GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJKLEVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKLEVEN

22 minuten leestijd

„Het verbond Gods". (IX.)

We zouden — daarmee werd 14 dagen geleden ons artikel beëindigd — nog even terugkomen op de door ons toen gegeven aanlialing van Comrie.

Reeds vernamen we, hoe naar liet oordeel van Hulst, hier (d.w.z. in de van Comrie aangehaalde volzinnen) de wijsbegeerte „struikelt over haar eigen beenen". Afgedacht van die „wijsbegeerte" — die als zoodanig aan Comrie's volzinnen in kwestie geen schuld heeft — achtten wij dat oordeel juist.

Dat is één punt.

Een tweede is dit: wij achten scherpe afwijzing van Comrie's meening in dezen noodzakelijk en gewenscht. Niet om Comrie tegen te spreken, een man, die veel verdienstelijks lieeft, maar omdat zijn argumentatie de veelbesproken kwestie raakt, of het genadeverbond in de eeuwigheid, dan wel in den tijd is „opgericht". De groep der ouderen onder ons, Pieters—Kreulen. Beuker, Heyns, Lindeboom, Bos, Ten Hoor en vele anderen, zeiden beslist: in den tijd. De leiders in de tegenwoordige Chr. Geref. Kerk (met wie wij nog steeds contact zoeken, en die wij niet van ons verwijderen moeten, als zij het zelf niet doen), zeggen hetzelfde. Na het optreden van die ouderen kreeg de gedachte meer en meer voet: het genadeverbond is „opgericht" in de eeuwigheid. Persoonlijk kies ik nu, en koos ik steeds, zonder aarzelen vóór de meening van die ouderen, omdat ik geloof, dat we op die manier de lijn der belijdenis vasthouden. Maar dan is meteen het gewicht van dit citaat en van Comrie en van zijn beoordeeling, duidelijk.-In het uit Comrie genomen citaat raken we één der scharnieren aan, waarop heel de constructie rust van de leer van een „genadeverbondvan-eeuwigheid" (d.w.z. opgericht in de eeuwigheid en met min of meer duidelijkheid te vereenzelvigen met den vrederaad). Het is voor die ouderen een eere, dat zij, als toenmalige chr. gereformeerden (van vóór 1892) op deze kwestie nader zijn ingegaan; en voor het dogmatische geduld van ons geslacht pleit het niet, dat men van het genadeverbond een voorstelling soms gegeven of gerepeteerd ziet, die op vereenzelviging daarvan met den „raad des vredes" •'•) neerkomt, zonder dat ook maar even wordt ingegaan op de vraag: wat is dat: een genadeverbond, opgericht MET^) Christus als Hoofd der Zijnen? Ieder moet toegeven, dat Christus pas in den tijd werkelijk als Hoofd der Zijnen kon functioneeren, d.w.z. eerst na de v 1 e e s c h w o r d i n g. Want wel kon de Zoon Gods functioneeren als aanstaanden Christus, doch Christus is er eerst in den tijd: de gezalfde, niet alleen verordineerde, maar ook met den Heiligen Geest gezalfde knecht des Heeren. Zoo ook kan Hij eerst na de schepping en de aanvankelijke verlossing der eerste menschen actueel functioneeren als werkelijk Hoofd der Zijnen; eerst toen immers waren er menschen, die „de Zijnen" mochten en konden heeten. Vóór dien is Christus niet actueel het Hoofd der Zijnen, al kon uiteraard wel de Zoon Gods, die voornemens is in het vleesch te komen, als het aanstaande Hoofd der Zijnen worden aangemerkt.

