GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

UIT DE SCHRIFT

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

UIT DE SCHRIFT

5 minuten leestijd

Braakt ulieden een braakland en zaait niet onder de doornen. Jeremia 4: 3.

Niet onder de doornen.

Braakland is geen woestijn. De woestijn ligt daar onbeheerd, zonder eigenaar; er is nimmer aan haar gearbeid. Ze kan prachtig zijn in haar eindelooze welving en eenzame woestheid. Maar braakland heeft geen schoons. Het is akkerland, doch dat aan zichzelf werd overgelaten. Vroeger, ja, toen beloofde, toen gaf die akker zijn vrucht; hij had een eigenaar, en werd bewerkt. Maar sinds lang werd ploegschaar noch spa meer in zijn grond gezet, en geen zaaier schreed over zijn kluiten. Het land bleef onverzorgd liggen. En wat het thans biedt is de ruige aanblik van wanorde en verval; overal is het onkruid naar boven gekomen; hoog schieten distel en brandnetel op; de paden zijn overgroeid; steen en vuilnis wordt er op den vrocgeren a'iker geworpen; — braakland geeft een triest, afstootelijk gezicht.

Hoe dwaas zou men handelen, wanneer men, bij wederingebruikneming van dezen akker, meende te kunnen volstaan met slechts goed zaaizaad erover te strooien. Geen landman, die er ook maar een oogenblik aan denken zou. Het zaad bereikte goeddeels niet eens den bodem, en voorzoover het daar kwam, zonk het er niet iii weg; en mocht het zich al even ontwikkelen, dan zouden toch de doornen het beginnend leven spoedig overwassen en verstikken.

Neen, hier moet eerst een ander werk gebeuren. De akker zelf moet grondig vernieuwd worden. Hij moet aan zijn oppervlak van steenen en onkruid gezuiverd. En dat niet slechts, maar hij moet innerlijk worden omgezet; hij moet door den ploeg in het hart aangetast, en gebroken, en opengeworpen. De disleven en doornen moeten in hun wortels worden gegrepen en versneden en weggedaan. En zóój — in de diepte herboren, — zóó kan de akker het goede zaad ontvangen, en in schooue vrucht teruggeven.

„Braakt u'.ieden een braakland, en zaait niet onder de doornen".

Het is tot Israël, het is tot óns gezegd

Of meent ge, dat uw hart van zichzielf den Heere een schooner aanblik geeft dan braakland? Dat we toch zulke hoogmoedige gedachten laten varen. Ja, wij waren wel eenmaal voor God een kostelijke en vruchtbare akker. Wias niet de schoone hof van Eden een beeld van 's menschen oorspronkelijk leven? Maar de Groote Eigenaar heeft zich moeten terugtrekken, omdat wij geen vruchten voor Hém, doch voor onszélven wilden voortbrengen. Sinds zijn we een verlaten akker, overgegeven aan eigen bederf. En de vruchten voor onszelven, — daar zijn ze; — ruig en fijn onkruid, netelen en doornen. „Uit het hart komen voort booze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valsche getuigenissen, lasteringen"; — het braakland, zoo straks door ons bezien, dat en niets beters geven wij uit eigen natuur aan God te aanschouwen.

Nu, dat zal anders worden, — zegt somtijds de mensch. Waar moet het aldus miet mij heen!? Straks ga ik sterven, en zal voor mijn Rechter verschijnen. Het moet anders worden. Ik ga niij bekoeren.

En vol ijver tijgt hij aan het werk. Hij bukt zich over zijn levensakker, en trekt en rukt de distelen weg, en wondt zich de handen; hij wil wel overal tegelijk zijn, want alles moet schoon worden, en nauwkeurig speurt hij waar zich nog onkriüd verheft. En dat niet alleen, maar nu moet er ook goed zaad in den akker. En daar strooit hij rijkelijk zijn goede voornemens, en zijn vromen wandel, en zijn nauwgezette plichtsbetrachting, en zijn goede werken. Wat is alles toch veranderd, en hoe schoonen oogst belooft de akker.

Ai mij, — het zaad sloeg nauwelijks aan in den bodem^; en waar het nog even ontkiemde, daar werd het in zijn eerste ontwikkehng reeds overwonnen door de doornen; de doornen, die wel van de oppervlakte verdwenen, maar welker zaden en kiemen en wortels in den grond waren achtei> gebleven, en die zich daarna opnieuw met onverminderde kracht deden gelden. Van heel dat bekeeringswerk kwam niets terecht. De oude natuur spotte met al die verbetering. Ze was in ongeknakte kracht achtergebleven onder dat schoone uiterlijk van Christelijke deugdzaamheid. Straks kwam ze weer terug met haar verzoekingen; al sterker; nog een wijle wordt er tegenstand geboden, maar deze wordt al slapper; en spoedig is die schijnbaar bekeerde mensch weer de oude kniecht der zonde.

„Braakt ulieden een braakland, en zaait niet onder de doornen".

Ja, braakt uliedten een braakland.

Het ploegmes moet erin. De oude natuur moet in haar diepte worden getroffen en gedood. De zonde moet in den wortel aangetast door de kracht der genade. De oude mensch moet niet verbeterd worden, maar hij moet sterven.

En hier legge de mensch zijn heil uit handen. Ons hart schuilt te diep we^, dan dat onze eigen kracht het zou kunnen bereiken. Moge de landman zijn akker kunnen breken en vernieuwen, — dê akker kan het zichzelven niet. En wij zijn zélf akker. Wij moeten vernieuwd en herboren wórden. En dat door denzelfden Eigenaar van onzen levensakker, dien wij voorheen moedwillig hadden verlaten. Tot Hem moeten wij weer terug. Dat zal niet anders gaan dan in een weg van schaamte en zelfvernedering. Wij zullen in berouw onze schuld en ons zelfgesticht bederf moeten bekennen; en moeten toestemmen, dat de Heere naar recht ons aan onze verwildering en aan eeuwige verwoesting zou kunnen overgeven.

Maar zóó mogen we dan op Zijn genade pleiten. Wèl op Zijn genade. Want het is vrije wil Gods om ons braakland te herscheppen; en óók in ons gebed, — hoe langdurig en innig het moge zijn, ^ ligt geen enkele aanspraak op de vrijwiüige ontferming des Heeren. Doch aan die vrijwillige ontferming klemme de ziel zich vast; de ziel, die gezien heeft dat ze haar eigen wildernis niet kan herscheppen, en die weet dat ze wedergeboorte en hartgrondige 'bekeering noodig heeft, zoo ze Gode welbehagelijke vruchten zal voortbrengen. Ze klemme zich vast aan het: — „indien Gij wilt. Gij kunt mij reinigen". En ze blijve volstandig bij die smeekende belijdenis.

Zoo zal de Landman zich ontfermen. Hij zal Zijn braakland herscheppen, en er zal niet meer gezaaid worden onder de doornen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1936

De Reformatie | 8 Pagina's

UIT DE SCHRIFT

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1936

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken