GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJK LEVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJK LEVEN

31 minuten leestijd

Ten besluite. (I.) ,

Verleden week hebben we (bl. 36, vraag H) aangekondigd, te zullen komen tot ons slotartikel. Hier volgt het. De kwesties zouden natuurlijk breedere verhandeling verdienen; maar we hebben nog andere punten op het program.

Zien we op den afgelegden weg terug, dan treft het ons, dat de van ouds steeds constateerbare moeilijkheden, die het pad der ontwikkeling van de verbondsleer zoo doomig maakten, voor een groot gedeelte samenhangen met het probleem, dat we aanstonds vooropgeplaatst hebben in deze reeks: het probleem der verhouding tusschen verborgen en geopenbaarde dingen. De vermaning, die niet alleen Calvijn, doch ook onderscheiden calvinistische belijdenisschriften onophoudelijk deden uitgaan tot den geloovige, om toch niet in te dringen in wat ons verborgen gebleven was, en om toch niet „curieuselijk" te onderzoeken, wat ons niet bekend gemaakt was, bewijst zelf reeds, hoe précair en gevaarlijk elke poging, om van het bekende naar het onbekende te komen, te allen tijde is. Aan den anderen kant bewijst de omstandigheid, dat deze vermaning meermalen zoo weinig effect sorteerde, dat kerk en theologie er niet over heen konden, de vraagpunten te stellen en tot een solutie te komen.

Vast te houden is naar onze meening, dat het verbond tot de geopenbaarde, de verkiezing tot de verborgen dingen behoort. Daarmee hangt samen, dat het eerste wederzijdsch, de tweede eenzijdig is, dat het eerste generaal, de tweede particulier is, het eerste condities stelt, de tweede onconditioneel is.

Het vraagpunt van beider verhouding nu moet langs denzelfden weg worden beantwoord, als waarlangs ook andere kwesties woi'den opgelost, waarin de verhouding van het geopenbaarde tot het verborgene aan de orde komt.

Voorbeelden hiervan zijn bekend: iedere jongelingsen meisjesvereeniging, elke catechisatie kent er enkele. Het is Gods (vooralsnog) verborgen wil, dat Izak zal leven, zóó als hij vóór en na Moria leeft, dat hij in de kerk die plaats innemen zal, die eerst door zijn wonderlijke geboorte, en daarna door zijn „bij gelijkenis" uit de dooden aan Abraham wedergegeven worden, bepaald zal wezen. Tot Abraham komt nu het bevel, dezen zoon te gaan offeren. Strijd, tegenstrijdigheid zegt menigeen. Geen sprake van strijd, zegt de ander: want God voerde zijn vooralsnog onbekenden wil uit door het gegeven bevel. Strijd zou er geweest zijn, indien God gezegd had: de jongen zal door uw messteek sterven. Of: hij zal kinderen krijgen, en: onder uw mes vóór de puberteit gestorven, zal hij nooit meer levend worden. Maar dat is niet gezegd. Het bevel is gegeven: hem op te offeren; wat een opwekking uit de dooden allerminst uitsloot, gelijk de Schrift zelf in herinnering brengt. Toen dat bevel aanvaard was, en daarbij tevens aan de belofte vastgehouden werd, kwamen de dingen ook inderdaad zóó, als Gods besluit had vastgesteld. En daarmee was dan tevens weer een stukje van wat vooralsnog verborgen gebleven was, aan het licht gebracht Door ons strikt te houden aan wat gezegd is, zijn we Gods mede-arbeiders in de ontwikkeling der geschiedenis naar Zijn raad. IMaar speculeeren we over dien raad, hem abstraheerende van het geopenbaarde, dan vervallen we in hoogmoed.

Behalve Abraham's offergang zijn er ettelijke andere catechisatie-voorbeelden, die we nu maar laten rusten. Maar waarom zouden we een anderen gang volgen, zoodra we aan het verbond zijn toegekomen?

Het verbond is geopenbaard. Onverschillig, in welken zin men verder het woord verbond gebruikt, steeds is het tot de geopenbaarde dingen te rekenen.

Men kan in de belijdenisgeschriften het woord verbond soms zien gebruikt voor beloften. Die zijn geopenbaard, of liever: die openbaren. Maar in het verbond zijn ze „conditioneel": er wordt gestipuleerd. De naam verbond wordt ook voor testament gebruikt; een testament nu is bekendmaking van wil. Maar een verbondstestament behandelt den erfgenaam niet als „stok en blok", doch als in vrijheid aannemende partij. Zulke terminologie is verklaarbaar uit het reeds besproken begrip van „berith" of „diatheke", dat zoowel verbond als instelling van of behoorende tot het verbond beteekenen kan; soms: beschikking „zonder meer". „De Ziekentroost" citeert dan ook, ik zou haast zeggen: zonder blikken of blozen

het apocriefe geschrift Jezus Sirach, als dit constateert: „Het verbond van eeuwigheid is dit: Gij zult den dood sterven" (zou iemand dat vandaag zonder breeden kommentaar nog kunnen naspi-eken? )-.