De vraag is dus: wat beteekent het, als men zegt: het genadeverbond is opgericht MET Christus in de eeuwigheid? Feitelijk was de Zoon toen nog geen historische Jezus, geen in de geschiedenis actueel fungeerende Jezus Christus; ook al spreken wij gemakshalve allemaal wel van Christus vóór de vleeschwording. En feitelijk kan dus in de eeuwigheid geen verbond met Christus naar Zijn menschheid gesloten zijn. Wel met den Zoon. Niet met den Christus. Zoo min als in de eeuwigheid de Christus het hoogepriesterlijk gebed kon doen, zoo min als in de eeuwigheid de Christus op menschelijke wijze, naar Zijn menschheid, „abba. Vader" kon zeggen, of Zijn geest in 's Vaders handen kon stellen, of zich in den doop kon plaatsen onder de wet, of kon zeggen: niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede, of iets anders kon doen van al Zijn middelaarshandelingen, die juist in den tijd geschieden moesten, zóó min kon in de eeuwigheid Christus een verbond sluiten met den Vader. Dat kan wel de aanstaande Christus (de Zoon, in den vrederaad). Maar wat de Zoon als aanstaande Christus doet, geschiedt wel ter voorbereiding van onze zaligheid, maar is toch ongenoegzaam om deze uit te werken. De Zoon, die de aanstaande Christus is, móet in den tijd Jezus Christus worden. Met een verbond in de eeuwigheid tusschen Vader en Zoon alleen zijn wij niet gebaat; het moet in den tijd worden uitgevoerd, waarop het trouwens ook betrekking heeft. De Zoon moet óók in de histoi'ie, en in den tijd, tot den Vader zeggen: ik kom o God, om uw welbehagen te doen. Niet maar in de eeuwigheid: ik zal komen, doch óók in den tijd: ik kom. Niet maar (in de eeuwigheid): zie, daar zal ik zijn, doch ook (in den tijd): zie, hier ben ik. Of de kwestie dus ook van beteekenis is!

Welnu, tegen dezen achtergrond maakt de constructie van den overigens zoo beteekenisvollen Comrie toch een pover figuur.

wil­ Hij begint met „twee onderscheiden len" te constateeren.

Dat hij zulks doet, is begrijpelijk.

Het hangt immers samen met zijn algemeene uitspraak, dat in alle verbonden twee willen bij elkander komen. Dat is de wil der twee verbondsluitende partijen, zooals men verstaat. Wie van een verbond in e i g e n- 1 ij k e n zin spreekt, zal niet anders kunnen construeeren (in een eigenlijk verbond treden n.l. minstens twee partijen op).

Rest dus de vraag: welke twee willen komen hier dan volgens Comrie samen?

Comrie's antwoord is: die van God ter eener, en van de menschheid van Christus ter anderer zijde.

Hij wil dus met ons allen dezen kant uit, dat het genadeverbond een verbond Gods met den mensch is, dat God en mensch daarin samenkomen.

Daar is ieder 't mee eens.

Maar omdat hij straks van plan is, een zijpad in te slaan, gaat hij nu verder op geheel willekeurige manier a. een beperking aanbrengen, en b. een wezenlijke verandering „binnensmokkelen".

a. Een beperking aanbrengen: de wil van God wordt beperkt tot den wil des Vaders! Wie „God" zegt, spreekt van drie personen; wie van den „Vader" spreekt, noemt slechts den eersten Persoon. Men ziet: Comrie wil alvast naar zijn geliefkoosde stelling den weg zichzelf bereiden, maar hij doet dat toch niet wetenschappelijk-eerlijk. Hij redeneert al vast naar zichzelf toe. Wie van genadeverbond spreekt in den zin van de reformatoren, zegt: er zijn twee „partijen", en de goddelijke „partij" is voorzeker God de Drieëenige. Hier bij Comrie evenwel wordt de lijn van vele eeuwen omgebogen: in plaats van den Drieeenigen God, Vader, Zoon en Heiligen Geest komt de Vader.

b. En dan: ook een wezenlijke verandering wordt „binnengesmokkeld". Comrie wil vasthouden aan de grondgedachte, dat het genadeverbond een zaak is tusschen God en mensch. Maar die mensch wordt hier feitelijk veranderd in: God. Ziet men n.l. scherp toe, dan is de tweede wil, die volgens Comrie optreedt in het verbond, hier niet de menschelijke wil, doch de goddelijke van den Zoon. Alleen maar: de goddelijke wil wordt door Comrie voorgesteld als de menschelijke; en daarom spraken we hierboven ook van „binnensmokkelen", hoezeer ook dit woord verder onaangenaam aandoet in een bespreking van deze diepe mysteriën. De vlag dekt de lading niet.

