GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Toenemende verwarring

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Toenemende verwarring

12 minuten leestijd

Wie in het zich zo razend snel ontwikkelende — of, beter gezegd: ontbindende — mensenleven onzer dagen uit het woord des HEREN wil leven, en dus weet dat buiten dat leven-uit-het-woord de mensen geen dageraad wacht, luistert met grote aandacht naar de vele stemmen welke zich in de „christelijke wereld" doen horen. Hij doet dat in de vurige hoop een woord te vernemen, dat getuigt van Gods genade; een woord dat oproept tot gehoorzaamheid aan het woord des HEREN; een woord, dat de „geest dezer wereld" op een of ander punt ontmaskert, de zonde aanwijst en veroordeelt, en zo de afval openbaar maakt en bestrijdt. Het is immers zó, dat, als Gods Geest nog werkt, het spreken van zulke woorden niet kan uitblijven. Ja, dit spreken is een éérste bewijs, een éérste teken, dat de Geest des Heren nog in kerk en wereld bezig is om Christus' verlossing uit te werken en te voleindigen.

Wie in deze houding naar de stemmen uit de , , christelijke wereld" luistert zal vooral wachten op en verlangen naar een woord, waardoor de geesten worden beproefd.

Het is immers zó, dat alle zonde en alle afval van Gods kerk en de gelovigen de gestalte heeft van een zich innerlijk, dikwijls onbewust, maar daardoor des te grobdiger, assimileren aan de „geest dezer eeuw". Men stompt dan af voor het woord van de Heilige Geest. Men léést diens woorden wel, maar ze hebben geen vat meer op het hart. Ze , , doen" niets meer. Ze belichten de wereld om en in de mens niet meer, want de ogen zijn voor het Geesteslicht gesloten. Ze ontdekken de eigen zonde en de verwording van het christelijk leven niet. Ja, ze worden zelfs omgesmolten tot ze de dragers worden van eigen gedachten en begeerten. In dezelfde mate nu als dit geschiedt krijgt Satan, de geest dezer eeuw, vat op de harten. Hij vergiftigt het oordeel over héél het mensenleven. Hij vertroebelt de blik op geld, goed, huwelijk, staat, volk, arbeid, geloof, gebed; kortom op heel het mensenleven in al zijn uitingen. En dan gaat het leven des geloofs tanen, ja, tenslotte verdwijnt het zelfs geheel.

Maar wanneer nu de Heilige Geest gaat werken, wanneer Die vaardig wordt over de kerk, dan komt er het beproeven der geesten of ze uit God zijn. Dan staan mannen op die sober en ernstig en zakelijk de zonden aanwijzen en de afval laten zien. Zulke mannen verwekken altijd hevige reactie, dikwijls ook gloeiende haat. Want een mens klampt zich nergens zó aan vast als aan zijn afgoden! Maar daartegenover zullen er ook altijd zijn, die met schrik en schaamte de zonde in de kerk en in eigen leven ontdekken, daarover waarlijk berouw hebben en in een nieuwe gehoorzaamheid gaan wandelen.

Welnu, omdat zó de situatie is, zal ieder, die hunkert naar een opleven van het geloof en de dienst van Gods volk, steeds verlangend uitzien naar woorden, waarin uitkomt, dat de sprekers of schrijvers Gods woord verstaan en dus^ ook het leven der mensen en die duidelijk en zakelijk afdwalingen en zonden aanwijzen en oproepen tot bekering.

Wie nu met deze hoop en in deze verwachting in de christelijke wereld van onze dagen verkeert en werkt, beleeft een slechte tijd. Want de verwarring, het dwalen, het omnevelen en krachteloos maken van Gods woord, het betoverd worden door de wijsheid, de schoonheid, de vreugde van deze wereld neemt hand over hand toe. Op alle mogelijke manier. Wat wordt men zelden getroffen door een waarlijk vróóm woord in de politieke, sociale, en allerlei andere strijd. Het kan tot stikkens toe benauwd maken, dat onder allerlei, christelijk vaandel en in allerlei christelijke organisatie een door en door wereldse geest in concrete doelstellingen, wijze van propaganda voeren, methoden om in eigen organisatie en mèt eigen organisatie de macht te grijpen en te houden, de duizenden verslaat! Zelfs in het gebed en in preken en bidstonden hoort men het geluid van een geest die niet uit God is.

