunt er dus heusch bij, als u langzaam maar zeker wordt gepraepareerd voor het communisme. Want, zoo luidde één der amsterdamschë „argumenten": „alzoo lief heeft Gfod de wereld gehad en niet alleen het Westen". De spreker, had groot gelijk, de-antithese loopt ook door het Oosten. Maar o, die antithese.

Als onze ds Nieuwenhuis eens naar jmejuffrouw Bakker ging om een plaatsje in ihet blad van ds F. v. Dijk, wie weet?

K. S.

Geen provinciaal ingedonuneld goloofsleventje.

In hetzelfde nummer, nog altijd „v. d. Wolf" van bl. 2, kolom 3:

Werk mede aan de jeugdopbouw, ook van die „andere" Jeugd! Een leder doe slechts zijn plicht!

Laten we ons wachten voor een provinciaal Ingedommeld geloofsleventje! Vat moed! Gaat bezield ten strijde! De jeugd hunkert!

Och, geef me weer een goeien J.V.-er. Die op zijn plaatsje wakker is, en niet oecumenisch, in stee van provinciaal, indommelt. Een man, die leeft uit zijn geloof.

K. S.

Ds H. Veltman over het voorstel-Assen.

In „Ons Kbl." (N. Br. en L.) schrijft ds H. Veltman:

De verkeerde weg, die de Synodes in die jaren gegaan zijn, heeft zich op een verschrikkelijke wijze gewroken. Niet het minst door die geheime vergaderingen is het hiërarchisch streven openbaar geworden, dat er bij vele zogenaamde „leiders" reeds lange tijd was.

In ons vrijgemaakte kerkelijke samenleven moeten we nóóit weer naar zulk vergaderen-in-het-geheim terug.

Daarna vermeldt ds Veltman het ook aan onze lezers bekende voorstel-Assen, en merkt op:

Het staat voor ons vast, dat heel deze aangelegenheid niet mag worden tot een onder-onsje van een aantal deputaten. Het gaat hier om kerkzaken — en daarom: geen gesloten deuren! En het zal vooraf toch duidelijk moeten zijn hóe we elkander ontmoeten. Het staat vast: in de gebonden kerken is niets veranderd wat de „Goddelijke waarheden" en de schorsingen en afzettingen betreft. Men handhaaft die nog steeds, al is tegenover zo heel veel „bezwaarden" onder de synodocratie de houding zoveel soepeler geworden. Zulks alleen uit tactische en kerkpolitieke overwegingen van het slechtste allooi. Alleen: kunnen die noodzakelijk te stellen vragen niet ook mondeling worden gedaan op de allereerste samenkomst? En het antwoord op die vraag: wie zijn wij in Uw oog zal dan beslissend kunnen en moeten zijn voor een al-of niet-verder-spreken. Het vooraf-samen-bidden zal inderdaad heel moeilijk zijn.

Omdat er nog altijd de gebeden hggen, die een zegen vroegen over de op ons toegepaste tuchthandelingen.

Welnu: laat dan ieder deputaatschap voor zich Gods aangezicht zoeken, opdat er werkelijk concreet gebeden kan worden. Want als er concreet gebeden wordt kan immers de één niet instemmen met het gebed van de ander: bekeer hén van hun schadelijke en zondige wegen.

o Terecht wordt hier verwezen naar 't publieke gebed om de bekroning van de z.g. tuchtoefening op ondergeteekende met 'sHeeren zegen. Ik toeb al eens openlijk in een afzonderlijk artikel in ons "blad gevraagd: waar blijven de gebeden? Daarop heeft dr Ridderbos evenmin als iemand anders geantwoord. Het eenige antwoord was: vragen om iets, waarvan hij tevoren gelezen had, dat het niet kon gebeuren. We noemden dit onlangs: vragen naar den bekenden weg. En afwezigheid van het b e w ij s van werkelijk willen.

K. S.

„De Klassieke Mulo”.

In het orgaan van de Vereeniging van Leeraren bij het Christelijk Voorbereidend Onderwijs „Christelijk Gymnasiaal en Middelbaar Onderwijs", schrijft drs D. J. Buwalda, onze lector, een interessant artikel over een onderwerp, dat velen al jaren lang kwelt: de snelle afbraak van het nederlandsche gymnasium. We lezen:

Het artikel van Dr Kok met de onovertrefbare titel „Naar de klassieke Mulo" kreeg ik onder ogen, toen het grootste deel van het hier volgende artikel reeds op papier stond. Hier en daar zal ik wel eens tn zijn vaarwater komen. Maar in dat geval geloof Ik, dat het de vaart eerder zal ten goede komen dan ophouden.

Uit zijn artikel Is dan wel duidelijk geworden, dat de Gymnasia tn de klassen 5 en 6 opnieuw een aderlattag zullen ondergaan ten „voordele" (? ) van de natuurkunde, de scheikunde of de biologie, ten koste van het Grieks en het Latijn.

Consequenties van de regeeringsmaatregelen ook voor ons? Ja:

Vast staat wel, en dat hoop Ik straks aan te tonen, dat de zilveren koorde, waarin het Christelijk onderwijs, helaas, heeft bewilligd, althans bij dit besluit pijnlijk gaat knellen.

Dat wil niet zeggen, dat Ik uit een algemeen oogpunt van opvoeding zou willen afdingen op de wetenswaardigheid van genoemde vakken van natuurwetenschap. „Des Heeren werken zijn zeer groot". Worden Inderdaad deze vakken naar de Schrift gegeven, dan zullen zij voor de leerlingen een verrijking kunnen betekenen. Tenzij deze valtken een overlading zouden betekenen van de reeds behoorlijk hoog opgestapelde bagage, terwijl men onontbeerlijke goederen zou uitladen om plaats te maken. Schrijver merkt op, dat

men sommigen hoort zeggen, dat dan de eisen voor het A-diploma maar moeten worden verlicht. En Inderdaad, die dat zegt, stelt zich op de basis van de nu geschapen situatie. Tot dusver was het zo, dat de classici in moeizaam overgespaarde tijd, behalve de op het eindexamen gevraagde auteurs, nog eens hier en daar 'n greep konden doen uit Lucretius, Horatius, 't Griekse Nieuwe Testament, en, last-not-least, de voor het Inzleht in de Griekse reUgieusitelt onmisbare tragedie. Bij de urentabel, die tot dusver gold, bleef de laatste jaren zelfs deze laatste onbehandeld, althans aan ons Gynmasium, dat toch met zijn kleine klassen wel het meest daartoe zou moeten kunnen geraken. Overigens was deze lectuur voorzeker niet onvruchtbaar voor de vertaling van de eindexamenauteurs. Maar, als gezegd, tot deze „extra" lectuur kwam het zelfs niet.