Laat ons maar nagaan, wat Comrie nu eigenlijk zegt. Hij noemt dien tweeden wil, die dan voor den menschelijken wil moet doorgaan: den wil van de menschheid van Christus, aangemerkt in deszells allernauwst© vereeniging met den persoon van den Zoon van God. Maar dat is dwaasheid, n.l. als het, gelijk hier, gaat over de eeuwigheid. Comrie spreekt over don „menschelijken wil" van Christus. We laten nu rusten wat daar weer achter zit, en plaatsen ons even op Comrie's eigen standpunt. Dan zeggen we: die „menschelijke wil" van Christus kan pas „willen" als de mensch Christus er is. Hij is als menschelijke wil pas „aan te merken" in zijn „vereeniging" met den Persoon van den Zoon, als die vereeniging een feit geworden is in den tijd. God kan wel vóór den tijd den bestaanden goddelijken wil van den Zoon aanmerken als straks zich zullende vereenigen met de menschheid van Christus (nog steeds plaatsen we terminologisch ons op Comrie's standpunt), doch men kan niet zeggen: een menschelijke wil, of, de wil der menschheid heeft gewerkt, besloten, ja gezegd, toegestemd, ingewilligd, een verbondsstipulatie aangegaan vóór den tijd, d.w.z. voordat de mensch in kwestie er was. Het is uitgesloten. dat een menschelijke wil een wilsacte voltrekt in de eeuwigheid, vóór den tijd.

De schoen wringt. Comrie wil bewijzen, dat twee willen elkaar ontmoeten; maar de ééne wil was aanwezig, de ander moest nog aanwezig worden.

Comrie had moeten zeggen: de goddelijke wil, aangemerkt in zijn aanstaande vereeniging met de menschelijke natuur (ik plaats me weer op zijn standpunt).

Maar in feite zegt hij: de menschelijke wil, aangemerkt in zijn niet-meer-aanstaande vereeniging met

388 - li^^^^^S^ de goddelijke natuur (lees, voor wat dat niet-meer-aanstaande betreft, het slot van 't citaat).

Comrie, lang geen kind, begreep dat natuurlijk zelf al lang.

Hij komt er ook voor uit.

Want hij vervolgt: „En schoon deze m e n s c h- heid niet van eeuwigheid was in deze vereeniging, maar in dent ij d geworden is...", — óf hij 't ook door'heeft, dat er iets niet in den iiaak is.

Alleen maar: terugkomen op zijn standpunt doet hij niet. Hij meent, dat men toch wel gevoegelijk spreken kan van een onderhandeling tusschen twee willen: één die er was, en een ander, die nog komen moest.

Zijn grond?

Wel, God — zoo zegt hij —• God ziet de dingen die niet zijn aan, alsof ze waren. M.a.w. Hij zag den menschelijken wil, die er nog niet was aan, alsof hij er al was, en liet toen die twee willen elkaar ontmoeten in een verbondsonderhandeling.

Maar wie voelt niet, dat daarmee juist die onderhandeling van twee willen, die ontmoeting der beide willen tot een fictie geworden is? God kan een Mnd, dat nog niet geboren is, aanzien alsof 't geboren •was. Maar Hij kan niet een ongeboren kind doen spreken met zijn vader, doen trouwen met zijn bruid, enz. enz. Hij keert i, ijn wereld niet onderstbo'ven. Hij maakt geen tijd tot eeuwigheid, noch omgekeerd. Hij laat het rad van den tijd niet in omgekeerde richting loopen. En nog minder dat rad uit de baan van den tijd in de eeuwigheid terugloopen. Wat Comrie zegt, is met alle logica in strijd.

Men kan in zoo'n geval lïijvoorbaat voorspellen, dat er dan ook strijd met de Schrift moet zijn. Die regel gaat ook hier door. Er staat in Rom. 4 : 17, welke plaats Comrie door het hoofd speelt, niet, dat God het nietzijnde „aanziet alsof het was". Er staat, dat Hij niet-zijnde dingen roept (in 't aanzijn roept). Prof. Greijdanus, dien ik uit het hoofd citeer, snijdt alle „alsof-filosofie" van Comrie en anderen den pas naar een „beroep" op dit woord af, door' in zijn uitlegging te zeggen: Hij roept de niet-zijnde dingen als zijnde ^(n.l. in Zijn raad, Zijn besluit). Als (grieksch: c& g) hier niet: — alsof. Ik schrijf deze regelen ergens in Sneek, ver van eenig hoek, maar geloof wel, zeker te zijn in mijn herinnering van wat er op de betreffende bladzij van den kommentaar staat. God heeft dan ook inderdaad den „menschelijken wil" van Christus (ik gebruik nog steeds Comrie's terminologie), die er eerst niet was, geroepen als zijnde, zooals Hij ook Adam's wil, die er niet was, i'iep als zijnde. Het eerste geschiedde n.l. in de vl e es ch wording des Woords als goddelijke daad, het tweede in Adam's schepping. Rom. 4 : 17 is vervuld in Christus' „menschelijken wil" — maar dan juist niet in de eeuwigheid, doch in den t ij d. Anders krijgen we een eeuwige schepping ook nog.