Daarnaast staat dan ook gebruik van het woord verbond in den ons meer vertrouwden zin: een wederzijdsche overeenkomst, met twee deelen tusschen twee partijen. Dat ook zulk een verbond bekendmaking is, gesproken wordt, behoeft geen verder betoog. Tot de verbondswoorden (belofte, dreiging, eisch) en verbondsteekenen hebben wij dus steeds weer terug te keeren, vrillen wij verstaan, wat God Zijn volk doen zal. Nu heeft Hij gezegd, dat Hij een God des welbehagens is, Zich ontfermende over wien Hij wil, en verhardende (heusch niet alleen in farao's gebied) wien Hij wil. Van het besluit betreffende de personen heeft Hij ons niets gezegd. Dat is het punt, waarin (vooralsnog) de wil verborgen blijft. Maar overigens heeft Hij ons gebonden aan belofte en bevel. En Hij heeft ons geopenbaard, dat waar dit verbond geloofd wordt, ook zéker de verkiezing achteraf zich er door zal laten zien als gerealiseerd in en door het verbond.

Dat is dan ook wat Olevianus, dien we als één der vele getuigen zoo maar voor den voet weg hier citeeren, bedoelt, als hij opmei-kt, dat in het genadeverbond „het gansche wezen" (de substantie) van God alleen „zoude afhangen" (het is niet afhankelijk van onze verdiensten) (Verkl. der Apost. Geloosbel., ed. O. Copinga, Groningen, 1739, 202, vgl. 402). Die verbondssubstantie (het eeuwige leven etc.) komt alleen den uitverkoren toe, zegt Olevianus (407); daarvan blijven de verworpenen verstoken (409, 410). Daarnaast evenwel stelt Olevianus (505), dat de „manier der bediening van het genadeverbond door de sacramenten" „volgens het oogmerk ofte einde des goddeiijken raedtsbesluits geschikt" is. „Want nademael het oogmerk van Godts raedtsbesluit is het verbondt der genade alleen ende acn alle de uitverkorene krachtdadig mede te deelen, opdat hy in zijne onmetelijke barmhartigheit verheerlijkt werde ook in dit leven, zo in de ziele als in het lichaem der uitverkorenen: maer den verworpenen alle verontschuldigingen te benemen...; terwijl hy volgens zijnen alwijzen raedt in diezelve nodiginge tot zijne genade, omdat 'er zich vele geveinsde tot dezelve inlaten, het bevel voor de belofte wil doen gaen in die plechtige verbondts-onderhandelinge, zodat hy, gelijk als hy den uitverkorenen uit vrye ontferminge datselve geeft hetwelke hy gebiedt, zich aen den verworpenen die zijn bevel verachten, niet en verbinde" (505/6). Hier openbaart zich „de manier, op welke Godt het verbondt met ons opricht door de aenbiedinge der genade in het Euangelium met een bevel, dat wy onse herten niet en zouden verharden, ofte des geloofs: ende te gelijk door het gebruik der Sacramenten" (509/510). Hier geeft Olevianus, men moge het met hem in onderdeden eens zijn of niet, althans als zijn gevoelen te kennen, dat God den verborgen wil van Zijn raadsbesluit ten uitvoer legt, ook ten aanzien van de v e r w o r p e n en, door middel van het verbond.

Daaraan willen wij ons houden. Hier ligt de grondgedachte, die vóórop te staan heeft. Enkele slotopmerkingen bewaren we wegens plaatsgebrek tot volgende week.

Nogmaals: „Müuchen".

In „De Heraut" van 6 November 1938 deelt Prof. Dr H. H. Kuyper mede, niet te voelen voor een conferentie, waarbij „München" als voorbeeld zou hebben te dienen. In zooverre ook wij aanstonds in deze richting redeneerden, kunnen v/e dus dit punt verder laten rusten. Iets anders is het, wanneer de „Heraut"-redacteur spreekt over de mogelijkheden van samenspreking, gelijk hij ze ziet. „Persoonlijke gevoeligheden, misverstanden, wantrouwen kunnen door saamspreking uit den weg worden geruimd. En dan is het zeker de plicht van ieder om de minste te willen zijn." Daarna staat dan deze opmerking: „Wanneer het principiëele geschillen betreft, kan men door saamspreking alleen niet tot een oplossing komen".

Het doet me veel genoegen, dat „De Heraut" en ik het in deze uiteenzetting zoo roerend eens zijn. Wat betreft de onderwerpen, welker aard in don eersten volzin aangeduid is, moet er echter één ding aan toegevoegd worden; er moet een bodem zijn waarop men elkander ontmoeten kan. Die bodem is: uitgaan van elkanders goede trouw, tot het tegendeel b 1 ij k t. Wordt die goede trouw openlijk in twijfel getrokken of geloochend (zooals b.v. „De Heraut" in November '36

heeft gedaan), dan kan schriftelijk worden gehandeld, of desnoods ook mondeling tusschen betrokkenen gesproken worden. Zwijgt echter de aanvaller in alle talen op particuliere correspondentie, dan is daardoor een samenspreking zijnerzijds onm.ogelijk gemaakt. Dit zwijgen zou verbroken dienen te worden vóór betrokkenen spreken kunnen. Het zou me aangenaam zijn, indien de „Herauf'-redacteur eens aangaf, hoe in een geval als het bovenbedoelde de weg anders loopen kon. Wat voorts het tweede punt betreft, „De Heraut" merkt terecht op, dat men terzake van principiëele geschillen door samenspreking ALLEEN er niet komen kan. Ook wij hebben dit laten uitkomen door er op te wijzen, dat bij de samenspreking schriftelijke verklaring noodig is. Daaruit is alvast gebleken, dat „De Heraut", al weet ik niet tegen wie het blad zich keert, in elk geval het niet tegen mij heeft, wanneer het blad wijst op de „Moderaten", die in de dagen, , , yan de Remonstrantsche twisten „liefst wilden, dat men over en weer het zwijgen zou bewaren". Dit moge slaan op ons overigens onbekende lieden, het blad kan daarmee niet wijzen in de richting van onszelf, die heusch niet gezwegen hebben en die geweigerd hebben een samenspreking, waarbij schriftelijke verklaring bij voorbaat onmogelijk genoemd werd of althans systematisch werd geweerd van het agendum.