En de eindexamenauteurs, Ut denk nu maar aan Plato en Seneca, moesten, ondanks dit alles, _ toch nog met grote zorg worden doorgeneusd om' een stuk te vinden dat gemakkelijk genoeg was, en de leerlingen tot niet al te~grote buitenslagen zou voeren. Inderdaad, verlichting van het A-eindexamen zou er wellicht toi kunnen leiden, dat Plato en Seneca (Tacitus) als eindexamenauteurs zouden moeten vervallen. Wat voor een ramp dit zou betekenen voor a.s. studenten b.v. in de theologie laat zich niet licht beschrijven. Het wordt voor hen een achterstand, die practisch niet zal kunnen worden Ingehaald. De studenten hebbeu, en terecht, belangstelling voor andere dingen dan voor het inhalen van allerlei, dat hun op het Gymnasium had moeten zijn geleerd. Bovendien is de Hogeschool niet een instituut als het Gymnasium, waar men de leerlingen uur na uur onder zijn beslag heeft en hen kan overhoren, corrigeren en verder helpen, onvermijdelijke werkzaamheden bij deze dingen. Zo komt men voor het dilemma te staan: Of een langere studietijd, omdat men niet kreeg, wat men behoefde; of „verlichting" van de eisen voor propaedeutisch en candldaatexamen. Met dit laatste krijgen we dan afgestudeerden, die niet dan met grote moeite de bronnen zullen kunnen bestuderen, daarmee de bestaande chaos der meningen nog maar weer vermeerderend, allereerst tot schade van degenen, die op hun leldhig vertrouwen.

Ik meen te hebben aangetoond, dat het karakter van het gymnasium als onderwijsinstituut niet gedoogt, dat ook nog van het bestaande urental wordt afgetapt. Hiermee is, naar Ik meen, tevens duidelijk geworden, dat het uitbreiden van de uren voor natuurwetenschap, althans voor de A-leeriingen, overbelasting betekent. Dat evenwel ook overwegtagen van opvoedkundige aard ertoe moeten leiden, dat het urental der klassieke talen eerder dient te worden vergroot dan Verkleind, acht ik een tweede onomstotelijke stelling. Men verdenke mij er niet van, dat Ik „de klassieke vorming" In de gangbare zin zou willen verdedigen. Welk Christen-ouder zou, Indien gesteld voor het dilemma „Gods levende natuur" of „afvallige cultuur" durven kiezen voor het doordrenken van de ziel van zjjn kmd met de producten van de afvallige cultuur?

Maar dat dit probleem een probleem Is gebleven, en inderdaad, en terecht, na alle „Christelijk" onderwijs, nog steeds zo gesteld wordt, is een aanklacht tegen datzelfde Christelijke onderwijs. Bij navraag, hoe de klassieken gedoceerd worden aan onze „Christelijke" Gymnasia en Lycea, hoort men al maar weer de klacht, dat zo zelden de Schrift is geopend naast de lectuur der, klassieken en haar wijsheid daartegenover Is gesteld.

Dat aan de „openbare" inrichtingen de klassieke cultuur als hoogste wijsheid wordt behandeld, spreekt tot op zekere hoogte vanzelf. De klassieken hebben mderdaad de fundamenten gelegd tot het hedendaagse gedachtengQed. Wie zich In de probleemstellingen van vandaag verdiept, komt almeer tot de overtuigmg, dat ze in de Oudheid eigenlijk ook reeds gesteld waren, en beantwoord. Het humanistische Gymnasium zal dan ook met alle kracht zich moeten verzetten tegen de voorgestelde regeling, zal het niet de wortel, waarop het rust, bij de grond afsnijden. Maar het zal daarbij moeten bedenken, dat een dergelijk protest een inconsequentie bevat, gezien het altijd gepropageerde beginsel, dat de Staat voor het onderwijs dient te zorgen. Met de Staat is het niet slechts verbonden door een zilveren koorde, maar de Staat is zijn voedsterheer, zijn werkgever!

Met het Christelijk Gymnasium staat het anders, dient het althans anders te staan. Het zal zijn adeldom weer bewust dienen te worden. Het zal weer zelfstandig moeten worden. Die subsidie moet ons niet aan handen en voeten binden, aan alle mogelijke vernleuwlngs-of aftaJceltngslust bij de politieke meerderheid overgeleverd.

Maar om weer, of om eindelijk eens zelfstandig te zijn, dienen wij ook te komen tot een eigen opzet van ons onderwijs. Is het slechts een Christelijk sausje over de z.g. onaantastbare wijsheid der heldenen, dan Is alle emancipatie in wezen voos, en ook oneerlijk. Dan houd ik 't met hef bovengestelde dilemma. Dan Is de klassieke cultuur, van de zijde der opvoeding gezien, opium voor onze kinderen. Dat komt telkens om de hoek gluren, als men van de zijde der classici zo speciaal hamert op de wenselijkheid van het lezen der z.g. Christelijke auteurs op onze Christelijke gymnasia om het karakter der school. Natuurlijk is daar wel iets voor te zeggen. Maar principieel is dat onjuist gezien. Ook die z.g. Christehjke auteurs kunnen pas als zodanig worden beoordeeld, zo zij in hun historische achtergrond worden onderwezen, dat betekent, zo zij worden ontdekt aan hun classicisme. Daarom vaUen we steeds weer terug op de onontkoombare noodzakelijkheid de klassieken te doceren als toonbeelden van valse religie, als profetie van de leugen. We kunnen het ook zo zeggen: Onze kinderen kunnen niet anders de klassieken verstaan dan zo. Het is niet mogelijk de klassieken te interpreteren zoals zij het werkelijk bedoelden, anders dan door ons zelf op hetzelfde ogenbUk ten volle te buigen onder de norm van Schrift en belijdenis. Ik kan niet de troost, die Socrates vóór zijn dood aan zijn vrienden meende te mogen geven, naar Socrates' bedoehng uiteenleggen, zonder op hetzelfde ogenblik mijn eigen visie daarop

uitdrukking te geven. Sooma en psyche, mythos en logos en al die zwaargeladen Griekse werkelijkheden dienen op het Christelijk Gymnasium aan de kinderen des Verbonds te worden onthuld in hun afvallige zin. Dan bereiken wij, naar de opvoedkundige zijde, wat wij zien als onze roeping van Godswege.

Welnu, om dit te bereiken was ons de tijd, ons in de afgelopen jaren toegemeten, reeds kort genoeg. We konden veel te weinig lezen van de voor-Socratici, van Plato en de sophisten. Dat wij aan de zeer belangrijke tragici niet dan zeer zelden konden nippen zei ik reeds. En dan het Nieuwe Testament! Juist de uren, die het mogelijk zouden maken om de moeizaam verworven taaltechnische kennis vruchtbaar te doen zijn voor de leerling om hem gevat te maken op en opgewassen tegen zoveel elementen in het hedendaagse ongeloof, en hem op de achtergrond der dingen te wijzen, zijn nu weggenomen.

En we hebben zeker nog niet het plafond bereikt van de progressiviteits-enthousiasten. Volgens een ingezonden artikel van een zekeren heer P. Schut in het Weekblad van 5 Mei is de getroffen maatregel nog maar „een eerste stap, want dit aantal uren is volstrekt onvoldoende om de A's een enigermate behoorlijk inzicht te verschaffen in de betekenis der natuurwetenschappen". - Willen wij hét Christelijk Gymnasium werkelijk Christelijk doen zijn, dan zullen in de eerste plaats de besturen deze dingen intens moeten bestuderen, en de getroffen regelingen niet maar als een „vrucht van gemene gratie" dienen te ontvangen. Zij zullen zich moeten afvragen, of hier het vrije Christelijk onderwijs niet dodelijk wordt gekneveld, of het niet, inplaats.van afgebouwd, afgebroken wordt. En wellicht zullen de instanties der A-faculteiten van onze inrichtingen voor Christelijk Hoger Onderwijs hiertoe de besturen stimuleren en zelf mogelijke stappen doen om htm alumni voor verdere afbraak te behoeden.

Voor deze principieele beschouwing zijn-we dank-'baa.r. Het komt spoedig zóóver, dat er zoo goed als niemand buiten de latere beroeps-classici meer is, die met behulp van wat het gymnasium hem leerde, kan doordringen tot de (in 't latijn geschreven) bronnen. Langzamerhand zijn dan de roomschen de eenigen, die mannen genoeg hebben om tot de bronnen terug te gaan, en ze te lezen. Je wordt gewoon jaloersch als je ziet, wat in Engeland, Frankrijk, België, vóór den oorlog in Duitschland bereikbaar was aan het openen van middeleeuwsche bronnen. Ik weet, dat de roomsche kerk haar auteurs verkrijgt op een manier, die wij nimmer zullen erkennen voor de onze. Maar waar-' om moet vrijwel de heele akademische jeugd worden losgeweekt van de bronnen? Waarom moeten we 'het amerikaansche opvoedingssysteem in de armen vallen? Waarom zijn onze eigen inrichtingen zoo vrijwillig arm, om een paar-duiten? Waarom heeft men op de plaats, waar Kapteyn, Esser, Dam zoo prachtig gewerkt hebben, om nu maar té blijven staan bij de overleden r e c t o r e n , ik bedoel het voormalige Gereformeerde Gj-mnasium, thans een Rector krijgen, die ongetwijfeld een uitnemend man zal zijn, maar die geen latijnsche thema keuren kan, terwijl een lid der Gereformeerde Kerk van Kampen, kerkgebouw Broederweg, en tevens aldaar lector, door een meerderheid in het Bestuur (o.a. dr G. M. den Hartogh) gepasseerd werd, hoewel hij van alle kaaiten bekwaam was, erkend was bij iedereen, principieel doceerde als dr ~ Dam, en classicus was?

Men wil zoo grSïag „samenspreken", heet het. Maar die op een paar mooie vredes-zinnetjes afkomen, en zulke dingen zien gebeuren, die moesten ons eens duidelijk maken, wie de zaken achteruitwerkt in een schismatieken geest. Niet wij, maar zij, die zóó omspringen met een voormalig gereformeerd gymnasium.

K. S.

Wat is „schorsen”?

In ons „Greijdanus-nummer" citeerden we ds Meynen van Dordt; op ons onderschrift komt hij terug, en schrijft dan o.a.:

Dat Ik niet meer weet wat een kerk en wat een ambt Is (ik zet vet), dat meent de geachte schrijver niet. Trouwens over dat een ware wel iets te zeggen en te vragen. En op de heele wereld is geen bewijs te vinden, dat ik Prof. G. „mijn preekstoel" onwaardig heb verklaard.

We vragen: wat is schorsen op grond van artt. 79 en 80, zoo het niet is: het zetggen: deze man is niet 'waardig te preeken?

Overigens bevestigt ds Meynen inderdaad gesproken te hebben over den „kop van den lintworm", en gaat hij eenige duizendmaal weerlegde beweringen repeteeren, tot de nog pas in een aan Greijdanus gewijd iherdenkingsartikel (jubileum. Kamper Almanak) weersproken bewering, dat er organisatie der „bezwaarden" zou geweest zijn.

Net doen, alsof er niet geschorst is....

Ds Wielenga (Waddinxveen) noemt de gereformeerde kerken, die wij dienen „lastig kruid" in den kerkelijken hof. Hebben wij hem geschorst en afgezet om een één-dagsformule, waaraan men ons toch bond, of hij ons?

K. S.

Hernieuwde Indrukken van ds C. Vonk.

Ds C. Vonk geeft in Gteref. Gfezinsbl. een bespreking van ds G. Janssen's boek: „De feitelijke Toe-• dracht". Hij merkt op:

Ds Janssen is er in geslaagd mij in de zomervacantie alles nog eens weer opnieuw te. doen beleven en, hoewel hij de gave heeft rustig en beheerst de eenvoudige toedracht der feiten voor u uit te stallen, heeft hjj in mij soms weer de vroegere verontwaardiging doen herleven, b.v. over die walgelijke insinuatie (inzake Schilder's publieke optreden te 's-Gravenhage op 11 Aug. '44, nadat hij tevoren steeds ondergedoken was geweest) door een let wel synode, van welke nare insinuatie, hoewel ze met de stukken weerlegd werd, nog nooit één letter werd herroepen. Een ander ding: Ds V£ui Dijk werd als een kwajongen van de synode weggestuurd, ondanks zijn aangrijpend laatste schriftelijke woord; een maand later verklaarde Ds Bos zich geheel achter de actie der bezwaarden te stellen. Maar: „de acta vermelden van dit alles niets”.

