GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

6 minuten leestijd

Galvljn over de Synodes van Lausanne en van Bern.

Na afloop der Synode van Bern schreef Calvijn aan Gryneus, Professor in Bazel, het volgende:

„Daar wij reeds genoeg ondervinding hebben van de wonderlijke en ongeloofeüjke kvrastgrepen des Satans, waarmee hij ons temidden van al onzen arbeid aangrijpt, heeft ons de boosaardige sluwheid van Caroli niet verrast. Wij hebben dteze soort aanvallen al lang voorgevoeld en waren dns vol moed om den strijd door te zetten. Toen wij hoorden, dat wij eerst beschulidigd werden van Ariaansche ketterij en dan zelfs van Sabellianisme, heeft dat ons niet in de war gebracht, daar wij reeds tevoren voor zulke lasteringen doof waren en vast hoopten, dat zij in rook zouden vergaanL

Tot onze verdediging voerden wij aan, wat-voor de hand lag, en wat uatuurlijk voor alle Vromen en rechtschapenen rijkehjk voldoende kon zijn.

Want eenigen tijd tevoren hadden wij een Catechismus uitgegeven in de Fransche taal, waarin wij beledea, dat wij onder het Eene Wezen Gods Vader, Zoon en HeiUge Geest te zamen vatten, echter zoo dat de een van den ander onderscheiden was, zoodat er geen ruimte voor verdenking overbleef... Maar toen Caroli, dat woedende beest, voortging, vroegea wij een syno'de aan... om onze onschuld te bewijzen... Wat de goede man aan leugens kon verzinuea, had hij ia eea bundel tezamen gevat en zoO' kwam hij wel toegerust alsl aanklager op de synode met een zak vol aanklach391 ten. Maar wij hebben dien heelen zak in onze wederlegging zoO' goed geledigd, dat niet d'e geringste verdenking meer pverhleef... Zoo' werden wij door het besluit der Synode vrijgesproken en Caroli werd onwaardig tot het predikambt verklaard.

Deze uitslag heeft hem echter niet verootmoedigd, dat bewijst zijn verder brutaal optreden. Hij bracht (op de synode van Biem) zijn ouden zak' nog veel meer volgepropt weer. Hij bracht weer ons 'belijdenisschrift mee, dat hij nu van al dia andere fouten vrij achtte, maar nu had hij weer een ander pxmt van beschuldiging: namelijk, dat daarin Christus als „Jehovah" aangednid wordt, die uit Zichzelve eeuwig Zijn heeft. Deze aanklacht was licht te weerleggen. Wanneer men slechts het onderscheid in 'toog vat, dat bestaat tusschen den Vader en den Zoon, zoO' zeggen wij ook', dat Hij van den Vader gegenereerd is. Ziet men echter het Wezen des Zoons aan, waardoor Hij één is met den Vader, zoo kan ook, wat van God gezegd is, van Hem gezegd worden. Wat beteekent de Naam Jehovah? Wat beteekent het, waaaeer tot Mozes gezegd wordt: Ik ben, die Ik ben? (Ex. 3:14).

Paulus laat Christus dit Woord spreken. Voor u en voor alle vromen behoeven wij ons niet te vermoeiea om de waarheid vaa deze opvatting te bewijzen. Wij wilden echter d'e boosheid van de vervloekte lasteraars niet stilzwijgend voorbijgaan, opdat niet iets anders dan wat werkelijk aan de orde is, bij geruchte tot u zou komen. Want openlijker kan het niet gezegd worden dan het in onze belijdenis staat: Christus is het eeuwige Woord, , door den Vader van eeuwigheid gegenereerd. Er was ook memand', die niet tevreden was, behalve Caroli alleen. De broeders verklaarden, zooals het trouwen Dienaars van Christus betaamt, dat wij geheel ten onrechte verdacht waren gemaakt...

Tijdens de syno'de bracht men een officiëelen brief van Myconius— een andtere van Capito... Uit beide was te lezen, dat een vreeselijk gerucht van onzen strijd allerwegen verbreid was, door sommige lieden kunstmatig aangewakkerd om den haat aUer menschen tegen ons op te wekken. Dat een nietswaardig mensch met zijn ledige beuze^ Ungea het zoO' ver brengen kon, dat zoo vele gemeenten een kwaden indruk van ons kregen, dat heeft ons hevig ontsteld. Want wij hielden het voor geen kleinigheid, dat onze vijanden vernamen, dat de hoofdwaarheden onder ons in discussie waren, of waaaeer de gemeenten zoO' iets van ons dachten. Des te meer schrokken wij daarvan, omdat wij aiet koadea vermoeden, dat het zoo ver kon komen. Want wij hadden gehoopt, dat door Gods goedheid deze nietige rookwolken spoedig zouden verdiwijnen en dat het booze, dat zij voolrhadden, op hun hoofd zou neerkomen.

Maar reeds begon de Hand des Heören zich te vertoonen ea Ziju kracht begon zich te openbaren om zulke dingen in 't begin uit te blussoben. De aanklager werd verbannen, wij werdten geheel vrijgesproken, niet slechts van schuld', maar ook van elke verdenking.

Hoewel Caroli nu zich beroemt, dat hij als een tweede Athaaasius moet lijden om het rechte geloof, zoo is er toch geen gevaar, dat de welreid een Athanasius erkent, die een heUigschenner is, eea hoereerder ea moordeaaar... Wanneer wij' hem zoo noemen, zeggen wij rdets dan wat wij met bewijzen staven kuimen.

Dit wil de ik u in '.f kort berichten, opdat wij niet, zooals licht kan gebeuren, als afwezigen dtoor valsche berichten van vijandig geziadfe lieden onverhoord' veroordeeld worden... Ik geloof dat het er vooral op aankomt, dat dez© zaak niet door duistere geruchten overdreven wordt..." Tot zoover Calvijn.

Ondanks dit alles hebben de Zwitsersche theologen toc'h de Geneefsche beschuldigd om het ont-

breken van de woorden j, Drieëenheid" en „Persoon".

In Augustus van dat jaar moest Galvijn in opdraclit van de Geneefsche pl*edikaiiten hie'rovër een brief schrijven aan de predikanten van Zurich.

Galvijn betoogt daar opnieuw, dat liij deze woorden niet scliuwt, maar „alleen willen wij niet, dat zulk een tirannie insluipt in de kerk, dat men hem voor een ketter houdt, die niet naar het voorschrift van een ander spreekt, zooals Caroli er op aandrong, dat niemand voor een Ghristen gehouden zou worden, die niet de drie oude kerkelijke belijdenisschriften (Nicea, Athanasius... en de twaalf artikelen? ) aannam."

In October 1539, dus ruim twee jaar later, heeft dezelfde Garoli het Galvijn weer tot schreiens toe moeilijk gemaakt. Toen had Garoli zelfs Fame] „zachtmoedig" gestemd en het scheelde zeer weinig of de kortzichtige predikanten hadden hem weer in het ambt toegelaten. Maar Galvijn liet zich door zijn vroom praten niet bedriegen. Hij waakte als een wakker herder voor de kudde en ontzag het daarbij niet in strijd te komen met zijn beste vrienden, die hem wraakzucht en hai'dheid verweten.

Doch de historie geeft Galvijn volkomen gelijk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 augustus 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 augustus 1937

De Reformatie | 8 Pagina's