Feitelijk is dan ook de constructie van een genadeverbond, in de eeuwigheid opgericht, een even bedenkelijk gedachtenspinsel als dat van een naar de eeuwigheid verlegde schepping. Laat Comrie ons een baken in zee zijn.

Hier, zoo zegt Comrie nog, hier betrof het een persoon, die de aan te nemen menschheid in de eenigheid zijns persoons zou aannemen.

Ja zeker, antwoorden wij. Nu komt ge juist waar wij beweerden, dat ge al lang hadt moeten zijn. Maar hier gaat het dan ook over den Zoon als God. Maar de Zoon vóór de vleeschwording kan wel met goddelijk gezicht zijn aanstaande menschheid in rekening brengen, doch dat maakt nog geen menschelijken wil. Hij kon zich verbeelden, zegt Comrie, alsof Hij reeds mensch was. Ja, ja. Maar als ik mij verbeeld een vrouw te zijn, blijft het toch mannelijke verbeelding, 't Wordt geen vrouwelijke, en dat is maar goed ook.

We eindigen hier met een woord, dat meer duidelijk dan plechtstatig is.

Maar ernstig is het zeker. Comrie heeft gespot met alle logica, en eigenlijk gespeeld met de diepste mysteries. .

En waar op die manier één der knapste en eerbiedwaardigste voorstanders van een genadeverbond, in de eeuwigheid met den Logos gesloten, zijn zaak „verdedigen" moet, daar mogen wij ons allen laten waarschuwen. De dingen zijn zoo simpel niet als zij in vaste formule soms lijkon.

K. S.

Hnip opleiding predikant Argentinië.

Deze week mogen we de volgende giften noteeren: ƒ10, — van J. Ph. U. te Apeldoorn; ƒ2, 50 van G. M. te Spakenburg.

We vermelden deze giften in bizondere dankbaarheid. Dat er ook in deze dagen nog aan ons fonds gedacht wordt, is iets dat ontroert. (Prof. Schilder's gironummer is: 127278.)

L. DOEKES.

Artikel XIII E. O. (Slot.)

Ik kom tot wat ik telkens weer zie als het kernpunt van alle dingen: de geestelijke bearbeiding van elke gemeente op zichzelf. Wij zijn langzamerhand al afgestompt voor het geklaag over het groot aantal zielen per predikant, zooals dat. in vele gemeenten van ons land wordt gevonden. Ik behoef hier niet te betoogen, dat deze toestanden menigmaal verband houden met een ingezonken geestelijk leven. Niet altijd echter is dit het geval. Hier en daar is deze toestand ook gevolg van ik zou haast zeggen de zorgelooze financiering, die menige Kerkeraad zich veroorloofd heeft in de laatste '25 jaren door het aangaan van groote schulden voor kerkbouw e.d. Maar ook deze laatste, men zou kunh'én zeggen tijdelijke factor, is niettemin zóó ingrijpend, dat hij ook meewerkt tot verzwakking van het geestelijk leven, wijl de onvoldoende bezetting van het aantal predikantsplaatsen gedurende 20, 30 misschien 40 jaren een tekort van geestelijke bearbeiding der gemeente beteekent. Dit laatste moet zich straks gaan openbaren ook in een vei'mindei'ing der neiging tot het brengen van financiëele offers. Wij zien dus eenerzij ds een versmalling van de basis waarop het geheele kerkelijk gebouw moet rusten: een niet vergrooting naar evenredigheid van het aantal leden der geheele bevolking, en een verzwakking dier basis door: a. een dieper invreten van de crisis en haar gevolgen, waardoor de financiëele draagkracht van de leden individueel vermindert; b. een verflauwing van de liefde waardoor bij velert de drang tot geven ook vermindert. Tegenover deze versmalling en verzwakking van de basis eenerzijds zien wij nu een gebouw, met zich steeds verzwarenden bovenbouw. De last op menige plaats van rente en aflossing op exorbitant groote leeningen is schrikwekkend. Daarboven op zal dan nu weer gelegd worden een groeiend^) aandeel in een omslagstelsel, dat de belangen niet meer individueel, maar slechts algemeen kan regelen. Of in de plaats van zulk een omslagstelsel zal komen te staan een betaling van premies tot vorming van fondsen, die in de toekomst kunnen blijken waardeloos te zijn. Meent nog iemand, dat een aldus verzwaarde bovenbouw straks nog gedragen blijft door de zich versmallende on verslappende grondlaag? Het gevolg van dit alles zal zijn, dat de dwingende nietvoor-verandering-vatbare uitgaven (w.o. ook het omslagaandeel) een druk, een zich steeds verzwarenden druk zullen leggen op de weinige nog wel variabele uitgaven, die nog op het budget van een plaatselijke Kerk voorkomen. Reeds nu wordt menigmaal (m.i. geheel ten onrechte) een aanval gedaan op de predikantstractementen. Dat zal er niet op verminderen, als men niet zeer op zijn hoede is met het opleggen van lasten van bovenaf. Het tegenwoordige en het komende predikantengeslacht zal de gevolgen ernstig onderlvinden, tot schade van de Kerken in 't algemeen!

