GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

De heiligmaking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De heiligmaking.

6 minuten leestijd

I.

Uit d. L. ontving ik twee vragen. De eerste gaat over de heiligmaking; de tweede over de belijdenis van Cliristus als den eenigen en algenoegzamen Zaligmaker. 'k Beantwoord ze in de orde waai-in ze gedaan werden.

Eerst dan die over de heiligmaking. Inzender vraagt, waarvoor de heiligmaking eigenlijk te houden is: voor een werk Gods of voor een werk van den geloovige zelven., En hij vei-bindt daaraan dan nog enkele andere vragen, als: of, zoo de heiligmaking een werk Gods is, dit werk dan niet rusteloos en onafgebroken voortgaat tot het voltooid is, en of, zoo dat niet het geval is. God de Heere dan niet Zijn werk, zij 'took slechts tijdelijk verloochent. —i Zóó allhans meen ik zijn bedoeling juist weer te geven.

Wat nu de eerste vraag betreft, is de heiligmaking, naar de Heilige Schrift, ongetwijfeld ©en werk, niet van den geloovige zelve, maar van God, die haar schonk in Christus en werkt door den Heiligen Geest.

Uit den overvloed van getuigenissen der Schrift, breng ik alleen de volgende onder vragers' aandacht.

Het is, naar lalipp. 2:13, God, die bij Zijn volk „werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen".

Het is God die „het goede werk dat Hij in de geloovigen begon, ook voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus" (Filipp. 1.-6).

Het is van God, dat de Apostel Paulus den Thessalonicensen toebidt (1 Thess. 3:13) dat Hij hunne harten moge versterken om onberispelijk te zijn in heiligmaking voor Hem, en (1 Thess. 5:23) dat de God des vredes zelf hen heilige geheel en al, en hun geheel oprechte geest en ziel en hohaam onberispelijk bewaard worde in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus.

Deze enkele getuigenissen der Schrift zijn voldoende. Ze roepen van zelf tal van andere voor onze aandacht.

Trouwens, als we de heiligmaking maar recht verstaan: niet als ee-n werk van dankbaarheid waarmee een verloste door Christus, Gode iets zoekt te vergelden voor de hem bewezen genade (Remonstrantsch), maar als zélve begrepen üi de verlossing door Christus, en bestaande in de voortgaande vernieuwing naar 't beeld Gods, die oen aanvang nam met de wedergeboorte — is het ons aanstonds duidelijk, dat er hierin voor een eigen en zelfstandig werk van den geloovige geen oogenblik plaats is; dat de heiligmaking evenzeer als de wedergeboorte een genade-weldaad Gods moet zijn.

Deze weldaad heeft God, als alle zahgmakende eldaden, niet minder dan de rechtvaardigmaking. ijn volk geschonkem in Christus.

Christus is hun van God geworden, niet alleen ot wijsheid en rechtvaardigheid, maar ook en venzoo tot heiligmaking (1 Cor. 1:30).

In Christus Jezus zijn ze, als Gods maaksel, eschapen tot goede werken, welke God voorbereid eeft (Ef. 2:10).

Ze boeten altoos weer „geihedligdea in Christus ezus".

In Christus Jezus hunnen Heere' zijn ze „det zonde dood en Gode levende" (Rom. 6:11).

Christus is de ware wijnstok, uit wien alleen ze vrucht kunnen dragen, en zonder wien ze niets kunnen doen (Joh. 15).

De weg, waarin deze weldaad hun toekomt is dezelfde als die waarin ze alle andere deelachtig worden: et is die van hun mystieke eenheid met Christus. Ze zijn in Clu-istus (Joh. 15, 2 Cor. 5:17), ranken van den waren wijnstok (Joh. 15), leden van Zijn geestelijk lichaam (Ef. 4). En deze vereeniging komt tot stand door 't geloof (Ef. 3:17).

En dezelfde Geest die dit geloof werkt, en dóór 't geloof hun geestelijke eenheid met Christus tot stand brengt, eigent hun uit de volheid van Christus, met alle andere heilsweldaden, ook de weldaad der "heiligmaking toe.