Iets anders: soms werden maar gauw ambtsdragers geschorst om straks in een eventueel proces op de kerkelijke bezittingen sterker te staan. Of: Eerst ging men een nieuwe dogmatische uitspraak doen en de vonnissen bekrachtigen en had daarna nog de brutale moed tot ons te zeggen: Zullen we niet eens praten? (Bijna onbegrijpelijk, dat onze Groninger synode op die brutale vriendelijkheid nog zo geduldig gereageerd heeft). Kortom, als Ds Janssen u nog eens weer rustig en zakelijk laat zien, hoe de Friese bezwaarden met een kluitje In het riet werden weggestuurd; hoe men zich als een paling in de bun bleef draaien om toch uit die nare zaak-cand. Schilder uit te draaien, werkelijk, dan wordt men er draaierig van en vraagt zich, na zo'n opfrissing van de herinnering aan zoveel ietwat vergeten ellendige feiten, verbaasd af, waar de synodalen de moed vandaan halen om nog tot ons zulke vrome woorden te spreken, 't Is bar. Wat kunnen ze hun eigen geschiedenis toch gauw vergeten.

„WalgeUjke insinuatie", inderdaad; en nóg doet ze opgeld.

K. S.

Leerbrouwsels.

Uit dezelfde recensie van de hand van ds Vonk:

Ook moeten we Ds Janssen dankbaar zijn, dat hij onder de „Bijlagen" heeft opgenomen wat er al zo door de synodalen aan leerbrouwsel is gepubliceerd: de leeruitspraken van 1942, de 16 punten van '45, welke weer „vervangen" zijn, (maar zo, dat ze niet helemaal „vervangen" zijn) door de vervangingsformule van 1946. Een mens zou er hoofdpijn van krijgen.

Wie drinkt er nog werkelijk van dit brouwsel?

K. S.

Ds B. Jongeling over al of niet schrijven vooraf,

In Gteref. Kb. v. h. Noorden zegt ds B. Jongeling, Sappemeer (na herinnerd te hebben laan het Groningsche besluit: eerst s c h r ij v e n):

Dit is door de Synode van Groningen niet zonder reden zo gesteld. En het boek van Ds H. J. Schilder bevestigt de juistheid van dit Gronings besluit. De ervaringen, door Ds Schilder opgedaan, bewijzen — helaas —• hoe nodig het is precies op schrift te hebben wat van de andere zijde gezegd wordt. En dat is evenzeer nodig ten aanzien van wat onze deputaten zeggen. Zij moeten allereerst precies rekenschap kunnen geven van het verhandelde. Maar bovendien, in de zaak waar het om gaat, komt het aan op een zeer scherpe formulering, op uiterst nauwkeurige zegging, pp haarfijne uitdrukking.

Een college van deputaten, dat voor die taak staat, moet de gelegenheid hebben om na grondige overweging ~ zijn standpunt weer te geven. In een mondelinge samenspreking kan het wel gebeuren — en dat geldt voor beide „partijen" — dat een deputaat iets zegt, waar zijn mededeputaten niet zonder meer instenuning mee kunnen betuigen. En dat kan veel verwarring geven. Niet, wanneer daar een gemoedelijke, genoegelijke onderhandeling is. Dan wordt zoiets gemakkelijk weer in het gelijk gebreid. Maar wat hier aan de orde is, is niet een gemoedelijke onderhandeling, al wordt het van de andere zijde gaarne zo voorgesteld. Het gaat hier om waarheid en oprechtheid in het kerkelijk handelen. Was er in de synodalistische gemeenschap trouw aan de eigen besluiten en handelingen, de zaak zou er nog weer anders voorstaan. Maar die trouw ontbreekt juist. De „Friese predikanten" mogen beschuldigingen richten tot de synodes, veel erger dan prof. Schilder ooit heeft uitgesproken, zij blijven ongemoeid. Ds Feenstra mag schrijven over Doop en Verbond precies eender als de bezwaarden destijds deden, met duidelijke afwijzing van de synodebesluiten in dezen, hij wordt daarin niet gehinderd. Vele predikanten mogen preken in volslagen ' andere geest dan door de synodeuitspraken wordt geademd, hun wordt geen haar gekrenkt.

Er mogen vergaderingen gehouden worden van „bezwaarden", van mensen die strijd willen voeren tegen de synode-uitspraken, er wordt geen tucht geoefend. Er is uitgesproken, dat prof. Schilder zich schuldig gemaakt heeft aan de in het Avondmaalsformuller genoemde zonde VcUi scheurmaking, nochtans is niet het bevel uitgevaardigd hem het Avondmaal te ontzeggen. Een kerk wordt uitgesloten uit het kerkverband, nochtans bezigt men de broedernaam. Kerkleden wordt het Avondmaal ontzegd, maar dit wordt niet geacht te zijn een hanteren van de sleutelen des hemelrijks (Zondag 31 Held. Cat.). De één wordt gemeten met deze maat, de ander met die maat (prof. Schilder, prof. Greijdanus). Die dingen liggen er allemaal, als evenzovele bewijzen dat er in de synodalistische kring geen trouw is aan het eigen woord, terwijl toch de handelingen, op dat woord gegrond, van kracht blijven.

En waar er aan de andere kant geen trouw is, daar kan er bij ons geen vertrouwen zijn. Eerst moet weer, door heel preciese, nauwkeurige formulering in schriftelijke onderhandeling, het vertrouwen althans enigermate zijn hersteld, dan pas kan aan de orde komen mondelinge samenspreking. De basis, dat we toch broeders zijn in Christus, is gezien het verleden, platonisch. Het geloof zonder de werken Is dood. Jacobus vermaant daarin zeer kras: Wat nuttigheid is het, mijn broeders, indien iemand zegt, dat hij het geloof heeft, en hij heeft de werken niet? 'Kan dat geloof hem zalig maken?

Wat nuttigheid is het, indien een kerkgemeenschap zegt: gil zijt broeders, maar zij sluit haar kansel en haar Avondmaalstafel af? Kan dat zeggen de gemeenschap herstellen? En is dat zeggen een voldoende basis voor samenspreking ?

De broederband is verbroken. Basis voor onderhandeling kan m.i. alleen liggen in het historische feit, dat wij vroeger in één kerkgemeenschap leefden en in de historische feiten van de tuchtmaatregelen. Daarom is, zoals onze deputaten terecht gezegd hebben, eerst nodig een duidelijke situatietekening. En hoe zal men nu duidelijker situatietekening krijgen, dan door nauwkeurige op-schrift-stelling van de geschiede feiten naar de maatstaf van Schrift en Belijdenis?

K. S.

De russische sector.

Lustrator schrijft in Ger. Kb. v. h. Noorden over een amsterdamsche tram, en een ontevreden meneertje, hangende aan een lus:

En toen kwam de conducteur. Wij begrijpen best dat het humeur van onze buurman, die het — op z'n Gronings gezegd — niet breed had, aan bederf onderhevig was.