En daarbij wordt het woord Gods krachteloos gemaakt door er tot in het oneindige over te redeneren. In de christelijke wereld is er het ononderbroken gerucht van „in gesprek" zijnde mensen. Iedereen is aan 't „praten", aan 't , , spreken", aan 't „beschouwen", aan 't „zich bezinnen". Men verliest zich in het beredeneren van alle mogelijke interessante of nlet-interessante, wetenschappelijke of niet-wetenschappelijke, kerkelijke en niet-kerkelijke kwesties. Vooral ten aanzien van de kerk is dat het geval. En er worden soms zeer gewichtige, zeer ernstige, soms zelfs zéér scherpe dingen gezegd. Doch lezer, wees maar niet bang of blij! Want er gebeurt niets. Of liever, de „leiders" in de kerk — net als in de velerlei organisaties — laten ieder praten, ze kunnen heel

wat incasseren en dat willen ze ook wel, mits men hen tenslotte maar hun gang laat gaan, mits men zich maar niet feitelijk tegen hen en hun plannen verzet. Én zó wordt de Hervormde Kerk al meer uit de greep Van het Woord los gewrikt, ondanks, en ook: dank zij, de Gereformeerde bond. Zo blijven de synodale kerken alle besluiten en daden van 1944 handhaven ondanks — en dank zij — Roeper en Waarheid en Eenheid. Zo blijft de zending in Indonesië onder de beheersing van een anti-gereformeerde geest, ondanks — en dank zij — het „kloeke" en , , krachtige" verzet van Prof. Zuidema. En met dat al boort de spits van de doorbraak zich al dieper naar het hart van de christelijke organisaties. Velen zien het, betreuren het, klagen erover, schelden zelfs. — Maar, wat moet je, de verkiezing is nabij en we moeten zetels hebben, véél zetels, zo veel mogelijk zetels.

Deze dingen kwamen als vanzelf bij me op toen ik de „Nieuwe Provinciale Groninger Courant" van Zaterdag 3 Mei las.

In de Zaterdagse nummers van deze krant schrijft de hoofdredacteur, E. van Ruller, steeds een artikel, dat de titel voert van „Weekend". In het nummer van 3 Mei nu werd dit „Weekend" gevuld met een „herdenking" van Prof. Holwerda. Zoals we dat gewend zijn van „de overzijde", verklaarde ook deze weekendschrijver, dat de op zeldzaam infame wijze afgezette Prof. Holwerda „de aardse sabbath verwisselde voor de eeuwige sabbath". Hij memoreerde, dat hij van Prof. Holwerda eens een preek hoorde over „de geschie­ denis van de aartsvader Izaak bij de bornput van Gerar", die hij nimmer vergat, omdat die hem „een dosis geestelijk voedsel" had meegegeven op zijn levensreis, waarop hij lange tijd heeft „geteerd". Voorts vertelde hij, dat hij de „regie" van zijn leven meermalen zo inrichtte, dat hij, vooral om Prof. Holwerda te horen, de weekenden te Amersfoort kon doorbrengen.