Evenals ze door Hem in den naam des Heeren Jezus gerechtvaardigd zijn, zijn ze ook door Hem afgewasscben len geheiligd (1 Cor. 6:11) — Ze leven door den Geest (Gal. 5:25). Ze zijn uitverkorenen, naar de voorkennis Gods des Vaders, in de heiligmaking des Geestes (1 Pletr. 1:2; en 2 Thess. 2:13). De Heilige Geest is de Geest der heiligmaking (Rom. 1:4).

Uit al deze Schriftuurplaatsen is het wel duidelijk, dat de heiligmaking geen werk is van ons, maar een werk Gods, in Christus, door den Heiligen Geest.

Dat is de heiligmaking naar haar passieve zijde, d.w.z. naar die zijde, waai-bij de geloovige passief is, waarbij hij lijdelijk is: het voorwerp van een werk Gods, dat hij ondergaat, dat in Hem wordt gewrocht.

Doch naar zijn aard en bestemming gaat dit werk daarin niet op, komt het daarin niet tot zijn einde. Het zet zich door-, en het loopt uit in de activiteit van hem die aldus geheiligd wórdt. Gelijk onze belijdenis in Hfdst. 3 en 4, Art. 12 van de Dordsche Leerregelen hel zoo juist en schoon zegt: dat bij alle degene in wie God op deze wonderbaarlijke wijze werkt, de wil, zijnde nu vernieuwd en van God bewogen, ook zélf werkt.

En het is naar deze actieve zijde, dat de Schrift van de heiligmaking spreekt, in tal van uitspraken, die op min-kundigen wel den indruk maken, als schreven ze de heiligmaking aan den geloovige zelven toe.

Zóó: n de vermaning van Christus aan de Zijnen, dat ze veel vrucht zullen dragen, en van de Apostelen aan de Christenen, aan wie ze schrijven, dat ze de heiligmaking zullen najagen (Hebr. 12:14), dat ze den ouden mensdi zullen afleggen 'en den nieuwen mensch zullen aandoen, (Ef. 4:24), dat ze hun heiligmaking zullen voleindigen, en zooveel meer.

Doch het is duidelijk, dat daarmee de heiligmaking even weinig tot óns werk wordt gemaakt,

als hel geloof in een kind Gods ophoudt een werk en een gave Gods te zijn, zoodra het, uit kracht van de genade des geloofs die in hem oewrocht werd, zelï gelooven gaat.

Hier is geen deeling of scheiding. Hier is het éénzelfde genade, die eerst passief in Gods gekenden wordt gewerkt en daarna actief in hun eigen werkzaamheid openbaar wordt.

Hier een óf... óf te zetten: óf van God, óf van «aszelven, zou even ongezond zijn, als van de vrucht aan den tak van een boom te zeggen, dat %e óf van den boom óf van de tak moet zijn. Ze is van den boom omdat ze van de tak is, want de tak is van den boom.

Het water in de beek is uit de bron, omdat de beek zélve uit de bron is. Er is hier geen plaats voor een óf lüt de eene, óf uit de andere.

Zóó en niet anders teekent ons de Schrift de verhouding tusschen de heiligmaking in passieven en de heiligmaking in actieven zin.

Zoo doet het de Heere Jezus Christus, als Hij zich-zelven den wijnstok noemt, en de geloovigen 2gn ranken, die vrucht dragen uit Hem. En zóó doet het de Apostel Paulus, als hij de Füippensen vermaant (hfdst. 2:12 en 13) „Werkt uws zelfs zaligheid met vreeze en beven, want het is God dio in U werkt beide het vnUen en hot w^erbein, naar Zijn welbehagen".

Doch hier juist drongen zich nu aan inzender de vragen op, die hij in tweede instantie deed.

Het antwoord daarop tracht ik, bij leven en Avelzijn, te geven in het volgende nummer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1934

De Reformatie | 8 Pagina's

De heiligmaking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1934

De Reformatie | 8 Pagina's