GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

HOOFDARTIKEL

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

HOOFDARTIKEL

10 minuten leestijd

Over „Vorm" en „Inhoud" in Litteratuur.

II.

In een vo'rig artikel gaven we aan, w.aarom we als on-Ch'ristelijk vörwierpen de diieper liggende motieven welke KlO'O'S en anderen deden bPeken taet de traditioneele ondenscheidiing; van inhoud en vorm.

Zij, , dio Romantisch ©n revolutionair gezinden; , tkenden nocli erkenden een objectieve waarheid die iets te zeggen zou hebben over de litteratuur^ met name de poëzie, of over de letterkundige kritiek. Wat zij als ideaal kozen was een zoo zuiver en expressief mogelijke veirklamking, al^ thans vertolking, van stemrningen en zielsinhou- Üen. ledere bijzondere situatie liet slechts één wijze van uiten toe. De geringste wijziging in ©en aldus geboren kunstwerk stond met verminking gelijk.

Geheel anders staat het voor hem die het zieleleven ziet in zijn dienstbaarheid aan en tevens opistandigiheid tegen den God van waarheid en - van üieiligheid. Nu is niet langer onbelemnierde en onbeschroomde zelf uitstorting roepilng en waar^ demeter voor de litteratuur, maar een zielsinnig dienen van God in schoonheid.

Nu komt er bij haar sprake van een waarheids- en heUigheidsgehalte 1). Gehalte: het begrip „inhoud" laat zich moeilijk ver-drijvien!

Mist daarom de kritiek op de ondeirscllieiiddng van vorm en inhoud allen gfond?

Laat ons beginnen met toe te geven, dat het woord „vorm" iets kameleontisch heeft. We denken b.v. aan die gehjkenis van den verloren zoon. In welken zin kunnen we hierbij van vorm spreken? Het is een gedeelte der Heihge Sdhrift, die zelf een bepaalde vorm der Goddelijke openbaring is. Let wei: „vorm" veronderstelt hier niet direct als correlaat iets dat men „inhoud" zou kunnen noemen.

Op haar beurt vertoont de Schriftopenbaaring zich in onderscheidene vormen bi.v., al naar gelang van het gekozen genre: evangelie, brief, apocalyps of wat het zij. Soms ditmaal in onderscheiding van „inhoud"? Niet, als we diit woord nemen in zijn meest voor de hand liggende beteekenis. Althans het begrip „evangelie" of , , openbaring" sluit m de aahwezigheid van bepaalde onderwerpen of gedachtenverbindingen. Dat wil zeggen: bepaalde „inhouden" van Goddelijke openbaring.

Maar een andere bêteekenisschakeering vinden we, als we over den vorm der Evangeliën spreken, daarmede doelend op dispositie, stijl en dergelijke. 2) Thans denken we niet in de eerste plaats aan de geopenbaarde waarheid, waarvan de Evangeliën een zeer bijzonder gedeelte verbegenwoordigen, maar veel meer aan die karakteristieke wijze, waarop dteze openbaring zich tot ons richt.

Zoo ook: de gelijkenissen in de Evangeliën geven een bepaalden vorm van Jezus' prediking, „op- 'dat zij ziende zien en niet bemerken" ^). Maar daarnaast is er weer sprake van den vorm der geUjkenissen, als n.l. de beschouwing gaat over haar uitwendige zijde. Nu is vorm wel degelijk van inhoud onderscheiden. *)

We noemden zooeven de gelijkenis van den verloren zoon. Wat verstaan we onder haar inhoud? De vraag kan verschillend worden beantwoord, al naar gelang men let op de strekking van deze prediking of van het wondermooi verhaal. Vergeleken met het eerste, dte strekking, kan men het verhaal weer als inkleeding van de gedachte, als vorm beschouwen.

Een moeder veirtelt deze gelijkenis aan haar kind. Ze voegt er niets bij, ze fantaseert niet^ maar vertelt den geheelen „inhoud" zoO' getrouw mogelijk na, in haar eigen, voor kinderen bevattelijke taal. Ze geeft het verhaal een nieuwen vorm!

De beteekenisnuances van het woord „vorm" vermenigvuldigen zich. Van dezen gezidhtshoek uit dient zich aan als j, vorm" wat men met ©en iandere bedoeling zonder bezwaar als „inhoud" laandnidt. De oudste beteekenis die we in oas Niederlandsch taalgebruik voor „inhoud" kurmen vinden is volgens het „Woordenboek der Neder- 'landsche Taal" ^): „datgene wat het een of ander geschrift bevat, t.w. d e tekst o p z i c h z e 1 f of met hetgeen deze behelst"^) Eien ge^ schrift behelst iets, heeft een inhoud, maar ook de tekst.

Genoeg om te doen zien, dat er alle reden is om groote voorzichtigheLd de betradhten. bij het gebruik van deze woorden met hrni zoo ongemerkt veiiglijdende beteekenis.

