GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Bondsbreuke.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bondsbreuke.

8 minuten leestijd

Br. P. V. V. te Z., die met instemming las, wat in deze rubriek onlangs geschreven werd, over de hoop, die geloovige ouders, opi grond van Gods Verbond mogen hebben voor hun vroeggestorveu kinderen, heeft moeite daarmee te rijmen het feit, dat tal van kinderen van geloovige ouders, die in leven blijven, den Heere den rug toekeeren en 'den broeden weg bewandelen. Hij vraagt, of dan het Verbond en-de beloften Gods, zooals de naam van „bondsbrekers", dien we 'denzulken geven, licht doet denken, kunnen gebroken worden. Eii zoo ja, wat er dan voor geloovige ouders overblijft van den troost des Verbonds, ten opzichte van 'hmi vi'oeggestorven kinderen.

De vraag, die onze broeder doet, houdt velen bezig. Daarom temeer wil ik gaarne trachten er een antwoord op te geven.

'k Vestig er daartoe de aandacht op, dat we bij het Verbond onzes Gods, evenals bij de kerk, steeds onderscheiden moeten tussehen een inwendige en een uitwendige zijde.

Bij de kerk houden we die, als onzichtbare on zichtbare kerk steeds uiteen. Niet als twee aparte kerken, die niets met elkaar hebben uit te staan. Maar als één en dezelfde kerk bezien van tweeërlei zijde: van haar zuiver geestelijken kant, als het lichaam van Christus, dat alle w.are geloovigen omvat en waartoe alléén oprecht-geloovigen behooren; en iiaar haar zichtbare openba.ring in de wereld, waarin zich met de oprecht-geloovigen ook schijn-geloovigen vermengen.

Die schijn-geloovigen in de zichtb-are kerk behooren niet tot het Lichaam des Heeren; zijn dus niet in waarheid van de kerk. Maar omdat ze, wijl niemand ze onderscheiden kan, in haar uitwendige verschijning tot haar behooren, worden ze tot de kerk gerekend. En onttrekken ze zich aan haar gemeenschap, dan zeggen we, dat zé met de kerk breken, dat ze zich van de kerk afscheiden, dat ze de kerk verlaten, enz.

Niemand denkt bij dergelijke uitdrukkingen, aan een in-zijn van zulke afvalligen in het geestelijke lichaam van Christus eerst en aan een breken met de onzichtbare kerk daarna. >

Ieder verstaat, dat idit breken met de kerk rechtstreeks en eigenlijk alleen de zichtbare kerk geldt Alleen in 't zichtbare toch stonden ze met de kerk' ia betrekking. Geestelijke band aan Christus' Lichaam was er bij hen nimmer en kon dus door hen ook niet verbroken worden.

Zóó nu als bij de kerk is het ook bij het Verbond Gods.

Het heeft een inwendige zijde, die God de Heere alleen kent en ziet. Naar die inwendige, voor ons onzichtbare zijde, omvat het alle geloovigen; méér nog, zijn er in opgenomen alle uitverkorenen, ook die nog niet tot geloof en bekeering kwamen, ja, zelfs nog niet geboren werden. Deze allen komen op Gods tijd tot omhelzing van het Verbond Gods, en niemand hunner zal er, naar Gods uitverkiezing en hondstrouw, in der eeuwigheid als een bondsbreker aan ontvallen. ~^

Doch nu heeft dit Verbond Gods, evenals de kerk, ook een zichtbare zijde. Want de Heere wil het aan Zijn volk bediend hebben: aan volwassenen en aan kinderen, aan de geloovigen en aan hun zaad. Hij doet het bedienen door hoor-en door zichtbare middelen; door Woord en door Sacrament Zoo treedt het Verbond Gods op in een waarneembare gestalte. Bediende de Heere het nu zélf, reclitstreeks en op een onmiddellijke wijze, dan zouden, wat de personen aangaat, die ze omvatten, de inen de uitwendige zij'de des Verbonds elkander volkomen dekken; m.a.w. dan zou het Verbond, beide onder volwassenen en onder feaderen, alleen bediend worden aan de gekenden des Heeren. Nu God de Heere niet rechtstreeks Zijn Verbond bedient, maar het middellijk bedienen doet, door menschen, die evenmin de harten kennen als ze in Gods Raad hebben gezeten, kan bet niet anders of het Verbond wordt, niet alleen in het Woord en de beloften Gods, maar evenzeer in het Saorament, ook bediend aan zulken, die hooit door den Vader aan Christus gegeven werden. Dit moet gebeuren bij de bediening van het Avondmaal. Het moet eveneens gebeuren bij de bediening van den H. Doop aan de jonge kinderen. Want onder d© ouders, die hun kinderen ten Doop brengen, kan de; kerk reeds niet met onfeilbare zekerheid de wáre

aeloovigen van de schijngeloovigeii onderscheiden. En ook al kon ze difc, dan zou ze tocli onder het zaad der geloovigen nog de uitverkoren kinderen niet kunnen onderscheiden van de overige. Wiant dat niet alle kinderen van geloovige ouders ook uitverkoren kinderen zijn, toont de Heilige Schrift ons in voorbeelden als IKiaïn, Ismaël, Ezau en zooveel andere, overtuigend.