De lof van Prof. Holwerda werd zo luide bezongen. Van hem werd zelfs gezegd, dat hij „het charisma" der „profetie" bezat. Dat is wel het hoogste van wat men van een prediker kan zeggen! „Vooral in zijn eerste tijd kenmerkte hem dit naar mijn gevoelen. Hij was toen wat de mensen noemen een door en door objectivist, of, wil men het in een kerkelijke term, een volledig voorwerpeUjk man. Rustig liet hij de sprake van de Heilige Schrift, zoals hij die verstond bij zijn scherpe inzicht en goed ontledingstalent, tot zich komen en hij trok dan met grote beslistheid de consequentie. „Geloven", zo zei hij het in bovengenoemde preek, „dat is, als de mensen je alles ontnemen, vast overtuigd zijn van de belofte Gods en daaruit dan ook leven." Hij concludeerde dat uit de houding van Izaak, de zwakste geest onder de aartsvaders. Hij trok met zijn mannen terug, toen de Filistijnen de bornputten van Gerar telkens weer opeisten. Izaak kon dat doen, want wat hij ook afgaf, hij behield de belofte dat God aan Abraham en zijn zaad het land geven zou. De terugtocht was een geloofsstuk. Het geloof was de kracht van de machteloze.

In wezen zie ik dit als het uitgangspunt van de profetie. Profetie is het Woord Gods spreken, hoe of de omstandigheden zich dan ook voordoen. Holwerda deed dit, hoe of hij dan ook kwam te staan.

In dit verband herinner ik mij een andere preek op de oudejaarsavond van het rampjaar 1940, toen de Duitsers in ons land stonden, ons in enkele dagen hadden overwonnen en hun glorieuze opmars door Europa voortzetten. Toen preekte Holwerda over de aanhef van Lukas 3. „De opening van het Kerstoffensief" heeft hij die preek genoemd. Hij schilderde de omstandigheden, waaronder Johannes de Doper geroepen werd het Woord Gods te doen uitgaan. Staatkundig was het erfvolk des Heeren weggevaagd. De kerk werd geregeerd door verlepte kerkvorsten. Johannes zwierf door de woestijn, gekleed in kemelshaar en gevoed met wilde honing. Toen begon God. Of nu ook de bespijkerde soldatenlaars van de Duitsers door het land marcheert, of dat men verkondigt dat een nieuw tijdperk van 1000 jaar is gekomen, Christus wint het altijd. Hij heeft reeds 1940 jaar geregeerd: wij tellen het j a a r onzes Heeren.

Dit was het inzicht van de jonge profeet Holwerda". Maar de „weekend"-sohrijver kan bij dit schone oordeel over Prof. Holwerda's werk niet blijven staan.

Hij weet niet goed hoe hij er eigenlijk mee aan moet. Dat zégt hij tenminste. De „analyse van Holwerda" vindt hij n.l. „uitermate moeilijk". (Ik geloof, dat de analyse van „Holwerda" onmogelijk is! Maar de schrijver bedoelt blijkbaar de analyse van Prof. Holwerda's publieke geschriften!) Al vindt hij die analyse nog zo moeilijk: hij waagt er zich toch aan. En dan komt dit schoons:

„Naar mijn mening is hij aan zijn oorspronkelijk

uitgangspunt niet getrouw gebleven. In de loop der jaren, de bewogen jaren van de oorlog en van de kerkelijke strijd, sloeg hij om. Hij werd van de objecti- Vist, de subjectivist; van de voorwerpelijke, de onderwerpelijke. Hij heeft de spanning van de profeet niet kunnen verdragen. De omstandigheden hebben hem overwonnen.

Zo kwam hij tot zijn latere standpunt, dat in onze streek zo duidelijk ingang heeft gevonden. De kerk was voor hem het al en het enige. Toen naar zijn inzicht de kerk werd aangetast, heeft hij die kerk tot het absolute verheven. Van haar zag hij geen zonde meer, nadat zij door nieuwe reformatie tot vrijmaking was gekomen. De kerk had de waarheid en via het ambt werd deze waarheid in de wereld verkondigd.

In zijn latere tijd heeft Holwerda niet duideliik meer gezien dat Gods schepping rijker was dan de formatie van de kerk en dat de andere levensgebieden eveneens een taak hadden te vervullen. Hij ging verder dan zijn collega Schilder, verwierp alle onderscheiding in terreinen en trok alles samen op de kerk.

Ik geloof mij dan ook niet te vergissen als ik de stelling neerschrijf, dat Holwerda als de geestelijke vader van het overspannen kerkbegrip moet worden gezien, dat in onze streek alle Christelijke actie dreigt stuk te breken en deze actie gaat onderbrengen in de activiteit van de kerk.