Maar nu zitten we nog met het puntje waar het mij om te doen is. Samenspreken zonder meer, dat willen noch „De Heraut" noch „De Reformatie". Doch samenspreken met schriftelijke verklaring, dat wil ondergeteekende reeds sedert geruimen tijd, en dat heeft ons blad enkele weken geleden duidelijk gezegd. Daarover evenwel spreekt „De Heraut" tot ons leedwezen niet. Ons standpunt is: geen samenspreking in plaats van schriftelijke verklaring, doch wèl samenspreking m è t schriftelijke verklaiing. Naar onze meening zijn deze nog altijd noodig. Het gereformeerde volk moet weten of bepaalde beschuldigingen, gedaan onder verwijzing naar bepaalde uitspraken van bepaalde auteurs, worden gehandhaafd ja dan neen. Daar is om zulk een samenspreking geroepen in de kerken. Dat ze in bepaalde gevallen noodig is, niet ter oplossing van persoonlijke geschillen (want die zijn ons niet bekend, met uitzondering dan misschien^) van het „Herauf'-incident hierboven bedoeld), maar tot duidelijke teekening van de situatie wat betreft de publieke beschuldigingen terzake van de confessioneele trouw, is mijn stellige overtuiging. Wil men dezen weg niet op, dan moet het maar ronduit gezegd worden.

Overigens herhaal ik: samenspreking zou in veel gevallen overbodig zijn, als men maar in de pers van elkanders woorden nota nam. Helaas ontbreekt het daaraan dikwijls. Zoo nog pas in „De Heraut", die van het broederlijke verweer van Ds Veenhof tegen onware klachten geen nota nam. Ik blijf dus aandringen — sedei't maanden — op het schenken van klaren wijn. „De Heraut" zegt: we hebben een commissie. Zeker. Maar die heeft meeningen, welke van de „gangbare" afwijken, te onderzoeken. Zal dat in alle eer en deugd geschieden, dan moet het onpartijdig gebeuren; m.a.w., dan dient men zoodanige standpunten, leeringen, meeningen te onderzoeken, onverschillig, wie ze voordraagt. Dan hebben alle meeningen, die van de „gangbare" afwijken, ook blijkens den tekst van het synodebesluit, de aandacht. Nu zou men wel een kind moeten zijn, om te wanen, dat alleen diegenen, die Prof. Hepp in samengang met „De Heraut" beschuldigd heeft, nieuwere meeningen voordroegen. Ten deele deed hij dit zelf, ten deele zijn er anderen, wier namen ik thans niet noemen wil. Prof. Waterink is al publiek genoemd, maar hij is de eenige niet, die in ons gezichtsveld komt.

En nu één van beide: men maakt het terrein effen, door na de gegeven pogingen tot weerlegging van ingebrachte beschuldigingen, den stand van zaken op te laten nemen, en te verklaren, inhoeverre men al of niet de ingebrachte aanklachten handhaaft, of men doet het niet. In het laatste geval hebben we aan te nemen, vooral als een ophelderend gesprek geweigerd wordt, dat men volhardt in de aangenomen houding. Maar dan zijn ook de gevolgen voor hen, die zulke nadere opheldering afsnijden, door een samenspreking met schriftelijke vastlegging van eenige quaestieuze punten te weigeren. Te begrijpen valt die houding alsdan moeilijk voor wie zich herinnert, hoe vroeger wel eens geroepen is om staking van den strijd, en om samenspreking. Men moet zich niet onttrekken aan de verantwoordelijkheid voor eigen publieke uitspraken. K. S.

Eenheid van opleiding.

In de pers zijn in de laatste maanden hier en daar voorzichtige uitlatingen geschied, die de bedoeling hadden, te wijzen op de mogelijkheid van eenheid van opleiding in de Gereformeerde Kerken. We hebben dit onderworp niet willen aanraken, omdat het ons niet gewenscht leek. Thans bereiken ons echter geruchten, volgens welke soms op vergaderingen over die zaak gesproken wordt. Daarom veroorloven we ons hier een waarschuwing tegen het opwerpen van dit oude geschilpunt. Wijlen Dr De Moor heelt eens in dezen geest geschreven: wij menschen hebben in die richting gezocht; maar laten we dankbaar zijn, dat God den loop der geschiedenis zóó geleid heeft, dat van die plannen niets terechtgekom-en is. Het is beter, zoo schreef Dr De Moor, dat hetgeen thans bestaat, gehandhaafd blijft. We zijn het daarmee hartelijk eens, en dat om verschillende redenen, waarover we liever niet uitweiden, maar die we, mocht het noodig worden, wel bereid zijn te publiceeren. Het is zeker, dat een voorstel inzake eenheid van opleiding, tenzij het in een vorm geredigeerd mocht worden, waarvoor ik me geen meerderheid denken kan, op scherpen tegenstand zou stuiten, ook al, wijl het de lijn der laatste synodebesluiten zou verlaten. Het ligt dan volstrekt niet in de lijn van wat de laatste synodes hebben besloten. Dit schrijf ik, rekening houdende met den tusschenzin in mijn voorgaanden

volzin.

K. S.

Rijp beraad.

In aansluiting aan hetgeen één onzer lezers de vorige week opmerkte, geven we eerst door, wat Ds Wentsel te Ridderkerk schrijft in „Gerei Kb. voor Hoeksche Waard en IJsselmonde": Uit Indië meldt men ons, inzake het bedanken van Ds Sillevis Smitt, voor het beroep naar A'dam H.V., dat deze zijn weg dadelijk en duidelijk had gezien. Hij schijnt in Holland tot 2 maal toe, gevraagd te zijn, maar ook 2 maal botweg geweigerd te hebben, toch werd hij nog beroepen, waarop hij natuurlijk bedankte.

Vervolgens, wat we lezen in „Overtoomsche Kerkbode" (kerkeraadsverslag):

Een brief van Ds J. H. Sillevis Smitt, mededeelënde, dat hij na rijp beraad en biddende overweging meent voor de roeping naar onze gemeente te moeten bedanken, van den inhoud wordt met groot leedwezen kennis genomen en in handen gesteld van de Comm. V. h. beroepingswerk.

K. S.

Algemeene genade en algemeen oordeel.

Eén van de medewerkers aan ons blad. Dr R. Schippers te Wanswerd, is deze week aan de Vrije Universiteit gepromoveerd tot doctor in de theologie, waarmee we : hem van harte gelukwenschen. Onder de stellingen trok de 8e onze aandacht: ; „De Gerefonneerde dogmatiek ontwikkele haar leer i van het algemeene oordeel in correlatie met die van 1 de algemeene genade." j We verblijden ons er over, dat deze ook door ons • herhaaldelijk uitgesproken wensch, waarmee we ook ' zelf, b.v. in „Christus in Zijn lijden" rekening gehouden • hebben, door Dr Schippers op deze wijze is in over- ' weging gegeven.

Voor Ds K. V. Dijk, onzen Zendingsman, zal het verblijdend zijn (wij herinneren aan diens artikelen in ons blad), dat stelling 13 luidt:

„Bij de a.s. revisie van de Zendingsorde der Gereformeerde Kerken worde er rekening mee gehouden, dat Christus voor de vervulling van de Zendingsroeping der kerk haar een speciaal ambt, naast dat van den dienaar des Woords, gegeven heeft."

Dat Ds Hasper's psalmberijming ongewijzigd niet voor den gereformeerden eeredienst aanvaardbaar is, verzekert terecht de laatste stelling.

Bizonder blij zijn we met Dr Schippers' uitwerking van het tot een modewoord (ook op preekstoelen) gedegradeerde en mishandelde begrip van getuigen. In de Schrift, zoo betoogt hij, is getuigen: melding maken van feiten, en dat dan met de bedoeling, het recht te dienen. „De getuigen van Jezus Christus dienen hem, door hun predildng zoo op te zetten, dat zij de hoorders tot een uitspraak dwingt. „Het getuigenis is daarom oor- en ooggetuigenis. De getuigen komen niet voor den dag met hun gebreken, hun dwaasheden, hun opvattingen, hun inzichten, maar met het relaas van wat zij hoorden en zagen. De getuige verdwijnt geheel achter de geschiedenis, die h ij vertel t".

Dat is zuiver, en het gaat in tegen ook in onzen kring insluipend misbruik. Vandaar, dat Dr Schippers' boek uitloopt in een puntige bestrijding der Buchmanbeweging. Hij citeert één der woordvoerders (Russell), ' die de vraag stelde, of niet het verhaal van iemands eigen zoeken naar God „de manier was, waarop de

eerste Apostelen het Christendom verspreidden"? Vandaar dan ook: „het deelen" in deze kringen: het heet „getuigenis". Het valt „te betreuren", aldus Dr Schippers, „zoo eenige beweging, die den band aan den bijbel wil vasthouden, in haar terminologie een spraakgebruik heeft, waarin wooi-den een domineerende plaats ontvangen met een andere beteekenis dan zij in de Schrift hebben... De exegeet... wil... de gemeente de taal der Schrift leeren spreken, en indien in haar zijn ingedrongen allerlei complexen van voorstellingen en uitdrukkingswijzen, die haar de Schrift zouden doen misverstaan, wil hij medehelpen haar enkel op te bouwen op het fundament van apostelen en profeten". Deze dissertatie brengt ons een stuk verder. Men kan ook zeggen: terug. Op het door velen verlaten goede pad. K. S.

K. S. De qnaesHe van het nieuwe kerkrecht. (VI.)

Bij het beroep op autoriteiten uit vroegeren en lateren tijd, moeten we dus voorzichtig zijn. Men kan wel gemakkelijk poneeren, dat men voor de kennis van het Gereformeerde kerkrecht rekening houden moet met „wat door dogmatici en canonici is geleerd", evenzeer als met belijdenisschriften en kerkenordeningen, maar ook afgezien van de vraag, wat dat „rekening houden" eigenlijk beteekent en insluit, zoo kan uit het voorafgaande dit wel duidelijk zijn, dat voor een gegrond beroep meer vereischt wordt dan alleen maar het noemen van eenige klinkende namen en geschriften, onderwijl men zelf die werken misschien niet eens in­

