GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Matth. 6:33.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Matth. 6:33.

9 minuten leestijd

Een onzer lezers vraagt naar de bedoeling van bet woord des Heeren Jezus in Matth. 6:33: Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid, en alle deze dingen zullen u toegeworpen worden.”

Hij schrijft, dat hij in een verhandeüng over de vraag, of het Christendom diesseitig of jenseitig is (d.w.z. het zwaartepunt van ons menschelijk bestaan vindt in het leven aan déze of in het leven aan gêne zijde van 't graf) dit woord zóó hoorde uitleggen, als zou het bedoelen, dat eerst het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid op aarde in al hun volheid komen moeten, en dat dan al de dingen dezes levens, door Jezus tevoren genoemd, ons als vanzelf ten deel zullen vallen. Zélf had hij het altoos anders verstaan; n.l. als een vermaan, dat we, ieder persoonlijk en voor zich, eerst het Koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid zullen zoeken, en dat, als we dat bezitten —• „d.w.z. het geloof hebben'" — „de dingen van dit tijdelijke leven, als voiedsel, kleeding enz., ons niet meer in de eerste plaats zullen bekommeren, maar we ze als iets bijkomstigs zullen beschouwen, waarin God wel zal voorzien”.

Als we op het gebied van Schriftverklai'ing niet zóó aan het meest-verbazingwekkende gewend waren, dat we ons over niets meer verbazen, zou ik me verbaasd hebben over de „verklaring? " van MatÜi. 6:33, die men onzen lezer te genieten gaf.

Stel u voor: Christus is bezig de zijnen tè onderwijzen aangaande de verhouding waarin ze behooren te staan tot do stoffelijke wereld in 't gemeea en tot de behoeften van hun aardsche leven: spijs en drank en kleed, in 't bizonder.

Hij heeft hen gewaarschuwd voor het vergaderen van schatten aan den éénen, on voor bezorgdheid aan den anderen kant. i

En nu zou Hij: dat alles laten uitloopen in de vermaning, dat ze maar moeten uitzien naar de voleinding der dingen; want dat hun dan vanzelf in den schoot zal vallen wat hen nü zoo bezorgd kan maken. M.a.w. Jezus zou zijn vermaning, om niet bezorgd te zijn, hebben ondersteund met een heenwijzen naar de volle openbaring van het Koninkrijk Gods, die eens aan alle bezorgdheid een einde zal maken!

Dat zou er veel op gelijken, als nam Jezus heel zijn voorafgaand vermaan terug; als eindigde Hiji met toe te geven, dat Hij toch ook eigenlijk niet vergen mocht wat Hij van hen eischte, want dat alle reden van bezoigdheid voor de zijnen eerst weg zal vallen als het Koninkrijk Gods volmaakt zal zijn; en dat ze daarom, in het uitzien naar die volmaking maar zoo wat voort moeten tobben....

Maar men moet 'dit woord toch wel in beklagenswaardige domheid of met brutalen moedwil losscheuren uit heel zijn verband, om er zóó iets in te lezen. Want 's Heeren bedoeling met al wat voorafgaat, was, zooals ieder ziet en tast, niet, te midden van de zorgen des levens de zijnen te troosten met de hoop op een tijd waarin geen zorg hen meer kwellen zal; maar wèl hen to vermanen, dat ze nü, in dit leven, terwijl de volle openbaring van het Koninkrijk Gods nog toeft, zoomin aan bezorgdheid als aan hebzucht plaats in hun hart zo-uden geven.

En hoe weinig Christus, met vs 33, dezen gedachtcrïgang afbrak, toont ons vs 34, waarin de Heere het vermaan uit vs 25—32 nog eens plechtig en nar druldtelijk weer opneemt, zeggende: „Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen, want de morgen zal voor het .zijne zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad."

’k Hoop dat m'n vrager, na deze opmerkingen nog méér overtuigd zal zijn dan hij reeds was, dat hij goed doet met zijn eigen opvatting van Matth. 6:33 niet uit te ruilen voor die van z'n „verhandelaar”.

Overigens dient hij; toch de. zijne nog wat nader te preciseeren, en ook op een paar piunten te herzien.

In de eerste plaats moet hij zich wat rustiger rekenschap geven van wat hier onder het zoeken van het Koninkrijk Gods en van zijne gerechtigheid te verstaan is. Voor „Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid" kan men niet maar kort en goed „geloof" in de plaats zetten.

Natuurlijk kan men het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid zonder geloof evenmin zoeken als deelachtig worden. Doch daarom gaan ze nog niet öp in geloof.

Eer is er hier een onderscheid als tusschen het middel en wat men dóór het middel deelachtig wordt. Om het spoor niet bijster te raken, moeten we beginnen met dien naam van „Koninkrijk Gods", die het eindelo'os gebruik, helaas, zoo licht een hollen klank voor ons deed worden, weer zijn eigenlijken en vollen inhoud te geven.

We moeten het niet dadelijk in onze gedachten maken tot drager van begrippen als: hemel, heerlijkheid, gelukzaligheid, en welke andere voorstellingen we er ge^ wooiüijk almeer mee verbinden, maar het nemen in zijn eigen beteekenis.

En dan is het als Koninkrijk een sfeer van macht, van heerschappij; een kring van menschen en een orde van zaken, waarin de wil van één, den Koning, geldt als wet voor alles en voor allen, en ook door allen gehoorzaamd wordt. En als Koninkrijk Gods, is het dan die heilig© levensorde, waarin de wil onzes Gods weer als hoogste en ©enige wet in liefde aanvaard en met vreugde volbracht wordt.