In dit alles is mijn waardering voor Holwerda ongerept gebleven, ook al kwamen wij later radicaal tegenover hem te staan. Prof. Herman Ridderbos noemde hem meer dan gewoon begaafd en dat was hij zonder twijfel. Maar bewogen schepselen Gods als de zo zeer betreurde Kamper Hoogleraar lopen gevaar, evenals hij, te vallen in het zwaard, dat zij eens zo moedig en bekwaam hebben gehanteerd.

Het is moeilijk en misschien wel voorbarig bij een baar reeds conclusies te trekken over een leven. Als ik het toch doe, dan is dat omdat ik zeer ernstig bewogen ben over de gevolgen die de zienswijze *an Holwerda in onze omgeving te zien geven. Ik meen, dat wij die gevolgen moeten keren.

Schilder heeft Holwerda niet willen volgen. Tussen hem en Holwerda lagen zeer duidelijke verschilpunten. Schilder bleef in de oude reformatorische lijn. De lijn van Holwerda buigt af naar het piëtisme, waarin men uiteindelijk alleen de kerk maar meer ziet en ten allerleste alleen de ziel maar meer ziet. Die lijn is niet meer klassiek gereformeerd.

God heeft helaas Holwerda de tijd van correctie niet meer gegund. Wij hadden dat zo innig gehoopt. Doch wat God doet valt niet onder de critiek van mensen. Met weemoed en droefheid staren wij de eerlijke en hoogstaande mens Holwerda na. Met zijn erfenis zullen wij nog vele jaren bezig zijn."

Wat de Weekend-schrijver in concreto met dit verwerpen van „alle onderscheiding in terreinen" en dat „overspannen kerkbegrip" en dat „afbuigen van Holwerda's lijn naar het piëtisme, enz. enz. enz. bedoelt blijkt uit wat de N. Prov. een paar dagen eerder over Prof. Holwerda schreef. Dit n.l.:

„In politiek opzicht moet Professor Holwerda gezien worden als één van de geestelijke stuwkrachten van het G.P.V., waartoe vooral zijn in het licht gegeven rede over het onderwerp: „De crisis van het gezag" als voorloper mag worden gerekend. In Zijl­ stra's boek „Tenzij" wordt deze rede meerdere malen geciteerd."

Zelden heb ik in zo'n kort bestek zoveel dwaasheden samengepakt gezien.

Dit alles lezend vraagt men zich in verbazing af, hoe het mogelijk is, dat een man, die een krant redigeert, zoveel enormiteiten kan neerschrijven! Is er dan in het geheel geen studie, geen inzicht, meer? Kent men de feiten niet? Ka'n men een gewoon boek niet meer lezen? Of is hier een verblinding — door wat voor oorzaken ook — die wat een buiten eigen •kringetje levend mens werkelijk wil en doet niet meer fcan onderscheiden?

Naar aanleiding van het geciteerde artikel wil ik enkele opmerkingen maken. Want met al zijn dwaasheid roert het verschillende kwesties aan welke voor het leven van het gereformeerde volk van levensbelang zijn. En het debiteert daaromtrent die waanvoorstellingen welke helaas bij zeer velen in omloop zijn. Ze werden en worden door heel veel oppervlakkig geschrijf in veler hoofden ingestampt. Ze werden iVlot en dom en gevaarlijk gehanteerde cliché's.

Het gaat mij bij dit schrijven voorts niet om Prof. Holwerda's levensarbeid te verdedigen. Althans niet in de éérste plaats. Het gaat mij er ook niet om dit artikel te bestrijden. Ik geloof, dat het dat niet verdient. Ik wil alleen naar aanleiding van dit artikel enkele opmerkingen maken over enkele kwesties, mid­

den in de situatie waarin we thans leven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 juni 1952

De Reformatie | 8 Pagina's

Toenemende verwarring

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 juni 1952

De Reformatie | 8 Pagina's