gezien, laat staan bestudeerd, heeft, en meer ook dan de aanhaling van een enkel zinnetje, waarbij niet gerekend wordt met het verband, noch met de geheele beschouwing van de betreffende autoriteit. Zelfs is gebleken, dat men bij de bestudeering van eenen gezaghebbenden auteur (Voetius) op principiëele punten eene gansch foutieve voorstelling van diens uiteenzettingen geven kan, vgl. „De Reformatie" van 13 en 20 Mei j.l.„ „De Bazuin" van 5 Nov. 1937 en „Geref. Theol. Tijdschrift", afl. Nov. en Dec. 1937. We zijn er daarom niet mee klaar, wanneer we maar wat namen neerschrijven en zinnetjes aanhalen. Ook te dezer zake wordt degelijker studie en arbeid vereischt. Bovendien, zooals ik eveneens reeds tevoren vroeg, wie zullen dan deze gezaghebbende, of „meest gezaghebbende" (Partic. Synode te Sneek van dezen zomer) canonici voor ons moeten zijn, en wanneer zullen zij het voor ons moeten zijn, zoodat we zelfs enkel met hun naróen te noemen, of een paar woorden van hen aan te halen, zonder meer. volstaan konden? Zullen b.v. ook Dr A. Kuyper Sr en Dr F. L. Rutgers, daartoe behooren, oï vallen dezen zonder meer uit? En wanneer moeten

dan b.v. Prof. Dr H. H. Kuyper en Ds Joh. Jansen als autoriteiten of „meest gezaghebbende" canonici gelden? In hun adviezen en schrifturen vóór 1926, óf in wat zij sedert 1926 leeraren? We zien, deze quaestie van de autoriteiten en van het beroep op hen, en van het rekening houden met wat dogmatici en canonici geleerd hebben, is nog niet zoo eenvoudig en gemakkelijk. Hare rechte beantwoording vereischt omvangrijke en grondige studie en voorstudie.

Er moet niet alleen gegeven worden eene zuivere voorstelling van hunne leeringen op het punt in quaestie, maar ook eene, zoover mogelijk en noodig, volledige. Daarbij mag de toetsing aan belijdenis en kerkenordening, en aan de grondbeginselen van het Gereformeerde kerkrecht, en aan de Heilige Schrift, van hetgeen zij schreven en deden, niet achterwege blijven. Dat vereischt wel meer arbeid en studie, en die arbeid is moeilijker. Maar deze mag toch niet nagelaten worden. Hoezeer kunnen de praktijken of gevallen, waarop men zich voor het nieuwe kerkrecht beroept, die uit de 16e en de 17e eeuw, zonder dat daarbij scherp naar den strengen eisch der zuivere beginselen van Gereformeerd kerkrecht gevraagd werd, de geesten en kerken mede gevormd hebben, om in het begin der I9e eeuw maar gedwee en schier zelfs zonder protest zich het dwangjuk der Synodale hiërarchie te laten .| opleggen. Beginselen, ook die slechts in daden of handelingswijzen belichaming vinden en tot richtsnoer dienen, werken door, misschien eeuwen daarna. Hoe droef kunnen we in Duitschland thans zien de werking van Luthers leer aangaande de macht der Overheid inzake de kerk. We mogen daarom ook op kerkelijk gebied nimmer er maar naar staan en mee tevreden zijn, hoe we ons het gemakkelijkst uit moeilijkheden kunnen redden, en van bezwaren ontdoen, doch moeten steeds daarbij ook bedenken, welke gevolgen dat handelen, en de principes, daarin zich uitwerkende, kunnen en zullen hebben, wanneer zij in het vervolg de geesten gaan beheerschen en de praktijk bepalen. Dit laatste is niet maar enkel eene zaak van tateren tijd. Wie verkeerde beginselen theoretisch leeren of practisch in het werk stellen, zijn mede aansprakelijk voor de latere droeve gevolgen. Luther staat niet vrij ten opzichte van het verkeerde op kerkelijk gebied tegenwoordig in Duitschland. Onze Vaderen uit de 16e en de 17e eeuw staan vanwege hun foutieve beschouwing en regeling der verhouding tusschen Overheid en kerk niet vrij met jjetrekking tot de invoering der Synodale hiërarchie in 1816, met al de jammerlijke kerkelijke ellende, die daarvan het gevolg was en is. Adam staat niet vrij inzake de zonden zijner nakomelingen ook in dezen tijd. De verantwoordelijkheid voor wat in de toekomst uit leeringen en regelingen en daden van nu, volgt, moest meermalen beter bedacht worden. Dat zou tot grootere bedachtzaamheid en voorzichtigheid kunnen leiden.