Het Koninkrijk Gods zoeken, is dus er zich met hartelijk© liefde, in gebed en strijd, naar uitstrekken dat eerst in ons eigen haii en huis en levem, en dan óók bij anderen, bij aUe menscheUy onzen God weer de ©ere en de gehoorzaamheid betoond mogen worden die we Hem schuldig zijn.

In éénen adem met deze heerschappij onzes Gods noemt de Heer© Clnistus „zijne gerechtigheid". Onze Statenvertalin, g geeü, hier, onbedoeld, licht aanleiding tot een misverstand, dat ook bij-onzen inzender blijkt te bestaan. Het misverstand n.l. als zou de hier bedoelde gerechtigheid die van bat Koninkrijk Gods zijn. Het bezittel. v.n.w. „zijne" moet evenwel, naar de grondtekst uitwijst, niet met „Koninkrijk", maar, evenals het woord Koninkrijk zielf, met „God" verbonden worden; precies alsof er stond: „Zoekt eerst het Koninkrijk en de gerechtigheid Gods.”

„De gerechtigheid Gods" — dat is dan de gerechtigheid: het recbt-zijn en recht handelen, dat God de Heere als Koning in zijn heiligen, ons geopenbaaxden wil van zijn onderdanen vordert, en waarin die onderdanen ook als zijn onderdanen openbaar worden.

Lit Koninkrijk Gods en deze gerechtigheid Gods vermaant Christus de zijnen te zoeken. Niet alsof ze er nog ver en vreemd van waren. Want al wie in waarheid een discipel van Christus is, d.w.z., al wie oprechtelijk in Hem gelooft, vond in beginsel het Koninkrijk Gods en werd een zijner onderdanen; bij dezen is ook, aanvankelijk, de gerechtigheid van het Koninkrijk. Maai' ze zijn et-ook nog slechts in beginsel en bij aanvang, Het Koninkrijk en de gerechtigheid Gods moeten bij zuUv een nog altoos volkomener worden. En in zóóver moet wat hij reeds vond toch nog, altoos door hem gezocht worden, 't Is ermee als met de twreede bede van het Onze Vader: het Koninlaijk onzes Gods is er; en tóch, neen juist daarom, leert Christus ons bidden, dat het kome.

Het zoeken nu van dit Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid, en het zoeken en zorgen voor d© nooddruft des aardschen tevens zet Christus hier voor de zijnen in een bepaalde verhouding: eerst het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid — en dan de diiJgen van ons natuurlijk leven.

Deze verhouding "is niet bedoeld als tijdsorde; zóó, als zouden we pas aan onze lichamelijk© nooddruft mogen gaan denken, als we m©t het zoeken van het Koninkrijk en van de gerechtigheid Gods gereed waren. Want met dat laatste komen we in dit leven nooit gereed, en Jezus zou al de zijnen derhalve tot deti hongerdood veroordeeld hebben, zoo hij hi©r ©en tijdsorde had bedoeld.

Wat Hij bedoelt is een rangorde. Hij beveelt het zoeken van het Koninkrijk en van de gerechtigheid Gods, en Hij verbiedt niet het zoigon voor brood en kleed. Doch Hij zet deze twee, in het leven zijns volks van eiken dag, hier in dezelfde verhouding als in het Onze Vader: voor het eerete vraagt Hij de eerste plaats; het tweede wil Hij dat we aan dat eerst© ondergeschikt maken.

En dan verbindt Hij daaraan, om ons tot gehoorzaamheid te dringen, een belofte. Want dat zijn de woorden.: „en alle deze dingen zullen u toegeworpen worden."

Ze zeggen niet, zooals m'n vrager meent, welke uitwerkinig het geven van de eerste plaats aan onzen God bij ons hebben zal: dat w© dan niet meer zoo bezorgd zullen zijn over de aardsch© dingen enz. - maai' ze zeggen, wat de Vader in de hemelen zal doen bij zijn kind, dat, in zijn denken en begeeaieiii en zorgen, aan zijn Koninlcrijk en zijn gerechtigheid de eerste plaats geeft. Hij zal het allereerst geven zijn heilig begeeren van toenemende gehoorzaamheid aan zijn God en toenemende gelijkvormigheid aan zijn beeld; en Hij zal het voorts alle tijdelijke dingen als toegift in den schoot werpen.

Dit is een woord om, als ge er over aan 't schrijven raakt, niet meer op t© houden. Ik ken, zou 'k haast zeggen, geen ander, dat van zóó groote beteekenis is en van zoo rijk© belofte voor 't pralctische leven.

Maar — ik schrijf thans geen preek, en ik nam ropds veel ruimte.

Alleen hierop moge ik even opmerkzaam maken, hoe onze God ons hier verzekert, te zullen toonen, hoezeer ónze stoffelijke nooden Hem ter harte gaan, als wij ons vóór en boven alles bekommeren, niet om brood en kleed, maar om zijn Koninkrijk en om de gerechtigheid die Hem in Christus welbehagelijk is.

Hier ligt dei verklaring van heel wat bezorgdheden T)ij Gods volk; en — hier wordt ons de poort gewezen om eraan te ontkomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 oktober 1925

De Reformatie | 8 Pagina's

Matth. 6:33.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 oktober 1925

De Reformatie | 8 Pagina's