We vonden het zelf ook niet prettig aan de lus. Maar we begrepen niet waar hij in zijn amechtige toestand de moed weg haalde om een praatje met de conducteur te beginnen en zijn hart te luchten.

„Jij zult ook blij wezen als die poppenkast weer afgelopen is”.

Amsterdamse tramconducteurs zijn gemoedelijke mensen, die de familiare aanspraak best kunnen verdragen en deze was van het goede soort.

„’k Heb best een beetje moeite voor Juliaantje over", was zijn wederwoord.

Er ging een goedkeurend gemompel door de tram. Maar het corpulente heertje was daaraan onschuldig. Net ging de tram door een bocht en daardoor verloor hij zijn lichamelijk en geestelijk evenwicht. En toen ontlastte hij in één keer zijn opgekropt gemoed:

„Om mij mogen ze die hele sante-kraam opruimen en hoe eerder hoe liever.

De conducteur ging onverstoorbaar verder.

„Overstappen? " vroeg hij, zich tot het wendend. mannetje

Het antwoord kwam van een andere passagier. „Ja, op de Russische sector”.

Wij wilden wel dat wij het gezegd hadden, maar zulke dingen schieten ons altijd te binnen als we 's avonds in 't bed liggen.

Deze keer moesten we ons weer beperken tot een spontane bijdrage tot de algemene hilariteit. In tegenstelling met het mannetje.

Want het mannetje werd kwaad en kwade mannetjes richten zich altijd tegen ons.

„’t Is er allicht beter dan hier", beet hij ons toe. Wij weten nooit wat wij in zulke gevallen raceten zeggen.

Wij schaarden ons aan de zijde van Willem de Zwijger en zwegen.

Maar een ander nam het voor ons op. „Daarom springen de mensen zeker uit de vierde verdieping van het consulaat”.

Het kwam uit de mond van de conducteur.

Het is goed, ook eens even te lachen midden tusschen al die debatten over spreken-dan-wel-eerstschrijven.

K. S.

Onthoofde beeldjes.

„Observator" van „De Waarheidsvriend" is in Frankrijk geweest en vertelt:

De Notre Dame van Parijs, zo vertelde men mij, stond in de vroege Middeleeuwen zelfs onder de basiUek van Sens.

Als men in deze machtige kerk wandelt, dan is het alsof men in de geest eeuwen teruggeleid wordt naar , voorbijgegane tijden. Bij alle schoonheid, die ik mocht genieten, heeft deze kerk mij ook twee feiten helder voor ogen gesteld. In de eerste plaats heb ik opgemerkt de grote macht, die de Kerlc oudtijds uitoefende over het leven der mensen. De Kerk legde in de Middeleeuwen een gehele gemeenschap zo maar de plicht op, onder bekwame bouwmeesters aan de bouw van een kerk te arbeiden. Het zou heden ten dage onmogelijk zijn een kerk met een dergelijke hoogte en met dergelijke massieve muren te bouwen.

In de tweede plaats heb ik ook aan die kerk mogen opmerken de afbraak van de kerkelijke macht. Bij de ingangen zag Ik n.l. in boogvormen boven de entree's sierlijke beeldjes, die beroemde en bekende geestelijken, aartsbisschoppen en bisschoppen, moesten voorstellen.

Moesten voorstellen, want de beeldjes droegen geen hoofd. Toen ik aan de koster vroeg, waarom die statuutjes geen hoofd hadden, kreeg ik het simpele antwoord: „Grande Revolution!" De volkshaat tegen de heerschappij van de geestelijkheid heeft zich in de Franse revolutie 1789 als een furie op die beeldjes geworpen, de beeldjes werden niet weggeslagen, maar, wat nog veel venijniger is, ze werden alle onthoofd.

Onthoofde beeldjes: een beeld van de afrekening van het volk met de heerschappij der geestelijkheid.

Vandaag willen sommigen, dat wie ondanks alles niet onthoofd is, zich zal aanklagen deswege, en dat wie ondanks alles wel onthoofd is, zal worden aangesproken als hebbende hoofd — en pruik, met toebeihooren.

K. S.

De sport en de vrede.

Uit „Laatste Nieuws uit Indië" d.d. 23 Aug.:

OLYMPISCH TOURNOOI.

Het Indiase hockeyteam en de Indiase gemeenschap In Engeland haalden verlicht adem toen vast kwam te staan, dat de finale van het Olympische hockeytoumooi

niet tussen de Indiërs en de Paklstaners zou gaan. De leider van het elftal van India, P. Gupta, verklaarde, dat er een „psychologisch aspect" mee in verband staat. „Indien wij tegen Pakistan hadden moeten spelen en een van onze spelers zou onopzettelijk een van zijn tegenstanders ongelukkig geraakt hebhen, dan had hieruit licht een nieuwe opleving van algemene ongeregeldheden kunnen ontstaan. Wie er ook gewonnen zou hebben, de consequenties hiervan zouden wellicht van gelijke aard zijn geweest”.

Terecht teekent een lezer hierbij aan: „'Trouw' sprak over sportverbroedering, toenadering der volken, enz. enz.”.

K. S.

Ds Y. K. Vellenga over voorslag-ds Bos.

In „Geref. Kbl. Dr. en Ov." schrijft ds Y. K. Vellenga (Meppel, synodocr.) in verband met de brochure van ds Bos natuurüjk eerst eenige welwillende woorden: hoe kan 't ook anders:

Ik geloof ook, dat, zal het ooit tot hereniging komen, het op deze manier beginnen moet, dat het verdriet over de scheuring niet pro memorie genoemd en dan door een klaterende beklemtoning van eigen goed recht gevolgd wordt, maar dat beide in het betoog elkander in evenwicht houden. Zodra zo gesproken wordt, is het mogelijk over en weer naar elkaar te luisteren.

Twee opmerkingen: waarom fantaseeren de synodocratische auteurs toch altijd, dat wij „eigen goed recht" beklemtonen? We hebben toch aan de deputaten-Ridderbos aangeboden: vraagt maar wat u wilt. schrijft maar wat u wilt, wij tenminste zullen het in onze pers afdrukken van a tot z? Als de synodooraten zo overtuigd zijn, dat hun zaak niet te verdedigen is, wel, is dat dan een reden om onze woorden te vervalschen ?

Voorts: is dat de redding: p s y c h i s c h evenwicht tusschen verdriet en zelfrechtvaardigingswil? Of intellectueel evenwicht tusschen gevolgentaxatie en oorzakentaxatie ? Ik dacht eigenlijk, dat we geen stap konden vorderen zonder gehoorzaamheid aan de Schrift en de belijdenis. Maar het blijkt nu, dat zoolang niet de evenwichts positie der zielen (een pure onderstelling overigens) bereikt wordt, we naar elkaar niet KUNNEN luisteren, volgens ds V. Op het oogenblik is dat dus o n m o g e 1 ij k, z.i. Goed, dat we het weten. Argumenteer zooveel ge wilt, men zal niet luisteren.

Maar als puntje bij paaltje komt, dan geeft ds Vellenga ds Bos „niet thuis”:

Zolang de Gereformeerde Kerken en de vrijgemaaJtten, p, lg gehele groepen genomen, nog bezig zijn contact te zoeken en dat maar niet krijgen, zoals men dat zou wensen, moeten we ons van een particulier initiatief niet al te veel voorstellen.

Het zou toch wel wonderlijk zijn, dat onze synode officieel uitsprak, dat we „mondeUng" moeten gaan spreken en omgekeerd de hunne, dat wij het „voorshands schriftelijk" moeten doen, en dat dan tn de kerken zelf, hier en daar en, naar de wens van ds Bos, overal, aandrang werd uitgeoefend om tot besprekingen te komen, zonder dat eerst dit punt, dat toch zeker weer aan de orde zou komen, tot oplossing was gebracht.

Met voorbijgang van wat herhaaldelijk gezegd is, merkt ds V. op:

Wij vrezen bij schriftelijke behandeling van het conflict een eindeloos en steeds verder van het doel afbrengend geschrijf.

Natuurlijk is dit onjuist: het KA.N op een velletje papier af. Ja of neen. En — 't had allang kunnen klaar zijn, 't heele gedoe. Binnen een paar dagen kan het nóg.

Tenslotte:

Met alle waardering voor de goede bedoeling van ds Bos, voor zijn dringende oproep en de weldadige toon van zijn betoog, acht Ik dan ook het grote bezwaar tegen zijn brochure, dat hij, als het er op aankomt, de synodale deputaten en de synodes, die achter hem staan, eigenlijk onmachtig verklaart, en het daarom nu eens weer van-onderen-af wil proberen, zeker In de kerkelijke weg, maar dan toch met de kwalificatie van hen, die tot nog toe aangewezen werden om contact te oefenen.

Dat gaat praotisch niet.

De beslissingen van beide synodes over de wijze van samenspreken hebben een achtergrond. Daarin uit zich iets van het gevoelen, waarmee men tot elkaar nadert. Maar dat gevoelen is niet het gevoelen van enige particuliere mannen, doch van de vertegenwoordigers der kerken. En dat moeten we maar niet over het hoofd zien.

Ja, ja, en over het recht en den plicht tot zakelijk­ heid is nog geen woord hier gezegd.

K. S.

Spreek concreet, — en ze stoeten zich.

In het synodocr. orgaan van Dr. en Ov. haalt ds Y. K. Vellenga via dr den Hartogh een stuk aan, dat in een van onze bladen moet geschreven zijn (volgens hem; het is mij ontgaan, wie de sch. was en welke de datum):

Achter 1 April 1572 lagen Luthers iStelllngen en Calvijns reformatorische arbeid en de geloofsbelijdenis van Guido de Brés en nog veel meer „kerkelijke data", die eveneens, dat kan niet anders, „politieke data" waren.

Achter 14 Juli 1789 lagen ook zulke kerkelljk-politleke data en feiten. De Bartholomeasnacht, de opheffing van het Edict van Nantes, de uitroeiing van de kerk der Reformatie in Frankrijk.

Daar ligt de sleutel. Een volk, dat Gods kerk aanrandt, breekt aan de fundamenten van de staat en zal vroeg of laat de vreselijke gevolgen ondervinden. Een volk, • dat gehoorzaam wordt „m het stuk van de kerk", zal daarvan ook in zijn staatkundig leven de vrucht plukken.

Het Franse volk is 14 Juli 1789 niet vergeten. Helaas niet. Het is nog trots op zijn revolutie.

Het Nederlandse volk' is 1 April 1572 wèl vergeten. Helaas wel. Het leeft niet meer uit de geest der Reformatie. Ook de meeste christenen zien niet meer wat Groen zo duidelijk zag: dat Nederland in de kerk geboren is.

De kerk kan In een bepaald land te gronde gaan door algehele uitroeiing. In Spanje bijvoorbeeld Is dat in de zestiende eeuw gebeurd.

De kerk kan ook ten onder gaan doordat zij haar poorten openzet voor de ketterij en doordat ze degenen gaat vervolgen en uitwerpen, die haar bestraffen over haar gebreken.

Dan blijft het „instituut" misschien wel rijk en machtig en bloeiend, maar zo'n kerk is dan niet meer een kaars op een kandelaar, een bederfwereud zout in staat en maatschappiij. Kerkelijke revolutie leidt tot staatkundige revolutie, als er geen bekering komt. Nederland is al lang bezig van 1 April op 14 Juli over te schakelen. Ook duizenden, die zich Gereformeerd noemen.

Denk aan de Synode van 1942—'44. Denk aan de Synode van Eindhoven, die de A.R. verkiezingsleuze „In Indië niet de chaos van de republiek, maar de rechtsstaat" reeds van te voren op zijn kop zette.

Er zal nog wel meer op zijn kop komen te staan, vrees ik. Want wie de fundamenten van de kerk gaat rammelen, stoot meer, veel meer omver. Denk aan Frankrijk.

Dit is een ernstig stuk, het krenkt niemand, en spreekt voor de natie goede taal, zoo iets als Algra doen zou in zijn goeie dagen, of Smeenk, enfin, al die anderen, waarvoor dr den Hartogh een vleiend woordje zou over hebben, als Kiij hun tegenkwam. Maar tja, er staan een paar mtdrukkingen in, die, ofschoon (zóó móet je dat wel zeggen tegenwoordig) ofschoon ze in de belijdenis staan, toch herinneren aan de schorsing etc. en voorts critiek op Eindhoven. En deiarom is dr den Hartogh niet op zijn gemak, en gaat ds Y. K. Vellenga er zelfs mee spotten, linea recta:

Het komt mij technisch wat moeilijk voor „fundamenten te rammelen". Muren kan men dat wel doen, maar fundamenten moeilijk. Zulke stoute beeldspraak zet de taal op zijn kop. Maar dat is natuurlijk niets, vergeleken bij de bange op-zijn-kop-zetterij, die alom en met name bij „duizenden, die zich gereformeerd noemen" door de profetische geest des schrijvers gezien en voorzien wordt.

Gelukkig, dat we tijdig gewaarschuwd worden.

Zeg de dingen in den niet-konkreten ach-en-weetoon, en men vindt u stichtelijk. Noem man en paard, en ge wordt weggehoond. Intusschen — ga door, als 't maar waar is.

K. S.

Schuldige onwetendheid.

Ds F. A. den Boeft in Gron. Kbl.:

De schorsingen en. afzettingen blijven gehandhaafd, ondanks alles wat daarover reeds gesproken en geschreven is. We doen nog maar al te veel, alsof er geen revisle-Sijnode gehouden is in Utrecht, waar al de stukken nog eens nader zijn bekeken, maar waar men niets heeft teruggenomen van hetgeen eenmaal besloten werd. En, al moge het waar zijn, dat velen leven in onkimde, we hebben dan toch wel heel sterk te doen met een schuldige onwetendheid. Het is wel erg: dezer dagen kreeg De nog een schrijven, waarin te lezen stond: wij (dat waren de gebonden kerken) houden de kinderen voor wedergeboren, totdat het tegendeel blijkt, maar In uw kring weet men zeker, dat zij wedergeboren zijn.

Aan het slot:

Wie In schorsing en afzetting Zijn volk aanrandt, randt Zijn oogappel aan. Het is tn de dag van de vrijmaking een stuk vreugde, dat de Heere het voor ons opneemt en eenmaal onze rechtvaardige zaak aan het licht zal brengen.

K. S.

Doorzetten.

In tegenstelling met wat ds B. A. Bos wil, is wat ondervonden werd door onzen ds H. Drost, Nieuw Buinen (bhjkens Gron. Kb.):

Van de gebonden kerk te Nieuw-Bulnen: geen antwoord na 2 jaar wachten, ook geen bedrag van f 1500 als gave van dankbaarheid; wèl een dagvaarding met een eis In kort geding. Waarom dringt die broeder, die indertijd met een sjmodocr. Jehu's ijver Ds C. Stam te 2e Exloërmond meende te moeten vermanen vanwege Remonstrantse smetten, niet op enig antwoord aan?

Even later:

Van de Deputaten art. 19 K.O. provincie Groningen een schrijven door bemiddeling van hun TertuUus: geen minnelijke schikking, maar doorzetten.

K. S.

Dr J. Bidderbos en dr S. Greijdanus.

We-citeerden wat dr J. Ridderbos schreef ter zake van de laatste dagen van collega Greijdanus, en stelden daartegenover wat wij als feiten wisten. Thans citeeren we ds H. Drost in Gron. Kb.:

Van Prof. Ridderbos Sr geen antwoord op het schrijven, dat door enige oud-leerlingeu In de Plnksterweek vóór het sterven van Prof. Greydanus aan zijn adres verzonden is, met een krachtig en ernstig appèl op het broederhart. Enige tijd later schreef zijn zoon in het Geref. Weekblad: de nadering van zijn dood heeft deze vervreemding niet kunnen doorbreken. Hoe kan men zulke woorden neerschrijven ?

Dr Ridderbos' vrienden wekken nog al eens den indruk: een bepaald man wil niet, wil niet, wil niet. Waarom niet: ik kom niet, ik kom niet, ik kom niet?

K. S.

Toelichting en praeadvies verzocht.

Uit hetzelfde artikel van ds H. Drost:

„De dagvaardingen, waarmede wij nog steeds voor rechtbanken en gerechtshoven gesleept worden, spreken een heel andere taal, dan de uitnodiging tot gemeenschappelijk gebed". Deze woorden uit de open brief van Ds P. K. Keizer zijn mij uit het hart gegrepen. Wat is er pas weer in Zevenbergen gebeurd ? Wat is er gebeurd In Axel en Giessendam? Zouden Prof. Den Hartogh en Prof. Nauta met Mr Dr J. Donner, president van de Hoge Raad en Dep. voor de corresp. met de Hoge Overheid en Mr Aalders G.Ch.zn eens een Toelichting met Praeadvies willen geven b.v. op de zaak-Glessendam en deze zaak dan plaatsen in helder Schriftuurlijk licht, opdat het Geref. kerkvolk toch moge weten, of er in deze zaak gehandeld is naar de eisen van Gods Woord, zoals de belijdenis van de gemeenschap der heiligen naar Zondag 21 van ons vraagt. Zolang zulk een toelichting ontbreekt, word ik steeds meer, bevreesd voor de practische toepassing van de Geref. V.U. beginselen op kerkrechtelijk en juridisch gebied.

K. S.

Ds J. V. Bruggen (blijkbaar) contra ds B. A. Bos.

Sprekende over het hier gepubliceerde voorstel-Assen zegt, in zijn kerkb. ds J. v. Bruggen (Assen):

Ieder kan zien, dat hier de deur voor waarlijk k e r-k e 1 ij k handelen wordt opengehouden, maar voor allerlei onkerkelijke onderhandelingspogingen gesloten wordt. Ik meen, dat dit hoog nodig is, want dit laatste houdt slechts tegen in ieders schuldige plicht, de eenheid der kerk te onderhouden.

K. S.

Enschede over een wonderlijke invitatie naar een „oecunjenische synode”.

In het kerkeraadsverslag van Enschede lezen we:

Inzake de uitnodiging tot bijwoning van de ecume-' nische synode van gereformeerde kerken, welke gehouden zal worden in Augustus 1949. Deze is een vervolg op de ecumenische synode tn Grand Rapids (Noord Amerika) In 1946. Destijds zijn onze kerken niet uitgenodigd, wel o.a. de synodocratische en heeft de ecumenische synode de leerbeslissingen Inzake onderstelde wedergeboorte enz. goedgekeurd, zonder ons daarover te horen en terwijl dergelijke leerbesllssimgen in andere kerken ter wereld niet bestaan. Gewezen wordt op het onlogische, dat wij ditmaal wel uitgenodigd worden. Het algemeen gevoelen is, dat onze kerken deze invitatie niet behoren te accepteren met opgave van redenen. Een commissie zal op de volgende kerkeraadsvergadermg een nadere formulering van ons gevoelen geven, waarna de eindbeslissing genomen wordt.

Twee vragen: in 1946/7 heette het (in de Chr. Ref. Church Amerika): geen correspondentie hebben we met de Geref. kerken, zooals b.v. dr S. Greijdanus daar als ambtsdrager erkend wordt. Nu wèl ineens? Niets van gemerkt.