Anders 'dreigen de misverstanden als paddestoelen te verrijzen. Daarom, als iemandi u vol bewondering spreekt over den „vorm" van dezen of dien roman, is er alle reden voor het verzoek zijn bedoeling te preciseeren.

Men vraagt zich af, wat de oorzaak is, diat het woord een zoO' weinig vaste beteekenis heeft. Het Lalijnsche „forma", waartoe ons „vorm" zich laat herleiden, beteekent „gedaante".') Het is duidelijk hoe men kan spreken van de Schrift als een vorm van openbaring en van de gelijkenissen als een vorm van Jezus' onderricht. Men gaat daarbij uit van de eenheid der openbaring of der prediking, , die uitkomt in verscheidenheid en bedoelt volstrekt niet eenige tegenstellüig te maken tusschen iets dat meer inwendig en iets dat meer uitwendig is.

Men kan daarentegen ook op het uitwendige zijn aandacht samentrekken, dit abstraheeren van het dieper liggende en het laatste er voorts al of niet mee vergelijken. Zooals men over den vorm van een zalfoliefleschje en over zijn inhoud kan spreken.

Nu dus niet meer, als zooeven, het beeld van de materie, cMe verschillende gedaanten aan kan nemen. Men gevoelt terstond het eigenaardige van deze nieuwe beeldspraak. Wiant in den eigenlijken zin is het niet de vorm, die iets inhoud, maar het voorwerp, dat onder anderen èn vorm èn Inhoud heeft. Een gedicht daarentegen bestaat uit vorm en ihhoudi, als we ons zoo mogen uitdrukken.

Dit daargelaten, zooi duidelijk het is wat we met den vorm van een vaas bedoelen in het gewone spraakgebruik, zoo weinig duiidelijk is op zichzelf wat verstaan moet worden onder het uit- 'wendige, de buitenzijde, den vorm van een litterair werk. Wie zagen het straks. En wel hierdoor, dat men zich bij de bepaling, van wat wezenlij k is telkens op een ander standpunt kan plaatsen, . We hebben Iner niet met een absoluut begrijp te doen.

En daarom, als men zegt: „vorm en inhoud' zjjn niet te scheiden", dan is dit volmaakt juist. In zekeren zin zijn ze indeirdaad één. Ieder zal tot den „vorm" van een gedicht, als hij dien term tenminste erkent, stellig de woordkeuze rekenen, maar elk woord heeft zijn „inhoud", vertegenwoordigt ©en gedachte of gedachte-element.

We onderscheiden o.a. tusschen text-lsritiek en kriüek op den üihoud, ten aanzien van den Bijbel. Aan het eerste, het pogen de juiste lezing van een text vast te stellen, zal geen gereformeerd deskundige zich onttrekken, het tweede verwerpen we principieel. Al is de textkritiek niet neutraal, we hebben hier met verschillende zaken te doen. Toch brengt, in een andere beteekenis, iederie texstverandering wijziging van inhoud'.

In betrekkelijken zin zijn die twee, vorm en inhoud', daarom wel te onderscheiden, ook al geven grensgevallen en grensbepaling groote mo'eilijkheid. Wat ik üi een bepaald verband en in een bepaalden zin samenvat onder inhoud., is in dien zin niet vorm, en omgekeerd.

Het is daarom zaak steeds duidelijk te doen gevoelen wat men onder het eene, wat onder het andere begrip brengt. Verzuimt men dit, zooals heel dikwijls gebeurt, dan wordt alles zwevend.

De exegese der Heüige Schrift zal deze teirminologie vermoedelijk niet gemakkelijk prijsgeven. ^) Ze heeft er veel belang bij te onderscheiidien tusschen wat geopenbaard wordt en de wijze, waarop het wordt geopenbaard. Zoo te onderscheiden, dat de wijze van mededeeUng noch te weinig, noch te veel relief ontvange. Zoo' gering den laatsben tijd het gevaar is voor het eerste, althans op het gebied' van deze studiën, zoo veel reden is er om te waarschuwen tegen vormcultus.

Dat de onderscheiding van een ^, wat" en een „hoe", van een ding en zijn voorkomen of o.penbaring reden van bestaan heeft, behoeft eigenlijk geen bewijs. De Heere Jezus spreekt van nieuwen wijn in nieuwe lederen zakken, om zijn discipelen

te leeren „dlat de vorm zich behoort aan te pasr san aan den inlioud"»).

Buiten zonde, en nu komen we tot een belangrijk punt, harmoniëeren die beide. En als de Schrift van Christus zegt, dat Hij „in de geestalt e nis Gods zijnde geen roof geaoht heeft Gode evengelijk te zijn", dan wordt met het hieir gebezigde woo'rd bedoeld „een gedaante of vorm- Verschjjning...., waarin het wezen zidli openbaart" 10).

Maar de zonde wringt ze uiteen. En nu zijn er menschen die „een gedaante van godzaligheid" 11) vertoonen, maar haar kracht hebben veirloochend.

Door de zonde wordt het ook mogelijk, dat de gedachten ©n liaar uitwendige versöliijning in ©en litterair werk niet aan elkander beantwooirden. Augusünus spreekt ergens i^) over menschen die van hun uitspattingen weten te vertellen in onberispelijke taal en keurigen stijl. Een laag gehalte ïian waarheid ©n heiligiheid kan gepaard gaan •met bijzondere artistieke quaTiteiten. OmgekeendI behoeft een goed Christelijk verhaal nog niet schoon te zijn. Daarvoor is noodig, dat de auteur •waarheid en heiligiheid in haar sdhooriheid heeft gezien en geobjectiveerd.

Maar bij voldoende spankracht zal een geest van bijzondeire geaardiheid een eigen uitingswijze uit zich doen geboren worden. Er is ©en tal© Kanaans, er is ooli een taal der Filistijnen. Er is een litteraire allure, 'die haar inspiratie ontvangt uit den Booze.

Reden te over om te blijven onderscheiden tusschen den geest van een werk en zijn veirschij- Iningr Om beider samenhang te bestudeören. Grondige Mtteratuurstudie is zonder dat niet mogelijk.

We keeiren nu terug tot het schema: vorminhoud. Ons was gebleken, dat Kloos van ©en binden deT' litteratuur aan normen van Gods iWoort, aan normen van zedelijkheid of waarheid niet wilde weten en ten slotte daarom de onderscheiding van vorm en inhoud prijsgaf.

Ook zagen we, dat in telkens wisselende beteekenisgroepeering met behulp van deze termen onderscheiden werd wat inderdaad niet één was en verdiende zooveel mogelijk uiteen te worden gehouden. Met name de strekking van een litteraiö werk en zijn artistieke hoedaniglieden. Wil men; datgene wat onder de noirmen valt van waarheid en heiligheid en wat een letterkundig kimstwerk méér is.

We meenen, dat deze disüncties alle reden hebben van bestaan. Of de hier besproken termen daarvoor een bruikbaar instrument aan de hand doien; hangt o.i. af van de vraag, of ze met de nooidige voorzichtigheid en precisie wordeii gehanteerd. Dikwijls zal ook preciseering noodig zijn, vooral ten aanzien van het woord vorm in den laatst aangeduiden zin.

Met nog één opmerking besluiten we deze korte beschouwing. Het is op ons standpunt principieel lomjuist „poëtische" gedachten, wijl indi-\Tidueel, iji ieen geheel ander vlak te brengen dan godsdienstiget, aedelijke, wetenschappelijke waarheden. De Psalmen leeren het ons beter. Ook van dicliterlijke uitspraken kan de objectieve zin, los van de uitdrukkingswijze, worden vastgesteld. Niet door deze af te stroopen en dan de gedachte te ontblooten, maar door die gedachte zulk eeai „vorm" te geven, die meer transparant is. W©' zien den zin dan duidelijk, als wate: r in ©en doorschijnenden gfliazen bol. Het glas zien we, het water er dooa heen, maar de grens tusschen glaswand en water ontwaren we niet.

Hiet recht tot onderscheiding van inhoud en voirm hangt niet aan de mogelijkheid beider ineengrijpen geheel bloot te leggen.

Desniettegenstaande, we herlaalen het, is soberheid en nauwkeurigheid voor een vruchtdragend gebruik van deze termen onontbeerlijk. Bij gevaar voor misverstand kiezen we beter minder veelkleurige woorden.


1) Busken Huett, „Litt. Fant." 2, 5: „hetgeen er aan zedelijk en godsdienstig gehalte in deze novelle voorhanden is".

2) Daarover o.a. schreef C. Bouma: „De literairische vorm der Evangeliën", Rotterdam, 1921 (Acad. proefschrift V. U.). Hij neemt echter het begrip ruimer.

, 3) Marcus 4:12.

4) Vgl. Dr F. W. Grosheide: „Hermeneutiek, bl. 214: „Men kan ze (n.l. de gelijkenissen) indeelen naar den vorm, b.v. in verhalen, beschrijvingen van ervaring, teekeningen van telkens terugkeerend natuurgebeuren. Ook naar den inhoud, in gelijkenissen des Koninkrijks, gelijkenissen van de wederkomst en op nog andere wijze". Zie ook Dr J. Ridderbo's: „Bijbelsch Handboek", I, bl. 414.

5) Men kan zich afvragen, of het juist is, zooals het „Woordenboek" doet, voorop te plaatsen de abstracte beteekenis van „de hoeveelheid ruimte welke binnen de grenzen van eene figuur of van een lichaam begrepen is".

6) In Hand. 23:25 heeft de Statenvertaling „inhoud", waar het Grieksch een woord bevat, dat ongeveer „vorm" beteekent.

7) Op de niet vaststaande afleiding van het Latijnsche woord zelf gaan we niet in.

8) Zie Grosheide: a.w., op vele plaatsen.

9) Grosheide op Mattheus 9:17. 10) Greijdanus op Philipp. 2:6 (K. V.). 11) 2 Tim. 3 : 5. 12) Conf. I, 18.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

HOOFDARTIKEL

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken