GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

ZIELKUNDE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ZIELKUNDE

7 minuten leestijd

Geloof en Verbeelding.

III.

Nog een ander terrein waarop de fantasie de zonde dient en het geloof een zwaren strijd heeft te strijden, is het dobbelen. Men behoeft daartoe niet altijd dobbelsteenen of kaarten in de hand te nemen, want men kan ook dobbelen door te speculeeren of mee te doen aan verlotingen. De toekomstfantasie toovert ons dan vervulde wenschen voor van rijkdom, macht en eer, ten koste van de spaargelden van anderen. Deze wenschen leiden meestal tot hartstochten, die eindigen in doodslag of zelfmoord, zooals de omwonenden van speelholen kunnen getuigen. De strijd des gêloofs tegen het z.g.n. gokken gaat dus niet alleen tegen den mammon, noch alleen tegen het dienen van de fortuin, maar vooral tegen het dwalen van do fantasie op verboden terrein. Gedachten zijn niet tolvrij, want het Woord des Heeren is een oordeeler der gedachten des harten. Daarom vermaant de Heilige Schrift 'den mensch, dat uit zijn zondig hart voortkomen kwade gedachten, en onverstand', die gedood moeten worden.

Wenschfantasieën loopen ook heel vaak uit op teleurstelling. In goudlanden komt het vaak voor, dat menschen een paar goudhoudende steenen of een paar diamanten optillen in een stuk land en met liun vrienden daarheen snellen om een stuk af te pennen. Dagen, ja soms weken lang graven ze a! zwoegende, totdat ze hun werk moeten opgeven. De wensch was bij hen de vader van de gedachte. Hun rijkdom bestond alleen in de fantasie.

Ook kan de fantasie een leider van jeugdigen of volwassenen bedriegen in zake zijn invloed. Als zo in 'teerst met hem wegloopen, meent hij, geleid door zijn fantasie, dat zijn invloed nog altijd stijlgende is, evenals koning Abimelech van de Sichemieten dacht. Plotseling echter blijkt de ver\Tilling van zijn wenschen een sciiijnwerkelijkheid te zijn, die als zandgrond onder zijn gebouw wegzakt. Dan kan men van zulk een leider zeggen, zooals de profeet Obadja van de Edomieten: „De trotschheid uws harten heeft u bedrogen". Van een kind kan men het verdragen als het zijn wenschen in verbeelding vervuld acht, maar een volwassene, die zichzelf op deze wijze bedriegt, wordt bespot. Leiders moeten düs nuchter zijn van opvatting.

Ook de geloovige heeft zijn teleurstellingen want zijn zondig hart is steeds geneigd om aan de ijdele verbeelding gehoor te geven. Maar hij heeft in zijn strijd tegen zijn ijdele fantasie een machtig wapen in Gods Woord, dat hem leiding geeft. Een geloovige arme of werklooze legt zijn wenschen, met smeeken en dankzegging voor God neer, zeggende: Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede, terwijl hij bij het „ora" het „labora" voegt. Een jonge man en een jonge vrouw, die het huwelijk ingaan, zijn meestal vol van idealen, doch 't geloof weerhoudt hen om alle dingen in 't leven daaraan op te offeren en aldus God te vergeten.

Iemand die vlug vooruit is gekomen op het gebied van handel of techniek droomt vaak van nog meer praestaties en van roem, doch het geloof leert hem nuchter te blijven en te vragen naar het mandaat Gods voor zijn tijdelijk leven hier op aarde en voor de eeuwigheid.

435 DiO wenschfantasie is dus een kostelijke functie, doch ze moet eerst wedergeboren worden en gereinigd eer ze vruchten afwerpt tot Gods eer len tot ons nut.

De angstfantasieën vormen een apart terrein van de toekomstfantasie, omdat daarmee s: amenhangt of wij met moed de toekomsit tegen gaan dan of wij met een minderwaardigheidscomplex te worstelen hebben. In het laatste geval moet de angst remmend werken 'op het geloofsleven. De vrees om zich te bedriegen houdt die functie tegen.