En dan: als men toch e e n m a a l inviteert wie geen c o r r e s p o n d e n t i e onderhouden, zijn dan de Protestant Reformed Churches in Amerika (Kev. Hoeksema, goed gereformeerd, en zeer nuttig contribuant tot gereformeerden arbeid) ook uitgenoodigd? Tenslotte de opmerking: eerst hebben ze in 1946 den boel verknoeid, door gauw-gauw die onzedelijke en onware vervangingsformule z.g. goed te keuren. En nu, bij wijze van mos­ terd na den maaltijd, wij erin?

K. S.

Enschede over de liwestie van schrijven dan wel maar wat praten.

Uit het kerkeraadsverslag van Enschede:

Inzake de samenspreklng met de synodocratische kerken om indien mogelijk tot eenheid te komen wordt breed gesproken. Br wordt o.a. op gewezen, dat men zich niet moet voorstellen, dat het vandaag uitsluitend gaat over onderstelde wedergeboorte en een aantal schorsingen en afzettingen. We zijn uit elkaar ge-, groeld. Wat moeten we bijvoorbeeld met de ontstellende besluiten van de syn. synode van Eindhoven over de zendtngszaken, de Vrije Universiteit en haar gedevalueerde wetenschap en met de deformatie van het leven en de zaken die verband houden met de gemene gratie. Als men de geest proeft o.a. uit de litteratuur, vraagt men zich af, of men wel voort moet gaan met samenspreking, die tot nog toe niets positiefs heeft opgeleverd.. Wij willen eenheid met al Gods volk, maar niet met een kerk, wier wettigheid wordt ontkend. Kerken zijn geen vennootschappen die tot fusie komen. Het gaat om de waarheid Gods. Zonder waarachtige bekering kan er van vereniging geen sprake zijn. Toegejuicht wordt de strekküig van het voorstel van Assen „geen nieuwe deputaten ad hoc te benoemen, dan nadat de synode eerst gebleken is, dat het zin heeft met de deputaten der gebonden kerken een samenspreklng aan te gaan".

De bespreking wordt nog voortgezet.

K. S.

Omgekeerd, wanneer de rechters „het recht eens mans buigen voor het aangezicht des AUerhoogsten", als ze „een mensch verongelijken in zijn twistzaak" (Klaagl. 3 : 35, 36) de Heere zal het zien en zoeken; als Israels voorgangers, waaronder de rechters, hun ambt hebben ontheiligd, staat er: Zoo heb Ik dan mijn grimmigheid over hen uitgegoten, in het vuur van mijn toomgloed hen verteerd; hun weg heb Ik •over hun hoofd gebracht, spreekt de Heere Heere" (Ezech. 22 : 31).

Mag nu de positie van rechter en veroordeelde, Tvaarbij de eerste zegt en volhoudt: „Ik heb u naar het recht Gods gevonnist als verscheurder van het lichaam van Christus", en zeggen moet: „op grond van uw volharden in uw zonde staat ge buiten Gods Koninkrijk, tenzij ge u alsnog zult bekeeren" — vergeieken worden met het Corinthisch voqrtrekken van den «enen prediker boven den anderen, en met een twist tusschen vader en moeder in 't gezin?

Het baat niet hier de liefde en de zelfverloochening te hulp te roepen en te zeggen: ge moet de minste willen zijn. Het door broeder' Bos in dit verband aangevoerde tekstenmateriaal gaat buiten de kwestie in geding om.

Toen de Apostel Petrus faalde te Antiochië en uit menschenvrees de Joodsohe spijswetten, wier naleving Jiij eerst uit beginsel had losgelaten, weer ging onderiouden en velen door zijn veinzerij mede afvoerde _ (Gal. 2 : 13)

werd hij, ofschoon hij geen scheuring bedoelde, en zulik een scheuling slechts bij conseiquentie uit zijn doen kon worden afgeleid, door den Apostel Paulus, den man die geschreven leeft 1 Cor. 7 : 29, 1 Cor. 16 : 23, Fil. 2 : 3, Rom. 12 : 10, Gal. 6 : 1, 2 Cor. 5 : 18—20, 1 Cor. 1 : 10, .2 Thess. 2 : 3—12, Ef. 4 : 1, 1 Cor. 10 : 31—33, Rom. 12 : 21 (en meer teksten, door broeder Bos aangeiaald) en die deze woorden niet alleen neerschreef, maar door de genade Gods ook onderhield,

niet apart geroepen om de kwestie ond, erling tot •oplossing te brengen, waarbij Paulus „de minste was", niet in een weg van gemeenschappelijke schuldbelijdenis (denk aan Paulus' verleden, ook aan het leit, dat hij eenigen tijd schijnt gewacht te hebben: liet was een moeilijk werk voor hem, hij deed het niet gaarne — Greijdanus, Kommentaar, bl. 166 — waardoor de Apostel Paulus dan toch mede verantwoordelijk zou geweest zijn voor vermeerderde zonde bij Petrus en diens navolgers) als „basis" tot „oplossing" van het conflict geleid,

maar werd hij door den Apostel Paulus in het aangezicht weerstaan, omdat hij veroordeeld was, d.i. omdat hij een daad begaan had, die hem een veroordeelde deed zijn, zijn eigen doen veroordeelde hem. Paulus heeft tegenover Petrus gestaan, oog in oog, en lem kloekmoedig in het gezicht zijn fout voorgesteld. En'hij deed dat in aller tegenwoordigheid, niet onder vier oogen, maar in een gemeenschappeUjke vergadering, zoodat alle daar aanwezigen, de geheele gemeente, het konden zien en hooren (Greijdanus, Kommentaar, bl. 161, 168). Want zijn •woord gold niet alleen Petrus, maar ook de anderen, - die er evenzeer door teruggebracht, en tot het rechte inzicht in het Evangelie geleid moesten worden (bl. 168).

En dan kom.t de liefde hierin uit, dat wij niet uit de hoogte, niet uit wraak, niet om eigen eer handelen, en den ander op zijn erkentenis van schuld en laten van het kwaad gaarne de broederhand reiken.

Maar we vergeten geen oogenbhk: de liefde tot den naaste wortelt in de liefde tot God. En 't gaat om Z ij n Evangelie, Z ij n waarheid en recht. Als die waarheid en dat recht door kerkelijke rechters publiek misbruikt zijn, vordert dan Gods eere niet, dat er publiek herstel geschiedt? En is het in overeenstemming met die eere, dat we ons haastig om de ronde tafel scharen, om zomder dat de gemeente den gang van zaken raag volgen, als in 't verborgen, de zaken in 't gelijk te willen breien?

P. D.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 18 september 1948

De Reformatie | 12 Pagina's

PERSSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 18 september 1948

De Reformatie | 12 Pagina's