En daarom zeg ik opnieuw: terug naar Rutgers Sr en naar de Synode 1905. Wij moeten niet langer genoegen nemen met een stelsel, eon „systeem", waarbij het gevaar bestaat, dat, naar de kernachtige uitdrukking van den Amsterdamschen Wethouder Wibaut, met hét „domme potlood" wordt gerekend.

De heer J. H. Kok te Kampen heeft hierop ook reeds gewezen in een rapport aan den Raad der Gereformeerde Kerk te Kampen uitgebracht, d.d. 30 Mei 1936! Hij schrijft op blz. 29: „De vraag dringt zich voorts naar voren, of de Synode wel zal k u n n e n ^) ontkomen aan een besluit om de uitgekeerde bedragen te herzien met een bepaalde^) vastgestelde korting. Evengoed als de Synode, toen de levensomstandigheden steeds stegen en in 1920 een abnormale hoogte bereikten, finaal het besluit nam, om alle ') uitgekeerde bedragen met 100 % te verhoogen^), evenzeer zal het nu op den weg der Synode liggen om na te gaan met hoeveel % die levensomstandigheden sinds 1920 thans zijn v e r- 1 a a g d. *)

Ik ben, zooals nu wel bekend, van meening, dat de Synode goed zal doen iets heel anders te besluiten, maar daarover gaat het nu, bij dit citaat, niet. Ili vraag nu niet of die x-procent gerechtvaardigd wordt door de algemeene daling van prijzen; het zou niet moeilijk zijn aan te toonen, dat zulks niet overal het geval was. (De Heer Kok schreef vóór de depreciatie van onzen gulden in September 1936.) Doch zelfs waar dat wel het geval is: men gevoelt hoe hier onder zulk een besluit vallen de wél- en de niet-behoeftigen. Niet-behoeftigcn zullen de korting nauwelijks voelen; de werkelijk behoeftigen worden voor nieuwe zorgen geplaatst.

En dit alles geschiedt onder het mom van: wij volgen Rutgers toch nog getrouw. Een enkel woord slechts over deze bewering.

Er zijn er, die zich beroepen op het feit, dat de Kerkeraden ook bij de tegenwoordige regeling belast blijven met de betaling van het emeritaatsgeld. En men zegt dan, dat daarmee gehandeld is in den geest van Rutgers Sr. Ik kan me niet anders dan verwonderen over zulk een naïeviteit. Meent men nu werkelijk, dat, wanneer A aan B postchèque afgeeft en B gaat dien cheque incasseeren ten postkantore van zijn woonplaats, dat hij dan dien plaatselij ken postambtenaar achter het loket dank zal weten voor deze gelden en dien postambtenaar zal zien als de gever in plaats van A? En zoo is toch feitelijk de positie. De Kerkeraden zijn verlaagd tot betaalinstituut. Men onderzoeke eens naar de uitwerking van dit systeem in onze onderwijswereld. Zien onze onderwijzers de besturen ook nog zooals voorheen vóór 1920 of weten ze maar al te goed, dat de Penningmeester van het Bestuur niets anders doet dan doorgeven wat het Rijk hem beschikbaar stelt? Men moet toch niet langer deze. zaak voor het volk vertroebelen door te zeggen, dat men de profeten van vroeger eert door het onderhouden van een vorm, die ledig is, nu al hetgeen volgens de leer dier profeten daaraan vooraf moest gaan, is weggezogen. Is het stadhuis van Leiden wel of niet vernietigd ondanks het blijven staan van den voorgevel bij den brand van eenige jaren geleden?