Om te betoogen, dat de meerdere vergaderingen wezenlijk gelijk zijn aan kerkeraden, redeneert Ds Joh. Jansen o.a. aldus: „Het is een axioma (grondstelling), dat Christus deze ambtsmacht schonk aan de plaatselijke kerken; dat de plaatselijke kerken de personen als dragers van deze ambtsmacht aanwijzen; en dat, waar niet de volledige kerkeraden kunnen samenkomen, de afgevaardigden ambtshalve ais lasthebbers der kerken de kerkelijke ambtsmacht samenbrengen. De macht der Synode is dus geen andersoortige macht als van de kerkeraden. Zij is dezelfde macht in wezen; er is alleen verschil in de w ij z e van toepassing en uitoefening. Christus schonk haar aan de plaatselijke kerken als een potestas originalis, d.i. een o o r- spronkele macht. Van de kerkeraden komt zij op de Synoden als een potestas d e r i v a t a, d.i. een van de kerkeraden afgeleide, een potestas de 1 egata, d.i. aan de afgevaardigden opgedragen; en een potestas cumulativa, d.i. op de Synoden, samengebrachte macht', blz. 25. Doch deze redeneering is fout. De macht, die Christus geeft of opdraagt, kan niet overgedragen worden. Niemand heeft het recht, zijne van God of Christus ontvangen macht, aan een ander over te dragen. Dat kan God of Christus alleen. Hij, die de macht verleent, kan haar ook weer ontnemen en aan een ander overdragen. Maar daartoe heeft de lasthebber zelf het recht niet Een burgemeester kan zijn burgemeesterlijke macht niet overdragen. Die overdracht is bij de wet geregeld, en geschiedt dus door de Koningin, die de wet uitvaardigde. Christus heeft dan ook niet de ambtsmacht aan de gemeente, d.i. de particuliere geloovigen met elkander en zonder de speciale ambtsdragers, gegeven, zoodat nu de gemeente die macht daarna aan de ambtsdragers zou overdragen. Maar Hij heeft die macht voor de ambten vastgesteld of gegeven. En de gemeente kiest de ambtsdragers, die dan dienen niet in eene van de gemeente ontvangen ambtsmacht, maar in die door Christus voor hun ambt bepaalde en geschonken macht. En op de meerdere vergaderingen dragen nu de kerkeraden niet hunne macht over: de kerkeraden op hunne afgevaardigden, en dezen op de meerdere vergaderingen. De ambtsdragers kunnen hunne van Christus ontvangen macht niet overdragen. Dat mogen zij niet. Daartoe hebben zij het recht niet, noch de kracht. Een ouderling kan maar niet eventjes zijn ouderlingenroeping en ouderlingenbevoegdheid aan een ander overdragen, en dien voor een poosje ouderling maken. En evenmin kan een dienaar des Woords maar even aan een ander de macht van zijn ambt overdragen en opdragen. Over die macht hebben niet zij, ., maar alleen Christus, te beschikken.

De afgevaardigden ter meerdere vergaderingen komen daar dan ook in naam hunner kerken, vgl. K.O., artt. 33 en 41, met kerkelijke 'macht, met instructie van hunne kerken, en in hunne handelingen ter meerdere vergaderingen onderworpen aan het oordeel hunner kerken. Zij spreken en handelen ter meerdere vergaderingen op last en in naam en met de macht hunner kerken. In den kerkeraad spreken en handelen zij met de hun door Christus verleende ambtsmacht, in Christus' naam en met Zijne autoriteit. Ter meerdere vergadering echter met de autoriteit en in den naam hunner kerken. Daar is düs een wezenlijk verschil tusschen de. ambtsmacht van den ambtsdrager ter kerkeraadsvergadering en de macht van een kerkelijk afgevaardigde ter meerdere vergadering. Het is een verschil als tusschen Christus en Zijne kerk. Het is niet in wezen dezelfde macht, die overgedragen wordt Wel hebben de ter meerdere vergadering afgevaardigden eene van hunne kerken afgeleide macht, d.i. eene macht, die deze afgevaardigden in zichzelven niet bezitten, maar die zij door hunne afvaardiging van hunne hen afvaardigende kerken ontvangen. Maar deze macht is: om in naam en met de autoriteit hunner kerk te handelen. Doch dat is niet de macht, die de kerkeraad of zijne leden als ambtsdragers van Christus deelachtig zijn, en die zij niet mogen noch kunnen verdragen. De kerkeraden en hunne ambtsdragers mogen niet ingrijpen in de rechten van Christus om maar zelven zich van Zijne roeping en machtsverleening te ontdoen, en er anderen mee te bekleeden. Zij hebben slechts te gehoorzamen, en de macht te oefenen, die Christus hun verleende, maar worden niet zelven beschikkers over die macht, om er naar hun believen anderen mee te bekleeden. Zoo is er een essentieel, een wezenlijk, onderscheid tusschen de macht van kerkeraden en ambtsdragers, èn die van meerdere vergaderingen en hare leden als afgevaardigden der kerken. De eerste is eene door Christus gegeven macht, de tweede eene door de kerken verleende autoriteit. En zooals nu Christus en

Zijne kerk verschillen, zoo onderscheiden zijn ook deze twee machten. Daarom is het ook niet juist, dat d e- zeilde macht per accidens aan de meerdere vergaderingen zou kunnen toekomen, als welke door Christus aan de ambtsdragers of kerkeraden is gegeven, zooals Ds Joh. Jansen meent, blz. 27.

Wanneer Ds Joh. Jansen op blz. 28 vraagt: „Mogen de plaatselijke kerken, die elk voor zich met Goddelijke ambtsmacht zijn toegerust, zich door onderlinge afspraak, in de kerkenordening vastgelegd, verbinden om zich te onderwerpen aan besluiten van meerdere vergaderingen, die niet met Goddelijk gezag zijn bekleed, maar op menschelijk recht rusten? ", moet daarop geantwoord worden, dat zij dit volgens het Gereformeerde kerkrecht in onze kerkenordening overeengekomen, ook niet doen. Zij onderwerpen zich aan Gods Woord. Wanneer eenig besluit van eene meerdere vergadering strijdt met Gods Woord, of gezien wordt niet met dat Woord overeen te komen, onderwerpen de kerkeraden zich daaraan niet, hebben zij uitdrukkelijk afgesproken en in de K.O. vastgelegd, art. 31. Al de andere besluiten worden dus verondersteld, met Gods

Woord overeenkomstig te zijn, en niet met dat Woord te strijden. En daarom voegen zich de kerkeraden naar die besluiten: omdat zij met Gods Woord overeenstemmen, of althans geacht worden, dat te doen. Hier is dus geene onderwerping van kerkeraden aan de meerdere vergaderingen, maar eene onderwerping aan Gods Woord of aan wat overeenkomstig dat Woord geacht, verondersteld, wordt Natuurlijk kunnen de kerken en hare kerkeraden zich in die veronderstelling vergissen. Iets kan tegen Gods Woord strijden, of daarvan afwijken, zonder dat men het weet of ziet. Maar zoolang men dien strijd of die afwijking niet bemerkt, onderwerpt men zich ter wille van Gods Woord, om de