Beginnen wij als kinderen reeds met angst voor het onbekende en met vrees voor het bekend ge- 'vaar, zoo is de vraag gewettigd of er ook erfelijke angsten zijn. Sommigen zijn van oordeel, dat d'e vrees voor het donker, voor onweer, voor wilde dieren, aangeboren is, doch anderen en ook wi] schrijven deze vrees toe aan suggestie door ouderen. Wat voor ons onderwerp van beteekenis is, is dit, dat de angsten die het geloof remmen afkomstig zijn uit de ervaring. De fantasie kan zich richten op de oorzaken van het uitblijven van 'tgewenschte goed. Dan worden vroegere teleurstellingen breed uitgemeten en concreet voorgesteld, zoodat de binnenpraters in ons hart ons wijsmaken, dat het met onze hoop om door 't geloof in Christus het eeuwige leven te verwerven ook wel mis zal zijn. Een predildng van den eisch des getoofs glijdt dan bij de koude Ideeren af. Wal dezulken noodig hebben is kennis van zichzelven, dat zij door hun trotsche fantasie God wantrouwen en bedroeven, ja zelfs zich tegen Hem verharden. Hun angst moet berouw worden.

Ook kan de fantasie zich richten op de gevolgen van het uitblijven van het gewenschte goed. Voor het bewustzijn komen dan te staan beelden van een leven vol ellende, een benauwende dood, het voor eeuwig verloren zijn. Zij wier geloofsleven lijdt onder zulke angsten, zijn niet vatbaai- voor troost, noch voor vermaan, wijl ze meenen dat anderen hen te licht beoordeelen. Is hun angst het gevolg van een ziekelijke depressie, dan is het de taak van den psychiater O'm hen te behandelen. Is de angst het gevolg van nederlagen in den Strijd des geloofs, dan boezeme men hen vertrouwen in door te wijzen op overwinningen behaald door tal van geloofshelden niet alleen, maar ook door zwak-geloovigen, zooals d'e biddende moordenaar aan het kruis.

Hiermede is de vraag tevens beantwoord of men bij herderlijke zorg en bij de Evangelieprediking vaak gebruik moet maken van de afschrikking van het kwaad door een levendige voorstelling van de gevolgen. Zij wier fantasie weinig ontwikkeld is, kunnen zonder gevaar die methode van bearbeiding dragen. Maar anderen met een levendige fantasie, vooral jeugdigen, raken de opge- -wekte voorstellingen niet meer kwijt en komen daardoor in den toestand van beangstigd zijn.

Christus heeft in Zijn prediking deze methode wel gebruikt, doch heel sober 'en aan de hand van de beschrijvingen van den zondvloed en van Sodoms ondergang. Niet door prikkeling van de fantasie wekt men het geloof op, maar door het gehoor van Gods Woord. Zij die voorlezen uit boeken als „De donderslag der goddeloozen", die do gehoorzaal plotseling verduisteren, geweer- 'schoten laten knallen, vlammen laten zien., bereiken meestal niet meer dan een tijdgeloof, dat ophoudt zoodra de oorzaak van de vrees is opgeheven. Men kan zich hiervoor niet beroepen op 2 Corinthe 5 vs 11, want het bewegen tot het geloof geschiedt niet door schrikaanjagen, maar door dienaren, die bij zich zelf den schrik, d.i. het oordeel Gods, kennen over dienaren, die de aan hun zorg toevertrouwde zielen niet waarschuwen tegen hun verderf. De herder passé deze methode dus niet op al zijn schapen toe, en vooral niet op de lammeren.

Anderzijds kan het geloofsleven van de fantasie gebruik maken om zich te versterken. Toen de apostel Paulus de broeders uit Rome ontmoette bij Drie Tabernen, greep hij moed, want hij zag zichzelf reeds in Rome, waar hij zoo vurig begeerde te arbeiden in het Evangelie.

Zoo ook kunnen wij bij het verlies van dierbare betrekkingen, die in Jezus zijn ontslapen, ons zelf sterken tegen overmatige droefheid' door te zien op de heerlijkheid' die zij genieten. Het geloof bindt daarbij de fantasie aan de Heilige Schrift, doch deze geeft ons voldoende ruimte voor de werkzaamheid van de verbeelding. Christus bad voor de Zijnen, dat zij eenmaal bij Hem zouden zijn, om Zijne heerlijkheid' te aanschouwen, Joh. 17 VS 25. Ontbonden te wezen en met Christus te zijn was de hoogste begeerte van den apostel Paulus, Phil. 1 vs 23. Wat die nabijheid van Christus zal zijn kunnen wij ons eenigermate voorstellen. Althans dat zij die daartoe geraken verzadigd zullen zijn van vreugde en niet zullen terug verlangen naar het zondige vroegere leven. Zoo grijpen wij moed om de begeerte naar hun aardsche nabijheid op te geven en daarvoor in de plaats te stellen de begeerte naar "Christus, om ook Zijn heerlijkheid te aanschouwen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

ZIELKUNDE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1938

De Reformatie | 8 Pagina's