Het bovenstaande heeft, het zij met nadruk hier gezegd, niet de minste pretentie van eenige volledigheid of systematische behandeling der hier geboden stof. Met nadruk wijs ik er op, .dat ik nog niets heb gezegd over de consequenties van het z.g. „nieuwe" kerkrecht ook t.a.v. dit onderwerp, noch over den bij ons gebruikelijken tekst van den beroepsbrief. In mijn lezing te Kampen heb ik dit wel gedaan. Aanleiding daartoe zou het artikel van Ds Couvée ook kunnen geven. Hij schrijft n.l.: „Dat de Kerken elkander moeten helpen, volgt uit het feit, dat zij met elkaar de predikanten hebben". „Moeten helpen". We zullen het woord „moeten" hier maar niet gaan uitbuiten. Misschien bedoelt Ds C. zoo iets als: „'tis behoorlijk"; hij vult tenminste aan met: „Dit is geen socialisme, maar broederliefde". Maar ter correctie van mogelijk verkeerde uitwerking bij den lezer, zij herinnerd aan den eersten der „regelen", door de Deputaten Kuyper—Hania—Meyering aan de Synode- 1923 voorgedragen (als n.l. de Kerken tot samenwerking wilden komen), n.l. dat het vrijwillig karakter van het toetreden duidelijk moest uitkomen; een „zijdelingsche dwang" mocht niet worden uitgeoefend.

Maar Ds Couvee schrijft nog meer. „Met elkaar"; Ds C. laat het woord cursief drukken. Over deze stelling zou nog heel wat te zeggen zijn. Ilv volsta thans met het volgende:

Ie. Ik ontken de aansprakelijkheid van een lid der Gemeente van bijv. St.-Jacobi-Parochie voor het pensioen van een der predikanten van m ij n gemeente of van een predikant der (bijv.) Chr. Reformed Church te Grand-Rapids.

2e. Als we „met elkaar" „de" predikanten hebben, waarom dan niet ook de tractementen gemeenschappelijk bij omslag opgebracht en uit een soort generale kas betaald? En de overige finantiëele lasten?

3e. Ds Couvée leze eens met ernst de p r i n c i p i ë e 1 e ovei'wegingen in het rapport Rutgers-1905. Rutgers heeft er reeds op gewezen, dat het besef van den eigen plicht voor elke plaatselijke Kerk 't „meest is tegengewerkt door de reeds afgewezen voorstelling, alsof eigenlijk de gezamenlijke Kerken (die dan gedacht worden niet als zelfstandige Kerken, maar als afdeelingen van één algemeen genootschap) „verantwoordelijk en aansprakelijk zouden zijn voor alle pensioen" enz. Tegenover dit alles moest men de „Gereformeerde Kerkinrichting met nadruk handhaven".

4e. Men toone zich niet verontwaardigd, wanneer wij blijk er van geven school gegaan te hebben bij mannen ook als Rutgers, en hun onderwijs niet zonder meer en dus ook niet zonder deugdelijke, beproefd gebleken argumentatie prijs willen geven. De argumeiitatie. tot nu toe voor het „nieuwe" kerkrecht gegeven, is niet beproefd gebleken, blijkens de publicaties van Prof. Greijdanus e.a.

5e. Men hoede zich er voor de grondslagen, waarop onze kerkelijke samenleving rust, verder te gaan ondergraven dan reeds geschied is. Men spele niet met vuur.