(zij het naogelijk foutievelijk) vermeende overeenkomst met Gods Woord. Dit veronderstelde geval van Ds Joh. Jansen bestaat dus niet, althans niet bij het Gereformeerde kerkrecht, of bij het kerkrecht in onze K.O. geregeld. Bij het nieuwe kerkrecht kan het zich voordoen. Ds Joh. Jansen heeft in dezen het verband der kerken bij het Gereformeerde kerkrecht niet recht begrepen, niet goed doorzien. Daarbij verbinden de kerkeraden zich niet tot onderwerping aan de meerdere vergaderingen, maar tot gezamenlijke onderwerping aan Gods Woord. En omdat niet alles letterlijk in Gods Woord voorgeschreven staat, en dus voor onderscheiden zaken of regelingen uit Gods Woord afgeleid, geredeneerd, moet worden, wat, bij onze verdorvenheid en verduistering door de zonde, de mogelijkheid of het gevaar van vergissing meebrengt, verbinden de kerkeraden zich, in het besef van eigene zwakheid en kortzichtigheid, om niet maar op eigen oordeel wat naar Gods Woord is, af te gaan, doch met elkander ter meerdere vergadering te raadplegen, en dat als naar den Woorde Gods te beschouwen en te volgen, wat „door de meeste stemmen goedgevonden is", „tenzij het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods", enz. Het is hierbij dus geheel een zich onderwerpen aan Gods Woord, een zich verbinden om dat te doen. Slechts komt daarbij de vraag, hoe daartoe de eisch van Gods Woord gekend kan worden: alleen door eigen inzicht en oordeel, of ook door gezamenlijke beraadslaging en beslissing. Van onderwerping aan menschelijk gezag of besluit is hier dus geenerlei sprake. De kerkeraden erkennen slechts, dat God het rechte inzicht in den eisch van Zijn Woord voor het kerkelijke leven ook wil geven door onderlinge beraadslaging en beslissing der kerken of hare afgevaardigden ter meerdere vergadering, en niet enkel en immer door de overweging en bepaling van eiken kerkeraad afzonderlijk en op zichzelven. En daarom verbinden zij zich onderling, om als naar Gods Woord te beschouvi^en en te volgen

(Zie vervolg op blz. 44.)

wat op die meerdere vergaderingen „door de meeste stemmen goedgevonden is", omdat het niet strijdt tegen Gods Woord, doch daarmede overeenIcomt, tenzij het toch bewezen worde daartegen te strijden, en het dus blijkt, dat de veronderstelling, waarvan men was uitgegaan, onjuist is.

Tegen mijne opmerking, dat er in Hand. 15 geenerlei sprake is van censuurbepalingen, schrijft Ds Joh. Jansen: „al zou er in Hand. 15 alleen van een leerbeslissing en van geen maatregel van censuur sprake zijn, dan ligt in die leerbeslissing in beginsel ook de tuchtmacht opgesloten. Leerbeslissingen zonder tuchtmacht beteekenen niets. Waar de leer wordt vastgesteld, daar is ook de sanctie om die leer te handhaven", blz. 24. Doch ondanks deze redeneering van Ds Joh. Jansen is toch maar een feit, dat te Jeruzalem destijds geenerlei maatregel van censuur genomen noch voorgeschreven is. Tegen zulke duidelijke feiten beteekenen dergelijke redeneeringen al heel weinig. Voorts beroept Ds Joh. Jansen zich op Gal. 1:9. Maar vooreerst spreekt daar een apostel. En ten tweede spreekt ook deze daar niet van eenigen kerkelijken maatregel, door de geadresseerden te nemen of uit te voeren. Want bij de quaestie van het nieuwe kerkrecht gaat het niet over wat apostelen mochten en konden, noch over wat God doet, doch over de macht der meerdere vergaderingen. En daarover handelt de apostel in Gal. 1:9 niet. En schrijft Ds Joh. Jansen, dat „in die leerbeslissing in heginsel ook de tuchtmacht opgesloten" ligt, dan is dit waar, wanneer die leerbeslissing naar Gods Woord is. Anders niet. En dan ligt die tuchtmacht niet in de menschen, die deze leerbeslissing geven, de meerdere vergadering, maar in Gods Woord, waarmede die beslissing overeenkomt. Zonder die overeenstemming met dat Woord heeft die beslissing geenerlei kracht, in het geheel geene tuchtmacht. Slechts door dat Woord heeft die beslissing macht. Niet door die meerdere vergadering, doch enkel door Gods Woord, want alleen dat heeft macht, ook tuchtmacht. Daarom zeide onze Heiland: „Die Mij verwerpt en mijne woorden niet ontvangt, heeft die hem oordeelt: het woord dat ik gesproken heb, dat zal hern oordeelen ten laatsten dage, Joh. 12 : 48. De tuchtmacht zit in dat Woord, dat levend en krachtig iSj en scherpsnij dender dan eenig tweesnijdend zwaard, en dat .gaat door de verdeeling der ziel en des geestes, en der samenvoegselen en des mergs, en een oordeeler is der gedachten en der overleggingen des harten, Hobr. 4 : 12. En daarom ligt in elke leerbeslissing, die naar Gods Woord is, tuchtmacht, vanwege dat Woord, en in verband met hare overeenstemming met Gods Woord. Niet krachtens de personen, die haar namen, ook al vormen die eene meerdere vergadering. En daarom is de redeneering, dat bevoegdheid tot het nemen van leerbeslissingen vanzelf ook in zich sluit bevoegdheid tot kerkelijke consuurtoepassing, niet zoo maar te aanvaarden. Ds Joh. Jansen is telkens wat vlug in zijne conclusies. Bij deze quaestie is scherpe onderscheiding en voorzichtige redeneering noodig. Zij is maar niet eene persoonlijke zaak, waarvan men, als het mis gaat, alleen zelf de schade lijdt, doch zij betreft de kerk des Heeren. En wanneer deze verkeerd wordt voorgelicht en geleid, beteekent dat wat meer dan persoonlijk nadeel. En één van beide toch: Ds Joh. Jansen heeft vóór 1926 de kerken mede op een dwaalspoor geleid, èf hij doet het nu. Zijne brochure gaat in haar z.g.n. Schriftbewijs het puntje voorbij, waarom het bij de quaestie van het nieuwe kerkrecht gaat, toont bij de handelingen van meerdere vergaderingen in vroeger tijden, waarop zij zich beroept, niet aan, dat zij naar Gods Woord en de grondbeginselen van het Gereformeerde kerkrecht geschiedden, lijdt in hare redeneering meermalen aan gemis van genoegzame onderscheiding en van helderheid van begrippen.