En zoomin als nu ooit een onwedergeborene en ongeloovige, die de kerk den rug toekeert, in waarheid tot haar behoorde, evenmin was, wie in zijn zonde leeft en sterft, in werkelijkheid ooit een bondeling Gods en eigenaar van de beloften des Verbonds.

God de Heere breekt daarom Zijn Verbond nooit, ten opzichte van wien ook.

Doch bondsbreufce kan er wèl zijn aan ónze zijde. Inzoover n.l. als we in ongeloof en verharding des harten het Verbond Gods, dat ons voorgesteld werd, en waarin we ook, naar Zijn uitwendige gestalte, begrepen zijn, afwezen en verwierpen.

In dien zin spreekt ook de H. Sclrrift gedurig (denk aan plaatsen als Gen. 17:14, Deut. 31:20; 1 Kon. 19:10; Ps. 78:10 e.a.) van een breken van het Verbond Gods.

Dat, als de in-en de uitwendige zijde van het Verbond in de personen der bondgenooien elkander niet volkomen dekken; dat, als niet alle kinderen van geloovige ouders ook uitverkoren kinderen zijn, de geloovige Vader en Moeder van een vroeggestorven kindje nooit wiskunstige zekerheid kunnen hebben, dat hun kindje zalig werd, is volkomen waar.

Maar laat dit ons niet verleiden, o^m hun troost voor niets te achten.

Absolute zekerheid aangaande de zaligheid van een afgestorvene hebben we nooit; zelfs niet, als hij ons in woord en daad , $n in heel zijn Jevensopenbaring den meest-mogelijken grond gaf' voor het vertrouwen, dat hij in den Heere ontsliep.

Van zulk een volstrekte zekerheid aangamide de zaligheid onzer jonggestorven kinderen spraken onze Jierken dan ook nooit. Wat ze in de Dordtsche Leerregelen beleden, is, heel anders, dat geloovige ouders niet mogen twijfelen of hun jonggestorven kinderen zijn behouden.

En we verstaan gemakkelijk waarom ze zich zóó uitdrukten. Vi''ijl de uitzondering den regel niet opheft, mogen we n.l. bij onze kinderen niet aan de waarachtigheid der bondsbetrekking twijfelen, zoiolang niets dien twijfel wettigde. En wijl die alleen gewettigd kan worden door openbaring van ongeloof en vijandschap^ bij ons kind, en er bij kinderen, die stierven ivóór de ontwaking van hun bewustzijn, van zulk een openbaring geen sprake kan zijn — hebben we nooit reden, en derhalve ook nooit recht, aan hun uitverkiezing en begenadiging te twijfelen. We hebben aangaande hen geen ander getuigenis dan dat van het Woord onzes Gods, dat hen bondgenooten noemt, en aan dat Woord des Heeren twijfelen mógen we niet.

'k Hoop, dat ik voor Br. V. V. en wie o> p dit punt dezelfde moeilijkheden hadden als hij, duidelijk genoeg geweest ben.

Eén ding moet me nog van 't hart, eer ik afscheid van hen neem. 't Is dit, dat we, naar 't me voorkomt, op het stuk van de verhouding onzer kinderen tot het Verbond Gods, doorgaans wat veel bezig zijn met onze jonggestorven lievelingen, en met onzen eigenen troost over hun verscheiden, en wat weinig met onze nog levende kinderen en de heilige roeping, die Gods Verbond ten aanzien van hun opvoeding ons oplegt.

'k Bedoel dit natuurlijk niet als een verwijt aan het adres van Br. v. V. of van wien ook, maar als waarschuwing voor een gevaar, dat ons allen dreigt, en dat ook in de brieven, die ik over dit onderwerp ontving, gedurig om den hoek komt gluren.

Laat ons op onze hoede zijn. Zelfs hier, waar we ze elkander het lichtst vergeven, maakt zelfzucht zoo schuldig voor God.

Correspondentie.

E. B. V. M. te 's-H. Wijl de beslissing over de plaatsing van ingezonden stukken bij de hoofdredactie berust, , heb ik uw schrijven aan haar doorgezonden.

J. H. Q. te A. Hoe dikwijls ik uw blief ook las — uw bedoeling wil me niet duidelijk worden. Doch in geen geval mag ik in de rubriek een breede discussie gaan openen over een of ander zuiver dogmatisch vraagstuk. Woonde ik in xiw stad, dan zou ik zeggen: komt u eensmet me praten. Nii zou ik u, als u in de gereformeerd» doopsbeschoawing op moeilijkheden stuit, den raad willen geven, er m: et uw wijkpredikant eens over te gaan spreken. Dat zal u allicht beter dienen dan een lange correspondentie.

F.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 januari 1925

De Reformatie | 8 Pagina's

Bondsbreuke.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 januari 1925

De Reformatie | 8 Pagina's