Hiermede wil ik nu eindigen. Ik heb geen tijd om aan regelmatigen persarbeid mij te zetten. **) De verschijning van dit, in mijn vacantieverblijf, losweg gedicteerde artikel, moge Ds Couvée verzekeren, dat er voor mij geen noodzaak'bestond om een „katheder" te zoeken. Maar het verschijnen van dit artikel in dit blad moge anderen weer niet brengen tot de meening, dat de Redacteur van dit blad door de opneming van deze regelen verantwoordelijk gesteld zal mogen worden voor de meening van ondergeteekende. Tegen zulk een vereenzelviging van mannen, die dezelfde namen dragen, heb ik in mijn voordracht voor de studenten reeds gewaarschuwd; ik doe het opnieuw hier. Ik doe het met des te meer reden, nu ik weet, dat de Redacteur zich ten aanzien van een der door mij voorgedragen punten nadrukkelijk zijn meening heeft voorbehouden. Het artikel blijve daarom geheel voor mijn persoonlijke rekening.

A. SCHILDER.

De Kleine Catechismus van Zacharias Ursinus. (XIV.)

68. Wordt dan uit brood en wijn het eigenlijke lichaam en bloed van Christus?

Neen. Want Christus heeft één waar en mensehelijk lichaam, dat uit de maagd Maria geboren, voor ons gekruist, gestorven, begraven, opgewekt, en In den hemel opgenomen is, en daar thans aan de rechterhand Gods doch niet op de aarde is, totdat Christus van den hemel wederkomt om te oordeeleii de levenden en de dooden.

69. Waarom wordt dan dit brood en deze drinkbeker „het lichaam en bloed van Christus" of „de gemeenschap van het lichaam en bloed van Christus", en „liet Nieuwe Testament" genoemd?

Omdat het breken en het eten van dit brood, en het nemen van dezen beker een pand en teeken is, waardoor Christus aan ons allen, die in Hem gelooven, betuigt, dat Zijn lichaam zóó zeker voor ons gebroken en Zijn bloed vergoten is, en dat die voor ons spijs en drank des geestelijken en eeuwigen levens zijn, en dat wij daaraan gemeenschap hebben alsmede het Nieuwe Testament deelachtig zijn, even zeker als wij dit brood, voor ons gebroken, eten en dezen beker, ons medegedeeld, drinken, welke het lichamelijk en tijdelijk leven plegen te voeden.

10. Wie treden terecht en met vrucht tot dit Avondmaal toe?

Die waarachtig tot God bekeerd worden en van plan zijn de vireldaden van Christus te roemen en hun geloof te bevestigen. Want indien iemand niet zóó toetreedt, die handelt tegen de instelling van Christus, versmaadt zoowel Hemzelf als Zijn weldaden en eet en drinkt zich daarom een oordeel.

11. Maar wie moet de Gemeente tot het Avondmaal des Heeren toelaten?

Die in Christus gedoopt zijn, en die naar hun leven en belijdenis voor Christenen kunnen gehouden worden. Maar die zoodanigen niet zijn, moet de Gemeente naar het bevel van Christus, totdat zij zich beteren, van zich uitsluiten, opdat Gods verbond niet ontheiligd worde, en de geheele Gemeente niet schuldig zij aan hun zonde en verdoemenis. ^)

G. B.


1) Nog eens: dat is de „onderhandeling" tussclien Vader en 2oon vóór den tijd.

2) „Met" is wat anders dan „in"! Men kan die twee praeposities niet zoo maar aan elkaar gelijk stellen.

2) In mijn lezing heb ik enkele cijfers gegeven, in verband met het aantal dienstdoende predikanten nu en bijv.- 1-900 en tusschenliggende jaren.

3) Spatiëering van den heer Kok.

4) Mochten er redacteuren zijn, die zich over dit onderwerp of ook over dit artikel gaan uitspreken, dan zal ik mij zeer verplicht rekenen met een toezending van hun blad. Ik merk op, dat ik, anders dan vele redacteuren, geen gelegenheid heb voor een kennisneming van vele Kerkboden en dergelijke meer plaatselijke georiënteerde kerkelijke bladen. Ik zal met belangstelling kennisnemen van wat verder hierover geschreven zal worden, zonder mij te verbinden tot een wederwoord.

1) ne foedus Dei prophanetur, ac tota Ecclesia peccata et damnatianis illorum rea sit.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJKLEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1939

De Reformatie | 8 Pagina's