Waar het bij deze quaestie van het nieuwe kerkrecht op aan komt, is, dat men uit Gods Woord en de grondbeginselen van het Gereformeerde kerkrecht grondig bewijst, dat de meerdere vergaderingen eene eigene, van Christus haar gegeven e, authoritatieve macht hebben boven de kerkeraden, van gelijksoortig of hetzelfde karakter en denzelfden inhoud als die der kerkeraden, doch van uitgebreider omvang. Wanneer dit uit de Heilige Schrift en de grondbeginselen van het Gereformeerde kerkrecht degelijk bewezen wordt, mogen, en moeten, de meerdere vergaderingen ook alles doen, wat de kerkeraden moeten doen, en nog meer: censuur toepassen, personen tot het ambt roepen, dienaren des Woords zenden, mogelijk ook verplaatsen, de finantiën der verschillende kerken regelen en met elkander verbinden. We hebben dan de hiërarchie, ook al verwerpt men nog zoozeer dit woord. Hoofdzaak is ten slotte niet, wat men mogelijk actui contrarie, in strijd met eigen handelen, verklaart, maar wat men wezenlijk leert en doet. Wanneer echter Gods Woord en het wezenlijk Gereformeerde kerkrecht van zulk eene macht der meerdere vergaderingen niet weten, is hare oefening slechts m e n s c h e- 1 ij k e overheersching van de kerken van Christus.

S. GREIJDANUS.

Hulp opleiding predikant Argentinië.

Voor hulp opleiding predikant Argentinië ontving ik: ƒ2.50 van D. M. té M. „Voor uitbreiding van Gods Koninkrijk in Argentinië"; ƒ 1.— van A. K. te Groningen; ƒ 100.— van C. A. K. te W.; ƒ36.—, collecte Geref. Jeugdvereenigingen te Haamstede; ƒ 10.— van F. te A. (voor de 2e maal, met een mij zeer bemoedigend, en onze lezers tot navolging zeer aanmoedigend bijschrift); ƒ 5.— van H. J. V. te Amsterdam.

Dat is dus samen ƒ154, 50. Voor alles mijn besten dank.

K. SCHILDER.

Giro 127278.

De Gioote Catecbismus van Zacharias Ursinus. (IX.)

131. Wat is het: een eeuwig leven te gelooven? Het is het beginsel des eeuwigen levens reeds in het hart te gevoelen, en deze vertroosting zoo vast mogelijk te bewaren, dat wiji dit (n.l. eeuwige leven) meer volkomen na dit leven, maar- op volmaakte wij'ze, nadat ook onze lichamen door Christus weer opgewekt zijn, zullen genieten.

132. Nu wijl dan dit alles gelooven, wat verkrijgen wij door dit geloof? Dat alles, wat God in Zijn verbond aan de geloovenden beloofd heeft, voor ons van kracht is-^), dat is, dat wij voor Hem gerechtvaardigd worden en erfgenamen des eeuwigen levens zijn.

133. Moe worden wij door God in dit leven gerechtvaardigd? Alléén door het geloof in Christus, daar God ons, die gelooven, uit onverdiende barmhartigheid, onze zonden vergeeft, en (ons) de voldoening van Christus, even alsof deze door onszelf was volbi'acht, toerekent, en uit hoofde van haar zonder eenige verdiensten onzerzijds ons in genade aanneemt, en ons met den H. Geest en het eeuwige leven begiftigt. ,

G. B.


1) Misschien: Want is 'n publieke aantijging wel „i)ersoon ijlc" in den zin, dien het woord gewoonlijk heeft?

1) Ut omnia.... nobis rata sint. Ratus = geldig, van kracht, in vervulling komende. Wij hebben ons verplicht niet alleen om te gelooven in Christus, maar ook om heilig voor Gods o te leven. Vgl. antw. 141. Door geloof en bekeering wordt he verbond geratificeerd! Waar deze door ons worden geweige maken wij het ijdel, berooven wij het van zijn effect, (irritum facere.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 november 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJK LEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 november 1938

De Reformatie | 8 Pagina's